De réunions die
eenmaal in Frankryk dezen naam droegen [1], lieten zeker aan goeden
smaak veel te wenschen over, en de hemel beware my dat ik de mode
zou wenschen ingevoerd te zien elkaar te bezoeken met 'n beraamd
plan om geestigheden uittekramen, of al ware 't zelfs geest.
Misselyker nog komt my 't uitstallen van - nagemaakte! - geleerdheid
voor, zooals die welke door Molière wordt
gehekeld in z'n Femmes savantes en
Précieuses ridicules. Wy weten nu
eenmaal dat al dergelyke afdwalingen van smaak neerkomen op
natuurverkrachting, en dus alleen als zoodanig reeds te veroordeelen
zyn. [2] Toch vonden sommigen - en de overgroote meerderheid! - middel
om nog lager aftedalen, en zich bezigtehouden met gesprekken, welker
gehalte wel evenzeer doorslaand blyk gaf van gemis aan
verstandelyken zin, doch bovendien bewees dat men zelfs den schyn
daarvan niet op prys stelde. Voor onzen Wouter sproot hieruit alweer
'n misrekening voort, zoo als die welke hem de ontheologische tint
van pater Jansens gesprekken berokkend had. Hy had zich voorgesteld
nu eindelyk iets te vernemen uit de werkelyke wereld, en hy beloofde
zich goed toeteluisteren om den waren toon te vatten die de
aanzienlyken van de burgerluî onderscheidt. [3] Helaas!
Nadat de zeer byzondere beminnelykheid van Bonifaz naar behooren
door de familie Krucker geprezen was, kwam het gesprek op 't
meegebrachte hobbelpaard, en de moeielykheid om dat dier te stallen.
- Hy
wou 't absoluut mee hebben, mama, verzekerde Hersilie. En als 't
kind z'n zin niet krygt....
-
Ja, dan iest-i vol oenwillen, voegde de elsasser konsul er by. 't
Kind heeft kolossaal viel karakter.
-
Maar.... mama heeft zoo'n fameus-erge hoofdpyn. Je kunt het vragen
aan de juffrouw. Niet waar, juffrouw?
De
juffrouw getuigde naar Pompile's zin, en de nogal fameus-erg zieke
mevrouw knikte met het hoofd. De kleine jongen werd weggezonden, met
verzoek z'n beestje niet anders te behobbelen dan in de mangelkamer.
Nu, dit deed hy, en 't huis dreunde er van. Het gezelschap stelde
zich schadeloos door 'n gesprek over weer en wind, waaraan ook de
dames konden deelnemen. Na weinig overgangen kwamen de ‘zaken’ op 't
tapyt, en 't vrouwelyk deel der vergadering kon zich als uitgesloten
beschouwen. De oude nogal heel fameus-erg zieke mevrouw stelde zich
schadeloos door 't onophoudelyk mummelen van soezen.... zoo byzonder
dienstig tot het opwekken van eetlust, had de dokter gezegd. Julie
‘werkte’ aan haar hooggekleurden jachthond, dien Wouter by deze
gelegenheid met genoegen weerzag. [4] De juffrouw knutselde aan 'n
festonwerkje, en bespiedde de luimpjes van mevrouw, niet zonder
nu-en-dan sentimenteele blikken te werpen op Eugène die de
ongevoeligheid-zelf bleef. De heer van den huize hield zich bezig
met voortdurende handhaving van 't glimlachje waarmede hy gewoon was
z'n existentie toetejuichen. Pompile draaide heen-en-weer op z'n
stoel, en verkneuterde zich in de verrukking van z'n Kruckers.
Elk zyner blikken scheen te vragen: ‘welnu, is 't waar of niet, dat
papa 'n eigen Buiten heeft?’ Om hem te bedanken, maakte een
hunner de opmerking ‘dat lynwaden zoo'n belangryk vak was.’
-
Een heel belangryk vak, m'nheer Kopperlith!
-
Zeker, zeker! Maar ‘kurken’ zyn ook niet te versmaden, kaatste de
oudeheer terug.
De
scherpzinnige lezer begrypt dat de Krucker-familie ‘in’ kurk
en kurken ‘was.’
-
Als ik het voor 't kiezen had, was ik liever ‘in’ lynwaden, zei een
hunner zediglyk.
-
Hm, ja, zoo. In lynwaden, ziet u....
-
Daarin is altyd iets te doen.
-
Zeker, zeker, altyd iets!
- En
in kurken heeft men soms....
-
Ja, dit is waar.
-
Maar men kan niet zoo op-eens veranderen van vak.
-
Neen, dit gaat niet. Men moet verstand van 'n vak hebben...
-
Juist! En er by opgebracht zyn.
't
Heele gezelschap zag met betamelyken eerbied al de Kruckers
aan, die verstand van kurken hadden, en er by waren opgebracht.
-
Papa, vroeg op-eens de terrible Julie, is er véél verstand noodig
voor kurken?
-
Julie! riep de oude mevrouw verwytend.
-
Zeker, zeker, kind! Voor den handel is verstand noodig, véél
verstand! [5]
- We
doen op Spanje, ziet u, riep de familie Krucker.
-
Ah! zei Julie, alsof deze mededeeling de zaak ophelderde.
-
Ja, op Spanje!
- U
spreekt dan zeker spaansch?
Deze vraag gold
voor 'n beminnelyke ondeugendheid. Allen begonnen zoo hartelyk
mogelyk te lachen, en de geëxamineerden 't minst luid niet,
misschien wel om 't antwoorden onnoodig te maken. Pompile was
grootsch op de verrukkelyke geestigheid van z'n vrouwtje.
-
Ja, ja, de kurken komen uit Spanje, verzekerde de oudeheer. Wie in
kurk doet, heeft 'n kantoor op Spanje.
- De
reizigers uit Barcelona loopen 't land af, zei de familie Krucker.
-
Ja, papa, 't is 'n fameus vak, verzekerde Pompile, die de door hem
aangebrachte gasten wat wilde ophemelen.
-
Och, er wordt zoo in geklad, jammerde een der Kruckers,
vreeselyk, m'nheer!
- De
mensen kunnen 't kladden niet laten.
- Ze
gaan in de kleinste dorpen, en bezoeken den geringsten winkelier,
m'nheer Kopperlith!
-
Een nekslag voor den handel!
-
Dat moesten ze niet doen. Wat zeg jy, Eugène?
-
Hm, zei Eugène.
-
Voor den groothandel blyft niets te verdienen, niets, volstrekt
niets! Wy, grossiers, visschen achter 't net.
- En
hoe staat de wissel op Spanje?
-
Och, we remitteeren gewoonlyk op Parys. Dat's makkelyker.
-
Parys staat hoog, zei gister m'n boekhouder, niet waar, Pompile?
-
Ja, papa. Dieper zei dat Parys heel hoog staat.
-
Papa, riep Julie, wat wil dat toch zeggen: Parys staat hoog?
Algemeen gelach om Julie's geestigheid. Pompile wreef zich de handen
van pleizier.
-
Wel, dit beduidt....
-
Wel zeker, 't beduidt dat....
-
Men bedoelt daarmee dat de wissel hoog staat. [6]
- De
fransche wissel, weetje?
-
Ah! zei Julie, als voldaan.
-
Daar heb je nu, byv. Engeland, lichtte Pompile toe, Engeland staat
twaalf en drie.
-
Ah, zoo!
-
Juist, zoo is het! Engeland staat twaalf en drie. En
Frankryk....
-
Frankryk staat zeker wel....
- Ja, ja, Frankryk
staat heel hoog.
-
Papa, waarom staat Frankryk zoo hoog?
Deze
vraag van Julie bracht het gezelschap minder in verlegenheid, dan
welbeschouwd passend zou geweest zyn. Niemand wist 'n behoorlyk
antwoord te geven, en toch schaamde zich geen der aanwezigen over
z'n onkunde. Pompile die zeker niet vernuftiger was dan de rest,
stootte een der Kruckers tegen de knie, alsof hy zeggen
wilde: ‘wel, wat zeg je van m'n vrouwtje?’ Julie meende uit het
algemeen gegiechel te mogen opmaken dat ze 'n vraag had gedaan, die
de moeite van 't herhalen waard was. Nogeens alzoo:
-
Ja, heusch, papa, waarom staat Frankryk zoo hoog?
Wouter luisterde aandachtig. Ook hy had zich meermalen by het doen
van uitrekeningen voor 't faktuurboek, de vraag voorgelegd waaraan
't ryzen en dalen van den wisselkoers was toeteschryven? Op 't
kantoor durfde hy geen inlichting vragen. Zeker zou men hem daar
hebben afgewezen met 'n bar: ‘dat zyn nu eigenlyk je zaken niet!’
Zeer diep had hy dan ook nog niet over 't vraagstuk nagedacht, maar
z'n belangstelling werd nu opgewekt door de onverwachte manier
waarop 't hier ter-tafel gebracht werd. Julie drong hoofdig op
antwoord aan, geenszins omdat ze drang voelde tot weten en begrypen,
maar om zoo lang mogelyk te genieten van het triumfje dat haar
naïveteit bleek behaald te hebben.
-
Die Julie! had de oude mevrouw geroepen.
-
Ja, ja, mama, ik vraag waarom nu eigenlyk Frankryk zoo hoog staat?
-
Wel, kind, zei de oudeheer, begryp je dàt niet? Dat is de wissel. De
wissel, weetje?
-
Juist, riepen de Kruckers, 't is de wissel!
-
Zieje, Julie, 't is de wissel, bevestigde Pompile. En zich tot z'n
gasten keerende: àlles, àlles wil ze weten! Zóó is ze! Ze is niet
tevreden vóór ze alles weet!
-
Maar, papa, wat wil dat dan zeggen: de wissel staat hoog?
-
Wel, heel eenvoudig, de wissel op Frankryk.
-
Juist, Julie! Zieje, 't is de wissel op Frankryk.
-
Maar.... wat bedoelt men dan daarmee?
-
Wel, dat de wissel duur is.
-
Maar.... waarom is-i duur?
-
Ja, dàt zyn nu zoo van die vragen, kind, die....
-
Ja, Julie, dat zyn vragen....
En
ook de familie Krucker betuigde eenstemmiglyk dat dit van die vragen
zyn....
Er
spookte een duiveltjen in Wouter's gemoed. Het niet-weten der
anderen prikkelde hem tot wat inspanning. Hy begon te meenen dat hy
misschien 't vraagstuk zou kunnen oplossen. Hy dacht na, en peinsde,
en wou iets zeggen, maar durfde niet. Zeker zoud-i geschrokken zyn
van z'n eigen stem in dit voornaam gezelschap. Bovendien, de
oudeheer nam de taak van uitlegger op zich.
- De
wissel is duur, Julie, als-i in de prys-courant hoog genoteerd
staat.
-
Juist, zei Pompile. Dat is de.... beursnoteering, zieje! Dieper neemt
ook altyd onze wissels op Engeland volgens de beursnoteering van den
dag. Niet waar, papa? Niet waar, Eugène?
Noch
papa, noch Eugène spraken dit tegen. En al de Kruckers
knikten toestemmend.
-
Ah, zoo, ja, jawel.... beursnoteering, antwoordde Julie die volkomen
bevredigd was.
-
Het zyn.... zaken, moet je begrypen, gaf Pompile nog ten-beste
tot overmaat van helderheid.
-
Daar heb je 't juist, riepen de Kruckers, 't ligt 'm in de
zaken, lieve mevrouwtje!
En
tot verdere toelichting kwam het niet. Wouter, die al meer en meer
begon te gelooven dat-i wat degelykers over 't onderwerp zou kunnen
meedeelen, bleef zwygen. Behalve den schroom voor z'n eigen stem,
begon hy te vreezen dat er iets gevaarlyks lag in 't aanroeren van
Julie's prysvraag, iets indecents misschien als de geboorte van 'n
kind. Onwillekeurig dacht hy aan z'n kornuiten by 't postkantoor,
z'n vraagbaken sedert 'n maand of wat. Zy zouden 't weten,
meende hy, waarom de wetten die den wisselkoers beheerschen, niet
mogen worden aangeroerd in deftig gezelschap. O, prikkelend
mysterie! Maar die wetten zelf kwamen hem zóó eenvoudig voor dat-i
moeite had z'n mond te houden. Hy werd uit z'n spanning verlost door
Pompile:
-
Zeg, jy, Pieterse, weet je wat je doet? Je moet eens zoo goed wezen
naar de mangelkamer te gaan - niet waar, mama? - Niet waar, Hersilie?
- en speel wat met den jongeheer Bonifaz, want hy hobbelt zoo
fameus. 't Is maar, zieje, Hersilie, omdat mama zoo'n fameus erge
hoofdpyn heeft, dát is het maar!
Het
echtpaar Calbb keek onvergenoegd, en scheen 't beneden de
waardigheid van hun spruit te vinden zich ergens anders te vermaken
dan in de salon. Wouter verslikte z'n wysheid over de oorzaken van
den wisselkoers. Hy verliet het gezelschap, en vond de mangelkamer
op 't geluid af. Hier vervulde hy z'n naastbyliggend plichtje, door
den jongeheer Bonifaz aftelokken van z'n hobbelpaard.