Wouter's eigen rykdom
was hem te onbewust dan dat hy zich kon ergeren aan de walgelyke
armoed van geest, die by zulke gelegenheden zich alom vertoont.
[1] De
tyd was nog niet aangebroken dat-i rilde by 't áánzien van
geestelyke naaktheid. Hoogstens zoud-i bedroefd geweest zyn als z'n
blik gerust had op slechtgevoede lichamen, op 'n bedelfamilie in
lompen gekleed.
Heel
veel moralisten, romanschryvers en vooral staathuishoudkundigen, zyn
heden-ten-dage nog niet veel verder dan onze kleine jongen in
den tyd der vetpitjes. Zou misschien hiervan de oorzaak zyn dat
stoffelyke armoed zich makkelyker laat schilderen? En... genezen?
De
paar paragraafjes waarmee 't vorig nummer eindigt, zyn toch zoo
diepzinnig niet. Ieder kan ze schryven. Ieder lezer kan ze
vermeerderen tot het oneindige toe. Aan modellen van geestelyke
nietigheid is waarlyk geen gebrek. [2]
Inderdaad, de kalverstraat was wat smal, en... ‘de menschen drongen
zoo!’
Wouter werd meegedrongen, en voelde iets als schaamte. Zeker! Was-i
niet: ‘massa’ op dit oogenblik? Dat-i stompen en stooten kreeg,
hinderde hem minder. Kleinzeerig was-i niet.
Maar: ‘de menschen drongen zoo!’
Weldra was er voor stomp en stoot geen geschikte ruimte meer. Men
werd geknepen, en wie ten-gevolge van 'n laag zwaartecyfer minder
dan anderen aan 't aardsche gehecht was, rees van den grond. 'n
Allergekst excelsior! Wouter werd gedragen, en zag heen over
mannen die veel grooter waren dan hy.
-
Loop jy op stelten, jongeheer? vroeg 'n dikke vrouw, die met haar
heup Wouter tegen de knie schopte. Loop jy op stelten? Nou, dat's er
óók een!
Dit
‘ook’ heeft 'n geschiedenis en 'n pretensie. 't Beduidt, ziehier 'n
spikspelder nieuwe bydrage tot het bundeltje ana's die ik
verzamel. Deze kurioziteit hoort er in! Als je dit
niet grappig, vreemd en belangryk vindt...
't
Gedrang werd sterker. Weldra zou de vrouw Wouter op schouder kunnen
nemen als 'n geweer. Ook begon-i kans te krygen daarop te-land te
komen in hoedanigheid van ruiter. Nog 'n beetje, en hy kon
‘aangegeven’ worden, zooals timmerluî elkaar 'n plank toereiken.
Naar
de lichtjes werd niet meer gekeken. Men hield zich bezig met dringen
en gedrongen worden. Ook 'n uitspanning!
Neen... de kalverstraat moet niet verbreed, want wel beschouwd is
dat ‘dringen’ 't prettigst van de zaak.
Och,
wat zouden die vetvlammen spoedig vervelend worden, als men ze alle
tweehonderd veertig duizend - er waren er 'n paar uitgewaaid sedert
zoo-even - op z'n gemak had kunnen beschouwen in z'n eentje!
Onze
kleine man lag op de schouders en hoofden van z'n medemenschen. Als
zekere troonveroveraars: il s'appuyait sur la masse! Wie de
geschiedenis van illuminatien en Volken bestudeerd heeft, zal
erkennen dat er steviger rustpunten bestaan. Zichzelf, byv.
Gut,
onze Wouter was zoo verlegen met z'n drukkende pozitie! Telkens liep
hy gevaar zich vasttehouden, aan 'n oor of wenkbrauw. En dit gedoogt
de ‘massa’ niet. Gedrukt wil ze wel worden - daar is ze voor
- maar wie zich aan haar wil vasthouden...
Krak!
Schrik niet, lezer! Wouter brak niet, maar de geperste menigte had
de dubbeldeur van 'n koffihuis verkracht. De inbersting was
vreeselyk. Als berouwhebbende lava stroomde de massa naar binnen, en
vulde den krater waarin onze held - na 't beschryven van den
bekenden bruinvisch-parabool - vry geleidelyk en zonder zich te
bezeeren te-land kwam op 'n tafeltje...
-
Woutertje Pieterse! riep 't verschrikt gezelschap dat er omheen zat.
[3]
-
Heb je je zeer gedaan, Wouter?
Neen! Bezeerd had-i zich niet. Maar hy was lam van verbazing. Over
z'n verheffing eerst, daarna over z'n luchtreis, toen over 't
neerkomen op en onder allerlei glaswerk, en eindelyk - dit was 't
minst verrassende niet! - omdat-i zich op-eens in den kring bevond
van de hem zoo goed bekende familie Holsma.
't
Was Sietske die met lieve belangstelling vroeg of hy gewond was.
[4]
‘Gods vinger’ had al de glazen en glaasjes gebroken, maar Wouter was
heel gebleven. Dit was 'n arglistigheid van dien vinger. De
bedoeling schynt geweest te zyn den patient nog heel anders
heen-en-weer te smyten. En als-i nu voortydig gebroken was op dien
avend...
Oom
Sybrand hielp hem, zoo goed en kwaad het ging, op de been. De zaak
had veel moeite in, want de volte was... nu ja, er kon
ter-nauwernood iemand by. Maar Wouter was smalletjes, en 't lukte.
De kastelein - op doordringen was geen kans - schreeuwde uit de
verte, dat het gebrokene moest betaald worden. Maar ook van andere
plaatsen vernam men dergelyk gerinkel. De man was wanhopig. Hy
vervloekte alle Koningen... en de massa's er by.
-
Één flesch wyn... drie limonade... zes glazen stuk! riep Holsma, als
om zich aansprakelyk te stellen voor Wouter's onwillekeurig vergryp.
En
oom Sybrand hield 'n paar zeeuwen omhoog.
- O
God, m'nheer, ik durf niet thuis komen, riep Wouter! Wie zal dat
betalen? Ik heb geen geld, m'nheer! En moeder...
In
de drukte verstond Holsma hem niet. Maar Sietske wel.
-
Sjt! fluisterde zy. Ik ben zeker dat papa 't betaalt, maar anders...
ik heb wel geld. En Willem ook. En Herman ook. Wees gerust...
Maar
dit verstond Wouter weer niet. En toen-i eindelyk onder de hoede der
Holsma's weder op-straat stond, en 't gezelschap door 't inslaan van
'n zyweg zich onttrokken had aan de ‘massa’ verklaarde hy ronduit
dat hem de moed ontbrak z'n moeder en broer Stoffel onder de oogen
te zien, na zóó'n schandaal!
- 't
Geld is niets, zei de goede Holsma. Daarvoor zal ik wel
zorgen. Maar je bent ontsteld, jongen. Kom even met ons mee naar de
kolveniersburgwal [5], ik zal je wat hofmansdruppels geven. Dan kan je
daar bekomen van den schrik.
[1]
Wouter's eigen rykdom
was hem te onbewust dan dat hy zich kon ergeren aan de walgelyke
armoed van geest, die by zulke gelegenheden zich alom vertoont.
Dit komt mij niet zo plausibel voor,
en zeker niet voor een jongen van zestien. Ikzelf was geheel geen dom
jongetje dat opgroeide in de Amsterdamse Kinkerbuurt in de vijftiger
jaren van de 20ste eeuw, en één van de dingen die mij al vroeg
opvielen was hoe dom volwassen vrouwen met elkaar konden kletsen:
- Neej buuf! Suh sei nog soo, sei suh,
maor toen sei ik, seg ik ... etc. ad nauseam.
[2]
Aan modellen van geestelyke nietigheid is waarlyk geen gebrek.
In Nederland behoorde het gedurende
een groot deel van mijn leven tot de bon ton om met een stalen
gezicht te liegen dat "alle mensen gelijkwaardig" zijn. Zie
155. Het is typisch een leugen van
talentlozen die het ook aan karakter ontbreekt om toe te geven dat
een ander iets beter kan dan zij - al moet ik Het Volk nageven dat
hun gelijkwaardigheids-ideaal direct ophoudt waar sprake is van
bekende voetballers en Ons Koningshuis.
Maar goed ... wie tegen Multatuli's
sarcasme zwaarwegende morele bezwaren heeft is geheel vrij om hoog
te houden dat al waar men een Nederlander ziet men een
gelijkwaardige van Einstein, Shakespeare en Newton ziet. Volgens
doorsnee-Nederlanders.
[3] -
Woutertje Pieterse! riep 't verschrikt gezelschap dat er omheen zat.
Ik wil wel geloven dat het "gezelschap"
dit uitriep, maar het is toch enigermate vreemd dat Multatuli Wouter
pas "Woutertje"
noemt op een leeftijd - zestien, ondertussen - waarop het niet erg
geloofwaardig is dat hij nog "Woutertje"
werd genoemd alsof dat vanzelf sprak.
[4] 't
Was Sietske die met lieve belangstelling vroeg of hy gewond was.
Dit kan opgevat worden als een
typische meisjes-aardigheid, maar ikzelf ben zo vrij aan te nemen
dat Wouter niet voor niets met z'n hoofd in Sietske's schoot terecht
kwam bij z'n val, en dat als Multatuli meer geschreven had aan
"Woutertje Pieterse" dan hij deed de dochter van dokter Holsma een
heel plausibele huwelijkskandidaat voor Wouter ... zou hebben kunnen
blijken te zijn. (We weten het niet, want Multatuli schreef "Woutertje Pieterse"
nooit af.)
[5] ..
de kolveniersburgwal ..
Er is in Amsterdam geen "kolveniersburgwal",
maar wel een Kloveniersburgwal. In mijn Garmond-uitgave is meestal
sprake van "kolveniersburgwal",
maar niet altijd. Ik vermoed dat Multatuli of de zetter zich
vergisten. (Letterkundige opmerking.)