Doch ik zou op 'n
voorbeeld wyzen van wat we voortbrengen, wanneer wy ànders handelen
dan hy, wanneer we wèl in oude boeken naslaan hoe de vorm behoort te
zyn die wy aan onze indrukken geven. Zoo'n voorbeeld wordt ons
ditmaal geleverd door iemand die waarachtig te goed was voor zoo'n
dienst, door Staring. By 't heerschen der
meening dat ‘navolgen’ plicht is, by den overvloed van navolgingen
waaronder onze Letterkunde gebukt gaat, bedolven ligt...
Druk
ik me hier misschien te meewarig uit? Moest ik wellicht zeggen dat
we in zekeren zin geen eigen Letterkunde bezitten, en dat nagenoeg
alles wat daarvoor doorgaat, niet veel anders is dan geleend
- d.i. gestolen - goedje?
...by den stortvloed van ‘navolging’ en navolgingen dan, die onze
Letterkunde overstelpen, en die my een zoo ruime keus van
voorbeelden aanbiedt, mag 't verwondering baren dat ik juist iets
van Staring aanhaal, van iemand wien we eerbied schuldig zyn. Och,
't moet wel! Vooreerst, omdat de aardige ‘Vrouwtjes’ van
Theokritus by de zaak zullen te-pas komen,
en vervolgens omdat niemand beter dan hy ons 'n blyk levert, hoe
zelfs 'n knap man zich in 'n onbewaakt oogenblik van de wys kan
laten brengen door School. De uitdrukking ‘'n knap man’ is te
flauw, en ver beneden de waarde van Staring. Lezer, bedenk dat hy de
dichter was van ‘Herdenking’ en ontbloot uw hoofd! Dat korte
stukje - slechts vier-en-twintig regels lang - is door 'n landgenoot
gevoeld, gedacht, geschreven... inderdaad, er bestaat 'n
Nederlandsche Letterkunde! [1]
Maar dezelfde Staring die zoo schitterend
bewees dat-i voor eigen rekening wist te voelen, te denken en
uittedrukken, schynt soms last te hebben gehad van de bekende...
nederigheid die naar modellen omziet. O, meen niet dat ik hem te
hard vallen zal! Voor ik nog z'n misdaad noem, wil ik verschoonende
omstandigheden pleiten. Hy leefde en bloeide in 'n tyd toen 't
zuigen aan verdroogde uiers nog algemeener werd aangeprezen dan
tegenwoordig. Wat heden-ten-dage slechts 't recept is van 'n
verongelukten kwakzalver die z'n kommentaar en annotaties aan den
man brengen wil, was in Staring's tyd de heerschende meening.
[2] Het
opstoven van gedroogde vruchten - hoe rimpeliger hoe liever - ging
voor verdienstelyk door, en aan 't planten van nieuwe stekken, met
het doel om eens eindelyk ook versche vrucht te bekomen, werd
niet gedacht. Misschien ook wèl, doch dan door 'n enkele slechts -
door Staring-zelf, byv. - maar de pogingen van 'n zoodanige gingen
voor excentriek en... onklassisch door. Om nieuw te zyn, moet
men gelyken op iets ouds, en wie zich verstoutte tegen den leer te
zondigen, werd in de ban gedaan. Helden zyn zeldzaam, en ook Staring
bezweek soms, ja dikwyls. Misschien zou juist hy een van de zeer
weinigen zyn geweest - in zyn tyd de eenige, liever! - die de kracht
had gehad weerstand te bieden aan 't overal heerschend bederf,
indien niet 'n boosaardig Noodlot z'n natuurlyke gaven had
gekortwiekt. Er bestonden in die dagen in 'n paar steden van ons
land zekere inrichtingen, die misschien in halfbeschaafde
Maatschappyen nog niet kunnen gemist worden, maar 'n zeer nadeeligen
invloed uitoefenen op jongelieden van byzonderen aanleg, en de
ouders van onzen Staring, waarschynlyk niet vermoedende dat er aan
hem zooveel te bederven viel, hadden de onvoorzichtigheid hem aan
zoo'n inrichting
overteleveren. [3] De jongeling-zelf kreeg smaak in de verkeerdheid die
z'n gaven smoorde, en niet tevreden met de geestelyke verminking
waaraan hy in z'n vaderland was onderworpen geweest, bezocht hy
bovendien uit eigen beweging, om toch vooral de maat voltemeten, 'n
dergelyk etablissement in Duitschland. Ook daar namelyk bestaat
groote behoefte aan middelmatigheid, en 't ontbreekt er niet aan
professoren die deze eigenschap door les en voorbeeld weten
meetedeelen. Kan men 't Staring kwalyk
nemen dat-i - vooral kort na 't gebruik van zùlke middelen - niet
meer was wat de lieve Natuur van hem zou gemaakt hebben? 't Is
waarlyk al zeer wél dat-i op rypen leeftyd, toen de uitwerking van
't middelmatigheids-recept aan 't verflauwen was, blyk gaf niet
geheel bedorven te zyn! *)
Maar
kort na de kuur? Och, de arme, arme Staring! Men leefde in de dagen
van de zoogenaamde restauratie, en er zou 'n prins of prinses door
't land trekken. Wie 't was, weet ik niet, en dit doet er ook niet
toe, want de onbeteekenende personen die ons vorstenhuis gewoon is
opteleveren, zyn me volkomen onverschillig. Maar niet onverschillig
is het, 'n Staring in den waan te zien vervallen dat-i behoudens z'n
dichterhoogheid zich met zoo'n gebeurtenisje kon inlaten. Hy die de
dichter van ‘Herdenking’ worden zou, bleek niet te weten
hoe hy
derogeerde door 't bezingen van de een of andere Hoheit auf
Reisen! **) 't
Is verdrietig, 't is misselyk, 't is vies, maar... de zaak ligt er
toe, 't is gebeurd: Staring maakte by die gelegenheid 'n vers! Welke
Styntje zal de ontelbare kousen breien, die noodig zyn om den
losprys optebrengen voor zóó'n vergryp? [4] Ach, ik wou er mee
schertsen, maar 't gaat niet. Waarheid is, dat zulke onzedelyke
afdwalingen my bedroeven. Wat moet wel zoo'n prinsjen of prinsesje -
zy die dan toch wel eenig besef zullen gehad hebben van hun
onbeduidendheid - wat moeten zy gedacht hebben van 't
dichterschap waarmee ze een man als Staring bereid vonden zich
neertebuigen tot kennisneming van hun potverteeren? En voegde het
hèm, meetewerken aan gedeeltelyke rehabilitatie van den woesteling
die zich verkneuterde in z'n liefelyk ideaaltje van den éénen
cervex? Staring, o Staring! Waren er geen prulschryvers genoeg
in ons land, om de waardigheid van 't hooge te-grabbel te werpen in
den slik der gekroonde alledaagsheid? Moest juist gy, of
moest óók gy, 't uwe bydragen tot bederf van dat Volk en van
die vorstjes? Wie of wat zal staan blyven als de poëzie zich tot
voetwisch maken laat? [5]
Neen, de Poëzie heeft niets met de zaak
uittestaan! Zy hangt goddank niet af van de verbystering des jongen
mans die pas van de akademie, in z'n opgedrongen onnoozelheid meent
háár te dienen door ook eens 'n versje te maken, 't bekende ongeluk
dat zoo velen overkomt, en by uitzondering soms - gelyk hier 't
geval was - zelfs den dichter! (56)
Maar die dichter had het besef van z'n waarde achtergelaten op de
schoolbank waar-i werd afgericht op 't uiten van denkbeelden die de
zynen niet waren, en gemeenzaam gemaakt met de stelling dat 'n wèl
onderwezen persoon geen eigen denkbeelden noodig heeft, jazelfs dat
ze misstaan. Misschien schaamde hy zich nu-en-dan - als de
lichtekooi over 't eelt dat verwytend aan den eerlyken arbeid van
vroeger dagen herinnert! - by 't bespeuren dat de geknotte
oorspronkelykheid van z'n aanleg nog altyd niet geheel-en-al was
uitgeroeid. En, om trouw te zyn aan de zoo professoraal gedoceerde
ontrouw, moest vooral de vorm waarvan by zich bedienen zou,
van iets vreemds getuigen. Grieksch, latyn, laplandsch als 't wezen
moet... neen, laplandsch niet. Die taal werd niet onderwezen aan de
akademie, en de letterkunde van Samojeden en Kamschadalen werd dus
byna even onbruikbaar geoordeeld tot het behandelen van 'n
hollandsch onderwerp, als die van Holland zelf. Er was onnatuur
noodig, o ja, maar ook daarin bestaan soorten en schakeeringen. De
onnatuur die den klassisch-beschaafden man kenmerkt, moet zeer
bepaald de kleur dragen van 't ding dat Universiteit genoemd
wordt, ter-eere zeker van den hardnekkigen stryd dien 't sedert
eeuwen gewoon is te voeren tegen universeele ontwikkeling.
Een
pas gerestaureerd prinsje zou den Wildenborch voorbytrekken.
Wat gevoelt 'n rechtgeaard Nederlander by gelegenheden van dien
aard? En hoe behoort men de aandoeningen die zoo'n bezoek opwekt,
aan den dag te leggen? Ik weet het niet, en daarom zou ik
eenvoudig gezwegen hebben als 'n prins van de hier bedoelde soort
zich de eer had gegeven in m'n buurt te komen, en de oneer van 't
voorbygaan zonder bezoek. Onze Staring
dacht er anders over. Wel blykt er dat-i evenmin als ik wist wat
hier te dithyrambizeeren viel, maar 'n dithyrambe moest er wezen,
meende hy. Z'n ouweluî - en die fameuze prins! - moesten toch weten
dat-i niet voor niemendal in klassiekery gedaan had! En 't schynt
wel dat-i den gedachtenloop volgde dien ik zoo-even ver onderstelde
by den brekebeen die 'n portret maken wou. Ik herhaal dat ik Staring
niet voor 'n brekebeen houd, maar om te ‘Herdenken’ had-i
niet genoeg geleefd, en vooral... de akademische geur was hem nog
niet afgewaaid, en dit komt in dit geval op 'tzelfde neer. Alzoo:
‘de prins is terug - o ja, zeer velen in 't land hadden hem terdeeg
gesproken! - en er moet 'n mooi stuk wezen. Zekere Theokritus maakte
een stuk op den - N.B. symbolieken! - terugkeer van Adonis.
Dat stuk was mooi, en wordt geprezen. Als ik dus 'n voorbeeld neem
aan 't stuk van Theokritus, zal ook myn stuk mooi wezen en geprezen
worden. Probatum est!’
Welzeker, wie niet weet wat-i zeggen zal, en
hoe hy iets zeggen zal, zoekt 'n model, en liefst uit de
oudheid. C'est bien porté! Niets is gepaster dan 'n
geldersche boerenfamilie die uitloopt om den prins te zien, in 't
gewaad te steken van grieksche vrouwen op 'n Adonis-feest? Gepast?
Gepast? Méér dan gepast! De keus getuigt zelfs... van armoed aan
denkbeelden, nu ja, maar toch ook van grooten rykdom aan fyne
politiek. [6] Hoe ter-wereld kan men 'n vorst aardiger stemmen tot het
uitdeelen van 'n leeuwen-orde, dan door hem toetespreken alsof-i de
lieveling was van de uit schuim geboren godin? Maar de zinspeling
zit nog dieper. We willen nu niet eens gewagen van de balsamieke
verwantschap tusschen oranje-bloesem en de Myrrheplant waaraan 't
bevallige knaapje de helft van z'n aanzyn te danken had. Ook slaan
we nu eens de grootvaderlyke eigenaardigheid van Cinyras' vaderschap
over, en staan niet stil by al de rozen en anemonen waarin 't prille
bloed veranderde dat by Quatre-bras zoo zuinig mogelyk
gestort was. ***)
Maar we vragen of men niet byzonder ònakademisch-bot wezen moet, om
niet intezien dat de fabel van Adonis zonneklaar de terugkomst van
'n welriekend vorstenhuis beteekent? Niets is duidelyker. Een
verdreven vorst logeert in de hel, d.i. in Engeland, en z'n
terugkeer in de armen van al de onderdanige schuimdames die hem met
reikende halzen staan te wachten langs de heggen van den
Wildenborch, moet, mag en zal mythologisch-klassisch bejubeld
worden. De geleidelykheid van dit alles - en vooral de op zooveel
waars gegronde zedelykheid! - springt ons vonkend in de oogen.
En ook in Staring's oogen...
Gekheid! Hy was verstandig genoeg om beter te weten, maar... die
‘akademische leiding!’
*) Uit de dagbladen verneem
ik dat men - geperst zeker door de dagelyks toenemende behoefte
aan middelmatigheid en banalen norm - bezig is te Amsterdam
'n nieuw prokrustes-bedje van de hier bedoelde soort
opteslaan. Men moet erkennen dat onze burgervaders bescheiden zyn
in de vorderingen die zy aan de toekomst stellen, en zeer
vertrouwend omtrent de eischen die deze toekomst onzen kinderen
zal voorleggen. Meent men altyd met middelmatigheid te
kunnen volstaan? Ik vraag: wat onze akademien sedert eeuwen
hebben opgeleverd? [7] Jongelieden die, om in de maatschappy
iets meer te beteekenen dan hun knecht, behoefte hebben aan 'n
leiding zooals die welke zulke inrichtingen verschaffen kunnen,
deden waarachtig beter zich te laten inschryven in 't album
studiosorum te Harderwyk.
(1879) Met het oog op 't in den tekst behandeld onderwerp spreekt
het vanzelf dat m'n aanmerkingen niet van toepassing zyn op 't
onderwys in studievakken, waartoe zeker materieel vereischt wordt,
als instrumenten, werktuigen, laboratorien, sterretorens,
ziekenhuizen, en misschien nog meer. M'n geringschatting gaat zeer
in 't byzonder de diktaat-kollegien aan, 'n onderwys-methode die
na de uitvinding der boekdrukkunst geen reden van bestaan heeft,
en dan ook sedert eeuwen ellendige vruchten draagt. En nu sprak ik
nog niet van den bedervenden invloed dien 't verblyf aan de
akademie zoo dikwyls op gezondheid en goeden toon, op verstand en
hart uitoefent!
**)
Kent de lezer dit stuk van den geestigen en menschkundigen
schilder Knaus? Eilieve, ik verzoek hem,
zich daarvan 'n fotografie aanteschaffen. [8] Ze zal de bitterheid
myner woorden begrypelyk maken en rechtvaardigen.
***)
Of gestort worden zou. Ik heb Staring's werken niet by de hand, en
weet niet recht of z'n hier bedoeld stuk van vóór of na 1815
dagteekent. Misschien ook was de bezongen prins eigenlyk maar 'n
prinses, en dan vervalt m'n toespeling op die wereldberoerende
prouesse van ‘geraakt worden’ te Quatre-bras, 'n
verdienste die ik nooit naar den eisch leerde waardeeren.
[1]
Lezer, bedenk dat hy de dichter was van ‘Herdenking’ en ontbloot uw hoofd! Dat korte
stukje - slechts vier-en-twintig regels lang - is door 'n landgenoot
gevoeld, gedacht, geschreven... inderdaad, er bestaat 'n
Nederlandsche Letterkunde!
Ik moet toegeven dat ik van dit
beweerde fraais van Staring geen enkel idee heb, zodat het me in ieder geval nooit
toegediend is op de HBS of het gymnasium.
[2]
Hy leefde en bloeide in 'n tyd toen 't zuigen
aan verdroogde uiers nog algemeener werd aangeprezen dan tegenwoordig.
Wat heden-ten-dage slechts 't recept is van 'n verongelukten
kwakzalver die z'n kommentaar en annotaties aan den man brengen wil,
was in Staring's tyd de heerschende meening.
Wat betreft mijn annotaties, bij
Multatuli's Ideën: Zie 1265 - en ik doe mijn best, ben
ziek, en
ik zou dit werk waarschijnlijk niet gedaan hebben als ik niet ziek was
geweest, sedert vele jaren.
[3]
Er bestonden in die dagen in 'n paar steden
van ons land zekere inrichtingen, die misschien in halfbeschaafde
Maatschappyen nog niet kunnen gemist worden, maar 'n zeer nadeeligen
invloed uitoefenen op jongelieden van byzonderen aanleg, en de ouders
van onzen Staring, waarschynlyk niet vermoedende dat er aan hem
zooveel te bederven viel, hadden de onvoorzichtigheid hem aan zoo'n
inrichting overteleveren.
Kort samengevat (min of meer
letterkundige opmerking): Pa en ma S. zonden de jonge S. naar een
universiteit.
[4] Welke Styntje zal de ontelbare kousen
breien, die noodig zyn om den losprys optebrengen voor zóó'n vergryp?
Zie
1260d.
[5] Wie of wat zal staan blyven als de poëzie
zich tot voetwisch maken laat?
Hm. Shelley beweerde dat "Poets are
the unacknowledged legislators of mankind", maar met de mogelijke
uitzonderig van Homerus lijkt mij dat toch vooral hooggestemde valse wensdenkerij van
een dichter.
En er is feitelijk maar weinig
literatuur, weinig filosofie, weinig theologie en weinig poëzie die er
in slaagt meer dan een kleine kring van kenners en liefhebbers te
bereiken, en voorzover schrijvers, filosofen, theologen of dichters
een aanzienlijke invloed hebben op een volk, cultuur of beschaving,
dan is dat meestal lang nadat ze zelf gestorven zijn, en omdat hun
werk aanleiding geeft tot of een onderdeel is van een maatschappelijk
gedragen beweging of macht.
[6]
Gepast? Gepast? Méér dan gepast! De keus
getuigt zelfs... van armoed aan denkbeelden, nu ja, maar toch ook van
grooten rykdom aan fyne politiek.
Ja, en ik heb dit er uit gehaald om
op te merken dat de meeste politiek weinig subtiel is en kan zijn,
omdat het moet in trachten te spelen op de geestelijke armoede en de
beperkte begrippen van de grote meerderheid.
[7]
Ik vraag: wat onze akademien sedert eeuwen
hebben opgeleverd?
Zie een stukje verder in Multatuli's noot: 't
Hangt nogal van de studie af. En er is feitelijk een behoorlijk stevig
kriterium waarmee men échte wetenschap kan onderscheiden van
vermeende en pretense wetenschap: Echte wetenschap maakt echte
werkende technologie mogelijk die zonder die wetenschap niet zou
bestaan, en die wèrkt in de praktijk zonder dat men enige kennis van
of geloof in de wetenschap te hebben die de technologie ontdekte.
Het is waar dat dit kriterium niet of
nauwelijks van toepassing is op een studie als geschiedenis, omdat er
moeilijk is in te zien welke technologische toepassingen daarop
gebaseerd zouden kunnen worden, maar eveneens waar dat het kriterium
helpt veel kwasi-wetenschap van echte te onderscheiden: Beweerde
kennis die geen eigen werkende technologische toepassingen heeft is
waarschijnlijk geen echte wetenschap, of is nog niet genoeg gevorderd
op de weg van het worden van een echte wetenschap.
[8]
Kent de lezer dit stuk van den geestigen en menschkundigen
schilder Knaus? Eilieve, ik verzoek hem,
zich daarvan 'n fotografie aanteschaffen.
Ik heb dit eruit gehaald niet vanwege
Knaus, van wie ik niets weet, maar vanwege M.'s advies zich "'n
fotografie aanteschaffen",
wat in de tijd dat hij dit idee schreef iets betreklkelijk nieuws was.
En het is de moeite waard op te
merken dat er tegenwoordig zéér veel meer goede visuele informatie en
beeldmateriaal is dan in M.'s tijd, en dat het heel jammer is dat de 19e
eeuw (en alle voorgaande) een stuk minder goed in beeld is gebracht dan de 20ste, bij
gebrek aan camera's, film, TV e.d.
|