Hoe hy 't aanleî om den
god dien hy geschapen had, den god van 't goede, overeen te brengen
met het zonderling Wezen dat men hem deed kennen in Kerk en School, is
moeielyk te zeggen. [1] In hooggestemde gemoederen heeft de bybelgod veel
tegen zich door de boekerigheid waarmed-i noodzakelykerwyze wordt
voorgesteld. Het kind kan niet nalaten hem te beschouwen als onderwerp
van leeslesjes, opstelletjes of schooltaak - om nu niet te spreken van
't pynlyk stil-zitten in de kerk - en al van-buiten leerende ‘dat God
zoo byzonder groot is’ geeft het als onderwerp van vereering en smaak,
de voorkeur aan 'n straatgoochelaar, 'n kunstpaardjen of 'n handjevol
kersen. Jazelfs 'n ‘kip te water’ is smakelyker onderwerp van
geestdrift dan die vervelende ‘Heer.’
Ouders
en geestelyken weten dit wel, maar wat is er aan te doen? Wanneer ze,
om verveling niet tot bondgenoot van onverschilligheid te maken, het
onderwys in de ‘godsdienst’ uitstelden tot het kind meer ontwikkeld
wezen zou, liepen ze gevaar zich 'n veel lastiger vyand op den hals te
halen dan gebrek aan belangstelling. [2] Hun pogingen zouden dan
schipbreuk lyden op stellige ontkenning, want ‘godsdienst’ kan niet
dan op zeer jongen leeftyd aan de patienten worden ingegeven.
[3] En dit
geschiedt dan ook overal, met het gevolg dat de God des bybels in de
gemoederen der jeugdige adepten 'n bescheiden plaatsjen inneemt naast
rekenen en versjes-opzeggen. We zagen immers reeds hoe ook de
eerwaardige Pennewip kind bleef op dit stuk, en in z'n
opvoedings-systeem het ‘breien en merken’ waarin z'n ega zoo
uitmuntte, tot paralel-studie verhief van 't ‘psalm-zingen’ en de
‘leer der Zaligheid.’
Hoe
volleerd nu ook onze Wouter was in den katechismus - of liever, juist
omdat z'n god van school en katechizatie maar 'n onderwerp was van
leeslesjes - hy zag er geen bezwaar in, 'n geheel ander wezen in z'n
hart te dragen. En Jehovah schikte zich.
Bovendien, Wouter's privaatgod was niet zeer aanzienlyk, en zelfs niet
verheven boven verwytingen. De kleine jongen veroorloofde zich, hem
kwalyk te nemen dat niet alles in de wereld overeenkwam met zyn
begrippen over 't goede, en hy was dan ook ernstig van plan allerlei
verbeteringen intevoeren, zoodra hy.... [4]
Wanneer? Hoe?
Dit: wanneer en dit: hoe speelden de hoofdrol in z'n
gedachten. Het denken hieraan beheerschte hem, en had den dubbelen
invloed, eerst hem neerslachtig te maken, en ontevreden met het
tegenwoordige, vervolgens kracht te geven tot geduldig dragen van de
kleine tegenspoedjes die hem drukten, omdat-i de hoop koesterde later
alles te regelen naar z'n wil. Later - mymerde hy dan - als-i zou
aangekomen zyn op 't punt waar hy wezen wilde! Later, als zyn God -
dit was hyzelf, maar hy wist het niet - ontwaakt zou zyn, of...
mondig! [5] In zulke stemmingen zou 't z'n gemoed verlucht hebben,
wanneer-i had kunnen uitbersten in verwytende jammerklachten, als
waarvan ik 'n staal gaf in 361.
Maar hy was hiertoe te onbedreven in uiting. En, bovendien, hy wist
weinig van zichzelf, en zou inderdaad vreemd hebben opgezien indien
men hem den hier eenigszins beschreven toestand van z'n gemoed had
voorgespiegeld als de zyne. De mythologische poëzie die in hem werkte,
was hem evenmin bekend als aan Femke haar onschuld. Hy droeg z'n
hooggestemde levensopvatting in z'n binnenste als 'n kool vuurs. Ze
brandde hem, martelde hem, maakte hem onvatbaar voor menige andere
smart, en jaagde hem voort, voort, naar...
Ja,
waarheen?
Waarheen? Wanneer? Hoe?
Daar
kwamen ze weer, die pynlyke vragen!
Ach,
er was zoo véél te doen! En hy was zoo ver achter! Wat moest er nog
veel gebeuren voor-i 'n eind kon maken aan al 't verkeerde! En dit
toch was z'n roeping, naar-i meende. [6] De straat was slecht geplaveid.
Daar ginds stond 'n huis op 't instorten. Leentje stak povertjes in de
kleeren. Er was onlangs 'n arme blindeman in 't water gevallen, en
verdronken. Er scheen niemand by geweest te zyn om te helpen... ook
alweer God niet. Bovendien, waarom was die man blind? En, nu eenmaal
blind zynde, waarom was-i arm? En, nu eenmaal arm zynde, waarom...
och, er was geen eind aan verwytende vragen.
En
telkens als er regen noodig was, bleef 't weken lang droog weer. Maar
't plasregende als alles onder water stond. En dan las men in de
courant: als nu de wind maar oost werd! Welnu, de wind werd niet oost.
Wouter's God scheen niet te weten dat de wind oost worden moest, en
dus nog dommer te zyn dan zoo'n krant.
Is dat
'n behoorlyk bestuur? Is dat orde? Is dat 'n wereld regeeren? Zóó
slecht konden de zaken wel gaan zònder bestuur, zònder almacht, zònder
God! [7]
[1]
Hoe hy 't aanleî om den
god dien hy geschapen had, den god van 't goede, overeen te brengen
met het zonderling Wezen dat men hem deed kennen in Kerk en School, is
moeielyk te zeggen.
En het lijkt me ook een
vraag die moeilijk te beantwoorden is voor de meeste andere mensen die
gelovig opgevoed zijn, behalve indien ze zeer dom, gedwee en goedgelovig
zijn.
[2] Ouders
en geestelyken weten dit wel, maar wat is er aan te doen? Wanneer ze,
om verveling niet tot bondgenoot van onverschilligheid te maken, het
onderwys in de ‘godsdienst’ uitstelden tot het kind meer ontwikkeld
wezen zou, liepen ze gevaar zich 'n veel lastiger vyand op den hals te
halen dan gebrek aan belangstelling.
Inderdaad - om welke
reden het moreel behoorlijk zou zijn kinderen niet lastig te vallen
met godsdienstonderwijs. Zie [3].
[3] Hun pogingen zouden dan
schipbreuk lyden op stellige ontkenning, want ‘godsdienst’ kan niet
dan op zeer jongen leeftyd aan de patienten worden ingegeven.
Nee, dit geloof ik
zelf niet: Er zijn immers zoveel volwassenen geweest die geheel of
bijna geheel zelfstandig tot volkomen irrationele religieuze of
politieke overtuigingen komen. Aan de andere kant: Ik ben het met M.
eens dat het zeer veel beter zou zijn kinderen niet te onderwijzen in
spokerij, geestesbezweringen, religie en overig bijgeloof, en ze voor
te houden dat ze dit soort zaken allemaal zèlf behoren uit te maken
als eenmaal ze zelf de jaren des onderscheids hebben bereikt, maar niet
daarvoor, wanneer het meer een vorm van bedrog of geestelijke
verkrachting is.
[4]
Bovendien, Wouter's privaatgod was niet zeer aanzienlyk, en zelfs niet
verheven boven verwytingen. De kleine jongen veroorloofde zich, hem
kwalyk te nemen dat niet alles in de wereld overeenkwam met zyn
begrippen over 't goede, en hy was dan ook ernstig van plan allerlei
verbeteringen intevoeren, zoodra hy....
Het lijkt waarempel
wel de God der Joden, die door zijn gelovigen - naar het verluidt: ik
vertel na, en niet uit eigen ervaring - vaak verwijten wordt gemaakt.
[5]
Later, als zyn God - dit was hyzelf, maar hy wist het niet - ontwaakt
zou zyn, of... mondig!
Zie
1083.
[6] Ach,
er was zoo véél te doen! En hy was zoo ver achter! Wat moest er nog
veel gebeuren voor-i 'n eind kon maken aan al 't verkeerde! En dit
toch was z'n roeping, naar-i meende.
Dit lijkt ook weer
vrijwel geheel waar te zijn voor Multatuli, die ook graag goed deed en
de wereld verbeterde.
[7] Is dat
'n behoorlyk bestuur? Is dat orde? Is dat 'n wereld regeeren? Zóó
slecht konden de zaken wel gaan zònder bestuur, zònder almacht, zònder
God!
Ja, inderdaad - maar
de grote meerderheid van de gelovigen, van welk geloof ook, is niet of
nauwelijks gevoelig voor alle evidentie die strijdig is met hun eigen
geloof.