Ze had traan-oogen,
dit is waar, en zag er juist even onaptytelyk uit als haar vygen.
Rimpels had haar gelaat niet - wàs 't 'n gelaat? - het waren voren
en groeven.
Als vochtige zeemen lappen hingen de plooien over elkander heen, en
de toeschouwer had moeite zich voortestellen hoe al die vouwen van
de overvloedige huid haren weg vonden, en telkens weer haar eigen
plaats wisten intenemen, na zoo zonderling te zyn heen-en-weer
geworpen door de mummelende beweging, van haar mond. Hierin zal dan
ook wel eens verwarring ontstaan zyn, maar wat was er aan te doen?
Niemand hield er boek van, en elke plooi hing waar ze verkoos. Is 't
wonder dat die overkompleete lappen wel eens misbruik maakten van 't
volslagen gemis aan tucht en kontrole?
Het
vrouwtje was bezig met haar middagmaal. Een kleine jongen van 'n
jaar of vier, had haar in een met stopverf geheelde vuurtest, 'n
papje van aardappels en uien gebracht, dat ze niet zonder moeite en
verlies naar den mond geleidde met 'n yzer drietandje, geleend
misschien uit het magazyn van haar buurman. Onder het eten verloor
ze geen oogenblik haar zaak uit het oog, en monsterde met
kinderkundigen blik 't onmondig deel van Publiek, dat haar
etablissement naderde of... voorbyging. Want zeer veel kinderen
gaven blyk van de wysbegeerte die ons leert dat aardsche goederen,
met vygen en al, niet volstrekt onmisbaar zyn voor ons geluk, en
dikwyls zelfs schadelyk. Misschien ook was de slapte van de markt
het gevolg eener finantieele krisis, gelyk in den handel soms
voorkomt. Om zich edel te wreken, misschien ook om den snoeplust van
andere kinderen optewekken - wie toch doorgrondt de finesses van den
handel? - neen... uit hartelyke genegenheid voor 't jongetje welks
overgrootmoeder ze was, gaf zy 't kind 'n ristje van haar vygen. Ik
moet er by zeggen dat ze aan haar geschenk de onereuze voorwaarde
verbond, dat de bevoorrechte de helft daarvan moest uitkeeren aan
z'n zusje.
- En
mag ik dan 't stokje houden, vroeg de knaap. Heelemaal? 't Heele
stokje?
-
Ja, liewes, jy mag 't stokje houden, heelemaal!
De
oogen van 't kind glinsterden van geluk. Daar ging één vyg
naar-binnen. De tweede volgde. Daarna... zuiver de helft van de
derde. Na de amputatie werd de overschietende helft weer netjes
aangeregen, en: ‘ik mag 't stokje houden!’ juichte de kleine. Toen
't oudje haar test had leeggegeten, gaf ze die aan 't kind terug,
met liefkozingen en 'n kus. De knaap sprong heen, jubelend het
geschenk voor kleine Rachel omhoog houdend. Deze stond op eenigen
afstand by 'n groepjen andere kinderen te spelen, en liep op de
blyde mare haar broertje te-gemoet. Ze struikelde en viel, en
bezeerde zich... al of niet, maar schreide zooals vallende kinderen
gewoon zyn.
Wouter had dit alles aangezien. Reeds eenige oogenblikken geleden
namelyk, was-i in de nabyheid van de oude vrouw blyven staan met het
voornemen háár te vragen naar de woning van den man die 't smeerige
briefje geaccepteerd had. Zy geleek zoo byzonder weinig op 'n
struikroover, vond-i, en de konfidentie dat hy belast was met 'n
gewichtige finantieele operatie zou veilig kunnen worden neergelegd
in haar schoot. Toch weifelde hy. Ook in
Glorioso kwamen zeer oude vrouwtjes voor, die op 't
beslissend oogenblik in welgewapende mannen veranderden!
Terechtwyzing kon hy evenwel niet ontberen. Wel wist hy nu met
zekerheid dat-i zich in de straat bevond waar-i ‘zaken’ had, maar...
in welk huis? Van de nummers was niets te zien, of slechts nu-en-dan
'n enkel, want van gevel tot kelder hingen de puien vol lappen en
lompen. [1] Dáár in die ruïne, juist achter de zitplaats van de vygen-
en zuurvrouw, moest naar z'n berekening de gezochte persoon wonen,
doch hy vertrouwde die berekening niet. In dat bouwvallig huis kon
geen zak guldens aanwezig zyn, meende hy, en zelfs zooveel duiten
niet. Hy begon nu iets beter dan vroeger 't onsmakelyk praedikaat
van z'n briefje te begrypen. Want in de gansche straat ontwaarde hy
geen verblyf dat er uitzag alsof daarin ooit 'n wissel kon betaald
worden. Peinzend bleef hy staan, en liet zich 'n oogenblik afleiden
van z'n gedachten door het kleine tooneeltje met dat kind. Bybelvast
als-i was, haalde het juichen van den knaap hem
Numeri XIII voor den geest, waar de
verspieders komen aanloopen met druiven en granaatappels en...
vygen. ‘Ook dáár wordt gesproken van 'n stok, van 'n draagstok’
dacht Wouter, en juist liep hy gevaar zich te verdiepen in... heel
iets anders dan z'n naastbyliggende plicht alweer, toen hy het
tweejarig Racheltje struikelen en vallen zag. Fluks by-de-hand,
richtte hy 't kind op, en wischte haar traantjes af, en droeg het
naar de oude vrouw, die hem zeer vriendelyk bedankte.
-
Chot sel je hondertmaal sechene, jongeheer! zei ze.
Nu
weet ik wel dat weinig zaken goedkooper zyn dan de toewensching van
Gods zegen. En ook dat die oude vrouw geen reden had, byzonder
gewicht te hechten aan Wouter's nietig dienstbetoon. Dat kind zou
wel vanzelf weer opgestaan en tot de overgrootmoeder gekomen zyn.
Maar toch deed haar vriendelyke dankzegging hem goed. Noch Motto
noch m'nheer Wilkens, de praktische heeren die zoo grondbeginselig
alle bemoeienis met de zaken van 'n ander verafschuwden, hadden
besef van 't genot der aandoening die de Duitschers
menschenfreundlichkeit noemen, en waarvoor wy, meen ik, geen
woord hebben. [2] 't Is iets als de vertaling in het dagelyksche, van de
hoogdravende Menschenliefde die maar 'n deugd is voor
zeldzame feestdagen, tooneelstukken, levensbeschryvingen en
grafschriften. Wouter was gaarne vriendelyk, en nooit voelde hy zich
zoo ontlast van de pynlyke beschroomdheid die hem gewoonlyk drukte,
dan wanneer zich 'n gelegenheid aanbood zich eens recht welwillend
te toonen. Ook thans schepte hy uit dit kleine voorval den moed het
oude vrouwtje naar de woonplaats te vragen van Roebens, den man
dien-i zocht.
-
M'n êêche kleinsoon, jongelief! Heb je sake met 'm? Chots seeche d'r
op! Hier woont-i, vlak achter me... kyk, dáár den trap op. Cha jy
gerust na-bove, en loop m'r deur tot 't derde pertaal, waar je die
dékes ziet hangen, en al dat beddechoed, en z'n sjabasj engels-hemt.
En je klopt an de deur naast de cheutsteen, en je roept: Roebe,
Roebe! Want Roebe Roebes hiet-i. En-i is kemissjenèèr in lompe, en
m'n êêche kleinsoon, en Racheltje's fader, werachtich as Chot!
Deze
plechtige bevestiging van hare berichten omtrent Roeben's
maatschappelyk standpunt en familiebetrekkingen, was minder
overbodig dan ze schynt. Wouter had reeds moeite te begrypen hoe
iemand die dáár woonde, honderde guldens zou kunnen betalen. Maar
dit laatste nu eenmaal aannemend als mogelyk, kwam het hem vreemd
voor dat de beschikker over 'n som die hem zoo aanzienlyk toescheen,
de kleinzoon wezen zou van 'n arme zuurvrouw, en Racheltje's vader.
Hy kende de eigenaardigheid niet die de Joden - zooals veel Aziaten
- nog altyd van Westersche volken onderscheidt, dat ze zeer dikwyls
'n redelyke welvarendheid achter schynbare armoed verbergen.
[3] Niet
zonder uitzondering, maar - vooral in de lagere standen - heerscht
by sommigen iets dat men het omgekeerde van bluf of reklame
zou kunnen noemen, en als tegenstelling met de Kopperliths komt ons
deze opmerking goed te-pas. Dat de kommissionair in lompen - een der
schakels tusschen papierfabrikanten en voddenrapers - z'n
grootmoeder daar op de straat liet zitten... lieve God, ze verkoos
niet anders! Ze was opgebracht by den handel, by dien handel,
en daarby wou ze sterven. Ook was ‘zuur’ en bedorven kruienierswaar
haar specialiteit. In elk ander ‘vak’ zou ze met handen en hersens
verkeerd hebben gestaan, en zelfs met haar neus. Want ze rook
den graad van ontbinding waarin haar goederen behoorden te verkeeren
om te passen in 't kader van haar ondernemingen. [4] De tachtigjarige
oorlog dien ze gevoerd had tegen flauwen kooplust, slecht weer,
lastige policie - eens namelyk had 'n onwaardige magistraat het
veilen van bedorven goedje verboden... 't is lang geleden! - de
leerschool die ze had doorloopen met taai geduld... zie, dat alles
kon ze niet van de meet af op-nieuw beginnen. Haar kunst was zoo
lang geweest als haar leven, en wat er van dat leven nog kon
overschieten, zou gewis te kort zyn voor 't aanleeren van nieuwe
kunst. Ik beweer hiermee geenszins dat de door haar gekozen
specialiteit in-allen-deele aan de illuzien van hare jeugd had
beantwoord. Éénmaal zou haar de verzuchting ontsnapt zyn - 't wordt
door wel-onderrichte maar onbescheiden getuigen verzekerd - ‘als ik
nògeens in de wereld kwam, ging ik in 't knokenvak!’ Maar ze
troostte zich by 't bedenken dat ook deze loopbaan wel haar
onaangename zy hebben zou, al scheen dat anders aan wie er buiten
stond. En in-allen-geval, er was geen spraak van dat ze haar leven
zou overdoen. Ééns gekozen, blyft gekozen. De zaak lag er toe, en
Jehovah-zelf kon 't niet ongedaan maken dat
Vrouw Roebens haar gansche ziel aan zure augurken en verrotte vygen
besteed had. Wat er in den hemel moet worden aangevangen met zulke
zielen... ei, en de jongeheer Pompile dan, met z'n
wittegronden-driekleur, en z'n krieuweltjes? En m'nheer Wilkens met
z'n diemetten? Welke ontwikkeling brengen dezulken mee in den hemel?
En dat zy eenmaal daar aanlanden, is toch zeker. Want Pompile was
van de Walekerk, en Wilkens hoflandsch-griffermeerd. Twee zeer goede
gelooven, gelyk ieder weet.
[1]
Van de nummers was niets te zien, of slechts nu-en-dan 'n enkel,
want van gevel tot kelder hingen de puien vol lappen en lompen.
Ik ben geboren in 1950, vijf jaar na
het einde van de Tweede Wereldoorlog, waarin ca. 116.000 Nederlanders
vanwege hun vermeende joodse ras weggevoerd en vermoord zijn. Uit
eigen ervaring kan ik dus niet veel meedelen over de Amsterdamse
jodenhoek of het Waterlooplein, waar een grote tweedehandsmarkt was,
en nog steeds is, maar tegenwoordig nogal ànders - van uiterlijk, opzet,
inrichting, marktwaar - dan in de vijftiger jaren en voor de oorlog.
Wel kan ik me
herinneren hoe het Waterlooplein er in de jaren vijftig uitzag, en
er zijn uit die tijd ook fraaie zwart-wit fotoos van dat plein en de
markthandel gemaakt door Ed van der Elsken, waarop men kan zien dat
ook toen "van
gevel tot kelder hingen de puien vol lappen en lompen".
[2] Noch Motto
noch m'nheer Wilkens, de praktische heeren die zoo grondbeginselig
alle bemoeienis met de zaken van 'n ander verafschuwden, hadden besef
van 't genot der aandoening die de Duitschers
menschenfreundlichkeit noemen, en waarvoor wy, meen ik, geen
woord hebben.
Ja, en het is een feit dat, naar mijn
ervaring, de genoemde aandoening - medemenselijkheid in het
Nederlands? - vooral onder kantoor- en zaken-mensen niet of nauwelijks
lijkt te bestaan c.q. beperkt blijft tot enkelingen van hun eigen
soort of familie.
Gewone mensen
vallen niet uit hun rol, en vooral niet waar dit nodig is om de
medemenselijkheid op te brengen een ander te helpen die niet tot de
eigen familie of collegaas behoort.
Een bittere moeilijkheid die hier
meespeelt is dat de grote meerderheid van gewone mensen, voorzover ik
kan beoordelen, andere mensen, die ze niet of nauwelijks kennen,
plegen te wantrouwen, en ze behandelen en beschouwen op basis van dat
wantrouwen. Zie ook 1211.
En misschien moet ik ook opmerken - ten
behoeve van letterkundigen, bijvoorbeeld - dat Wouter ook al niet z'n
"naastbyliggende
plicht" deed, à la mode de
Kopperlith, in ieder geval, toen hij "het
tweejarig Racheltje" hielp. Toch
bleek deze voor Wouter zo vanzelfsprekende "menschenfreundlichkeit"
een positief verschil te maken voor het succesvol uitoefenen van z'n
kantoorplichtje, zoals zal blijken.
[3] Hy kende de
eigenaardigheid niet die de Joden - zooals veel Aziaten - nog altyd
van Westersche volken onderscheidt, dat ze zeer dikwyls 'n redelyke
welvarendheid achter schynbare armoed verbergen.
Men mag aannemen - ikzelf doe het,
bijvoorbeeld - dat deze "eigenaardigheid"
van "Joden"
en "veel Aziaten"
teruggaat op hun stellige kennis van en weinig vrolijke ervaringen met
de "Westersche
volken" waartussen zij als
minderheid trachten te overleven.
[4] Want ze rook
den graad van ontbinding waarin haar goederen behoorden te verkeeren
om te passen in 't kader van haar ondernemingen.
Ik wil dit graag geloven van haar in
haar jonger dagen, maar eenmaal beland op de leeftijd van
overgrootmoeder, waar we haar leren kennen, is het niet aannemelijk
dat haar neus nog bijzonder goed werkt.