De naam dien ik
aan 't ongelukkig ‘navolgen’ meende te moeten geven (1268b)
beschryft de kwaal vry nauwkeurig. Om duidelyk te wezen tot het
overvloedige toe, en ieder in-staat te stellen haar op 't eerste
gezicht te kennen, haal ik hier 'n voorbeeld uit m'n herinnering
aan, dat ter-zake dienen kan. Zeker tooneelspeler mocht zich
verheugen in 't bezit van 'n zware stem, breede schouders en 'n
onvergelykelyke brutaliteit. De bewering dat dit alles was
wat de Natuur aan hem te-koste legde, zou onjuist wezen, want door
den man tevens te voorzien van de by z'n laag standpunt als mensch
en artist behoorende afgunst, had ze hem gestempeld tot 'n
voortreffelyk studie-exemplaar. 't Leek wel of hy opzettelyk
ter-wereld was gekomen om my bytestaan in 't leveren van de
diagnose der model-verhefziekte. Door middel van de
volkomenheden die ik hem zoo-even toekende, en vooral omdat er aan
zeker Hoftheater behoefte was aan iemand dien men de
kotzebuesche majoors- of ifflandsche houtvestersrollen kon opdragen,
had-i zich weten te doen aannemen by een van de beste
tooneelgezelschappen van Duitschland. Maar weldra bleek er dat
Herr Hoff-Intendant - gelyk trouwens 't grootste gedeelte van
Publiek, en ik ook - zich had laten verschalken, en dat onze
bulderbast [1], zonder den minsten aanleg overigens, slechts 't kunstje
had verstaan zich dragelyk voortedoen in 'n paar proefrollen die hy
tot z'n strydpaardjes gemaakt had. Daartoe bepaalde zich de gansche
voorraad van z'n verdiensten als kunstenaar, en ieder vond dit
byzonder weinig. Toen hy op zekeren avend den Lindenwirth in
Dorf und Stadt verknoeid had, en z'n bedroefd vrouwtje wel
bemerkte dat niemand met z'n Leistung tevreden was, klaagde
ze my haar nood, en verklapte daarby ook wel 'n beetjen 't
coulisse-geheim van haar man, al was dit dan de bedoeling van de
stumpert niet. ‘Sie können es mir glauben, mein lieber Herr, er
kann nicht spielen ohne militären Rock, oder wenn es denn durchaus
nicht militär sein soll, etwas jägerisches doch, etwas grünes im
Anzüge, etwas vom Walde, begreifen Sie? Er liebt es, eine Flinte zu
handhaben, oder mit dem Säbel zu rasslen. Jeder Künstler hat so
etwas eigenthümliches in seinem Talàng! [2] Das ist nun einmal so!’
Och, ze zag wel dat de Keurvorst heel boos was - m'n tafereeltje
speelt te Kassel [3], waar de souverein zich zeer veel aan het tooneel
liet gelegen liggen - en dat alzoo het anggaschemang dat maar
voor één jaar gesloten was, gewis niet zou verlengd worden. Dit
beteekende voor haar zooveel als dat weldra de armoe voor de deur
zou staan, en van deze bittere artseny had de ongelukkige vrouw
reeds meer dan genoeg geproefd! Ik wist dit en had medelyden met
haar, maar kon weinig troost geven. De man was nu eenmaal geen
artist, en daaraan viel niets te doen. Tot overmaat van ramp bleek
er dat de eigenaardigheden van z'n Talàng zich nog verder
uitstrekten dan 't arme vrouwtje wel meende, want by 'n voorstelling
van den Hamlet wist hy inhoedanigheid van Geest middel
te vinden 'n laagte van Kunst te bereiken, die toeschouwers en
kameraden verbaasde. Niemand had durven gissen dat er uit die rol
een zoo vreemdsoortig effekt te halen was, als hy metterdaad bewees.
Een fiasco was het dus niet - tenzy voor Hamlet en
Horatio, die geheel van de wys raakten - neen, 'n fiasco
was 't niet, want allen berstten in lachen uit, allen... op den
Keurvorst na, die er luidkeels over wetterde tegen de prinses
van Hanau, z'n Trüdchen, de welgevulde vergaarbak van z'n
boos humeur. Ook moet ik den ouden schraal-gepensioneerden, meer dan
half blinden kapelmeester uitzonderen, die om vuur en licht te
sparen, gewoon was alle avonden in 'n zeer bescheiden hoekje van 't
orkest 'n slaapje te doen. *)
Onze talentvolle akteur was woedend. Hy zou, naar-i achter de
schermen onder aanroeping van allerlei natuurverschynselen
verzekerde, al die lachers verpletteren. Maar 't is nooit zoover
gekomen. In-plaats daarvan spitste hy zich op 't verkleinen van den
roem dien anderen behaalden, en volgde hierin de edele methode die
we dagelyks zien gebruiken in Letterkunde. Het getal snaren
dat de man op z'n denigreerfiedeltje [4] bespeelde, was niet groot, maar
hy behielp er zich mee zoo goed als 't gaan wilde. Ze heetten:
Farbenlehre en Breslau. Ziehier hoe hy die dingen
aanwendde.
Het
tooneel is... achter het tooneel. Een gevierd kunstenaar wordt
daverend toegejuicht, teruggeroepen, weer toegejuicht, nogeens
geroepen... dat is voor den nydigaard niet uittehouden! Hy stampt
met den voet, en:
-
Sind denn hier die Leute rein zum einsperren verrückt? Es ist zum
todtlachen! Das soll Kunst heissen, dàs? Auf Ehrenwort, ich
versichere Sie, mein verehrtester Herr, der Mann hat nicht einmal
Farbenlehre studirt! Aber nein, ich sage es ihnen, nicht einmal
Farbenlehre! Ich bitte Sie, um Gottes willen, was ist Kunst... Kunst
- ich rede von Kunst, verstehen Sie? - ohne Farbenlehre? Dèr
Mann sollte 'nmal in Breslau spielen! In Breslau, ich sage es Ihnen,
mein lieber Herr, in Breslau...
In
die stad was de tooneeldirektie 'n blauwmaandag met den schreeuwer
opgescheept geweest, en men had zich zoo spoedig doenlyk van hem
ontslagen.
...in
Breslau, mein Verehrtester! Da würde man ihn von den Brettern...
‘Schmeissen’
meende ik in m'n onnoozelheid toen ik de litanie nog niet van-buiten
kende. Maar ik vergiste my, en weldra wist ik grif wat er volgen
zou.
...von den Brettern niesen und husten! Denken Sie sich 'nmal an,
mein liebster Herr... aber ich sage es Ihnen unumwunden: sogar nicht
einmal Farbenlehre! In Breslau würde das Publikum den Mann von den
Brettern niesen, husten und speien... ja, bei Gott, auf heiligstes
Ehrenwort: speien! Fortschppp... eien würde man ihn!
En,
om duidelyk te maken wat-i met het woord speien bedoelde,
spuwde hy dan op den grond, die tot verwondering van alle aanwezigen
niet siste. Ook werd er geen brandlucht of rook bespeurd. Och, de
man had zonder baat gespuwd, er vloog niets in vlam, en hyzelf bleef
na z'n ontlasting van gif en gal, even nydig als tevoren. Even
impotent als kunstenaar ook, en ik kreeg m'n ontslag uit de
betrekking van lieber, liebster en verehrtester, toen
ik hem eens na zoo'n uitbersting van afgunstigen wrok, 't voorstel
deed: z'n kunstbroeders, 't publiek en my met de heilryke gevolgen
van z'n Farbenlehre en verdere Breslausche volkomenheden
op aanschouwelyke wys in kennis te brengen.
Iets
dergelyks roep ik zeker soort van lettermannen toe, die in den waan
blyken te verkeeren dat hun voetstampen, spuwen, en ophemelen van
vreemde of ver-afliggende en meermalen twyfelachtige
verdienste, iets kan toebrengen tot staving van hùn aanspraken op
lof. [5] Heel gaarne wil ik Breslau geven wat Breslau's
is, en genoegen nemen met de vereering van de - my redelyk onbekende
- Farbenlehre. Meer nog: ik zal erkennen dat er geen ander
licht schittert, noch schynen kan zelfs, dan 't Breslausche, en dat
Farbenlehre de verhevenste van alle wetenschappen, ja de
eenig-noodige wetenschap is, mits zy die hoestend en niezend en
spuwend op die erkentenissen aandringen, eens metterdaad
bewyzen dat het volgen van Breslausche modellen tot uitstekendheid
leidt, en dat de beoefening der Farbenlehre de gaaf meedeelt,
liefelyker tinten voorttebrengen dan 't geile geel [6] dat van-oudsher
de livreikleur der slaven van den nyd geweest is. Waarlyk, m'nheeren
model-aanpryzers, de arme oude Vondel is
er te goed toe, om door de Schmoels gebruikt te worden
[7] tot
aanvulsel en surrogaat van de vieze projektielen waarmee ze trachten
te schenden wat boven hen geplaatst is. Gaat de onvruchtbaarheid van
die edele zielen reeds zóó ver, dat ze zelfs in de behoefte aan dàt
artikel - hùn onwelriekende specialiteit toch! - niet meer uit eigen
middelen weten te voorzien? Staat ons nu misschien te wachten dat ze
eerstdaags...
Basta voor heden over dat onsmakelyk onderwerp! De lezer meene
evenwel niet dat het uitgeput is. Tot m'n spyt is er alweer in dit
hoofdstuk geen plaats voor 't beantwoorden van de vraag of Wouter
Haarlem zal bereiken? M'n vraagbaak Brughman
zegt dienaangaande... neen, we laten nu de letterkunde 'n oogenblik
rusten. Professer maakt men my, om redenen die den lezer bekend zyn,
toch niet. Ingodsnaam!
Onze
Wouter en pater Jansen staan daar alzoo nog altyd te wachten by die
haarlemmer-schuit. Wie 't verveelt, mag heengaan. Ik sluit m'n
hoofdstuk. En ik doe dit niet zonder de aangename bewustheid van wèl
te handelen, daar ik verneem dat het ook eens gedaan is door 'n oud
schryver die model van beroep was. Dit althans wordt beweerd door 'n
groot aantal even modellige andere schryvers die hem daarin
onbeschroomd hebben nagevolgd.
*) Dit armzalig buitenkansje werd hem later
door den Keurvorst ontzegd. Ik kan Spohr's verdiensten niet
beoordeelen, maar die Keurvorst-zelf moet hem aangezien hebben
voor iemand op wien geheel Duitschland reden had trotsch te zyn.
Toch meende hy méér te beteekenen dan die man, hy, over men
geheel Duitschland zich schaamde! Men behoeft zich niet in
hessische toestanden terugtedenken, en de hollandsche lezer
heeft niet veel grenzen te passeeren, om gelyksoortige
voorbeelden van schandelyke rangverwarring aantetreffen.
[1]
onze bulderbast
Eén van de weinige aardige
Nederlandse schrijvers uit de 20e eeuw (en uitstekende tekenaars),
namelijk Marten Toonder, heeft veel Multatuliaanse termen verwerkt in
zijn verhalen. Hieronder vallen bijvoorbeeld "bulderbast"
en "zielknyper".
[2] Jeder
Künstler hat so etwas eigenthümliches in seinem Talàng!
Dit is een fraai gezegde.
[3] m'n
tafereeltje speelt te Kassel
De Multatuli-kenner weet nu dat
e.e.a. zich ca. eind 1857 afspeelde, want toe was M. in Kassel, en had
een verhouding daar met Ottilie Koss.
[4] z'n
denigreerfiedeltje
Hier is weer een Multatuliaans woord.
Vertaling (letterkundige opmerking!): Z'n vernederviooltje.
[5] Iets
dergelyks roep ik zeker soort van lettermannen toe, die in den waan
blyken te verkeeren dat hun voetstampen, spuwen, en ophemelen van
vreemde of ver-afliggende en meermalen twyfelachtige
verdienste, iets kan toebrengen tot staving van hùn aanspraken op
lof.
Maar zo gaat het wèl: De
meeste literatuur en literaten maken opgang omdat bevriende
mede-literaten zich er publiek over opwinden, gewoonlijk zonder veel
relevante kennis of enige eerlijkheid, maar wel omzetbevorderend.
[6]
't geile geel
Er is een aardig citaat van J.H.
Plumb in z'n "History of the Renaissance in Italy": Hoeren werden in
Italië op diverse plaatsen gedwongen in 't geel gekleed te gaan, zodat
er duidelijk zichtbaar onderscheid was tussen prostituees en andere
vrouwen.
....
[7]
Waarlyk, m'nheeren model-aanpryzers, de arme oude Vondel is
er te goed toe, om door de Schmoels gebruikt te worden
Dit refereert aan de Kruissprook, uit
"Minnebrieven". De "Schmoels"
zijn lieden die er genoegen in scheppen uitstekende voorgangers als
Jezus en Multatuli te zien kruisigen en met drek te gooien.