Éénmaal slechts
verzette zich iets tegen den loop zyner gedachten. Hy voelde zich
leeg, en te dom om verdriet te hebben over domheid. Misschien was de
oorzaak van stoffelyken aard. We zyn zoo afhankelyk van
huiduitwaseming, onderbuik, tandpyn, weersgesteldheid... zeker,
maar: waarom toch, o God? zou Wouter gevraagd hebben, als-i
geweten had wat hem schortte.
Eens
dan was-i niet opgewekt om deze of dergelyke vragen te doen, en hy
verveelde zich. Z'n stemming zakte laag genoeg om hem ditmaal
werkelyk behoefte te doen voelen aan Femke zelf, aan Femke met haar
frisch gelaat, met haar reinen blik, met haar vriendelyken lach, de
Femke die onpoëtische lengte, breedte, hoogte en zwaarte had...
- Ik
wil haar zien, riep hy, ik wil! En als vrouw Claus weer naar
wurmen vraagt... 't kan me niet schelen: ik wil Femke zien!
Hy
trad het erf op, en klopte aan. Er werd ‘binnen’ geroepen. Dit was
wel 'n beetje wreed, want er hoort heel wat toe, om zoo'n klink
optelichten! Maar Wouter dééd het. Misschien dacht-i aan Missolunghi
en dien heldhaftigen Lord. [1]
De
Turken die hy ditmaal tegenover zich zag hadden geen verschrikkelyk
voorkomen. Ze waren ongewapend en vermoordden geen enkelen
zuigeling.
Maar... Femke was er niet by.
Vrouw Claus stond allerhuiselykst aan 'n wasemende waschtobbe - de
zeep stonk... turksch! [2] - en pater Jansen rookte even huiselyk 'n
goudschen pyp.
-
Zoo, jongeheer, ben jy daar? Komaan, dat 's goed! Dat 's nou 't
jongetje dat aan onze Fem die mooie prent gaf, weetje, pater?
[3]
De
pater knikte hem vriendelyk toe, en rookte welbehagelyk door, zonder
't minste blyk te geven van byzondere godzaligheid.
-
Ja, juffrouw, ik kwam 'ns kyken of...
-
Daar doe je goed aan, jongen! Wil je-n-'n boterham? En hoe maakt 't
je moeder? Is ze weer beter? Ze-n-is ommers ziek geweest? Hy is 'n
goed jongetje, pater. Fem heeft het gezeid. Is je moeder weer beter?
Ze was ommers ziek, niet waar? Koorts... of... 'n beroerte, of...
wat was 't ook?
-
Gut né, juffrouw...
- Je
moet me geen juffrouw noemen, want ik ben waschvrouw. Ieder moet in
z'n stand blyven, niet waar, pater? [4] Zóó, is je moeder niet ziek
geweest? Nu, des-te-beter! Ik meende dat ze ziek geweest was. 't Zal
'n ander geweest zyn. 'n mensch heeft zoo veel aan z'n hoofd. Houd
je van kaas? 't Is leidsche.
De
goede vrouw maakte een boteram gereed, kyk! Als Trui 't gezien had,
was ze flauw gevallen. In de... zooveelste onderklasse namelyk van ‘Burgerstand’
II of III. (Pp) [5] heerscht 'n fatsoenlyke schrielheid die
niet bestaat by wat men - gek genoeg, als by uitsluiting - den
werkenden stand noemt. Arbeiders - mits de zoodanigen die hun
geld niet besteden aan jenever - zyn minder bekrompen in de
toedeeling van voedsel aan hun gezin, dan de lieden die hun kinderen
fransche namen geven en de ‘Kersnacht’ laten reciteeren, of
in andere fatsoenlykhedens doen.
Wouter had nooit zoo'n boteram gezien. Hy wist waarlyk niet of-i het
ding in de breedte of in de dikte moest ontleden, maar de richting
van de kaas wees hem welwillend de weg. Ronduit gezegd...
O,
realistische Fancy?
...ronduit gezegd, vrouw Claus beviel hem byzonder!
En
pater Jansen ook, schoon deze zich heel anders vertoonde dan Wouter
verwacht had.
By
de bekrompen stiptheid van opvatting die hem eigen en 't gevolg was
van z'n oprechtheid, had hy altyd gemeend dat 'n pastoor, 'n
geestelyke, 'n godsman, geheel-en-al vervuld moest zyn van
bovenaardsche zaken. [6] Wel was hy reeds eenigszins van deze dwaling
genezen door aanraking met huis- en andere dominees, maar toch ook
deze soort van godverkondigers - hoe aardsch dan ook, en
onzienerlyk! - hadden zich steeds aan hem geopenbaard op 'n manier
die hem dwong hen aantezien voor iets byzonders. Ze droegen geen
kemelsharen kleed [7], dat 's waar, maar ze hadden 'n driekantigen hoed
op 't hoofd, en heel andere broeken aan dan menschen die in aardsche
zaken doen. [8] Misschien zou Johannes zich ook zoo gekleed hebben,
als-i Jezus komst had moeten aankondigen te Amsterdam, waar geen
woestynen zyn en maar heel weinig sprinkhanen. Wouter wist alzoo 't
kostuum der leeraren in zyn kerk, vry wel pas te maken by z'n
indrukken. En dit kostte hem op 't eerste gezicht even weinig moeite
by pater Jansen, die werkelyk 'n ander jasje droeg dan menschen die
niet van God, hemelryk en geloof leven.
Maar... de houding! Maar... 't spreken! Maar... de toon!
De
aan Wouter bekende dominees waren in hun voorkomen en gesprekken wel
niet... heilig, maar ze spraken toch als 'n boek, en hoestten heel
anders dan stervelingen en leeken. Dit nu was by pater Jansen 't
geval volstrekt niet. De man was, zoo-al niet eenvoudig als 'n
wysgeer, dan toch ongemaakt als 'n boer. [9] Van pedanterie vond men by
hem geen spoor, en hy zou werkelyk zéér hoog hebben gestaan als-i
minder onnoozel geweest was. Geestelyke hoogmoed was hem onbekend.
Hy bezocht de schaapjes van z'n kudde zeer trouw, en... de armen
by-voorkeur, niet uit pronkeriger weldadigheidszin - hyzelf was
doodarm - maar omdat-i in de lagere standen zich meer op z'n gemak
voelde. Ook hield hy veel van boterammen van de soort als die vrouw
Claus gewoon was haar gasten voortezetten. Overigens bediende hy
stipt de mis, sprak nu-en-dan 'n preekjen over de zonden van den dag
- de lezer heeft er een te-goed! *) - katechizeerde, konfirmeerde,
absolveerde... alles zonder de minste pretensie op hoogheid. Hy
oefende z'n... ambt uit, als 'n beroep of ambacht, en dacht er niet
aan verschil van toon te leggen in de mededeelingen: dat hy ‘by de
kerk’ was gegaan, en: dat z'n broers in Noordbraband de zaak van z'n
vader voortzetten, die hoefsmid en herbergier was geweest.
- En
wat wil jy worden, jongeheer? vroeg hy aan Wouter. Want...
ieder moet wat worden in de wereld. Heb je geen zin in boekbinden?
Dat 's 'n goed vak.
- Ik
ben... in den handel geweest, m'nheer, en... ik ga er weer in.
-
Wel, jongen, dat 's goed! Dan kan je-n-'n ryk man worden. Vooral
hier te Amsterdam, want... Amsterdam is 'n handelsstad.
Wouter sprak 't niet tegen. Jazelfs, hy had wel lust gehad er
bytevoegen: ‘'t Is de grootste koopstad van Europa, m'nheer!’
Maar... hy was verbluft door 't... onhemelsche van pater Jansen's
taal. Niet dat hy daarin iets afkeurde, o neen! Maar... 't
bevreemdde hem.
't
Zou nog erger worden!
- 'n
Jongetjen als jy moet goed eten... je ziet 'r bleekjes uit.
[10] M'n
broer by Vucht knypt 'n hoefyzer krom. Wat zeg je dáárvan? Heb je
wel 'ns noordbrabandsche mik gegeten? 't Is 't beste brood! Maar ham
is ook niet kwaad. 'n Mensch die niet goed eet, wordt... kreuzelig.
Ik eet altyd twee boterammen als ik by Vrouw Claus kom, maar ik ben
lang zoo sterk niet als m'n broer. Gut, je moest de Vuchter kermis
'ns zien! Dat's me-n-'n pret!
Het
zou inderdaad jammer wezen, indien de lezer zich voorstelde dat de
toon van deze gesprekken onzen Wouter onaangenaam aandeed. Volstrekt
niet. Maar verwonderd wàs-i. Luchtiger, makkelyker, ongesierder
had-i nog nooit boodschappen uit den hemel t'huisgekregen? En uit
den hemel kwamen ze toch, de woorden in vriendelyk brabandschen
tongval - 'n ongemaaktheid te-meer! - die pater Jansen ten-beste gaf
tusschen de rookwolken van z'n pyp in.
O,
zeker niet, verstoord was Wouter niet! Menige boekerig-valsche
verhevenheid neep hem dieper wond, dan deze goedig-huisbakken
gewoonheid. Ook zyn Fancy was goedig, en bourgeois, en
onopgesmukt... als 't haar zoo 'ns in den zin kwam! Ook zy
zou den neus niet hebben opgetrokken voor ‘mik’ en kermispret!
Maar... Wouter meende juist dat dit 'n fout van haar was! Hy
beschuldigde z'n smaakjes, hebbelykheden, lusten en grillen van
verregaande onaanzienlykheid.
En
zie, daar zat 'n man met 'n vreemden jas aan - en dus tot
verkondiger geykt! [11] - zoo gemoedelyk te praten alsof er geen God,
geen genade, geen geloovery - en geen hel vooral! - in de wereld
was! Die man kende God - hy werd er voor betaald! [12] - en was kinderlyk
verheugd over de kracht van z'n broer, den smid! Die man was van
beroep: zaligmaker, en toch hield-i van kaas en dikke boterammen!
Nog
nooit had iets dat van God scheen te komen, zich aan Wouter zoo
liefelyk geopenbaard. Maar hy aanvaardde de boodschap met schroom,
en dacht, en dacht, en... zei:
-
M'nheer, ik wou zoo graag weten wie God is!
Pater Jansen keek vreemd op. Hy scheen te twyfelen of-i wel juist
verstaan had. Eindelyk:
-
Wèl, dat is heel goed van je! Dan moet je...
-
Maar, pater, riep Vrouw Claus, 't kind is niet van de kerk! Ben je
wèl, jongen, of heb ik 't mis? [13]
-
Ja, juffrouw, ik ben wèl van de kerk, en al aangenomen ook, maar...
- Nu
ja, aangenomen, maar...
- Op
de Noordermarkt, juffrouw!
-
Juist, maar zieje, in die kerk...
De
goede vrouw had het hart niet, of hart te veel, om hem te zeggen dat
die aannemery niet de rechte was.
-
Ben je... by-voorbeeld, om nu eens iets te noemen, ben je gevormd?
-
Gevormd?
-
Wel zeker! Want als je niet gevormd bent...
Wat
Wouter 'n zonderling gezicht zette! Hy niet gevormd!
...
als je niet gevormd bent door den bisschop, dan... zieje... dan...
In-godsnaam? Wouter moest tot z'n schaamte erkennen dat-i 'n
ongevormd wezen was, 'n moles, 'n ‘massa’ misschien, een van
de ergste dingen die hem konden overkomen.
-
Wie God wil leeren kennen, moet braaf leven, zei pater Jansen.
-
Wel zeker, vulde Vrouw Claus aan, en de artikelen des geloofs
van-buiten leeren. Die moet je-n-onze Fem 'ns hooren opzeggen. Dàt
's 'n lust, niet waar, pater? Ze-n-is m'n eigen kind, maar... dàt 's
me-n-'n meid!
-
Ja, Femken is 'n heel braaf meisje, zei de pater, en...
Wouter had hem wel om den hals willen vliegen.
...ik heb nooit moeite met haar'.
Dit
klonk minder mooi, en zeer professioneel. Zóó meende het dan ook
pater Jansen. Z'n bedoeling was dat de smetjes op de ziel van 't
meisje zich zoo makkelyk lieten afwisschen. Hy sprak ongeveer als 'n
keukenmeid die haar yzeren pot pryst omdat-i ‘zoo goed schuurt.’
En
de pater had nog meer lof voor Femke ten-beste. Ze had z'n
onderbroeken zoo netjes versteld!
O
Fancy!
Neen... alweer stuitte deze triviale loftuiting Wouter's
schoonheidsgevoel niet, of althans z'n schoonheidsgevoel niet het
meest. Er kwam iets anders in het spel. De hoogheid van Fancy
versmaadde 't rangverschil tusschen pater's onderbroeken en den
melkweg, en kon zich niet geraakt voelen, noch door 't burgerlyke,
noch door ongekleedheid... zy die gewoon was alles naakt te zien,
paters en Mensheid!
Een
geheel ànder element van wrevel begon meetespreken in 'n deel van
Wouter zelf, een deel dat ook door háár werd geduld en begrepen,
omdat niets haar vreemd mocht zyn, zelfs niet het menschelyke...
vooral 't menschelyke niet!
Wouter was zestien jaren oud, reeds 'n kleine man dus, en...
iets anders nog: 'n mannetje! [14]
Wat
hoefde Femke zich intelaten met dien pater z'n onderbroek!
Ja,
zei de moeder, handig is ze-n-als 'n weerliggie! Is er niet wat van
je stuk, pater? Stuur 't maar gerust hier!
Wouter gloeide. Waren 't dan in-godsnaam maar halskraagjes, kouzen,
of... vesten, of... ziedaar - als 't dan volstrekt iets wezen moest
van verdrietigen aard - al was 't dan maar 'n bovenbroek!
...stuur 't maar hier, pater, want al is onze Fem er niet...
Wáár
zou ze wezen?
...ik
zal je boeltje wel heel maken! Dat kan ik ook nog wel!
Goddank! Beste lieve heerlyke Vrouw Claus! Doe het, doe het, doe
het, en laat Femke waar ze-n-is!
Maar... wáár zou ze zyn?
Zoo
dacht Wouter. Ziehier wat-i zei, de leugenaar, de
gauwdief, de huichelende booswicht... het menschje:
-
Hé, 't is waar ook, Vrouw Claus, ik zou waarlyk haast vergeten
hebben te vragen waar toch uw dochter Femken is?
-
Fem? Wèl, die is by 'n nicht van ons, die 'n meid ziek heeft,
want... we zyn van heel goeie familie, jonge-heer! Fem is by de
kinderen van onze nicht. [15]
Moed
om te vragen waar die nicht woonde, had Wouter weer niet. De
deugniet zette 'n gezicht alsof-i geheel-en-al voldaan was.
Na
eenig toeven en dralen en kuchen en heen-en-weer schuiven op z'n
stoel - Wouter wist nog niet hoe men 'n bezoek afbreekt: velen
leeren het nooit! - verliet hy met pater Jansen 't huisje.
*) Noot van 1878. De hier toegezegde preek
komt in den VIIn bundel voor.
[1]
Misschien dacht-i aan Missolunghi en dien heldhaftigen Lord.
Hier doelt M. op Lord Byron, die hij
eerder genoemd heeft, en die als romantisch ideaal gold en
functioneerde, trouwens ook voor Multatuli zelf gedurende enige tijd.
[2]
Vrouw Claus stond allerhuiselykst aan 'n wasemende waschtobbe - de
zeep stonk... turksch!
Dit is er weer uitgelicht om aan te
tonen dat 't Hart aanmerkelijk minder gelezen heeft dan hij graag mag
voorgeven, of althans: aanmerkelijk minder dan hij zich behoorlijk
herinnert. Zie 522.
[3]
Dat 's nou 't jongetje dat aan onze Fem die mooie prent gaf, weetje,
pater?
Zie
1063.
[4] - Je
moet me geen juffrouw noemen, want ik ben waschvrouw. Ieder moet in
z'n stand blyven, niet waar, pater?
Vrouw Claus is een - zogeheten -
brave vrouw die haar plaats kent. Ikzelf ben geen gelover in de
marxistische fictie van klassemaatschappij, maar het lijkt toch wel
tamelijk natuurlijk voor mensen om zich maatschappelijk te organiseren
in standen van "Ons Soort Mensen".
De Nederlandse verzuiling is daar een
ander voorbeeld van. Kennelijk is het natuurlijk voor mensen om in
betrekkelijk kleine groepen te leven en zich daarmee voor een groot
deel te identificeren. Het is dus niet zozeer typisch Nederlands als
wel typisch menselijk, en hangt samen met het moeten spelen van
rollen. Zie 1112.
[5] In
de... zooveelste onderklasse namelyk van ‘Burgerstand’
II of III. (Pp)
Dit verwijst naar Pennewip's
sociaal-wetenschappelijke classificaties, die uitgelegd zijn door M.
in deel 1 van de Ideen, en sluit aan bij
wat ik zojuist onder [4] zei. Zie
381.
[6] By
de bekrompen stiptheid van opvatting die hem eigen en 't gevolg was
van z'n oprechtheid, had hy altyd gemeend dat 'n pastoor, 'n
geestelyke, 'n godsman, geheel-en-al vervuld moest zyn van
bovenaardsche zaken.
En dat is ook zo vreemd niet, vooral
omdat dergelijke goddienaars feitelijk zulke grote pretenties hebben:
Dat er een hele supernatuurlijke goddelijke werkelijkheid is, in de
studie waarvan zij zich bekwaamd hebben, en waar zij speciale toegang
toe hebben.
[7]
Ze droegen geen kemelsharen kleed ...
Voor welke dracht de lezer naar
de inleiding van de Ideen
behoort te worden verwezen.
[8] ...
maar ze hadden 'n driekantigen hoed op 't hoofd, en heel andere
broeken aan dan menschen die in aardsche zaken doen.
Hazlitt schreef een zeer interessant
essay over Clergy (zie ook 938), waar hij voor opgeleid was, en valt in het
bijzonder hoewel niet alleen over de bijzondere kleding die priesters
en dominees zich aanmatigen, waarmee ze voortdurend publiek te koop
lopen met hun eigen beweerde bijzondere goddelijke en menselijke status.
Trouwens, "dominee" betekent "heer": Als christenen en dominees
bescheiden zijn, dan is dat meestal gehuichel en in verwachting na hun
dood veelvoudig en oneindig beloond te worden voor hun religieuze
correctheid in het aardse leven.
[9] De
aan Wouter bekende dominees waren in hun voorkomen en gesprekken wel
niet... heilig, maar ze spraken toch als 'n boek, en hoestten heel
anders dan stervelingen en leeken. Dit nu was by pater Jansen 't
geval volstrekt niet. De man was, zoo-al niet eenvoudig als 'n
wysgeer, dan toch ongemaakt als 'n boer.
Zie weer 1112,
waar ik uitgebreider inga op rollen en het spelen ervan, en links
geef. M. heeft gelijk dat de mannen van God hun hoesten en overig
publiek gedrag nogal "anders
dan stervelingen en leeken"
inrichten, en dat ze dat doen om een bijzonder cachet en een speciale
status aan hun rol en hun vermeende goddelijke pretenties en taken te
geven.
[10] - 'n
Jongetjen als jy moet goed eten... je ziet 'r bleekjes uit.
Wouter is zijn stadse bleekheid,
waarmee hij vanaf het begin van
"Woutertje Pieterse" behept is geweest, nog steeds niet kwijt.
[11] En
zie, daar zat 'n man met 'n vreemden jas aan - en dus tot
verkondiger geykt!
Zie [8] en
[9].
[12]
Die man kende God - hy werd er voor betaald!
Zie [8] en
[9]. Het probleem is natuurlijk dat de Godkenners
worden betaald voor het kennen van iets dat er volgens de meerderheid
van de mensen niet is, zodat al hun desbetreffende vermeende kennis
geen kennis maar fictie is. Er is trouwens een fraai citaat van Gibbon
in dit verband:
'I have somewhere heard or read the frank confession of a Benedictine
abbot: "My vow of poverty has given me a hundred thousands crowns a
year; my vow of obedience has raised me to the rank of a sovereign
prince." I forget the consequence of his vow of chastity.' ("The Decline
and Fall of the Roman Empire", note 57 to Chapter XXXVIII)
[13] -
Maar, pater, riep Vrouw Claus, 't kind is niet van de kerk! Ben je
wèl, jongen, of heb ik 't mis?
Het lijkt me vreemd dat Vrouw Claus
niet zou weten dat Wouter P.G. is (zie: 1089) en dus geen goed
katholiek, maar niet zo vreemd dat ze dit feit op deze wijze aan de
pater vertelt.
[14]
Wouter was zestien jaren oud, reeds 'n kleine man dus, en...
iets anders nog: 'n mannetje!
Dit is mede in het kader van Femke's
verstellen van de onderbroeken van pater Jansen. Wouter's gevoelens
daarover zijn te begrijpen, maar het is jammer dat M. niet wat dieper
is ingegaan op Wouter's sexuele rijping.
[15] -
Fem? Wèl, die is by 'n nicht van ons, die 'n meid ziek heeft,
want... we zyn van heel goeie familie, jonge-heer! Fem is by de
kinderen van onze nicht.
De "heel
goeie familie", zal de lezer
uitvinden, is ook die van dokter Holsma, die zelf weer een nicht
hebben van nog weer betere familie, zoals de lezer kan leren die
doorleest. Trouwens, vrouw Claus is nogal typisch uitgesproken ambigu
over haar stand: Zowel trots op haar eigen stand van wasvrouw als op
haar veel betere familie.