Welcome to the Multatuli  pages of Maarten Maartensz. See:  Help + Map + Tour + Tips + Notes + News + Home


 

Index
Secties en noten

Multatuli en de Filosofie

Multatuli was een filosoof. Dat is de eerste bewering die ik aannemelijk wil maken. Om dat te doen is het nodig duidelijk te maken wat filosofie is, en welke soorten filosofie en pseudo-filosofie er zijn, en daarna te argumenteren in welke zin Multatuli een filosoof is. En om de lezer niet in ondragelijke spanning te laten waar ik heen wil, zal ik ook meteen de tweede bewering die ik aannemelijk wil maken formuleren: De enige drie Nederlandse filosofen van belang, tot de dag van vandaag, zijn Spinoza, Beth en ... Multatuli, en het is niet toevallig dat alle drie van origine geen filosoof waren; aanzienlijke wiskundige talenten hadden; en zich verbaal helder konden uitdrukken. Maar terzake.

1. Filosofie: Onder "filosofie" versta ik: Een systematisch en bewust pogen goede antwoorden op fundamentele vragen te vinden. Die fundamentele vragen zijn i.h.b.: Wat is waarheid; waarschijnlijkheid; kennis; goedheid en schoonheid? Wat is een goede maatschappij; en hoe moet men leven? Wat bestaat er; en hoe zit de werkelijkheid in elkaar? Of in egoistische termen geformuleerd: Wat ben ik; waar ben ik; wat moet ik doen; en hoe weet ik dat?

Dit is een bruikbaarder definitie van filosofie dan vele andere omdat deze lijst van vragen aansluit bij veel antwoorden die men gewoonlijk voor filosofie gehouden heeft, en omdat een opsomming van de vragen die men voor fundamenteel en relevant houdt een zinniger karakteristiek van filosofie vormt dan een kort inhoude lijk antwoord erop. Bovendien zijn de bovenstaande vragen fundamenteel in de zin dat (i) ze logisch gezien vooraf gaan aan alle wetenschappelijke en niet-wetenschappelijke antwoorden erop, en (ii) ze voor ieder mens gelden, en door ieder mens beantwoord moeten worden, al is het door onnadenkend in te stemmen met een of andere bestaande wereldbeschouwing. Secties en noten

2. Theoretische en praktische filosofie: Voor goed begrip van de filosofie is het belangrijk een onderscheid te trekken tussen, in de eerste plaats, twee soorten of stijlen van antwoorden op deze en dergelijke vragen - en ik kwalificeer omdat ik straks nog een derde stijl van filosofie-beoefening zal omschrijven. Tot op zekere hoogte komt het hier behandelde onderscheid overeen met dat tussen "filosofie" aan de ene kant, en "levensfilosofie" of "overtuiging" aan de andere kant. Het wordt echter zelden duidelijk getrokken, terwijl ook het belang van een dergelijk onderscheid, en het licht dat het werpt op diverse manieren van filosofie-beoefening, gewoonlijk niet goed onderkend wordt. Ik trek het onderscheid als volgt: Er is een verschil tussen twee vormen van filosoferen die ik, bij gebrek aan betere termen, aan zal duiden als theoretische en praktische filosofie.

Wat is het verschil? Onder theoretische filosofie versta ik: Het streven naar een omvattende, samenhangende en ware theoretische conceptie van de werkelijkheid, of een deel daarvan; onder praktische filosofie versta ik: Het streven naar een persoonlijk relevante, interessante en inspirerende visie op leven en ervaring, of een deel daarvan.

Zo gedefinieerd hebben theoretische en praktische filosofie twee verschillende, zij het overlappende doelen, en hoewel beide gewoonlijk uitmonden in en herkenbaar zijn aan, naar het woordgebruik (of -misbruik) gerekend, min of meer filosofisch gekleurde beweringen, verschillen de twee vormenaanzienlijk in methodes en criteria. Als men ze handzaam tegen over elkaar stelt en vergelijkt krijgt men de volgende twee lijstjes - waarbij men moet bedenken dat alle classificaties ideaaltyperingen zijn, en dat de werkelijkheid altijd complexer en geschakeerder is dan de leer:  

 


Twee soorten filosofie

THEORETISCHE FILOSOFIE

PRAKTISCHE FILOSOFIE

: Het streven naar een WARE, OMVATTENDE en SAMENVATTENDE theoretische conceptie van de werkelijkheid

: Het streven naar een PERSOONLIJK RELEVANTE INTERESSANTE en INSPIRERENDE visie op leven en ervaring

zodat de criteria waarmee men de kwaliteiten van een theoretische filosofie toetst de volgende omvatten:

zodat de criteria waarmee men de kwaliteiten van een praktische filosofie toetst de volgende omvatten:

Theoretische filosofie moet:

Praktische filosofie moet:

  • gebaseerd zijn op feitelijk ware of testbare veronderstellingen; 
  • gebaseerd zijn op feitelijk ware of testbare veronderstellingen; 
  • aansluiten bij relevante wetenschappelijke bevindingen; 
  • gebaseerd zijn op intersubjectieve niet-persoonsgebonde ervaringen en procedures; 
  • nauwkeurig, consistent, coherent en logisch geldig zijn in haar argumentatie; 
  • zo waar en omvattend mogelijk zijn; 
  • relevant zijn voor de theorie- vorming. 
  • gebaseerd zijn op veronderstellingen die tot een interessante en zinnige levenspraktijk leiden; 
  • aansluiten bij persoonlijke wensen en eigenaardigheden; 
  • gebaseerd zijn op subjectieve persoonlijk relevante overwegingen, inzichten en ervaringen; 
  • overtuigend, goed geschreven en memorabel zijn in haar argumentatie; 
  • waarachtig lijken en praktiseerbaar zijn; 
  • relevant zijn voor de praktijk van het leven. Secties en noten

3. Theoretische filosofie: Natuurlijk heb ik hier de twee polen van een continuum gegeven, en vallen de meeste filosofieen ergens tussen deze twee uitersten: Iedere theoretische filosofie heeft ook praktische relevantie en literaire inhoud; en iedere praktische filosofie is gebaseerd op theoretische posities en heeft pretenties van intersubjectieve geldigheid.

Het boven gegeven polaire onderscheid is getrokken in termen van doelen en te bevredigen criteria, maar de onderscheide doelen en criteria worden bovendien met verschillende methodes nagestreefd:

Theoretische filosofie veronderstelt een grondige kennis van de filosofie; van de relevante wetenschappelijke feiten en procedures; en van logische en wetenschappelijke methodes en technieken - het is tenslotte (vaak voorkomende) onzin zich leerstellig te uiten over metafysika zonder goed op de hoogte te zijn van wat daarover in heden en verleden beweerd is, of zonder te weten wat pertinente wetenschappen als natuurkunde en psychologie in dit verband te melden hebben, of zonder op de hoogte te zijn van de zeer precieze en uitgebreide logische methoden waarmee o.a. metafysische vraagstukken helder gesteld en uitgewerkt kunnen worden. Daarom is theoretische filosofie een akademisch vak (alhoewel het tegenwoordig niet zozeer succesvol uitgeoefend wordt door akade misch opgeleide filosofen als wel door filosofisch geinteresseerde wiskundigen, zoals we hieronder zullen zien) en een akademische discipline, die hoge eisen aan haar beoefenaars stelt en waarvan de resultaten in de eerste plaats gericht zijn aan en relevant zijn voor vakgenoten - was het alleen al omdat de typische theoretische filosofische publicatie ingebed is in eennetwerk van voorkennis, vooronderstellingen, jargon en een technische apparatuur, zoals logika, kennis van scholastiek latijn, of programmeertalen, die voor niet-vakgenoten gewoonlijk vrijwel onoverkomelijke moeilijkheden inhouden. Secties en noten

4. Praktische filosofie: Praktische filosofie kan bedreven worden zonder de voor theoretische filosofie vereiste kennis. Wat men in de eerste plaats nodig heeft is een scherp oog voor de menselijke situatie en voor bestaande noden en behoeftes; daarbij aansluit ende ideeen; en een vaardige pen. Praktische filosofie omvat een groot aantal verschillende (sub-)stijlen en aanpakken en overlapt met psychologie, religie en literatuur. Het kan varieren van slechte, afgekeken, zoveelste rangs theologische, politieke, psychologische of populair natuurwetenschappelijke traktaatjes, tot Montaigne's schitterende essays, en Lichtenberg's of La Rochefoucauld's prachtig geformuleerde aforismen.

Tegenwoordig wil praktische filosofie nogal eens ontaarden in populaire half psychologische, half filosofische Handleidingen tot Het Hogere, of in pretentieuze therapieen, maar soms heeft praktische filosofie, ook tegenwoordig, de vorm van zeer leesbare, soms schitterende literatuur of essayistiek, zoals bijv. Huxley, Orwell en Zinoviev hebben geschreven. Beide vormen van filosofie zijn echter legitiem, en kennelijk zijn beide ook nodig, menselijkerwijs: Waar theoretische filosofie vooral helpt begrijpen, helpt praktische filosofie vooral motiveren. Maar het is belangrijk om theoretische en praktische filosofie niet met elkaar te verwarren: De doelen en methodes verschillen aanzienlijk, en de kwaliteit van de gepresenteerde inzichten ook. Secties en noten

5. Pseudo-filosofie: Er is echter nog een derde vorm van filosofie bedrijven, die ik pseudo-filosofie noem. Deze bestrijkt een breed gebied tussen wetenschap en theoretische filosofie aan de ene kant, en literatuur en praktische filosofie aan de andere kant, en omvat existentialistische, postmodernistische en andere alternatief-esoterische vormen van taalmisbruik en geestesverduistering in deze eeuw, en Kantianisme en Hegelarij in de vorige.

Pseudo-filosofie is een betrekkelijk modern verschijnsel. Het kan gedateerd worden als beginnend met Kant's "Kritik der reinen VernŁnft" uit 1784, en is dus ruim 200 jaar oud. De oorzaken voor de opkomst van de pseudo-filosofie vanaf ca. 1800 zijn van verschillende aard, maar hangen allemaal samen met de opkomst van de wetenschap in de 18e eeuw: Pseudo-filosofie komt op met het uit breiden van de universiteiten en het ontstaan van leerstoelen en universitaire diploma's in filosofie; met de opkomst van de natuurwetenschappen en de creatie van de maatschappij-wetenschappen, waarmee een groot deel van de problematiek die tot dan toe filosofisch was (en heette: Newton beschouwde zich als een "natural philosopher") onderdeel van diverse nieuwe wetenschappen wordt, zoals de sociologie en psychologie; en met het verval van de traditionele religies en de toenemende ongeloofwaardigheid van religieuze oplossingen.

Deze combinatie van opkomst van de wetenschap, ondergang van de religie, en creatie van leerstoelen en leergangen filosofie werk te het ontstaan van in eigenaardig taalgebruik vervatte filosofische concepties in de hand, die eigenlijk alleen aan universiteiten en onder intellektuelen een sprankje leven hebben, en die in plaats van werkelijk inzicht en begrip vooral de - verbaal indrukwekkende en moeilijk te doorgronden - schijn daarvan biedt. Pseudo-filosofie kan als volgt omschreven worden:

 


PSEUDO-FILOSOFIE:

 Het streven naar een INDRUK MAKENDE, VEEL OMVATTENDE en INTERESSANT LIJKENDE visie op de werkelijkheid of - een deel van de - filosofie zelf;

zodat de criteria waarmee men de kwaliteiten van theoretische filosofie toetst de volgende omvatten:

Pseudo-filosofie moet:

  • geconstrueerd zijn uit klinkend maar moeilijk toegankelijk jargon en ingewikkeld taalgebruik; 
  • een nieuwe intellectuele mode creeeren of een oude verder uitspitten; 
  • gebaseerd zijn op vergaande intellectuele, ethische of politieke pretenties; 
  • overtuigen door schijnbare diepzinnigheid, omvattendheid, ingewikkeldheid en beweerd belang; 
  • zo hermetisch, esoterisch en onweerlegbaar mogelijk zijn; en 
  • aansluiten bij de behoeftes van een groep intellektuelen op zoek naar een ideologie. 

De lezer die mij hier tendentieus taalgebruik wil verwijten geef ik gelijk ... met de aantekening dat de gegeven omschrijving van "pseudo-filosofie" ook grotendeels die van "succesvolle religie of politieke leer" is. En als dat inderdaad zo is, dan is de karakteristiek van pseudo-filosofie een zinnige, al is de lezer het niet eens met wat ik daarvoor houd. Maar daarover straks meer - hier gaat het vooral om de registratie dat een aanzienlijke deel- verzameling van "de" filosofie neerkomt op erudiete woordenkramerij. Secties en noten

6. Tegen pseudo-filosofie: Het onderscheid tussen theoretische, pseudo- en praktische filosofie is belangrijk omdat het gewoonlijk niet, of niet helder genoeg, wordt ingezien. Het niet goed zien van deze onderscheidingen leidt tot grote verwarring: Wat tegenwoordig voor filosofie doorgaat is vooral pseudo-filosofie, terwijl dat juist gewoonlijk wetenschappelijk steriel, stylistisch onverteerbaar en praktisch onbruikbaar maar overigens uitermate pretentieus gebazel is waar geen mens veel aan heeft, en waar gewoonlijk intellectueel even weinig van te begrijpen valt als er stylistisch aan te waarderen is.

Pseudo-filosofie is vooral de pretentie of illusie van inzicht, overzicht en begrip, en verhoudt zich tot de filosofie zoals een hoer zich tot de liefde verhoudt: Zolang de naar ideologie hongerende intellectueel maar dom genoeg is om zich door z'n eigen onvermogen om kitsch van werkelijkheid te onderscheiden te laten misleiden, zullen pseudo-filosofen kwasi-diepzinnige kitsch produceren en er zich voor laten betalen in vette universitaire salarissen en maatschappelijke status. En dat is een feit dat even weinig verbazing zou behoren te wekken als de morele en intellektuele imperfektie van het dier dat zich "homo sapiens sapiens" noemt.

En natuurlijk: Niet alles wat nominaal onder de noemer pseudo-filosofie valt is even slecht, terwijl het ook niet zo is dat de meeste pseudo-filosofen zich bewust toeleggen op het produceren van ingewikkelde, modieuze, pretentieuze en esoterische constructies ter leniging van de ideologische nood onder intellektuelen. Netzomin als de meeste moderne theologen klinisch gek of overwegend hypocriet zijn, zijn de meeste pseudo-filosofen dat: Wat een filosofie tot een pseudo-filosofie maakt is dat het met onvoldoende verstand bedacht en met een slecht taalvermogen geschreven is.

Goede bedoelingen die veel minder goed uitgevoerd worden zijn normaal-menselijk, en niet bijzonder kwalijk. Maar pseudo-filosofie houd ik voor zowel schadelijk als kwalijk. De belangrijkste redenen daarvoor zijn de volgende vier:

(1) Vanuit cognitief en wetenschappelijk oogpunt stelt pseudo-filosofie, i.h.b. de genoemde richtingen, die overigens ieder goed zijn voor miljoenen pagina's leesmisere, weinig of niets voor: Ze sluit niet aan bij bestaande wetenschappelijke problemen; en ze wordt alleen beoefend en "begrepen" door een klein kliekje akademici dat zich interessant heeft weten te maken door weer een nieuwe vorm van hoogdravend en grotendeels onbegrijpelijk taalgebruik, vol van pretenties en nooit ingeloste beloftes.

(2) Vanuit stylistisch oogpunt zijn de schrifturen in de genoemde richtingen vrijwel zonder uitzondering om te gruwen (de enige mij bekende uitzondering is Sartre, en ook hij was een taalverkrachter zodra hij filosofie bedreef) - vooral door een combinatie van stylistisch en intellektueel onvermogen met de wens een diepzinnige impressie te maken. Het resultaat is geen werkelijk begrip maar een eigenaardig soort zelfbedrog dat in pretentieus jargon en kromme grammatika verpakte trivialiteiten of onzin voor diepe inzichten houdt.

(3) Hoewel er geen sterk bezwaar is tegen iemand die zichzelf op een lome zondagnamiddag wenst te hypnotiseren door Heideggeriaanse transcedentale meditatie, of Derridadaistische geestesbezweringen ligt dit anders zodra slechte filosofie van maatschappelijk belang geacht wordt: Dan wordt de kwaliteit van de ideeen die aangehangen worden ook van maatschappelijk belang, want waar slecht nagedacht wordt en geloof gehecht wordt aan gebazel, staat de deur wijd open voor totalitaire en intolerante politieke filosofieen. Zodra iemand's ideeen relevant worden voor het leven en de mogelijkheden van z'n medemensen is Clifford's dictum van toepassing: "It is always wrong, for anyone, anywhere, to believe anything upon insufficient evidence". Want wat onvoldoende ondersteund wordt door de feiten is waarschijnlijk niet waar, en wat niet waar is leidt tot misŤre wanneer het geloofd wordt en tot grondslag van handelen dient.

(4) Tenslotte heb ik er, naast deze wetenschappelijke, esthetische en politieke bezwaren een ethisch bezwaar tegen: Ik kan niet geloven dat de aanhangers en uitbreiders van zwaarwichtige en stylistisch onverteerbare pseudo-filosofische kolder, voorzover niet gewoon oerdom, moreel te vertrouwen zijn. (Voorbeeld: Heidegger was een nationaal-socialist; Sartre loochende het bestaan van concentratie-kampen in de Sovjet-Unie. Dat komt van slechte filosofie: Corruptie of zelfverblinding.)

En bovendien is er nog het literaire en praktisch-filosofische bezwaar: Niet alleen bestaat akademische filosofie grotendeels uit pretentieus, en intellectueel oninteressant gebazel, dat niet tot begrip maar illusie leidt - ook menselijkerwijs en literair valt er niet alleen niets van te genieten, maar vooral van te gruwen. Wat de meeste mensen tevergeefs in de paginaas van Kant, Hegel of Heidegger zoeken - inzicht in wat mensen beweegt; begrip van wat het is mens te zijn - kan iedereen vinden in de klassieke literatuur: Wat bij pseudo-filosofen te vinden is en niet ook in bijvoorbeeld Shakespeare, Sofocles of Montaigne te vinden is, is de moeite van het lezen niet waard. En mijn wat cynische vermoed en over de Heidegger- en Hegel-enthousiasten is niet alleen dat ze tamelijk dom zijn, maar ook dat ze slecht op de hoogte zijn van klassieke literatuur. Secties en noten

7. De ideologische behoefte en -drogreden: Wat beweegt vele intellektuelen te geloven dat Kant, Hegel of Heidegger een groot filosoof is, en belangrijke inzichten in de werkelijkheid of over de menselijke situatie geformuleerd hebben? En dat terwijl de intellektueel in kwestie niet in staat is - probeer het zelf eens, lezer! - in duidelijk Nederlands uiteen te zetten wat deze inzichten zouden zijn; waarom ze geloofwaardig zijn; en waarom ze belangrijk zijn?

De reden is het zeer menselijke oorzakencomplex dat aan de bron ligt van alle geloof: De typisch menselijke behoefte aan een ideologie, en de daarmee samenhangende ideologische drogreden.

Wat ik hiermee bedoel kan ik het beste met een paar definities verduidelijken. Een ideologie is een stelsel ideeen over (i) wat de werkelijkheid is (metafysika) en (ii) wat de werkelijkheid behoort te zijn (ethica). Ieder mens heeft een ideologie nodig - om z'n ervaringen begrijpelijk te maken; om zich te orienteren; en om keuzes te helpen maken. Kortom, een ideologie omvat ideeen en idealen over de werkelijkheid en de mensen; over wat men in z'n leven kan verwachten; waarom dat zo is; en wat men eraan kan doen. Dieren hebben een instinct; de mens, door intellect ver heven boven de dieren, en alleen in het bezit van rudimentaire instincten, is daardoor, uit nood gedwongen, het rationaliserende dier, de ideologische aap.

De ideologische behoefte is, naast en als aanvulling op het taalvermogen, het meest kenmerkende voor de mens. En omdat het een behoefte, een bestaans-noodzakelijkheid, betreft wordt deze in de eerste plaats emotioneel bevredigd: De ideologische drogreden bestaat in het een idee voor waar houden omdat men het wenselijk acht, en omgekeerd, wat men voor wenselijk houdt waar te achten. Tenzij men uitermate gedisciplineerd is, is intelligentie, zoals de ervaring uitwijst, geen goed weermiddel tegen de ideologische drogreden: De meest intelligente mensen hebben de meest grote onzin voor waar en belangrijk gehouden - overigens vaak minder uit geloof aan de onzin dan uit geloof aan zichzelf: "IK kan me onmogelijk vergissen!".

Vanuit een logisch gezichtspunt is dit vreemd: Er zijn zo'n 3500 verschillende, elkaar overwegend tegensprekende religies; er zijn in ieder geval vele tientallen elkaar bestrijdende politieke opvattingen; en er zijn honderden verschillende onderling strijdige filosofische stelsels. Het is een elementair logisch feit dat van elkaar tegensprekende meningen hoogstens EEN waar kan zijn, terwijl een adekwaat ziftingsproces gewoonlijk veel tijd, moeite en een bijzonder getraind intellect van node heeft. Ondanks deze toch vrij vanzelf sprekende overweging zien we duizenden zichzelf voor intelligent verslijtende intellectuelen zonder bijzondere filosofische kennis of buitengewoon intellect, knielen voor het altaar van Heidegger, Marx, Derrida of andere diepzinnige moderne afgoden.

Psychologisch is deze uit ideologische nood geboren verafgoding te begrijpen - veel betere intellecten dan dat van de gemiddelde moderne intellectueel hebben zichzelf, gedreven door dezelfde menselijke behoefte aan begrip en orientatie, aan idolen, idealen en een ideologie, weten te overtuigen van bijvoorbeeld katholieke onzin.

Wat verontrustend is aan deze ideologische behoeftebevrediging onder (soi-disant) intellectuelen is het idolate slikken van de pretenties van hun afgoden: De plaatsvervangende hubris die het iemand helpt voor mogelijk te houden dat EEN man, in 1800- of 1900-zoveel, tot meer of vergelijkbaar veel in staat zou zijn als alle wetenschappers, filosofen en literatoren tot dan toe - want, lezer, als u het nog niet wist: Het zijn dit soort dingen die over Kant, Hegel, Marx en Heidegger beweerd wordt door hun aanhangers, in termen als "hij, de bijzonder geniale denker in kwestie, dacht de hele westerse filosofie aan flarden, wat uitermate belangrijke wetenschappelijke, filosofische en andere konsekwenties heeft". Dergelijke plaatsvervangende hubris is in mijn ogen ridicuul, en politiek en ethisch gevaarlijk: Het noodt tot het volgen van onbegrepen leiders, in naam van hooguit gedeeltelijk begrepen halfbakken ideologieŽn of filosofische stelsels. Een maatschappelijk belangrijk voorbeeld van dit verschijnsel is de rol van afgod die Marx voor veel jonge intellectuelen in deze eeuw gespeeld heeft. Secties en noten

8. Pseudo-filosofie vs. wiskunde: "Maar" hoor ik de filosofisch geinformeerde tegensputteren "wat je tot nu toe uitgedrukt hebt zijn wat onderscheidingen die vooral je eigen filosofische voor oordeel dienen, dat samen te vatten is als: De mensheid wil bedrogen worden, en bedriegers zullen er altijd zijn, ook en vooral op het terrein van de filosofie en religie. Wat zegt jouw vooroordeel over de filosofie in het algemeen?". Welnu, kritische lezer, persoonlijk heb ik niets tegen vooroordelen - zolang ze maar rationeel gefundeerd zijn. Maar laten we eens zien hoe bevooroordeeld ik ben, en hoe geÔnformeerd de kritische lezer zelf is.

Er zijn in deze eeuw waarschijnlijk meer akademisch opgeleide filosofen dan er in de hele geschiedenis aan serieuze filosofen geweest zijn, maar ze hebben zowel minder cognitief nut als minder goed sociaal effect dan filosofen ooit gehad hebben.

Dit kan op diverse manieren beargumenteerd worden, zoals bijvoorbeeld m.b.v. de tamelijk gruwelijke moderne geschiedenis. Ik zal het hier doen door het vertonen van wat erudiet filosofisch perspectief.

Er is in deze eeuw inderdaad aanzienlijke vooruitgang geboekt op het terrein van de theoretische filosofie, maar die vooruitgang is vrijwel uitsluitend te danken aan ... wiskundigen: Russell en Whitehead (beide van origine wiskundige) hebben de logika op poten gezet; Gűdel (wiskundige) heeft de bewijstheoretische on volledigheid van de wiskunde vastgesteld; Tarski (wiskundig filosoof) heeft een exacte definitie van het waarheidsbegrip geleverd; Kolmogorov (wiskundige) en Ramsey (wiskundig econoom) hebben de grondslagen van de waarschijnlijkheidstheorie verhelderd; Bunge (theoretisch natuurkundige) heeft een redelijk systematische wetenschappelijk realistische visie geleverd; Turing (wiskundige) en McCulloch (medicus) hebben de grondslagen voor de cognitieve psychologie gelegd; Wiener (wiskundige) heeft het systematisch belang van de terugkoppeling voor het begrip van het leven duidelijk gemaakt; Chomsky (linguist) en Montague (wiskundige) hebben de grondslagen van de taal verhelderd, en zo zou ik nog wel een tijd door kunnen gaan.

Filosofen met een akademische opleiding in de filosofie hebben vooral bijgedragen aan de geestesverduistering, varierend van de esoterische duisternis van Heidegger, via het gebral van Steiner, tot de kwasi-heldere steriliteit van het neo-positivisme. En ja, lezer, ik ben me bewust dat ik ook hier in brede trekken enigzins dubieuze leerstelligheden verkondig. Maar ik heb een eenvoudig verweer tegen de skeptici: Toon aan dat u, zoals ik, de boven staande wiskundigen gelezen en begrepen hebt, en ze in een intellektuele traditie kunt plaatsen, en toon aan dat u Shakespeare, Montaigne en nog het een en ander aan klassieke literatuur gelezen hebt en probeer me pas daarna eens uit te leggen waarom ik of enig ander tijd zou moeten verdoen met existentialistische, structuralistische, post-modernistische en andere pretentieuze prietpraat voor intellektuelen zonder verstand. Ik ben de eerste om toe te geven dat mijn oordelen scherp zijn, en regelmatig op veroordelingen neerkomen - maar vooroordelen zijn het niet, want ik heb de moeite genomen mij op de hoogte te stellen zowel van wat ik verwerp als van wat ik bewonder. En, kritische lezer die de akademische pseudo-filosofie verdedigt, ik heb opnieuw een eenvoudig en, geef ik toe, enigzins sarcastisch vermoeden over uw redenen om een akademische pseudo-filosofie aan te hangen: U begrijpt eerlijk gezegd weinig of niets van wiskunde, en als gezegd, met het lezen van veel klassieke literatuur hebt u zich ook niet bezig gehouden. Dat geeft allemaal niet, want u kunt best een exceptioneel goed en nuttig mens zijn zonder veel ken nis, maar als ik gelijk heb, dan lijken uw oordelen verdacht veel op die van de creationisten, die menen Darwin te kunnen weerleg gen op grond van hun Bijbelkennis en stellig geloof. Secties en noten

10. Het Taurus-principe: Uiteraard heb ik tot nu toe vooral mijn meningen over filosofie geschetst, en wel met de behangselkwast: In brede trekken, voor de goede verstaander. Het belang hiervan, afgezien van een beter begrip van Multatuli, is dat het mensen een zinnig perspectief kan geven op filosofie, een veld dat zoals veel menselijk presteren geregeerd wordt door de Wet van de Stier: Wie een stier 1 kilo zwaarder wil maken, moet het dier 10 kilo meer voer geven - 90% van de productie is dus ... Juist, lezer: Mainly bullshit, zegt men in Amerika. Om dat ook op wijsgerig terrein te zien is het nuttig de drie stijlen van filosofie die ik genoemd heb te leren onderscheiden: Is het theoretisch, dus diepgravend maar moeilijk; praktisch, dus interessant maar mogelijk oppervlakkig; of pseudo-filosofie, dus alleen schijnbaar diepgravend en overigens stylistisch onverteerbaar.

Dit alles maakt misschien wel een aantal bruikbare onderscheidingen duidelijk en ook waarom ik weinig op heb met pseudo-filosofie, maar nog niet waarom ik mijn "studie" filosofie af wil sluiten met een scriptie "Over de ideeen van Multatuli". Welnu: Een algemene reden is dat ook aan de UvA voornamelijk pseudo-filosofie door voornamelijk pseudo-filosofen (anders gezegd: farizeÔsche sofisten) "onderwezen" wordt. Een meer specifieke reden is dat ik meer - veel meer - van Multatuli geleerd heb dan van alle pseudo-filosofen bij elkaar die ik gelezen heb (en helaas zijn dat er nogal wat). Een nog wat specifiekere reden is dat ik Multatuli niet alleen voor een groot schrijver houd, maar ook voor een belangrijk praktisch filosoof. En daarnaast kan ik nog wel dertig redenen bedenken, waarvan er hier tien volgen:    Secties en noten

11. De persoon: Eduard Douwes Dekker combineerde een groot aantal bijzondere of unieke eigenschappen in een persoon: Hij was verreweg de grootste en intellektueel meest begaafde Nederlandse stilist en schrijver; hij speelde een interessante politieke en maatschappelijke rol en had aanzienlijke, zij het indirecte, politieke en maatschappelijke invloed via z'n geschriften; hij had een bijzonder interessant en gevarieerd leven, dat bovendien goed gedokumenteerd is door schitterende brieven en interessante dokumenten; hij had een buitengewoon grote hoeveelheid zinnige zijn tijd vaak ver vooruit zijnde ideeŽn, die hij prachtig geformuleerd heeft; hij had een fascinerende en bijzonder ingewikkelde persoonlijkheid, waarin een intens temperament en een ongemeen scherp intellect voortdurend om de voorrang streden; hij had een interessant en uitgebreid liefdesleven, met veel verhoudingen en een zeer bijzonder huwelijk; hij was een bijzonder eerlijk, moedig en consequent naar morele principes handelend mens; en hij had een, vooral door temperamentele tekortkomingen en tegenwerking veroorzaakt tragisch leven. Secties en noten

12. Zijn menselijke grootheid: Ik heb een klein pantheonnetje van echte mensen die echt konden denken en formuleren (Montaigne, Shakespeare, La Rochefoucauld, Voltaire, Lichtenberg, Diderot, Johnson, Franklin, Jefferson, Cobbet, Hazlitt, Russell) en Multatuli hoort daarbij, als enige Nederlander. Als ik over iemand anders wens te schrijven dan mijzelf of mijn ideeŽn dan is het over deze mensen, van wie ik meer geleerd heb en die mij minder verveeld en geÔrriteerd hebben, en ook, wat eveneens heel belangrijk is, die mij meer geamuseerd en geboeid hebben dan enig ander. Wat maakt iemand tot echt mens - in een wereld die kapot gaat aan de gebruikelijke menschlich-allzumenschliche echte onmenselijkheid, egoisme, lafhartigheid en moedwillige domheid? Dit: Gezond verstand, wetenschappelijk inzicht, literaire en verbale gaven, een goed intellekt, logische capaciteiten, morele statuur en moed, artistieke talenten, een uitgesproken en intense persoonlijkheid, en dit alles gecombineerd met goede, originele ideeŽn. Secties en noten

13. Multatuli als filosoof: Multatuli was een filosoof, een praktisch filosoof, in de boven geschetste termen - en hij was dat niet in de akademische pseudo-traditie, maar in de klassieke zin. Voor de Nederlandse intellektueel betekent filosofie zoveel als: Krom en duister gebazel met diepzinnigheids-pretentie, maar voor mij, die beter weet, is een filosoof (voorzover niet pseudo-) eenvoudig iemand die intens graag weten en begrijpen wil wat en hoe de werkelijkheid is; wat mensen zijn en kunnen zijn; wat een goede maatschappij is; wat waarheid, waarschijnlijkheid, kennis, geloof, goed en kwaad, en schoonheid zijn; hoe men goed redeneert en nadenkt; hoe men z'n leven in moet richten; die wat i daarover meent te begrijpen in heldere, boeiende en memorabele taal weet weer te geven, en die bovendien de moed heeft naar z'n meningen te leven. Ik heb dit alles hierboven al aangeduid, bij wijze van inleiding, en herhaal het hier nog maar eens, om er op te wijzen dat Multatuli over al deze onderwerpen geschreven heeft, in een vrijwel altijd schitterende stijl, en er naar geleefd heeft. Er is geen Nederlandse filosoof, behalve Spinoza, waar dat ook van gezegd kan worden, en Spinoza drukte zich helaas een stuk slechter uit dan Multatuli.  Secties en noten

14. De stijl: Puur genot is een andere reden om Multatuli te lezen. Daar komt bij: Niet alleen heb je niets aan diep inzicht in onverteerbaar proza - ik geloof er ook niet aan. Wie goed kan redeneren kan goed formuleren, en duisterpraters zijn oplichters (zo niet van anderen dan toch van zichzelf). Er bestaat een veel nauwer verband tussen waarheid en helderheid dan men gewoonlijk schijnt aan te nemen, en dat verband is veelvuldig. Ik noem een paar punten: Wat niet volledig begrijpelijk is kan niet volledig beoordeeld worden; duister proza leidt tot geestesverduistering, pseudo-begrip en oneerlijkheid; het grootste deel van de wetenschap, de filosofie en de kunst is overbodig, oneerlijk en pretentieus gelieg om den brode, en hetzelfde geldt voor vrijwel alle journalistiek en religie: De menselijke cultuur drijft op een maatschappelijk in stand gehouden en dagelijks vernieuwd weefwerk van leugens, bedrog en daarbij behorend valsistisch gedrog (en wie dit wil veranderen zal eerst de mensen en hun vermogens moeten veranderen: Een natie heeft de regering die het verdient, zoals een cultuur de leugens heeft zonder welke ze niet bestaan kan); een slechte stijl is verstandsmoord, en verstandsmoord is het begin van de onmenselijkheid; een goede stijl baart goede gedachtes, nieuwe inzichten en een beter verstand; stijl verhoudt zich tot het denken zoals grammatika tot het spreken; alleen wie helder formuleert kan begrepen worden, en alleen wie begrepen wordt kan weerlegd worden - alleen leugenaars en oplichters hebben baat bij duisterheid en vaagheid. En zo kan ik nog wel een tijdje doorgaan.  Secties en noten

15. De Ideeen: Bij dit alles komt dat ik het overwegend eens ben met Multatuli's ideeŽn, en meen het meeste wat hij zei verder te kunnen brengen of te kunnen weerleggen. Het eerste is niet moeilijk voor wie veel weet en goed nagedacht heeft en is bovendien belangrijk: Multatuli's ideeen over waarheid en waarschijnlijkheid; over eerlijkheid; over democratie en de menselijke middelmaat; over de maatschappij; over de zin van de logika en de wetenschap; over het belang van een goede stijl en helder woordgebruik; over de schoonheid en het nut van de wiskunde; over het opvoeden van kinderen; over wat de plichten van een regering zijn; over politiek; over onderwijs; over de kwaliteit van het Nederlandse bestuur, en over een boel andere mij eveneens zeer aan het hart gaande zaken zijn nog steeds nauwelijks begrepen en verdienen beter begrip en grotere bekendheid. Wat het weerleggen betreft: Niemand is perfect, en een aantal van Multatuli's ideeŽn, voorzover niet echt fout en verouderd (zoals z'n ideeŽn over het ontstaan van de taal), als bijvoorbeeld "deugd is genot" en "alles is in alles", zijn te misleidend uitgedrukt, te stoplapperig, om goed begrepen te worden, of gewoon onwaar in niet-metaforische zin. Het verderbreien aan Multatuli's ideeŽn is niet moeilijk omdat het meeste wat Multatuli schreef zich op het niveau van algemeen toegankelijk menselijk inzicht beweegt - wat uiteraard niet wil zeggen dat het ook algemeen bekend of begrepen is.  Secties en noten

16. Rechtvaardigheid: Ik denk dat Multatuli's ideeen weinig of geen recht is gedaan. Douwes Dekker zelf wist al waarom: "Du gleichst den Geist der du begreifst" en tot nu toe heeft het werk van Multatuli vooral gefunctioneerd als onbegrepen lachspiegel voor opgeblazen letterkundige Nederlandse nietigheden of als half begrepen inspiratie en voorbeeld van intelligente personen met een geringe opleiding. Voor de letterkundigen functioneerde Multatuli vooral als voorwendsel voor erudiete kolder; voor filosofisch of literair naÔeve lezers functioneerde hij vooral als slecht begrepen voorbeeld en inspiratie. En beide groepen lezers hielden zich zelden of nooit systematisch bezig met Multatuli's hoofdwerk, De IdeeŽn.

Met uitzondering van enkelingen, zoals Hermans, is het gros van de Multatuli-lezers ofwel idolaat uit onbegrip voor zoveel menselijke grootheid (de zgn. Multatulianen) of anders afgunstig uit eigendunk en onbegrepen eigen menselijke kleinheid (prominent vertegenwoordigd door de rattendeskundige `t Hart). Dat is jammer, want Multatuli zag een aantal zaken zeer diep en formuleerde ze buitengewoon scherp en mooi. Om me hier tot het noemen van en paar onpatriottische voorbeelden te beperken: Hele passages over Nederland, de Nederlandse regering, de lokale domheid, de achterlijke Nederlandse parlementariŽrs en de verwaten en stupide specialisten in van alles en nog wat, het onvermogen te lezen en na te denken, of de egoÔstische halfhartigheid die zo kenmerkend is voor de succesvolle Nederlanders (de reden waarom kleingeestige ironie zo populair is in dit land: "Niets kan deugen want ik deug zelf immers niet"), zijn nog steeds, na meer dan 100 jaar, volledig, letterlijk ongewijzigd van toepassing - en zijn dat al die jaren ook geweest. Het is daarom niet meer dan een daad van culturele rechtvaardigheid om zijn ideeŽn wat systematischer te presenteren en door te werken dan hij zelf deed.

17. De literaire kritiek: Nederlandse letterkunde is overwegend een deelverzameling van de Nederlandse akademische pseudo-filosofie, d.w.z. dat het vooral bestaat uit slecht geschreven maar uiterst pretentieuze teksten over overwegend triviale en onzinnige vraagstukken. Er zal zo langzamerhand wel een bibliotheek volgeschreven zijn over Lebak (waar Multatuli precies 87 dagen geweest is); over de compositie van de Havelaar; over z'n vrouw en kinderen, z'n schulden en vrouwengeschiedenissen; over de volgelingen van Multatuli; over de kritiek op Multatuli; over de kritiek op de volgelingen van Multatuli; over de kritiek op de kritiek op Multatuli etc. etc. Vrijwel alles wat met Multatuli te maken had is wel bevingerd, bezoedeld en verduisterd door deze of gene letterkundige (in Nederland per definitie een akademicus die weliswaar het alfabet kent maar niet schrijven of denken kan: Daarom zijn het immers ook letterkundigen i.p.v. schrijvers of denkers). Het resultaat van 100 jaar letterkundige inspanning is droefgeestig: Een bibliotheek vol grotendeels irrelevant geruzie over Multatuli, dat gewoonlijk weinig met Multatuli en veel met slecht lezen van doen heeft; interessante maar uitermate slecht en - na 100 jaar! - nog steeds onvolledig uitgegeven Volledige Werken; en welgeteld een goede biografie (door W.F. Hermans). Verhelderd is er weinig, en leesbaar is vrijwel niets, m.u.v. de boeken van Du Perron, Hermans en uiteraard Multatuli zelf, terwijl niemand in dit land waar zo weinigen lezen kunnen een enigzins systematische en grondige uiteenzetting heeft geschreven over waar het Multatuli uiteindelijk om ging: Zijn ideeŽn. Zodat het dus tijd wordt dat ik dat doe.  Secties en noten

18. De moraal: Multatuli was niet alleen een filosoof: Hij was ook een moralist, die zijn - christelijke dus schijnheilige - tijdgenoten beleerde in de vrijmoedige atheÔstische traditie van de franse moralisten. Omdat Multatuli ook in dit opzicht zijn tijd ver vooruit was, en omdat het onderwerp in deze tijd, waarin egoisme, hebzucht en moedwillig irrationalisme verdedigd worden met een beroep op de relativiteit van alle moraal ("Jij kan niet zeggen wat goed en kwaad zijn "ergo" ik mag doen wat ik wil") kan het nuttig zijn hier een korte morele verhandeling in te lassen, waarschijnlijk in de geest, zij het niet volgens de letter, van Multatuli:

Het kwaad in de wereld is onnodig lijden, en wordt veroorzaakt door menselijk onvermogen - tot goed nadenken en eerlijk en konsekwent handelen. Ingewikkeld is het niet: Iedereen weet tot op zeer grote hoogte wat z'n medemensen pijnigt en pleziert, en wat een mens nodig heeft om redelijk te kunnen bestaan. Iedereen weet dat onware ideeen, hoe goed bedoeld ook, wanneer ze als leidraad tot handelingen dienen overwegend tot ellende leiden, zo niet voor de handelaar dan wel voor z'n medemensen. Daarom behoort iedereen, al was het alleen maar uit welbegrepen eigenbelang, zich naar vermogen toe te leggen op waarachtig begrijpen en goed doen - waarbij het laatste in ieder geval wil zeggen: Het bewust vermijden van onnodig lijden, en het helpen van degenen die daaraan blootgesteld zijn.

Multatuli deed dat - naÔef, eerlijk en goedwillend. Vrijwel al z'n medemensen, toen en nu, veel dommer maar ook veel wereldwijzer, minder eerlijk en van minder goede wil, laten dat overwegend na - uit onvermogen, want waarachtig begrip en redelijk handelen zijn moeilijk; uit domheid, want de meeste mensen zijn te dom om zonder hulp tot rationele ideeen te komen; uit egoÔsme, want de meeste mensen zijn te zelfzuchtig om rechtvaardigheid en redelijkheid op meer dan minimale schaal te betrachten; of uit lafheid, want het meeste kwaad wordt welbewust gedaan, uit angst af te wijken van wat maatschappelijk gewenst of gebruikelijk is. Daarom is de wereld wat zij is: Voor de meerderheid overwegend een lijdensweg veroorzaakt door illusies en verlicht door valse hoop en egoÔstisch vermaak. Secties en noten

19. Rationaliteit en romantiek: Multatuli is een exceptioneel voorbeeld van iemand met een buitengewoon verstand die ook een buitengewoon goed hart en bijzondere moed had, en die durfde te leven en handelen naar z'n overtuiging. Zo hoort het ook, menselijkerwijs, maar zo is het zeer zeldzaam - en het is, in deze tijd van verstandsmoord, anti-rationaliteit in naam van onbegrepen emotie, en zwakzinnig bijgeloof aan de meest achterlijke en kwalijke emotioneel bevredigende idioterie, belangrijk om uiteen te zetten dat het niet alleen mogelijk is maar alleen mogelijk is om een goed en gevoelig mens te zijn als je je verstand goed gebruikt en logisch verantwoord redeneert: Alleen een rationeel gefundeerd gebruik van de emoties, en alleen een emotioneel geÔnspireerd gebruik van het verstand kunnen leiden tot iets goeds. De integratie van gevoel en verstand, de emotioneel geÔnspireerde rede, de rationeel gefundeerde emotie, is wat de mens tot mens maakt (dieren kunnen voelen, en machines rekenen - alleen de mens kan beide) en Multatuli is daar een bijzonder prachtig en inspirerend voorbeeld van. Secties en noten

20. Theoretische en praktische filosofie: Ik zie het als een van de belangrijkste taken van de filosofie om theoretisch zinnige dingen van algemeen menselijk belang op een stylistisch verantwoorde manier uit te drukken. Tenslotte is dat de beste manier om de wereld te verbeteren: Bij te dragen tot beter begrip door goed, dat is: helder, waarachtig en boeiend, taalgebruik. Multatuli zie ik als verreweg het beste Nederlandse voorbeeld hiervan. Een aantal buitenlandse schrijvers die hetzelfde beoogden heb ik al genoemd: Montaigne, Shakespeare, Voltaire, Dr. Johnson, Diderot, La Rochefoucauld en Hazlitt. Enkelen in deze eeuw zijn: Huxley, Miller, Orwell, Auden en Zinoviev. Op het terrein van de theoretische filosofie is er ook goed werk verricht in deze eeuw. Wie zich hiertoe geroepen voelt leze bijv. StegmŁller's "Probleme und Resultate der Wissenschaftstheorie und Analytische Philosophie" (4 dikke delen) of Bunge's "Treatise on Basic Philosophy" (op `t moment 8 delen). Dit zijn stuk voor stuk mensen die zinnige dingen van algemeen menselijk belang in goed proza uit gedrukt hebben, en die ieder van een veel grotere "maatschappelijke relevantie" zijn (om eens het argot van de moreel corrupte bestuurders van de UvA te gebruiken) dan de hele Nederlandse akademische filosofie bij elkaar, die eigenlijk nog nooit iets van enig belang heeft opgeleverd (want Spinoza, kritische en geinformeerde lezer, was geen akademisch filosoof, en Evert Beth, de enige Nederlandse filosoof uit deze eeuw die internationaal van belang is, was primair wiskundige).

Multatuli behoort tot deze traditie van moedige individualisten die een voorbeeldig leven leiden en zich toeleggen op het scherp formuleren van algemeen geldige inzichten. Het is mijn stellige overtuiging dat dit de enige echte filosofen zijn, samen met de filosofische wiskundigen, de logici en de wetenschappers: Alleen zij formuleren goed en waarachtig - de grote meerderheid van de 19e en 20e eeuwse akademische filosofie is daarentegen slecht geschreven gebazel, dat uiteindelijk niemand dient dan de mandarijnen die het aan leerstoelen helpt, en de totalitaire politici die profiteren van de mede door dit gebazel veroorzaakte geestesverduistering en taalverarming.

Maarten Maartensz
Sept 1987

Secties en noten


Colofon & context:

De noten zijn van 30 en 31 maart 2001.