De oudeheer Kopperlith
had de waarheid gezegd: z'n Buiten lag vlak by ‘de Logementen.’
Dit was gezellig, zeide hy, want men vond er couranten, en menschen
uit de stad. Eigenaardig is het, dat de meeste ontvluchters van 't
stadsgewoel hun landelyke eenzaamheid slechts dan behoorlyk kunnen
genieten, wanneer ze nogal heel erg vermengd is met steedsche
drukte. Wouter bemerkte dan ook zeer spoedig dat het ‘Buiten-zyn’
geheel iets anders was dan-i zich had voorgesteld. Hoe krom en
verdraaid ook de idylliteit zich in verzen aan hem had voorgedaan,
hy vond geen spoor van de beelden die zy in z'n fantazie hadden
opgewekt. By 't rondzien uit z'n achterbakjen op 't rytuig,
bespeurde hy geen enkel plekje waar 'n verloren zoon 't kleinste
biggetje had kunnen deelgenoot maken van z'n berouw. Herderinnen met
bebloemde hoeden, korte rokjes en roodkleurige schoenen zag hy
nergens. Geen Damon bespeelde de dwarsfluit. Geen jeugdige
landbewoners dansten op den fluweeligen grasgrond. En ook die
grasgrond-zelf, met of zonder fluweel dan, ontbrak. Overstappende op
andere hoofdstukken uit de geschiedenis zyner verbeelding, wou ook
de romantische wildernis, zoo aantrekkelyk door 't verondersteld
gemis aan konventie, zich maar niet aan hem vertoonen. By 't omslaan
van 'n hoek, had de fameuze ‘britschka van papa’ byna 'n half
blinden vioolspeler overreden.... was dàt de Damon dezer streken? De
ryweg was van klinkers, voethoog met aard en stof overdekt.... was
dàt de fluweelen dansvloer van de landjeugd? Aan de boomen ontwaarde
hy geen appel, geen peer, geen noot, jazelfs geen kokos of
broodvrucht.... was dàt de mildheid der gulle buitennatuur? En.... en
- komaan, hy moest zichzelf bekennen dat-i teleurgesteld was -
gedurende de reis had geen enkel aventuur de eentonigheid van dien
Haarlemmerweg opgevroolykt. Geen rad van den wagen had willen
breken, geen roover had zich vertoond.... ja toch, even, iets er van.
Een bedelaar scheen aanslagen in den zin te hebben, of althans men
had zich 'n oogenblik kunnen opdringen dat-i wat anders was dan 'n
vreedzame landlooper, maar 'n nietig tikje met den zweep was
voldoende om ook deze illuzie den bodem inteslaan, en Wouter zat
weer alleen met z'n soezen en z'n hoededoos. Juist was hy aan 't
bepeinzen van de vraag waarom toch iemand die 'n ‘Buiten’
bezitten kon, dat niet liever in Afrika zocht, toen 't rytuig het
hek van Groenenhuize binnenreed, en voor de open voorgalery
stilstond. Pompile kwam met z'n gewone schichtigheid te voorschyn:
-
Dag, Calbb! Dag, Hersilie! Heb je soezen meegebracht? Je weet dat
mama er niet buiten kan. Hoe laat ben je-n-afgereden? Stof op den
weg, hè? Ja, veel stof. Die weg is heel stoffig, weetje! Dat komt
van de droogte. Als 't regenen gaat, zal je zien dat 't minder
stoffig wordt. Zoo, Pieterse, ben je daar? Kom er maar uit.... je mag
er uitkomen.... stap maar op 't wiel. Zyn dàt de soezen? Nu, houd ze
maar vast tot de meid komt, want.... straks komt de meid, niet waar,
Hersilie? En heeft Bonifaz z'n hobbelpaard meegebracht? Zeg: dag,
oom! 't Kan in de mangelkamer staan, of in 't tuinhuis.... want mama
heeft hoofdpyn, weetje, Hersilie, nogal fameus-erge vreeselyke
hoofdpyn.... en zenuwen, weetje? We hebben de Kruckers hier,
en van-middag komen de Hockers, en de juffrouwen Pleier komen
morgen op 'n maderaatje. ‘Met veel plezier!’ hebben ze laten zeggen,
want.... papa heeft ze geinviteerd. En straks gaan we toeren, weetje,
met de Kruckers, maar mama blyft thuis - vreeselyke hoofdpyn,
weetje? - ze zal bataille spelen met de juffrouw. Ze is er mooi
kwaad om, de juffrouw meen ik. Dàt kan my niet schelen, en Eugène
zegt....
Gedurende dit geratel was de wagen ontpakt, en Wouter werd van z'n
soezen ontlast door een van de meiden die hiertoe door den
beredderenden Pompile scheen gekommitteerd te zyn. Hy mocht nu de
familie volgen, die 't huis was ingetreden, en weldra aanlandde in
de achtergalery waar 't hoofdkwartier opgeslagen was. Daar vond men
de steeds nogal fameus-erg zieke oude mevrouw met haar schoondochter
Julie en de gezelschapsjuffrouw. Daar zaten de oudeheer Kopperlith
en z'n spruit Eugène. Daar zat de Krucker-familie. En daar
ook namen de nieuw-aangekomenen onder geleide van Pompile hun
plaatsen in. Wouter, die iets later dan de anderen, en vry verlegen,
binnentrad, werd aan de vrouw des huizes voorgesteld met 'n
onachtzaamheid waarin niets laakbaars zou gelegen hebben, indien ze
gegrond ware geweest op z'n onbeduidend standpunt als mensch. Doch
hierin lag de verontschuldiging voor Pompile's lompheid niet. Hy
maakte zoo byzonder weinig omslag omdat-i te doen had met 'n
kantoorbediende, met 'n wezen van lagere orde. Misschien zelfs
bezondigde ik my aan hoogdravendheid door van ‘voorstellen’ te
spreken. De waarheid is dat Wouter met 'n vingerbeweging werd
aangewezen als ‘de jonge Pieterse’ en toen 'n paar leden van de
familie Krucker zich schenen gereed te maken tot iets als 'n groet,
werden ze voor deze gevaarlyke misvatting bewaard door 'n snelle
vermelding van Wouter's maatschappelyk standpuntje:
-
Onze jongste-bediende, zei Pompile allervoornaamst, en op 'n toon
die zooveel zeggen wilde als: je hoeft je niet op kosten te laten
jagen van beleefdheid. [1]
Terstond daarop mocht Wouter zitten gaan, en zelfs luisteren naar de
verheven gesprekken die de achtergalery van Groenenhuize zoo
byzonder weinig deden gelyken op 'n bureau d'esprit.