- En, jongeheer, zei
Dieper, hoe moet ik nu doen met dat briefjen in den Jodenhoek? 't Is
'n smeerig papiertje, jongeheer!
-
Ja, Dieper, dàt is het! Waarom zeg je 't niet aan papa? Die
Gerrit...
-
Zeker, jongeheer! Ik heb den oudeheer reeds dikwyls daarover
gesproken. Maar u weet dat-i niet gaarne...
-
Weet je wat je doet, Dieper? Zend hèm!
En
met z'n duim over schouder, wees hy onzen Wouter aan:
-
Niet waar, jy kunt immers wel geld ontvangen?
Wouter's gelaat helderde op by de gedachte dat hy iets kunnen
zou.
- 't
Is zeer gevaarlyk, m'nheer, zei Wilkens.
-
Aan den kassier durf ik 't briefje niet geven, klaagde Dieper. 't Is
te smeerig! M'nheer heeft het me verboden, omdat-i wel-eens een der
direkteuren van de Kas ontmoet in Doctrina. En, zegt m'nheer,
het stáát niet... zulke smeerige briefjes. En dit is wel de
waarheid, jongeheer!
Nog
altyd zullen sommige lezers de ware beteekenis van deze elegante
uitdrukking niet begrypen. Een ‘smeerig papiertjen’ is 'n accept van
iemand die geen naam op de beurs heeft. Zoo'n man moge solide zyn,
eerlyk, trouw aan z'n woord, het helpt niet. De door hem geteekende
stukken zyn ‘smeerige papiertjes’ en dezulken waren er dikwyls onder
de remises van kleine winkeliers in de provincien. In dit byzonder
geval echter scheen meer dan gewone reden tot afkeer te bestaan. De
man van wien hier sprake was, woonde in 'n dwarsstraat van 'n
dwarsgracht in den Jodenhoek, en Gerrit die meermalen geld by hem
had ontvangen, klaagde dat-i ‘by dien kerel’ al z'n muntkennis
noodig had om niet te-kort te komen. De acceptant lokte hem steeds
in 'n donkere achterkamer waar 'n zeer groote familie huisde, en die
slecht verlicht was: 'n hol, zei Gerrit. En 'n behoorlyke tafel om
geld te tellen, was er ook niet. Zelfs de vloer kon daartoe-niet
dienen, want hy was vol reten en gaten, en wanneer men 't in-weerwil
hiervan beproefde, liepen of rolden de talryke kinderen heel
onprozodisch door de worpen heen. [1] Kortom, de woning van dien jood
was 'n tuin der Hesperiden waar weinig anders te plukken viel dan
wat kans om geplukt te worden. En: ‘hierop legt de kerel het toe!’
zei Gerrit.
Dit
alles was den jongeheer Pompile bekend, en toch drong hy er op aan
dat Wouter belast worden zou met de inkasseering van dat ‘smeerige’
briefje.
-
Zie je, Dieper, 't is nuttig voor hem dat-i alles leert.
-
Zeker, jongeheer, maar...
- En
hoe ànders? Gerrit is styf van rhumatiek... zeg dàt aan papa. En als
nu Pieterse dat geld ontvangt... hm, ik wil maar zeggen dat-i alles
leeren moet.
De
ware reden die Pompile zoo hardnekkig op z'n voorstel deed
aandringen, was eenigszins anders. Hy hoopte dat die jood onzen
Wouter 'n paar valsche stukken zou in de hand stoppen, of dat er 'n
andere tekortkomst blyken zou. Hieruit wilde hy munt-slaan in z'n
eeuwigen stryd met de styve rhumatiek van Gerrit. In de nadeelen die
Wouter's onbedrevenheid konden na zich slepen - en die met wat
overleg wel op ‘huishouden’ konden gewenteld worden - zou hy slechts
deelen voor 'n half kindsgedeelte. Zóóveel wilde hy nu wel eens
ten-offer brengen om verlost te raken van 'n knecht die hem als
kleinen jongen gekend had, en... meer dan aangenaam, ingewyd was in
de chronique scandaleuse van z'n jeugd. Héél skandaleus noem
ik die kroniek alweer niet. Maar Pompile beeldde zich dit
groothartiglyk in, al waren dan z'n afwykingen van 't pad der deugd
gewoonlyk te dekken geweest met 'n paar zest'halven. Alle waar is
naar z'n geld, tot de uitspattinkjes van zekere lieden toe.
Hy
dreef dus de zaak door. Wouter ontving 't smeerige papiertje dat er
niet onzindelyker uitzag dan andere wissels, en borg het met
ingespannen zorg in z'n patriarchaal zakboek. De te ontvangen som
bedroeg eenige honderde guldens. Wilkens gaf hem 'n geldzak mee, en
veel vermaningen om - in zeer letterlyken zin - goed op z'n tellen
te passen.
Binnen 't uur was Wouter met het vereischt bedrag terug.
Op 'n weinig buitengewoon kantige pasmunt na, bestond het in
glinsterende dukatons met ongeschonden rand. Gerrit-zelf, dien ze
later als 'n byzonderheid door Dieper getoond werden, moest erkennen
dat men ze zelden zoo te zien kreeg, en dan... ‘van zoo'n smeerigen
jood!’ [2] Het ging z'n begrip te-boven, en daar ik ditzelfde in den
lezer veronderstel, wil ik de oorzaken van dezen goeden afloop in 'n
volgend hoofdstuk meedeelen. Ik moet erkennen dat ik met genoegen
het kantoor van de heeren Ouwetyd & Kopperlith 'n oogenblikje
verlaat. Zoodra mogelyk keeren wy 't met welgemeenden afkeer den rug
toe. Maar men bedenke dat schryvers en leerjongetjes hun arbeid en
verblyf niet voor 't kiezen hebben. Myn naastbyliggende
plicht was nu eenmaal het beschryven van zeker menschenras waaraan
Vuurlanders, Huronen en Irokeezen te danken hebben dat ze niet de
àllerlaatste schakel zyn die den Mensch aan de Dieren verbindt.
[3]
[1]
Zelfs de vloer kon daartoe-niet dienen, want hy was vol reten en
gaten, en wanneer men 't in-weerwil hiervan beproefde, liepen of
rolden de talryke kinderen heel onprozodisch door de worpen heen.
Dit "heel
onprozodisch" (dus: tegen de
versmaat) slaat terug op Gerrit's muntworpen in
1220: "Het
was jammer de zest'halven by-een te stryken, die door hem waren
tentoongespreid in symmetrische regels.... zilveren verzen, waarlyk!"
[2]
... ‘van zoo'n smeerigen jood!’
Hier moet de lezer bedenken dat
Multatuli lang vóór de Tweede Wereldoorlog schreef, en geheel geen
antisemiet was, zoals we ook zullen leren in de komende ideen. Dit is
een wat moeilijk thema in Nederland sinds de 2e Wereldoorlog, omdat
meer dan 1% van de Nederlandse bevolking toen uitgemoord is door de
Duitse bezetters, met aanzienlijke hulp van "autochtone
Nederlanders", die ná de oorlog allemaal "in het verzet" zouden hebben
gezeten, volgens zichzelf. Wie hier meer van wil weten en begrijpen leze mijn laatste
noot bij 1171.
Trouwens... een ander probleem voor het
rationeel bespreken van de gewone menselijke onmenselijkheid tegen hun
medemensen (die niet tot hun eigen groep, soort, ras, natie, geloof of
politieke overtuiging behoren) is de in Nederland wijd verbreide
illusie en leugen dat "alle mensen gelijkwaardig" zouden zijn, in
Nederland vooral uitgedragen door drs. Ed van Thijn, ten behoeve van
z'n eigen carrière. Zie 155,
308, de al genoemde
1171 en
1185.
Die beweerde universele menselijke
gelijkwaardigheid - van Eichmann tot Einstein, van Pol Pot tot Martin
Luther King, van Hazes tot Beethoven - is geheel ònwaar, maar
wáár is dat deze ongelijkheid helemaal niets met ras, afkomst,
ethniciteit of nationaliteit van doen heeft: Menselijke excellentie is
altijd individueel, en overigens zeldzaam.
[3]
Myn naastbyliggende
plicht was nu eenmaal het beschryven van zeker menschenras waaraan
Vuurlanders, Huronen en Irokeezen te danken hebben dat ze niet de
àllerlaatste schakel zyn die den Mensch aan de Dieren verbindt.
Afgezien van Multatuli's
meningen over wat tegenwoordig géén "primitieve volkeren" meer genoemd
mogen worden - trouwens, als alle Politiek Correct taalgebruik een
lafhartige en oneerlijke poging de wereld zogenaamd te verbeteren door het
taalgebruik zogenaamd fatsoenlijk te maken, volgens geldende
vooroordelen (zie: 374) - is M. onrechtvaardig over de Kopperliths, Willekes en
Diepers, kennelijk omdat M. dergelijke personen zelf moest meemaken
als puber van ca. Wouter's leeftijd in een functie als van Wouter.
Dergelijke mensen zijn ook te
gewoon, te alledaags, te normaal om iets ànders te zijn dan
conformist, en doen dus geen bijzonder kwaad... altijd natuurlijk tenzij het doen
van kwaad tot
de gewone maatschappelijke plicht behoort, zoals heel goed mogelijk is
gedurende tijden van (burger)oorlog. Dan doen de Kopperliths etc.
natuurlijk graag hun vaderlandse plicht, of hoe ze het wensen te
noemen. (Zie:
Ordinary men en
1211)