Hier komt nu 't ware,
echte, oude, onvervalschte katholieke moordhol vol rammelend
gebeente en ander slecht volk. De gegrondheid van een stuk
nederlandschen volksroem uit de
17e eeuw, afhankelyk gemaakt van de vraag of pater Jansen
en Wouter in dit hoofdstuk Haarlem bereiken? Ik geloof
het niet, maar de zaak kan meevallen.
Ik vroeg den lezer
of-i wel eens in hoedanigheid van protestantsch jongetje bezoeken
had afgelegd by 'n katholiek pastoor? Kan hy zich den indruk dien
dit te-weeg brengt, voorstellen? [1] In den kring der Pietersens rilt
men by de gedachte aan zoo'n buitensporigheid, maar er zal 'n tyd
komen dat 'n schryver moeite hebben zal z'n lezers duidelyk te maken
waaruit die afkeer voortvloeit. Ook Wouter begreep niet recht wàt
hem beheerschte, maar zeker is 't dat hy iets als beklemdheid voelde
toen pater Jansen voor 't onaanzienlyk huis stilhield ‘waar z'n kerk
was’ naar-i zeide. [2]
- En
hier is de ingang naar myn woning, vervolgde hy, 'n deur openende
die den toegang afsloot naar 'n langen smallen gang naast het
hoofdgebouw. Ik woon best, jongeheer, dat zal je zien. Maar zou je
nu niet eerst naar de Kolveniersburgwal gaan?
Met
'n blik op z'n kleeding smeekte Wouter om genade.
- Liever als we van
Haarlem zyn teruggekomen, m'nheer! Heusch, dan zal ik terstond gaan,
maar nu...
-
Zou je denken dat 'n jas van my...
-
Neen, neen, o neen, riep Wouter haastig, dat zal niet gaan, m'nheer!
Zeker 't mankeerde nog maar aan de zonderlinge toestanden waarin hy
zich telkens geplaatst zag, dat-i de Holsma's ging bezoeken in den
jurk van 'n pastoor!
-
Nu, wacht dan maar by my tot ik geld gewisseld heb, en dan samen op
reis! Ik doe 't met pleizier, want ik ben lang niet te Haarlem
geweest. Houd je van halletjes?
De
goede man geleidde Wouter in z'n woning die uit 'n paar kamertjes
bestond, welke door 'n somber binnenplaatsje van den achterkant der
kerk gescheiden waren.
-
Kyk, zeide hy, wat ik hier best woon! Zou je wel gelooven dat ik
niet ruilen wil met 'n bisschop? En gemakkelyk... nergens zoo! Soms
ontvang ik hier aanzienlyke menschen - verleden week nog 'n advokaat
- en ze zyn allemaal jaloersch op m'n woning, en... op 't gemak,
zieje. Want, als ik 's morgens opsta voor de vroegdienst, - ja, ja,
soms is 't nacht nog! - kyk, zóó ben ik wakker en... wip, in de
kerk! Verleden - maar spreek er niet over - vond onze Styn... daar
is ze juist. Wel, Styn, ik ga naar Haarlem met dezen jongeheer. Wat
zeg je dáárvan? [3]
Styn
zei er niets van dan: ‘gut, pater!’ en 't was genoeg. Althans hy
drong niet op verder antwoord aan, en ging, tot Wouter sprekende,
voort:
- Ze
bedient me-n-al over de dertig jaar, my en pastoor Koens die z'n
kamers hiernaast heeft... 'n man van belang! Dien moet je leeren
kennen! Hy verstaat grieksch alsof 't niets was. Jy zeker niet, hè?
Nu, dat doet er niet toe. Maar verleden... wat wou ik je vertellen?
[4]
- 't
Was iets van Styntje, m'nheer, en dat de kerk zoo naby was.
- `t
Is gek in 'n mensch dat-i soms niet weet wat-i vertellen wou.
[5] Ja, de
kerk is vlak by, en als ik 's morgens opsta... kyk, nu weet ik wat
het was. Ik had gedroomd van Vucht en van de kermis, en werd wat
laat wakker, en sprong 't bed uit, en haastte me met kleeden, en wat
doe ik - maar ik wist 't niet, dat begryp je wel - ik vergeet een
van m'n kouzen aantetrekken, een van m'n zwarte overkouzen. Maar
Styn zag 't, want ze vond hem, en ze liep er me mee achterna, en ze
riep: ‘pater, pater!’ en ik wist niet wat ze wou, maar toen hield ze
de kous omhoog, en toen wist ik het! Maar ik heb niet gelachen -
omdat ik al in de kerk was, en je begrypt... dat is 'n huis Gods
[6]
- en ik ben hard teruggeloopen, en toen schaterde-n-ik 't uit, en
Styn ook. Maar in de kerk heeft niemand het gezien, want het was
donker, en... er was nog geen mensch.
Deze
onnoozele vertelling stak alweer zeer vreemd af by Wouter's
hoogdravende begrippen over goddelyke zaken, en niet minder by de
indrukken die de klooster- en monnikenromantiek op z'n verbeelding
had nagelaten. Hy vertrouwde z'n ooren niet. Maar de goede pastoor
bemerkte niets van z'n verwondering, en verliet hem nadat-i hem den
raad had gegeven zich den tyd te korten, met 'n paar boeken die hy
uit 'n wandkastje nam en op tafel legde. Maar aan tydkorting had
Wouter geen behoefte. Hy zag 't kamertje rond, en verbaasde zich
over de verregaande eenvoudigheid waarmee 't gemeubeld was. Een
metalen Christusbeeldje en 'n paar Heiligenprintjes maakten met het
eerste-kommuniebriefje van Jansen's vader, daarvan de eenige
versiering uit. Dit laatste hing achter glas in 'n lystje boven den
schoorsteenmantel. De tafel was van geverfd hout, en 'n viertal
stoelen met matten zittingen voltooiden de stoffeering, tenzy men de
hortensia en 'n paar maandrozen meerekene, die buiten 't
opgeschoven raam in de vensterbank stonden. Zelfs Wouter, die
waarlyk niet aan weelde gewoon was, stond verbaasd over de
spaarzaamheid van zoo'n inrichting. Kort voor de onverwachte
expatriatie van den Weledelen Heer Motto had-i aan de hand van
Anna Radcliffe en konsorten 'n lange
galery van roomsche akeligheid doorloopen, waarin 't wemelde van
overdaad op allerlei gebied. De armste monnik had kasteelen ter
zyner beschikking - gewoonlyk waren ze ontoegankelyk, en men moest
al zeer goed den weg in 't gebergte weten om ze te zien te krygen -
kasteelen waarin weerspannelingen levenslang begraven werden. Elk
roomsch geestelyke bezat zakken vol goud waarmee hy den geloovigen
bandiet betaalde, die de Kerk behulpzaam was in 't uit den weg
ruimen van lastige personen, van iemand, byv. die bybels en
traktaatjes verspreidde, of geweigerd had z'n bruid aftestaan aan 'n
bisschop. Wat ter-wereld kon zoo'n pater Jansen bewogen hebben zich
R.C. priester te laten maken, nu de emolumenten van 't beroep zoo
armoedigjes bleken verschraald te zyn? Of zou er misschien ergens...
Wouter betastte den wand om 'n geheime deur te ontdekken, en
verheugde zich over 't aanvankelyk mislukken van z'n poging, omdat
de ware geheimheid van zoo'n deur toch eigenlyk hierin bestaat dat
ze zich niet gemakkelyk vinden laat. Nu, aan deze voorwaarde van
geheimzinnigheid voldeden de toegangen tot pater Jansen's verborgen
schatten en martelkamers opperbest. Wel liep er hier-en-daar 'n
scheur door 't gebloemd papier waarmee de wand bedekt was, maar de
richting daarvan gaf te duidelyk getuigenis van 'n onwillekeurige
breuk in 't metselwerk, dan dat daarby zou kunnen gedacht worden aan
de kunst waarmee romanschryvers van de bekende soort groote lokalen
weten te verbergen in 'n kleine ruimte. Bovendien:
-
Dáár zyn de kamers van den pastoor die zoo sterk is in 't grieksch,
redeneerde Wouter, en aan die andere zy hoor ik Styntje rammelen met
'r keukengereedschap. Aan den voorkant zyn de vensters, de
hortensia, de binnenplaats en de kerk, en hier... daar zou 't
moeten wezen, àls er iets was. Maar...
Ik
kan niet juist zeggen door welken gedachtenloop Wouter tot het
besluit kwam dat die vierde wand van de kamer niets geheimzinnigs
bedekken kon. Misschien bedacht hy dat er zeker aan die zyde wel
buren zouden wonen die niet betrokken konden zyn in romantiek. Maar
op-eens sloeg hy de oogen op den grond. Onder dien vloer was zeker
plaats genoeg voor prikkelende akeligheid. O ja, tot de tegenvoeters
toe. God weet hoeveel rammelend gebeente
zich daar in zwygende eenzaamheid lag aantekyken! [7] Misschien ook
dwaalden er nog levende slachtoffers van inkwizitie en verliefde
bisschoppen in die gewelven rond. Wie weet of niet juist op dit
oogenblik de schoone Isabella haren voorlaatsten adem uitblaast.
Daar knerste iets...
Wouter hield den adem in. Ik weet waarachtig niet wat er knerste, en
geef den lezer in overweging te gelooven dat het geluid 'n
alleronschuldigste oorzaak had.
...daar knerste iets. Zou er dan toch inderdaad onder die mat...
In
geen van de romans die Wouter gelezen had, waren de valluiken met
matten bedekt geweest. Dit kon de nieuwste manier wezen, en in
romantiek moet men op alles verdacht zyn. Wouter was volstrekt niet
van plan den goeden pater Jansen te verraden als-i z'n geheimen zou
ontdekt hebben, o neen! Integendeel, hy wou niets liever dan
deelnemen aan al de schatten en kasteelen die er aan 't licht komen
zouden, zoodra hy zou afgedaald zyn in 't hol waar hem de schoone
Isabella zieltogend lag te wachten. Eerst dat arme schepsel bevryd,
en dan met volle zeilen den oceaan der romantiek ingestevend!
[8]
Isabella-zelf zou er schik in hebben, als ze maar eerst behoorlyk
verlost was uit dat gewelf. Maar... wàs er 'n gewelf? Wàs er 'n hol?
Om zekerheid te hebben, stampte Wouter met den voet...
-
Wou je wat, jongeheer? vroeg Styntje die juist de kamer binnentrad,
en Wouter's grondig onderzoek niet best begreep.
-
Neen, o neen, juffrouw, volstrekt niet! antwoordde hy bedremmeld. 't
Is maar dat... dat ik...
-
Als u iets mankeert... we hebben haarlemmer-olie in huis.
[9]
-
Dank u, dank u. 't Was maar dat ik... dat m'n voet slaapt. Dàt was
het!
-
Ja, niet waar, en dat prikkelt zoo. Ik heb 't ook wel eens gehad.
Maar 't gaat altyd weer over. Ik moet hier wezen, ziet u, om paters
Jézekie te schuren.
En
de goeie Styn nam 't Christusbeeldje van den wand, en poetste het en
wreef het dat het glom. De krucifix had waarlyk geen reden tot
klagen over verwaarloozing, al zou dan de oppervlakkige beoordeelaar
meenen dat Styntje wel wat ruw omging met het symbool van haar
geloof. De oorzaak van deze schynbare onverschilligheid lag in
gewoonte, en in afwezigheid van tegenstand. Wie kwaad van 't
afgodsbeeldje gesproken had, zou 't zeker by Styntje moeielyk te
verantwoorden gekregen hebben, maar nu hieraan niet gedacht werd,
behandelde ze haar Jézekie met niet meer omslag dan elk ander
voorwerp van metaal dat ze reinigde, schuurde, wreef en oppoetste.
-
Kyk, wat-i glimt! zei ze. Net 'n kaarsenmakers kat in den maneschyn,
vindje niet?
Wouter had nooit 'n kat van de omschreven soort en in dat byzonder
licht gezien, maar toch erkende hy onvoorwaardelyk dat het beeldjen
er goed uitzag.
-
Ja, 'n mensch moet zindelyk op z'n goedje wezen! Ik heb wat te
stellen met pater... daar heb je geen begrip van! Want hy... denkje
dat-i om iets denkt? Neen, dat doet-i niet. En weetje waarom? Wel,
omdat-i altyd denkt aan wat anders. De man is 'n engel van
God [10], en zou vergeten z'n neus te snuiten,
als ik 'm niet zei: pater, je bent verkouwen! En je gaat zoo naar
Haarlem? En pater ook? Wat ga jelui daar doen? 't Is 'n heele reis.
Wouter verhaalde een-en-ander van 't voorgevallene, maar slaagde er
niet in, Styntje begrypelyk te maken wat er eigenlyk geschied was.
Hoofdzaak voor haar was en bleef paters reis naar Haarlem.
-
Als-i maar geen kou vat, mymerde zy halfluid, of...
- 't
Is mooi weer, juffrouw, zei Wouter.
- O
ja, dàt is 't! Maar... och, kou vatten is ook 't ergste niet. Ik
voel me-n-altyd als 'n mal mensch als-i uitgaat, en dan zoo ver! Kan
je me zeggen waar-i nu heen is?
-
Geld wisselen, zei Wouter.
-
Geld? Daar heb je-n-'t al! Nu zit ik in doodelyke angst. Ik wou
dat-i al goed en wel weerom was.
Ze
pakte het gereedschap waarmee ze 't Christusbeeldje zoo verkwikt
had, by elkander, en verliet morrend het vertrek. Wouter wist alweer
niet wat-i van Styntje te denken had. Haar kleeding en voorkomen was
als van 'n zeer bejaarde dienstmaagd, maar de gemeenzaamheid waarmee
ze sprak over haar meester - de man bleek tot het ‘goedje’ te
behooren dat ze zindelyk te houden had - bracht hem in de war.
Styntje maakte met pater niet meer omslag dan met haar krucifix, al
kan ik verzekeren dat ze voor beiden met vreugd den dood getrotseerd
had. Er zou in dit byzonder geval weldra blyken wat de oorzaken
waren van haar bekommering over paters reis en 't geldwisselen. Er
vertoonde zich 'n bedelaar voor 't raam waar de hortensia
prykte. De man keek even naar-binnen, niet zoozeer als iemand die
vraagt, maar als 'n verwachtte persoon die te kennen geeft dat-i
er is. Weldra werd hy door 'n tweeden en derden gevolgd, die
almede blyk gaven zich volkomen thuis te voelen op 't binnenplaatsje
dat den pater voor antichambre [11] scheen te dienen. Velen maakten 't
zich gemakkelyk, en gingen op 't een of ander uitstek zitten dat aan
huis of kerk te vinden was, als wilden zy door 'n charade en
action de waarheid uitdrukken:
[1] Ik vroeg den lezer
of-i wel eens in hoedanigheid van protestantsch jongetje bezoeken
had afgelegd by 'n katholiek pastoor? Kan hy zich den indruk dien
dit te-weeg brengt, voorstellen?
Hier moet opgemerkt worden, ook voor
niet-leden van de Evangelische Omroep, dat Wouter niet alleen belast
was met P.G. maar ook door tal van Protestantse romans over Katholieke gruwelen,
die hij bij Motto & Cie had geconsumeerd. Zie
1094.
[2] ..
't onaanzienlyk huis stilhield ‘waar z'n kerk was’ naar-i zeide.
Onder de onaanzienlijkheid van Jansen's
kerk zie ....
[3]
.. onze Styn... daar is ze juist. Wel, Styn, ik ga naar Haarlem met
dezen jongeheer. Wat zeg je dáárvan?
Hier is het laatste bijzondere
persoonlijke karakter in de Woutergeschiedenis, en hier een lijstje
van de meeste, met wat links naar waar ze omschreven of geïntroduceerd
worden:
Wouter, de Hallemannetjes, juffrouw Pieterse, Leentje, Stoffel,
juffrouw Laps, meester Pennewip, Klaasje van der Gracht, baker Stotter, Femke, vrouw
Claus, pater Jansen, de Holsma's, Klaas Verlaan, prinses Erika, prins
Erik, de Kopperliths, Wilkens, Gerrit Sloos, Styntje.
[4]
Hy verstaat grieksch alsof 't niets was. Jy zeker niet, hè? Nu, dat
doet er niet toe. Maar verleden... wat wou ik je vertellen?
Dit is natuurlijk mede een verwijzing
van pater Jansen of Multatuli naar Wouter's
onwetendheid, Willem Holsma (die zo goed z'n oude talen kende), en Wouter's slechte vertellen.
[5] - `t
Is gek in 'n mensch dat-i soms niet weet wat-i vertellen wou.
Als met Wouter, eerder.
[6]
je begrypt... dat is 'n huis Gods
Merk op dat pater Jansen kennelijk
meent dat er andersoortige huizen van God zijn dan zijn eigen
katholieke kerk.
[7] God weet hoeveel rammelend gebeente
zich daar in zwygende eenzaamheid lag aantekyken!
Met hologige schedels, naar men mag
aannemen. Overigens is dit waarschijnlijk ironisch, en verwijst naar
de oxymoronische kunstfrases van de Romantiek.
[8]
Wouter was volstrekt niet van plan den goeden pater Jansen te verraden
als-i z'n geheimen zou ontdekt hebben, o neen! Integendeel, hy wou
niets liever dan deelnemen aan al de schatten en kasteelen die er aan
't licht komen zouden, zoodra hy zou afgedaald zyn in 't hol waar hem
de schoone Isabella zieltogend lag te wachten. Eerst dat arme schepsel
bevryd, en dan met volle zeilen den oceaan der romantiek ingestevend!
Wouter is nog steeds niet ver
verwijderd van de gevoelens die z'n Rooverslied inspireerden.
[9] -
Als u iets mankeert... we hebben haarlemmer-olie in huis.
De scherpzinnige lezer begrijpt
natuurlijk direct dat het heel praktisch is, vooral in een huis Gods, om een
commercieel verkrijgbaar panacé voor alle kwalen gereed te hebben.
[10]
Want hy... denkje dat-i om iets denkt? Neen, dat doet-i niet. En
weetje waarom? Wel, omdat-i altyd denkt aan wat anders. De man is 'n
engel van
God
Dit is informatie over pater Jansen
van een kenner, en overigens zie
1167 voor een mogelijke gissing over Jansen's statuur.
[11]
antichambre
Letterkundig genre à la mode de
Schrant: zegge: antechambre, zegge: voorkamer,
zegge: wachtkamer.