Van-tyd tot-tyd dacht
Wouter aan de eigenlyke reden van z'n komst, of althans aan wat
daarvoor was opgegeven. Z'n gastvrouw scheen alle dieven en
moordenaars glad uit het hoofd gezet te hebben, en spreidde by
Wouter's herinnering daaraan, 'n dapperheid ten-toon, die hem
alleraangenaamst was. Want... de zyne was geweken.
't
Is de vraag of Fancy deze breuk in de logische kontinuïteit van z'n
aandoeningen even licht opnam als de gevaren van z'n slecht
gezelschap. [1]
-
Ik zou ze... denk je dat ik bang ben voor 'n kerel? zei juffrouw
Laps. In 't geheel niet! Voor geen drie! Voor geen tien! Voor de
heele wereld niet! Ik zou ze...
Des-te-beter, vond Wouter. Dan hoefde hy niet te... zouwen.
[2]
Daar
ritselde iets op den zolder. Wouter beefde. Hy was weer geheel kind.
-
Blyf jy hier, riep 't wyf, ik ga kyken, ik! Denk je
dat ik jou wil laten slaan of steken of vermoorden, m'n jongen...
dat nooit! Wie aan jou komt, komt aan my... aan my, hoorje,
dàt zullen ze ondervinden!
En
ze verwyderde zich, en nam de kaars mee om te onderzoeken waarom
ergens 'n plank gekraakt had. Ze liet Wouter lang genoeg in 't
donker alleen, om hem te doen verlangen naar hare terugkomst. De
rollen waren omgekeerd, en de ridderlykheid van onzen held begon
en quénouille te vallen. Een weinigje behendigheid nog, en de
jongen zou schut en wering zoeken onder haar voorschoot.
-
Maar, juffrouw...
-
Zeg jy gerust Kristien... want zóó heet ik. Jy mag gerust Kristien
tegen me zeggen. [3]
Dit
durfde Wouter nog altyd niet. Hy vermeed liever de heele vokatief.
-
Maar... zou ik nu niet liever naar huis gaan?
-
Wel neen! Je moeder is lang naar bed, dit begrypje wel.
De-n-afspraak was dat je hier zou blyven... ontbyten.
Ontbyten? Ach, lieve hemel, de jongen deed niet anders sedert 'n
uur! Moest dat tot den morgenstond worden voortgezet? Het was om te
rillen!
-
Weet je wat je doet? Kleed jy je gerust uit. Ik zal 'n kermisbedje
voor je maken, daar... in dien hoek! Want, zieje, als ik alleen ben
- ik, als vrouw, weetje - met al die dieven en moordenaars, dan word
ik zoo... griezelig. [4]
Wouter durfde niet neen zeggen, en evenmin doen wat hem zoo
streelend gelast werd...
Hy
weifelde...
Zy
hield aan...
Hy
begon...
Men
bedenke dat het kind beneveld was!
O
Fancy! Liberalismus is 'n goede zaak, en na de bemoedigende
statistiek van zoo-even erkennen wy dat de wereld niet vergaan zou,
al...
Maar
toch... franchement, Fancy, is 't niet jammer van den jongen?
[1] 't
Is de vraag of Fancy deze breuk in de logische kontinuïteit van z'n
aandoeningen even licht opnam als de gevaren van z'n slecht
gezelschap.
Daar had Fancy dan gelijk in, al heb
ikzelf weinig sympathie voor dit wezen. Ook had Wouter wel wat beter
logisch mogen nadenken over de aardappelschijfjes die hij net
verorberd had, die immers gestolen zouden hebben moeten zijn volgens
juffrouw Laps' verhaal.
[2]
Des-te-beter, vond Wouter. Dan hoefde hy niet te... zouwen.
Multatuli hield geheel niet van
"zouwers". Zie
idee 3.
[3] -
Zeg jy gerust Kristien... want zóó heet ik. Jy mag gerust Kristien
tegen me zeggen.
Ik weet niet zeker of dit een
letterkundige opmerking is, lezer, maar het is géén toeval dat
juffrouw Laps (van het latijnse "lapsus" = "fout, vergissing,
nalatigheid") als voornaam "Kristien" had.
[4]
Want, zieje, als ik alleen ben - ik, als vrouw, weetje - met al die
dieven en moordenaars, dan word ik zoo... griezelig.
Dit is een aardig voorbeeldje van een
enkele zin waarin M. veel weet samen te ballen: Dat juffrouw Laps het
type mens is dat kan zeggen "alleen"
te zijn "met al
die dieven en moordenaars"; dat
ze Wouter op haar vrouwelijkheid wijst; en dat ze feitelijk, ook
volgens Wouter's eerdere inzichten in haar, "griezelig"
is, met wellicht ook nog een toespeling oo (moreel) groezelig.