'n Oude historie uit Straat Magellaan,
niet ontoepasselyk op andere straten.
De eigenaardige
beschroomdheid die soms getuigenis geeft van iets goeds, vindt men
nu-en-dan by kinderen, en ze wordt door opvoeders gewoonlyk verkeerd
beoordeeld, 't geen blykt uit de overdrevenheid waarmee ze het
tegendeel pryzen. ‘Dàt zal 'n man worden!’ hoort men dikwyls zeggen
van den knaap: qui ne doûte de rien.
Ons
Woutertje twyfelde aan alles wat hem niet werd ingegeven van
buiten-af, en dus aan z'n eigen zelfheid het meest. Men meene vooral
niet dat ik dit goedkeur of aanprys. Ik neem hem slechts in
bescherming tegen den àl te ongunstigen uitslag eener vergelyking van
zyn linksheid met de suffisance van anderen. Het mag niet
ontkend worden dat ziekelyke zwakte 't gevolg wezen kan van te fyne
bewerktuiging, en dit is wel te betreuren. Doch er is versterking
denkbaar, terwyl 't verfynen van grove organismen my moeielyk of
onmogelyk voorkomt. [1]
Wouter
dan was beschroomd en links. Na al het zonderlinge dat-i op de
studeerkamer van den dokter had bygewoond, voelde hy zich wel
eenigszins voorbereid op ongewone dingen, maar dat Willem en Herman,
en zelfs de nog jongere Sietske, zoo onbeschroomd op hun bord durfden
nemen wat ze verkozen, verbaasde hem alweer veel meer dan de
luchtvaart van Elias. By Genoveva in de bekoorlyke wildernis, jazelfs
in Afrika, kon 't niet vryer en gemakkelyker toegaan. Hy was ontsteld
van de vreemdheid. Inderdaad ontsteld en zenuwachtig, en wel zóó
dat-i, toen z'n buurmeisje hem aan 't dessert 'n schotel roomvlâ
overreikte...
Geschied is het, o goden! En... ik moet het vertellen. Kon ik nu maar,
als 'n oude kroniekschryver, de schuld werpen op raadgevers:
‘de dat riet en
dede niet wale.’
Helaas! Welke
geheim-hofraad ter-wereld kon Wouter geadvizeerd hebben, den
porseleinen lepel over den rand van de schaal te doen buitelen, en dat
ding - met wat vlâ er by, waarachtig! - te doen neerkomen in Sietske's
schoot? Hy deed het, hy! Hoogsteigenhandig, en proprio motu!
Geen Stoke kan 't goedpraten. En zelfs Bilderdyk
niet.
Och,
hoe droevig! Juist begon-i 'n beetje verder op z'n stoel te schuiven
dan by de soep! Nog 'n oogenblikje maar, en hy zou inderdaad gezeten
hebben. Misschien ook had-i weldra iets gezegd. Was hem niet 'n land
van Afrika in den zin gekomen, dat Sietske vergeten had optezeggen
tegen den spiegel? Dàt had-i willen noemen! Niet om doortegaan voor
knapper dan zy, o neen, maar om iets minder dom te schynen dan-i er
zeker uitzag. Helaas, na die malle lepelhistorie... och! Hy had liever
'n pink gemist, z'n hand, z'n arm... alles! Ja... hy wou dat-i ergens
onder den grond zat!
Al
deze indrukken bestormden hem te-gelyk. Voor-i nog genaderd was tot de
vraag hoe z'n onhandigheid zou worden opgenomen, ja terstond na de
katastroof, en alsof 't er by behoorde, begon Sietske:
- Papa
zou iets vertellen over Olivier Van Noort.
Ze
stond even op, reinigde haar jurkjen, en bood Wouter 'n anderen lepel
aan, dien ze van 't wandbuvet had genomen.
- Toe,
papa, over Olivier Van Noort! Papa heeft het beloofd.
En
allen drongen om 't hardst op de toegezegde vertelling aan. Ook
Mevrouw Holsma scheen daarin byzonder veel belang te stellen. Wouter
voelde heel goed dat men bezig was de herinnering aan z'n ongelukje te
bedelven onder gesprek. Dit roerde hem. Hy was waarlyk zulke
liefelykheid niet gewoon, en toen Sietske weer plaats had genomen, zag
ze dat er 'n traan over z'n wangen rolde.
-
Mama, ik heb 'n zilveren lepel by de vlâ gelegd. Dit is immers goed?
Zoo'n porseleinen ding is topzwaar... ik heb 't wel al driemaal laten
vallen, en Herman kan er ook niet mee terecht.
De
moeder knikte haar vriendelyk toe.
-
Krygen we nu Van Noort, papa?
- Ik
durf haast niet. Jelui zult zeggen dat ik weer van geografie begin.
-
Foei, papa, aan tafel!
- Ja,
ja, zei de moeder, ik heb al lang gemerkt dat de saturnalie van
maandag, woensdag en vrydag 't hevigst is. 't Huis dreunt altyd na de
geografie.
- 'n
Vol kwartier is te lang, klaagde Holsma.
- Oude
privilegien, papa! zei Willem.
- Nu,
dit mag waar zyn, Maar toen de zaak aldus werd ingesteld, was je
alleen. Dat ging nog. Jy bent eigenlyk de uitvinder van die
barbaarsheid. Toen Herman 't eerst in de les kwam...
-
Zóó'n kereltje was je toen, wees Willem, misschien wel wat héél laag.
Je kon geen a voor 'n b.
- Dàt
is niet waar! Moeder had me lezen geleerd. Mama, mag ik u de helft
geven? Ik heb hier de mooiste abrikoos van den heelen schotel...
waarlyk by-ongeluk! Toe, mama, neem hem heelemaal.
-
Omdat ik je lezen geleerd heb?
-
Olivier Van Noort, papa!
-
Lezen... hm! bromde de vader. Alsof je lezen kon! Zie me zoo'n
verwaand kereltjen eens!
- Ik
niet lezen! O papa, luister eens:
Herman
nam 'n ulevel, ploos er 't devies uit, en las:
Een vader die z'n
zoontje plaagt...
- Dat staat er niet,
riep Sietske. l'Amour est un enfant tromp...
-
Trompette, zei Willem.
-
Olivier Van Noort, papa!
Men
hoorde bellen aan de huisdeur. Een oogenblik daarna trad 'n heer de
kamer in, die door de kinderen met veel blyken van genegenheid als oom
Sybrand begroet werd. [2]
De
huisheer noodigde de gansche familie in den tuin, en hy droeg Herman
op, 'n klein boekje dat-i hem uitduidde, van z'n studeerkamer te
halen:
-
Maar, jongen, sla nu niet verraderlyk de globe stuk. Dat arme ding kan
't niet helpen dat jeluî zoo'n dommen hekel hebt aan geografie.
Herman
beloofde plechtig dat-i by deze byzondere gelegenheid niet den minsten
sluipmoord begaan zou. In den tuin komende, waar de anderen reeds
gezeten waren, bracht-i 't 5e deeltje mee van de ‘Nederlandsche
Zeereizen, naar oorspronkelyke journalen uitgegeven door
Bennet en Van Wyk.’
-
Lees nu eens wat je daar vindt aangestreept met potlood, zei
Holsma. We zullen zien of moeder die abrikoos eerlyk aan je verdiend
heeft?
- O
papa, al...
- Nu?
- Al
komt er nu soms 'n domheid van my aan den dag...
- Dat
zou moeder niet kunnen helpen, meenje? Heel goed, jongen! Lees maar
op.
Herman
las:
‘Den volgenden
morgen (5 November 1599) ging men weder onderzeil, om de
vermaarde, doch zeer gevaarlijke straat Magellaan aan te
doen, waartoe zij reeds veertien maanden besteed, en meer dan
honderd man van het scheepsvolk door ziekten enz. verloren hadden.
Toen zij in den mond der straat kwamen, die hier 7 mijlen breedte
heeft, liep de Admiraal Van Noort, met het jagt er binnen; dan tot
groote verwondering van den Admiraal, werd hij door het schip van
den Vice-admiraal Jakob Claesz Van Ilpendam
niet gevolgd, die op hunne vorige ankerplaats de los Virgene
(?) weder ankerde, zonder dat men de redenen, die hem daartoe
bewogen, koude doorgronden.’
. . . . . . . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . .
‘Den 10n
November deed de Admiraal met een schot sein voor den Vice-Admiraal,
om bij hem aan boord te komen, daar hij - Van Noort - geene sloep
had, om naar hem toetezenden; hierop kwam de Schipper van den
Vice-admiraal met eene sloep aan boord, wien hij den toestand van
zijn schip te kennen gaf, en zeide, dat hij begeerde den
Vice-admiraal in persoon te spreken, terwijl hij hem eenen brief
voor hem medegaf, waarbij hij verzocht om een anker en een touw,
hetgene hij zeer benoodigd had.
Den volgenden dag schreef de Admiraal nogmaals aan Van Ilpendam,
zijn vorig verzoek herhalende; dan kreeg tot antwoord, dat hij geen
anker noch touw wilde afstaan, en meende evenveel magt te hebben als
de Admiraal zelf. Zulk een grof antwoord, werd door Van Noort zeer
kwalijk genomen, en dit schrijven door hem bewaard.’
. . . . . . . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . .
’Den 24n
November passeerde de Admiraal de eerste engte, die slechts ½ mijl
wijd is. De Vice-Admiraal bleef echter terug.’
. . . . . . . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . .
‘Den 14n
December kwam tot groote vreugde der overige schepelingen, het
Vice-admiraalschip, dat steeds achteruit was gebleven, bij de andere
schepen ten anker.’
. . . . . . . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . .
Den 28n
December werd aan boord van den Admiraal de breede Krijgsraad
belegd, waarin besloten werd den Vice-admiraal in apprehensie te
houden, doordien hij zich aan plichtverzuim en ongehoorzaamheid had
schuldig gemaakt; dit vonnis ter uitvoer gebragt zijnde, liet de
Admiraal de artikelen van beschuldiging opmaken, waarvan kopij aan
den Vice-admiraal werd gegeven, ten einde hij zich binnen den tijd
van drie weken op dezelve kon verdedigen; bij voorraad werd tot
Vice-admiraal bevorderd...
- De naam van den
plaatsvervanger doet er niet toe, zei Holsma. Volgende bladzy!
Herman
sloeg 'n blaadjen om, en ging voort:
‘Den 8sten
(Januari 1600) ging eene sloep en jol van den Admiraal aan
land, om mosselen te zoeken. Het volk dat in de jol was, kwam het
eerst aan land, en werd door de inboorlingen, die zich verscholen
hadden, overvallen, die er twee van afmaakten, en eenen kwetsten,
doch het volk der sloep, dat gewapend was, dreef hen op de vlugt,
terwijl zij de dooden evenwel met zich voerden, waardoor men
veronderstelde, dat het menschenëters waren.’ [3]
. . . . . . . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . .
Den 24n
dier maand werd de Vice-admiraal Jakob Claesz. Van Ilpendam voor den
breeden krijgsraad geroepen, om zich tegen de hem ingeleverde
beschuldigingen te verdedigen, en daar hij bij meerderheid van
stemmen veroordeeld werd...
- Genoeg! riep
Holsma.
En hy
tikte met 'n waarloos tuinstokjen 't boek toe.
- 't
Zal me benieuwen wie goed geluisterd heeft.
- Ik
kan de mosselen niet by de zaak te-pas brengen, zei de moeder.
- Die
mosselvangst hoort er toch by, zei de dokter. Ik streepte dit aan, om
de opmerking die de matrozen by deze gelegenheid maakten aangaande de
bewoners van dat land.
- Als
ze maar 't ware verstand van mosselen hadden, riep Sietske. Er zyn
vergiftigen onder.
- Er
was 'n R. in de maand.
- Aan
de zuidpool hebben de maanden andere namen, en de mosselen 'n ander...
klimaat, meende Herman. Wat wy Februari noemen, komt daar in 't
hartje van den zomer.
-
Neen, zei Willem, de zomer heeft in die streken geen hart. Wel komt hy
in 't hartje van Februari... als-i komt.
Maar gewoonlyk komt-i byna niet. De straat Magellaan ligt tusschen 52
en 54 breedtegraden.
- Dat
is niet nader aan 'n pool dan wy hier op den Kolveniersburgwal.
- Ja,
maar... zieje, de onderste helft van... de kaart is veel kouder en
natter, riep Sietske.
- Wat
'n barbaarsche uitdrukking!
Sietske beweerde dat Willem pedant was. Hy plaagde haar met: ‘ja,
kind!’ Ze zei, 't kwam van Livius en kegelsneden.
-
Pedanterie, kind, is de byzondere deugd die 'n oudsten broeder
versiert. [4]
-
Papa, vindt u niet dat Willem zich te véél opschikt?
De
dokter zei er niet duidelyk neen op, en vroeg wat-i genoteerd had?
Vaders
gewoonte kennende, had het aanstaand studentje by 't begin van de
lezing, 'n zakboekjen uitgehaald, en daarin nu-en-dan iets
opgeschreven. Hy beweerde dat de taal van 't voorgelezene zeer
onzuiver was, en wilde voorbeelden daarvan aanhalen. Maar ze werden
hem geschonken.
-
Zeker, de taal is slecht, zei oom Sybrand. Hadden de verzamelaars maar
liever den oorspronkelyken tekst van de journalen geëerbiedigd!
In-plaats van de eigenaardigheden der uitdrukkingswyze van oude
zeeluî, geven ze 'n modelletje van de hedendaagsche rechtschryvery. En
als die malle verwaandheid zich maar tot de spelling bepaalde! Ze
hebben ook den styl... verbeterd, naar ze meenen. [5] Zulke luî zouden
in-staat zyn, Mozes en Aäron 'n paar horloges op zak te geven, en - om
de deftigheid - onzen Lieven-heer 'n staartpruikjen in den nek. Wat
niet geschuurd, geschaafd, gevyld, gelikt, en... bedorven is, deugt
niet in 't oog van die heeren. Het is de vraag of een van de zeeluî
die deze journalen schreven, ooit zulk slecht hollandsch leverde als
zyzelf. Hun slordigheid van uitdrukking doet ons naar de
oorspronkelyke manuskripten verlangen. Maar men kan zeker zyn dat de
moderne verbeteraars de geslachten der woorden trouw hebben opgezocht
in de boekjes die daarover heden-ten-dage... hoe heeten ook de
taalkenners van deze week?
-
Siegenbeek en Weiland,
oom.
-
Zulke menschen stichten veel kwaad. Ze lokken de aandacht van de
hoofdzaken af, om die te vestigen op allerlei gekheid. Wie precies
weet wat mannelyk of vrouwelyk is, en waar-i 'n onnoodige letter meer
of min mag gebruiken, gaat voor bekwaam, geleerd en bruikbaar door, en
kan alle andere bekwaamheid missen. Zoo schryven ze nu ‘zoo’ en
‘oogen’ met twee o's, naar ik hoor. Straks verandert dit weer.
Dan komen er weer nieuwe professers die hun leven gewyd hebben aan de
ontdekking dat er twee o's zyn in ‘vrolykheid’ en maar één in
‘drogen’... [6]
- Hé,
oom! riepen de kinderen, met 'n verbazing die het tegenwoordig
geslacht verbazen zal.
-
Geloof me jongens, ze zyn er gek genoeg toe! Hm... gek? Als men op
zoo'n goedkoope manier aan den kost komen kan! Gek zyn de menschen die
zich laten bedotten door zulke kwakzalvers. Tegen dien tyd zullen dan
ook de reizen van onze ouwe zeeluî weer vertaald moeten worden in nog
nieuwer spelling, die dàn de ware echte alleen-zaligmakende wezen zal.
Op die wyze wordt er nooit iets klassiek. [7]
- 't
Is waar, zei de dokter, dat die schoolverwaandheid veel bederft. Waar
de ‘letterkundige’ bekwaamheid van deze soort eenmaal voet heeft
gevat, matigt ze zich alles aan. Er wordt, byv. in die boekjes
gesproken van ‘roeiriemen’ en ‘verdek’ woorden die nooit over de
lippen van 'n zeeman komen. Ook geloof ik niet dat men op zeeschepen
'n ‘jol’ heeft. Ik ten-minste heb aan-boord nooit van zoo'n ding
hooren spreken. Ze hebben daar 'n barkas, 'n boot, sloepen en vletten.
Maar dit kan ik mis hebben. Als bewys hoe ver de verwaandheid van
lettermannen gaat, in veel journalen supprimeeren zy brutaal-weg de
oorspronkelyke berichten over Landen en Volken, en geven 'n pover
artikeltjen over zoo'n land of volk uit hun eigen ‘Aardrykskundig
Woordenboek’ in de plaats. Die berichten zyn onvolledig en
onnauwkeurig, zoodat ze over weinig jaren even verouderd zullen wezen
als die van de arme schepelingen, zonder daarvan de autenticiteit te
bezitten, noch vooral het naïve. Ze missen dus al de belangrykheid der
eerste rapporten die den stempel van hun tyd dragen. We vernemen nu
niet welken indruk 'n nieuw ontdekt of weinig bekend land op de eerste
bezoekers maakte, noch welk nieuws ze van hun tochten te-huis
brachten, en wat er meer of min geloovig werd aangenomen...
De
geschiedenis der dwalingen is de geschiedenis van ons geslacht!
[8]
...we
moeten slikken wat zekere m'nheer Van Wyk thans over de door
oude reizigers bezochte streken... meent te weten. Als zulke menschen
den bybel vertaalden, zouden ze de verspieders die Jozua naar Kanaän
zond, laten terugkeeren met 'n hedendaagsche beschryving van
Palestina, liefst van eigen maaksel, en by grieksche mythologie zouden
ze erfzonde en drieëenheid te-pas brengen, omdat die sprookjes
voorkomen in hun kathechismus. Ze meenen dat er niets bestaan kan
zonder hun schoolwysheidje van vandaag. Maar zeg eens, Willem, wat heb
je meer in je boekje?
-
Papa, den 10n November had Van Noort geen sloep, en den 8n
Januari ging men van z'n schip met 'n sloep aan-wal om mosselen te
zoeken. Quaeritur waar die sloep vandaan kwam?
- Hy
kon zich 'n sloep hebben doen afstaan van een der andere schepen. Maar
ik herinner me iets van 't maken van zoo'n vaartuig.
De
dokter bladerde even:
Ziedaar, zeide hy. En Herman las:
‘Dienzelfden dag -
2 December - verzeilden de schepen naar een ruime opene baai, alwaar
de Admiraal de timmerlieden en volk aan land zond, om eene sloep te
bouwen, waarvan de kiel 37 voeten lengte had; ook werd de smederij
aan land opgezet, waartoe men smeekolen van het hout dat er in
overvloed voorhanden was, liet branden. Zij vertoefden hier twaalf
dagen, wanneer de sloep afgetimmerd was. Deze hunne legplaats,
verkreeg den naam van den Oliviers-baai.’
- Dit vraagstuk is
dus opgelost. Wat heb je meer?
- De
uitdrukking ‘in apprehensie houden’ bevalt me niet.
- 'n
Stadhuiswoord!
-
Juist daarom. By mosselen en matrozen komt dit niet te-pas, dunkt me.
- Maar
't was 'n rechtszaak!
-
Apprehendere beteekent aanvatten, aangrypen...
- O
hemel, daar komt Livius!
-
Neen, kind... Suetonius. Apprehendo bucculam - voel maar! -
beduidt: ik knyp m'n zusjen in haar linkerwang, om haar eerbied
inteboezemen.
-
Domme jongen, met je latyn!
- En
wat heb je nu tegen de apprehensie van dien Ilpendam?
- Ook
op dien naam heb ik aanmerking. Ik geloof niet dat de man zoo heette.
't Zal iemand geweest zyn die van het dorp Ilpendam geboortig was. De
naam Jacob Claesz komt me voor 'n zeeman van zyn tyd gepaster voor.
- Dit
kan gegrond zyn.
- En Van Noort dan?
riepen 'n paar anderen. Die had ook 'n vàn!
- Dat
was 'n Admiraal!
- De
ander was Vice-admiraal. Dat scheelt zooveel niet.
- Hm!
Dien rang hadden ze eigenlyk geen van beiden. Het waren
tydelyke titels... zooveel als Bevelhebber en Onderbevelhebber van de
expeditie. 't Heele eskader was slechts vier schepen sterk, en by 't
uitzeilen bemand met 284 koppen. Dit is te weinig voor 'n admiraal in
gewonen zin. Waar blyven je aanmerkingen over apprehensie?
-
Wel... de krygsraad kon hoogstens besluiten hem in hechtenis te
nemen. De beteekenis vat apprehendere is: aangrypen,
aanvatten. Men kan iemand niet in ‘aangryping’ houden.
-
Korrekt! zei de vader. Korrekt als 'n zonnestelsel...
- Met
deklinatien, mompelde oom Sybrand. Hy heeft byna gelyk, maar hy weet
niet waarom.
-
Willem, verschik je stoel even. Je poot staat op m'n breikatoen.
-
Willems poot heeft mama's draad in apprehensie... gehouden,
plaagde Herman.
Oom
Sybrand fluisterde Sietske in 't oor.
- Hoe
weet je, dat apprehendere ‘aangrypen’ beteekent?
- 't
Staat in alle woordenboeken, kind.
- Wat
nu, oom? Laat me niet in den steek.
Oom
fluisterde: ‘'t is knoeilatyn, neen... 't is latyn... ook 'n
knoeitaal!
- 't
Is knoeilatyn, of... zoo-iets. Ik heb niet goed verstaan, oom. Niet te
veel te-gelyk!
-
Kind, bezondig je niet. Als 't niet te veel eer voor je was, zou ik je
't woord wyzen by Cicero.
- Oom?
Sybrand fluisterde.
- Je
heele Cicero verstond z'n eigen latyn niet.
- O
goden, wat moet ik vernemen, hier in m'n vaders eigen tuin! Kind, ga
naar 't land, en sny biezen! Profaan wezen, ik ontërf je!
Kandidaat-bakvisch, stekelbaars, witbloedig gekorvene boosdoenster,
gekneusd atoom, o gy gedrochtelyke zuster, horresco! Papa, ik
ben verontwaardigd.
- Dit
schynt wel!
- Je
zit weer op m'n kluw, jongen!
- Oom, wat moet ik nu
zeggen. Geef me 'n flinken latynschen vloek, toe!
-
Vraag 'm naar den wortel.
-
Juist! Precies! Zeg eens, wysheid, weet je wel eens wat de wortel is
van je... Cicero?
Tot
Wouters verademing berstten allen in lachen uit. Hy had nooit scherts
bygewoond, en meende dat Willem inderdaad op Sietske verstoord was.
Z'n misverstand was te natuurlyker, omdat-i de kleine weerlichtjes van
't gesprek niet volgen kon. Ook waar-i nagenoeg begreep wàt er gezegd
werd, vatte hy den toon niet. [9] Zou dàt nu wezen wat Juffrouw
Laps ‘wereldsch’ noemt, dacht hy, en zou nu die heele familie niet in
den hemel komen? Dit denkbeeld verontrustte hem. Hy vond dat het toch
jammer wezen zou! Maar die uitdrukking van den dokter over erfzonde en
drieëenheid...
Doch
z'n aandoeningen waren te gemengd om hierby lang stil te staan. Wat
hem bovenal trof, was z'n eigen onwetendheid. Het verdriet hierover
werd nog grooter, toen 't gesprek 'n litterarische wending nam,
waarbyd-i gedurig werd gekweld door den indruk: och, dit zou ik ook
wel kunnen begrypen... als ik 't maar wist!
Oom
Sybrand leî aan Willem uit dat er veel eenzydigs was in de manier
waarop men de zoogenaamde klassieke talen behandelde.
- Heb
je er nooit aan gedacht dat apprehendere van ons ‘hand’ komt?
Je hoort er den umlaut in.
- Dan
in 't Fransche prendre ook, zei Herman, en daar is de umlaut
weer 'n volle a geworden, of byna.
- Ja,
byna. De Franschen spreken door den neus. Ze schynen verkouwen geweest
te zyn, toen ze begonnen hun leermeesters natepraten. Men hoort in hun
uitspraak nog altyd het hakkelen van iemand die met veel moeite 'n
onbekenden klank wil nazeggen, en die er gemakshalve maar aflaat wat
te zwaar is voor z'n luie tong. Zoo zeggen kleine kinderen: Omoe
voor ‘grootmoeder.’ Grieken en Romeinen maakten 't niet veel beter met
de talen waaraan ze hùn idioom ontleenden. Maar dit willen onze
taalmeesters niet inzien. Ze spreken van hun grieksch en latyn, als-of
dáárin nu eens-vooral 't begin en 't eind van alle wysheid stak: ne
plus ultra! Och, hoe armoedig!
- Maar
oom, wat is dan hier... ultra? De Oostersche talen? 't
Sanskrit? [10]
- Niet onvoorwaardelyk, maar soms wel, vooral in de taal-afdeelingen
die 't minst door geschreven litteratuur bedorven zyn. Of de
Oosterlingen veel van 't Westen overnamen is de vraag. Maar zeker
hebben Oost en West beiden veel te danken aan de ééne ware bron, aan
de Natuur. Slechts de manier van ontwikkeling loopt uit-een, de kern
is dezelfde. En die kern ligt nog altyd hier-en-daar zóó bloot, dat
het waarlyk zonderling is, deze blyken van identischen oorsprong zoo
algemeen miskend te zien. Dat vader en vater verwant
zyn, wil men wel aannemen, maar oase moet 'n ander woord wezen
dan water of wasser. Het woord al-kove zou zich
vernederd voelen, als men 't in-verband bracht met kouw of
kevie. Schepelingen geneeren zich niet, en spreken nog altyd van
hunkooi. Aan-wal durft men in zoo'n ding maar 'n vogeltje
zetten, maar 't arabisch alkoof gaat voor fatsoenlyk door. Er
bestaat zeker vals-klassieke preutsheid, die zich beyvert veel bronnen
van kennis te stoppen. Men moet wel opzettelyk doof wezen, om in 't
nieuw vervaardigd frans-grieksche ‘pyroscaphe’ ons eigen woord:
vuurschip niet te hooren. Ja, ja, opzettelyk! De schuld ligt
aan de schoolmeesters. Ze vreezen dat het gedaan zou zyn met hun ‘vak’
als men begon intezien dat er zoo weinig talen bestaan. (488)
[11] De wysheid moet uit boeken gehaald worden, en van vèr komen, van hèèl
ver. Ze zyn daarin even onpraktisch als de verzenmakers die wel wolken
durven bezingen, maar zich niet wagen aan...
Oom
Sybrand zocht iets zeer banaals. Een klokhen in den kippenloop die de
achterzy van den tuin innam, scheen iets eetbaars gevonden te hebben.
Ze riep haar kroost.
- Ze
wagen zich niet aan 'n kippenhok! Toch ligt er in 'tgeen men voor
oogen ziet en met ooren hoort, in het bestaande, veel leering.
Maar we hebben 't luisteren en 't zien verleerd. Wat zegt die kip?
- Dat
de tafel gedekt is?
-
Zoo-iets bedoelt ze, ja. Maar dit zegt ze niet. Versta je 't
woord wel dat ze spreekt, of liever de woorden, want ze spreekt er
twee te-gelyk uit? [12]
Geen
van de kinderen verstond de kip. Dit deed Wouter 'n betrekkelyk
genoegen. Hy was dan toch nu eindelyk eens even bekwaam als 'n ander.
[13] Oom Sybrand zei dat het lezen en schryven er schuld aan had dat de
kinderen niet verstaan konden wat de kip vertelde.
- 't
Is onze gewone fout, meende hy, dat we door 't zien van
gedrukte woorden, zoo afgeleerd hebben klanken te onderscheiden, die
we niet terstond weten overtezetten in letters. Tracht eens het geluid
van 'n kip natebootsen. Dit zal je helpen in 't verstaan.
Er
volgde nu 'n concert waarin de medeklinkers l en k 'n
hoofdrol speelden, verbonden door de zoogenaamde stomme e die
eigenlyk 'n halve o, u, ö of eu is, en die we ook soms trachten
voortestellen door i of ij, y, doch altyd onvolkomen:
g.brekk.gl.k. Ons letterschrift is zeer arm, en de taalmeesters
die zich ook dáárvan de vaststelling aanmatigden, maakten allen
vooruitgang in dit opzicht tot 'n onmogelykheid. In-plaats van, naar
den eisch der zaak, nieuwe teekens aantenemen voor klanken die we nu
allergebrekkigst voorstellen, behelpen wy ons met de weinige letters
die op 't eerste blaadje van 'n abé-boek staan. [14] ‘Dit is nu
eenmaal zoo!’ zeggen de Kadmussen der jeugd.
Daar
ons dus geen teeken gegund is om de vokaal voortestellen, die 'n kip
zet tusschen al de k's en de l's waarmee ze haar kleine
gemeente aan den disch noodigt, kan ik niet precies vertellen hoe de
kakofonie klonk, die op 'n bespotting van haar moederlyke zorg geleek.
Och, dit was de bedoeling niet! In-plaats daarvan begon er verschil
van gevoelen te ontstaan, of men met 'n l of 'n k moest
beginnen.
- O
ho, ho, riep oom Sybrand, maakt er geen mysterie van! Geen dogmatiek,
asjeblieft! Roept de beide medeklinkers maar door elkaar heen, naar
verkiezing. Je hoort wel dat de kip zich ook niet stoort aan volgorde,
en toch verstaan haar de kleintjes zonder woordenboek:
köllökköllökköl...
- Ik
geloof dat het engelsch is, zei Herman. Ik hoor er call in...
Hy
meende te schertsen, en was verwonderd toen Sybrand hem in allen ernst
zei dat-i ditmaal goed geluisterd had.
-
Engelsch is 't eigenlyk niet, maar de engelschen spreken kipsch
als ze call zeggen.
- Maar
dan is 't grieksch ook, riep Herman.
- In
zooverre alweer, als ook de Grieken woorden bewaard hebben die door
hun ongrieksche voorouders ontleend waren aan 't hoenderhok. De mensch
heeft menigen leermeester onder de dieren.
-
Kolokol... dat beduidt 'n klok in 't russisch, zei de
dokter.
-
Alweer kippentaal
- En
ons eigen klok en kloek, waarvan 't kippemoedertje den
naam draagt!
- Wel
zeker!
- Ik
heb lök-lök-lök verstaan, riep Sietske, of glök, glök,
glök...
- Ik:
käläkkäläkkle... of zoo-iets, zei de moeder.
-
Juist! Lokken, kakelen, kallen, geluk, gauklen, kloek - in alle
beteekenissen - goochelen, gichelen, hakkelen... al die
woorden, en veel meer nog, zyn ons door kippen voorgezegd, of althans
wy maakten ze van klanken die eenmaal uit het hoenderhok werden
opgevangen. [15] Lang voorCicero en...
Siegenbeek, hebben de menschen die met hun
huisdieren samenwoonden, aan die ongeleerde kontubernalen 'n gedeelte
van hun spraak ontleend. Toch behooren klanken als lokken, klok,
call, kakel, gaukel, geluk en kloek, niet tot de
alleroudsten. Er moet 'n tyd geweest zyn...
Daar
kwam zoo-waar 'n boodschap van Juffrouw Pieterse. Ze liet vragen, waar
Wouter bleef? 't Speet hem zoo! Hy zag den dokter verzoekend aan.
- Wou
je gaarne nog wat blyven, mannetje?
- Ja,
m'nheer, ik weet nog niet wat er verder met dien Vice-admiraal gebeurd
is.
- Kyk,
dat bevalt me! riep Holsma. Hy heeft goed geluisterd. Juist over 't
vonnis van dien Jakob Claesz had ik 'n opmerking te maken. Kaatje, zeg
dat de jongeheer nog wat blyft. Hy is hier wèl.
Wouter
had zich nooit zoo gelukkig gevoeld.
-
Dat's waar ook. We weten nog niet welk vonnis die krygsraad uitsprak.
De tucht moest gehandhaafd worden. Toch niet de kogel? vroeg Sybrand.
Holsma
schudde ontkennend het hoofd.
- Dit
verwondert me. Nu, des-te-beter, als men meende dat zóó'n strengheid
niet noodig was...
- Het
vonnis was strenger, zei de dokter. Het was vreeselyk! Lees eens
voort, Herman, waar je zoo-even ophield. Juist het eigenaardige van de
straf trof me zoo. Hy werd veroordeeld tot... leven onder menschen die
hem dooden zouden. [16]
Herman
las:
‘Den 24sten
(Januari 1600) werd de Vice-Admiraal Jakob Claesz. Van
Ilpendam voor den breeden krijgsraad geroepen, om zich tegen de hem
ingeleverde beschuldigingen te verdedigen, en daar hij bij
meerderheid van stemmen veroordeeld werd, besloot men hem alvorens
van hier te vertrekken, aan land te zetten, welk vonnis dan ook den
26sten werd ten uitvoer gebracht; men gaf hem wel eenig
brood en wijn mede; dan dit kon niet lange strekken, zoodat hij
spoedig onder de inboorlingen moest geraken, die hem waarschijnlk
zouden afmaken. Nadat het vonnis volvoerd was, beval de Admiraal dat
men op de schepen een gebed zoude doen, waarbij een ieder vermaand
werd zich aan zulk een streng voorbeeld te spiegelen.’
- Er ligt 'n
vreeselyk treurspel in die gebeurtenis, zei oom Sybrand.
- Men
kan zich inderdaad geen pynlyker tragedie voorstellen, hernam de
dokter. We zagen uit de ontmoeting met die matrozen, hoe vyandelyk de
stemming der ingeborenen was. Ik laat nu daar, of ze werkelyk
menschenëters waren. Het wegdragen hunner gesneuvelde landgenooten zou
misschien kunnen pleiten voor zekeren graad van beschaving. Misschien
moesten die lyken met eenige plechtigheid teraarde besteld of verbrand
worden. Er wordt evenwel ook op andere plaatsen in 't Journaal van
kannibalismus gesproken. Van 'n kind dat men aan-wal geroofd, en
geleerd had zich eenigszins in 't hollandsch uittedrukken, vernamen
onze reizigers dat z'n landgenooten - sommige stammen althans - zich
daaraan inderdaad schuldig maakten. Doch hoe dit zy, de krygsraad
verkeerde in de meening dat de ongelukkige dien men verstiet,
onder menschenëters kwam. De zeer christelyke Nederlanders benoemen 't
barbaarsche Vuurland tot beul.
- En
dat gebed!
- Niet
waar? 't Is om te yzen! Zoo'n afschuwelyke klucht na 't bloedige
voorstuk! Na de katastrofe, de parodie! God moest er bykomen om de
akeligheid kompleet te maken! Dit ontbreekt nooit! Zeker hadden die
Vuurlanders 't ware geloof niet, en zy aten hun gevangenen op, of
maakten ze af, zònder God. Maar zy die 't ware Geloof hadden, doemden
den ongelukkige tot zoo'n straf... mèt God! Wat is beter? Ik zie
hierin geen ander verschil dan dat de geloovers by gelyke wreedheid
nog den schimp voegden van de bespotting.
-
Maar, papa, de tucht moest gehandhaafd worden, zei Willem.
-
Ongetwyfeld! Indien ik lid van den krygsraad geweest was, had ik -
voor-zoover ik vertrouwen mag op de zeer gebrekkige mededeeling der
zaak in 't Journaal - voor den dood gestemd. Ik zou dit zeer treurig
hebben gevonden, maar... noodzakelyk! En zelfs duid ik het noch Van
Noort noch den Krygsraad ten-kwade, dat ze maar van hun tyd waren. De
straf van ‘aan-wal zetten’ schynt in vroeger eeuwen by zeelieden
gebruikelyk geweest te zyn. Alexander Selkirk
die 't model leverde van Robinson Crusoë,
was op zoo'n wys op z'n eiland geraakt. En ook in de oude Journalen
van onze zeeluî komen dergelyke gevallen vry dikwyls voor. Maar ik
blyf er by, dat het 'n wreed gebruik was. Tracht u eens den
toestand voor den geest te halen van den veroordeelde die met 'n
weinig brood en wyn op zoo'n ongastvrye kust aan-wal stapt! Hy wist
wat er met de matrozen die oesters gezocht hadden, gebeurd was. Stel u
eens voor, wat hy gevoelen moest toen de sloep die hem gebracht had,
zich verwyderde! Toen de matrozen - kort geleden nog z'n
ondergeschikten - hem dwongen de hulk te verlaten! Toen ze hem
‘vaarwel’ zeiden! Denkt eens na, jongens, over de vreeselyke
beteekenis van dàt vaarwel! Die wegvarende sloep was 't laatste
punt van z'n aanraking met de maatschappy. Die matrozen zouden 't
schip weerzien: hun te-huis, waar ze kameraden hadden, en
leeftocht, en aanspraak op onderlinge bescherming. Dit alles was voor
hem verloren, onherroepelyk! En men gaf hem wat brood en wyn mee, om
de marteling te rekken van 't besef dàt dit alles voor hem verloren
was! Zou dit weinige voedsel langer duren dan 't ontwyken van de
wilden dien men had opgedragen hem te verscheuren?
De
schepelingen die daar wegroeiden, zouden misschien 't Vaderland
weerzien, hun dorp, hun huis, hun gezin! [17] En ze zouden van de reis
verhalen! En daar klonken stemmen - de ongelukkige moet ze gehoord
hebben in z'n verlatenheid! - stemmen die aan de teruggekeerden
vraagden: ‘waar is myn zoon, waar is myn broeder, waar is myn
echtgenoot, waar is onze vader, uw Vice-admiraal Jakob Claesz Van
Ilpendam?
Denkt
eens, kinderen, wat hy moet ondergaan hebben by 't staren op den
geringen voorraad voedsel die hem was meegegeven. Hoe vreeselyk moet
hem 't aanschouwen geweest zyn van den wedloop die er zou gehouden
worden door wilden en ontbering, en waarvan de prys zyn leven was! Wie
of wat bestemde de richting die hy insloeg? Waar zoud-i na eenig
doelloos omzwerven zich ter-ruste leggen, en waarom? Immers wat baatte
het of hy rustte, of zich vermoeide, of rechts liep, of links ging, of
hy by 't strand bleef, of heuvels beklom, of neerdaalde in laagten, of
'n woud indrong... wachtte hem niet overal de akeligste dood?
Zeker
zal hy aan 't strand gestaan hebben, wuivend met muts of doek, en
roepend, schreiend, vloekend, smeekend... waanzinnig van woede, van
berouw, van angst, van ongegronde hoop, en van 't besef vooral dat er
voor hem niets te hopen viel. Toch immers lag daar nog altyd 'n schip,
daar lagen vier schepen, waaronder het zyne, zyn ‘Fredrik Hendrik’
waarmed-i zoo trotsch geparadeerd had in het Y voor Amsterdam. Daar
immers voer 'n sloep, bemand met hollandsche matrozen. Daar waren
menschen, schepelingen, zyn ondergeschikten nog kort geleden...
medemenschen en landgenooten ook thans nog. Zouden ze hem op die kille
kust overlaten aan z'n lot? Maar dit was onmogelyk, onmogelyk! Dit kon
niet waar zyn!
En
toch, toch...
Hadden
niet zyzelf hem uitgeworpen? Waren zyzelf het niet, die den laatsten
band afsneden, waarmee hy gehecht was aan de mensheid, zy die hem met
'n marlpriem de vingers losbraken van doft en sloepsboord, toen hy
zich daaraan vastklemde met den kramp der wanhoop?
Als er
'n hond ware achtergebleven in de wildernis, zou men medelyden gehad
hebben, en voorzeker had men zich moeite gegeven om 't arme dier te
redden. Maar hèm redde men niet! Hèm mocht, hèm wilde men niet redden!
Indien
een van de roeiers 'n muts had achtergelaten aan den wal... misschien
zouden zy teruggekeerd zyn om 't verlorene te zoeken. Maar om hèm
aftehalen keerde men niet terug!
Hoe
moet hy gestaard hebben op de vlag van het schip, de welbekende vlag,
het symbool eenmaal van gezamenlyke kracht, van vereeniging, van
broederschap. En nu? Weldra zoud-i haar voor 't laatst gezien hebben,
haar en alle andere kenmerken van welke nationaliteit ook, haar en de
sporen van al wat menschelyk is. Spraak, taal, kennis, geheugen,
bekwaamheid, moed... alles was hem voortaan overbodig. En zelfs de
hoop, die laatste gezellin van den ongelukkige, kon hem slechts
byblyven in 'n maat die door pyniging hem ontrukte aan de weldadige
wezenloosheid der vertwyfeling. Alle aanraking met de mensheid was hem
afgesneden, op 't vooruitzicht na, verscheurd en verslonden te worden
door 't laatste deel dat-i van die mensheid ontmoeten zou.
De Krygsraad vonniste
‘by meerderheid van stemmen’ staat er. Niet by algemeene
stemmen. We mogen dus aannemen dat enkelen een minder wreede straf
hadden voorgesteld. Ook zullen er onder de overige schepelingen wel
sommigen geweest zyn, die den veroordeelde genegen waren. Volstrekte
eenstemmigheid in 'n zaak van dezen aard is ondenkbaar. Misschien
heeft men aangedrongen op verzachting van het vonnis, op gratie, op...
de doodstraf! Dit moet den ongelukkige bekend zyn geweest, en voedsel
gegeven hebben aan martelende hoop. De mogelykheid bestond immers, dat
men aan-boord van 't admiraalschip na de aanvankelyke uitvoering van
't vonnis, zich geroerd voelde? Het kòn immers wezen dat die
aandoening zich bemachtigde van Van Noort zelf? Was deze niet eenmaal
z'n ambtgenoot, z'n kameraad, z'n makker, z'n vriend? We kunnen
aannemen dat de keus van den onderbevelhebber der expeditie niet de
wenschen van den chef overeenstemde. En al ware het dat de Admiraal
ontoegankelyk bleef voor medelyden, bestond er niet eenige kans dat hy
zou moeten toegeven in den algemeenen aandrang? Zou 't niet zelfs
kunnen liggen in 'n welbegrepen taktiek, de opgelegde straf te
verzachten, om in den vervolge de aanspraak op gehoorzaamheid te
versterken door 'n beroep op de thans in-acht genomen matiging?
De
arme balling moet gehoopt hebben.
Zoolang die schepen daar lagen...
Helaas!
Daar
klinkt het schril maatgeluid der matrozen by 't ankerwinden! Hy hoort
het neerklikken van den pal in 't braadspil. *)
Elke
tik van den yzeren tong die het terugloopen van den windenden cylinder
belet, verkort den kabel die 't schip verbindt met
anker en bodem. Het vaartuig sliert onwillig met flauwe bochten in de
richting van de plek waar 't anker den grond vat. En hy, de ervaren
zeeman, neemt nu duidelyk de verandering in toon en tempo van den
maatzang der matrozen waar. In-den-beginne waren die klanken haastig,
verward, ongelykmatig. Ze getuigden noch van inspanning, noch van de
noodzakelykheid om de krachten van allen te vereenigen in gelyktydigen
ruk. Gedurende het ophalen van den ‘bocht’ liep het geklikklak van 't
yzeren staafje den nog onnoodige maatzang voorby. Naarmate het touw
aan bocht verloor, en de hoek zich verstompte die 't op den bodem
beschreef, volgden de gillende tonen langzamer op elkander. Ze werden
scherper afgedeeld in tempo, en begonnen nauwkeuriger overeen te
stemmen met het vertraagd neertikken van den pal. Na elken lang
uitgehaalden gil der matrozen, die allengs getuigde van grooter
krachtsinspanning, hoorde men den metaalslag van 't kleine voorwerp,
als 'n uitroepingsteeken op de verzekering dat er 'n stap méér was
gedaan ter-voorbereiding van 't wreed vertrek. Eindelyk staat de kabel
loodrecht. De nu aantewenden kracht werkt vertikaal. Het schip neigt
den boeg als 'n toornig rund dat den vyand afwacht op de laaggehouden
hoorns. Als 'n onwillig paard dat den kop neerbuigt tusschen de
gestrekte voorbeenen. De Frederik Hendrik, zyn schip, zyn
trouw schip, wil niet van de plaats. Het breekt z'n waterlyn, en heft
den achtersteven omhoog, en jumpt, en schynt zich te willen
laten neerhieuwen in de diepte, liever dan z'n bevelhebber te
verlaten, die daar handenwringend om genade staat te smeeken op 't
vreemde strand...
En nog
altyd haakt de yzeren klauw van het anker in de slib, in 't zand, in
de steenen, in 't koraal, in den spleet van 'n onderzeeschen rots
misschien...
Zou
die bodem medelyden met hem hebben, en 't anker niet loslaten?
Helaas, de grond is week, en niet bestand tegen 't laatste ‘o...
ho... ho... i i i i!’ dat 'n eind maakte aan allen twyfel.
De
zeilen, reeds onder 't ankerhieuwen gedeeltelyk van de belemmerde
geitouwen ontslagen, klepperden en fladderden besluiteloos. Van-tyd
tot-tyd sloegen ze back, en vertoonden een schyn van onwil tot
het verrichten van den dienst die men straks van hen vergen zou. Met
hun bolle zyden drukten ze tégen de masten, als poogden zy uit angst
voor de noodlottige beslissing, den arbeid der matrozen te verzwaren.
Maar
ook dit had opgehouden. Door 'n kleine beweging van 't roer boden de
vaartuigen hunne zyden aan den toedringenden luchtstroom. De zeilen
werden gespannen en gericht. De balling hoort de kommandoos van
schoot-aanhalen en brassen... de eigenaardige zangen ook, die alweder
de rukkende uitvoering van deze bevelen vergezellen... de schepen
zetten koers... verwyderen zich... raken uit-zicht... het vreeselyk
vonnis is wel inderdaad ten-uitvoer gelegd in al z'n strengheid!
De
goede dokter hield hier eenige oogenblikken op, als om den indruk
waartenemen, die deze schildering op de kinderen maakte. Wouters
maagdelyk gemoed was zeker 't meest aangedaan. Het koste hem moeite
zich voortestellen dat er sedert die gebeurtenis ruim twee eeuwen
verloopen waren, en hy betrapte zich telkens op den wensch, 'n schip
uitterusten, dat koude verre Vuurland optezoeken, en den armen
verlatene aftehalen! Even als by die droomery met de wegvlietende
strootjes, meende hy de stem van den ongelukkige te hooren, die
verwytend riep: waar blyft Wouter? [18]
Als 'n
bliksem schoot hem de gedachte door de ziel: maar God dan? Waar bleef
God? Wat heeft God voor den armen Jakob Claesz gedaan?
De
dokter bemerkte dat hy iets zeggen wilde, en kwam z'n beschroomdheid
te-hulp door hem vriendelyk aantezien. Dit gaf onzen kleinen wysgeer
moed, en wel eenigszins hakkelend, maar toch met iets ferms in z'n
toon, alsof hy 'n zwarigheid oploste, vermande hy zich tot de
opmerking:
- Hy
zal gebeden hebben, en op God vertrouwd!
Indien
iemand die niet gelooft, ronduit z'n meening zegt in 'n kring van
geloovers, neemt men 't hem zeer kwalyk dat hy den moed heeft van de
leer aftewyken. Twyfelaars en ontkenners zyn gewoonlyk zachtmoediger.
[19] Niemand van 't gezelschap riep: foei!
Waarlyk, dit zou ànders geweest zyn, als Willem of Herman zich in den
huize Pieterse uitdrukkingen veroorloofd had, die evenzeer indruisten
tegen de dáár gehuldigde begrippen, als Wouters gezegde tegen 't
gezond verstand dat in dézen kring geëerbiedigd werd. Zelfs de kleine
Sietske begreep reeds dat God niet op-eenmaal om-den-wille van Jakob
Claesz den aard der Vuurlanders veranderen kon, en dat het hopen op
Gods hulp den hoogsten graad van wanhoop aanduidt. Maar de dokter die
zeer goed wist welken indruk Wouters onnoozelheid gemaakt had,
beschermde hem goedig tegen de nogal gemakkelyke tegenwerpingen die hy
had uitgelokt, en bracht het gesprek op 'n ander onderwerp.
- O
zeker, m'n jongen, het is te hopen dat hy... op een-of-andere wys den
moed hebbe opgedaan om z'n lot te dragen. En al ware dit zoo niet...
er zyn nog andere opmerkingen over deze zaak te maken. Bedenk eens hoe
het gevoel van de wegzeilende schepelingen moet geweest zyn, toen zy
den veroordeelde uit het oog verloren! En wat al inspanning was er
vooraf gegaan! Het drama had zeker reeds lang geduurd, voor zich de
onwilligheid van den onderbevelhebber duidelyk genoeg openbaarde, om
daarvan melding te maken in 't Journaal. Hy moet aanhang gehad hebben,
zéker op 't schip dat rechtstreeks onder z'n bevel stond, misschien
wel op de andere schepen ook. Van Noort was zeer streng, en zal
daartoe hoogstwaarschynlyk byzondere redenen gehad hebben. Wie zegt
ons of hy op de aanhankelykheid en 't plichtbesef van alle
bevelhebbers, officieren en manschappen onvoorwaardelyk rekenen kon?
In-allen-geval wist hy niet, in-hoe-verre daarop staat te maken
viel. Tusschen 't eerste blyk van ongehoorzaamheid en 't by-een roepen
van den krygsraad, ligt 'n geruimen tyd. Er moet in die weken veel
voorgevallen zyn, waarvan Herman niets heeft voorgelezen, en dat dan
ook niet in 't Journaal van de reis staat, althans niet in de
jammerlyk verknoeide uitgaaf die daarvan dezer dagen in 't licht kwam.
Hebben de heeren taal- en stylverbeteraars iets weggelaten, dat in
deze zaak eenige opheldering zou kunnen geven? Ik weet het niet. Dat
er reeds vóór 't beleggen van den krygsraad wryving en spanning
bestond, blykt uit de uitdrukkelyk vermelde vreugd die er by de
schepelingen heerschte, toen de Vice-admiraal zich op den l4n
December weder by 't eskader had gevoegd. Men gevoelt dat er angst
bestond voor den uitslag der oneenigheid. Nu, die uitslag was dan ook
treurig genoeg!
- 't
Zou nòg erger geweest zyn als de weerspannigheid vasten voet had
gekregen, meende oom Sybrand. Ik bewonder de geestkracht van Van
Noort. In zùlke omstandigheden zyn zùlke mannen noodig.
-
Misschien!
- Het
komt me voor, dat hy z'n plicht deed. Het behoud van allen was
hem opgedragen, en daarom moest hy, waar 't noodig bleek, streng
te-werk gaan met den enkele die zich verzette, en 'n slecht voorbeeld
gaf.
- Dit
kàn gegrond zyn. 't Is evenwel jammer dat er in datzelfde Journaal
blyken voorkomen van 'n ruwheid, die 't recht geven tot twyfel of er
ook in deze zaak wel met de noodige matiging is te-werk gegaan. Van
Noort heeft eenmaal 'n spaanschen loods over-boord doen werpen, omdat
de man beweerde dat hy op 't Admiraalschip vergiftigd was. Doch zoowel
in deze zaak als in die van den armen Jakob Claesz, zyn de berichten
zeer schraal. Er blykt, byv. niets van de oorzaken der
weerspannigheid van dien onderbevelhebber. Indien het hem ware te-doen
geweest om zich aan 't gezag van Van Noort te onttrekken, had hy zich
zeer gemakkelyk van 't eskader kunnen afscheiden, wat dan ook by
dergelyke expeditien herhaaldelyk geschiedde. 't Was moeielyker by-een
te blyven, dan elkaar uit het oog te verliezen. Wy weten te weinig van
de zaak om 'n oordeel te vellen. Ook dit voorval, als de geheele
Geschiedenis - ik bedoel, de groote! - is zeer onvolledig geschreven.
We kunnen slechts raden en gissen. Alleen de vreeselykheid van 't
geslagen vonnis ligt ons duidelyk voor oogen. En wat me daarin 't
meest treft, is de lakonieke vermelding van de waarschynlykheid dat
‘de inlanders den veroordeelde wel zouden afmaken.’ Ik weet
ter-nauwernood wat onmenschelyker is, de veronderstelde aard van die
Vuurlanders, of 't gebruik-maken van hun wreede eigenaardigheid? 't
Menschen-eten is verboden, maar wel scheen het geoorloofd, aan
menschen-eters 'n mensch te eten te geven. De Romeinen wierpen hun
misdadigers in 't wilde-beestenperk. [20] Hier zien wy de funktien van
verscheurend dier opdragen aan menschen!
- 't
Waren wilden...
- Ja,
maar zy die 't vonnis sloegen, gingen voor beschaafd door. En
bovendien, ook die wilden behooren tot ons geslacht. Het trof me reeds
als kind, dat Robinson Crusoë, die zich zoo ongelukkig waande op z'n
onbewoond eiland, van schrik dacht te sterven toen hy door 't zien van
voetstappen ontdekte dat z'n eiland niet onbewoond was. Och,
kinderen, 't is zoo treurig dat de mensch 'n vyand van den mensch is.
- De
beschaving...
-
Beschaving legt 'n vernis over onze boosaardigheid, en nog niet eens
altyd. [21] De aard der wilden breekt telkens door. Let er maar eens op,
met welke blikken wy of... sommigen onzer, iemand begroeten dien we
niet kennen!
De
dokter zag Willem even aan.
- Het
schynt wel of ieder die zich verstout eenigszins aftewyken van de
maniertjes waaraan wy gewoon zyn, reeds daarom alleen onze vyand is.
Zuivere welwillendheid is zeldzaam. [22] Waar we haar ontdekken, werd ze
gewoonlyk opgewekt door oorzaken van-buiten-af. Op en door zichzelf
schynt ze niet te kunnen bestaan. Waarom toch?
Holsma
sprak hierop weder van beschaving, van de ware die iets anders
en iets meer behoort te zyn dan vernis. Hy betoogde dat er in
geestelyke ontwikkeling 'n hefboom ligt om 't zedelyk standpunt te
verhoogen, en eindigde met de opmerking dat het laagstellen of
minachten van 't onbekende, veelal voortsproot uit gebrek van
zelfkennis.
Toen
Wouter vertrok, deden de kinderen hem uitgeleide tot aan de huisdeur,
en Willem was byzonder vriendelyk.
De
dokter namelyk had 'n byzondere manier van zedepreeken. Hy wist wel op
welk onderwerp 't gesprek zou uitloopen, wanneer-i begon met die
treurige geschiedenis van Jakob Claesz. En ook ik had er m'n redenen
voor, toen ik van de troglodieten overstapte op Olivier Van Noort.
*) De werktuigkundige
verbeteringen van den laatsten tyd hebben waarschynlyk dit werktuig
van de schepen verdrongen. Het was - of is - 'n zware cylinder die
met handspaken in beweging werd gebracht, en die in tegenstelling
van 't vertikaal staand gangspil, in horizontale richting
niet ver van den boeg dwars over 't schip geplaatst was. De zeer
sterke rechtstandige balken waarin de as van dit spil zich beweegt,
heeten betings. Het winden wordt aan-boord hieuwen
genoemd, waarschynlijk 'n klanknabootsing van den krachtregelenden
maatzang dien de matrozen by dezen arbeid aanheffen. Of 't woord
‘braadspil’ iets te maken heeft met het engelsche: broad,
weet ik niet, maar wel dat het aan-boord der schepen nooit anders
dan onzydig wordt gebruikt. Wie daar, op 't gezag onzer
taalkundige woordenboeken, van de braadspil sprak, zou worden
aangezien voor 'n vreemdeling of nederlandsche-taalprofesser.
[1]
Het mag niet ontkend worden dat ziekelyke zwakte 't gevolg wezen kan van
te fyne bewerktuiging, en dit is wel te betreuren. Doch er is
versterking denkbaar, terwyl 't verfynen van grove organismen my
moeielyk of onmogelyk voorkomt.
Ja, dat lijkt me allebei waar, en het is aannemelijk dat Multatuli een
deel van zichzelf in Woutertje (ver)stopte.
[2] Een oogenblik
daarna trad 'n heer de kamer in, die door de kinderen met veel blyken
van genegenheid als oom Sybrand begroet werd.
Er is wel eens gesuggereerd dat deze oom
wat van Multatuli wegheeft. Feit is dat zijn theorieën over taal die in
dit idee ter sprake zullen komen die van Multatuli zijn.
[3]
Het volk dat in de jol was, kwam het eerst aan land, en werd door de
inboorlingen, die zich verscholen hadden, overvallen, die er twee van
afmaakten, en eenen kwetsten, doch het volk der sloep, dat gewapend was,
dreef hen op de vlugt, terwijl zij de dooden evenwel met zich voerden,
waardoor men veronderstelde, dat het menschenëters waren.’
Ik haalde dit er alleen uit om op te
merken dat de veronderstelling dat de inboorlingen menseneters zouden
zijn omdat ("waardoor")
ze hun "dooden
evenwel met zich voerden" mij wat
vreemd voorkomt.
[4] -
Pedanterie, kind, is de byzondere deugd die 'n oudsten broeder
versiert.
Er valt wat voor te zeggen, en geldt
zeker voor Wouter's oudste broer Stoffel. (De lezer die een deel van
mijn opmerkingen overbodig vindt moet maar bedenken dat ook ik de
tekortkoming heb een oudste broer te zijn.)
[5]
de verzamelaars maar liever den oorspronkelyken tekst van de journalen
geëerbiedigd! In-plaats van de eigenaardigheden der uitdrukkingswyze van
oude zeeluî, geven ze 'n modelletje van de hedendaagsche rechtschryvery.
En als die malle verwaandheid zich maar tot de spelling bepaalde! Ze
hebben ook den styl... verbeterd, naar ze meenen.
Juist, en het is jammer, al weet ik zelf
niet hoeveel oudhollands, van rond 1600, zeker wanneer het in een oude
letter gedrukt of geschreven is, tegenwoordig nog te begrijpen is voor
wie daar geen speciale studie van heeft gemaakt. In het Engels en
Frans is het anders, om een reden die in de volgende opmerking ter
sprake komt.
[6] -
Zulke menschen stichten veel kwaad. Ze lokken de aandacht van de
hoofdzaken af, om die te vestigen op allerlei gekheid. Wie precies
weet wat mannelyk of vrouwelyk is, en waar-i 'n onnoodige letter meer
of min mag gebruiken, gaat voor bekwaam, geleerd en bruikbaar door, en
kan alle andere bekwaamheid missen. Zoo schryven ze nu ‘zoo’ en
‘oogen’ met twee o's, naar ik hoor. Straks verandert dit weer.
Dan komen er weer nieuwe professers die hun leven gewyd hebben aan de
ontdekking dat er twee o's zyn in ‘vrolykheid’ en maar één in
‘drogen’...
Precies, en ze zijn
er nog steeds. Het laatste - ik schrijf dit begin 2006 - op het gebied
van Nederlandse spellingshervorming is dat men tegenwoordig geacht
wordt, sinds de laatste "verbetering", om "ideëeloos" te schrijven. Dit
heeft veel mensen nogal aan het denken gezet, en daaronder zijn
hoofdredacteuren van kranten, die besloten hebben dit soort onzin niet te praktiseren.
Ik
doe dat al vele jaren niet meer, en spel zoals me dat geleerd is of
juist voorkomt, en dat laatste is meestal overeenkomstig algemeen
gebruik zoals ik dat de laatste vijftig jaren las. De laatste
spellingshervorming die ik enigszins bewust heb meegemaakt, namelijk die
van 1995, was al zo
volmaakt onzinnig, en werd met zoveel zeer leugenachtige poeha gebracht
- "wetenschappelijk", "semantisch", "logisch" waren de leugentermen
waarmee het gerechtvaardigd werd voor de dommen - dat ik toen afgehaakt
heb.
[7]
Geloof me jongens, ze zyn er gek genoeg toe! Hm... gek? Als men op
zoo'n goedkoope manier aan den kost komen kan! Gek zyn de menschen die
zich laten bedotten door zulke kwakzalvers. Tegen dien tyd zullen dan
ook de reizen van onze ouwe zeeluî weer vertaald moeten worden in nog
nieuwer spelling, die dàn de ware echte alleen-zaligmakende wezen zal.
Op die wyze wordt er nooit iets klassiek.
Niet alleen kan een mens er 40 jaar lang
professor in zijn en een welbetaald luizenbestaan leiden geconstrueerd
rond de wetenschap dat "ideëeloos" de term is die men - "semantisch!"
"linguistisch!" "logisch!" "wetenschappelijk!" - zoveel eeuwen heeft
kunnen ontberen in het Nederlands, maar de telkens opnieuw ingevoerde
spellingshervormingen moeten ook miljoenen waard zijn voor en
opbrengen aan de uitgevers van schoolboeken, die altijd weer
heruitgegeven moeten worden in de laatste versie van Korrekt
Nederlands.
[8] De
geschiedenis der dwalingen is de geschiedenis van ons geslacht!
Ja, en alle voorgaande natuurlijk. Zie
ook idee 147.
[9]
In de omgeving waaraan hy gewoon was, heerschte iets zwaars dat hem
neerdrukte. Hier evenwel scheen alles te huppelen, te zweven. En toch
voelde hy zeer goed dat er in dezen kring geen spraak was van
lichtvaardigheid.
[10] - Maar
oom, wat is dan hier... ultra? De Oostersche talen? 't
Sanskrit?
In de 19e eeuw werd voor het eerst
serieus universitair studie gemaakt van en onderwijs gegeven in het
Sanskriet, en kwam de wetenschappelijke taalkunde op.
[11]
De schuld ligt aan de schoolmeesters. Ze vreezen dat het gedaan
zou zyn met hun ‘vak’ als men begon intezien dat er zoo weinig talen
bestaan. (488)
Ik heb dit eerder becommentarieerd. Zie 488.
[12]
Versta je 't
woord wel dat ze spreekt, of liever de woorden, want ze spreekt er
twee te-gelyk uit?
Het is te vrezen dat de les over de
oorsprong der taal die volgt gemeend werd door Multatuli. Afgezien van
een Duitse gepensioneerde medicus, een dr. Riecke, die M. in Duitsland
ontmoette, en die liefhebberde in filologie en Keltisch, is er
waarschijnlijk niemand ooit overtuigd van M.'s theorieën over taal.
[13]
Geen van de kinderen verstond de kip. Dit deed Wouter 'n betrekkelyk
genoegen. Hy was dan toch nu eindelyk eens even bekwaam als 'n ander.
Hier ligt trouwens de psychologische
wortel van de grote populariteit van de nivellerings-gedachte en het
Nederlandse morele ideaal van "Doe maar gewoon dan doe je al gek
genoeg!": De grote meerderheid is tot weinig bekwaam, en houdt het voor
onrechtvaardig dat iemand anders meer zou kunnen of beter zijn dan zij
zelf. Wie boven z'n gemeenschap uitsteekt loopt gevaar z'n hoofd te
verliezen. (Zie ook 107 en
447).
[14] Ons letterschrift is zeer arm, en de taalmeesters
die zich ook dáárvan de vaststelling aanmatigden, maakten allen
vooruitgang in dit opzicht tot 'n onmogelykheid. In-plaats van, naar
den eisch der zaak, nieuwe teekens aantenemen voor klanken die we nu
allergebrekkigst voorstellen, behelpen wy ons met de weinige letters
die op 't eerste blaadje van 'n abé-boek staan.
Ja, maar 't geringe aantal letters is
juist een groot voordeel, en is een succesvolle abstractie van zeer
veel meer klanken die het toch in context behoorlijk kan weergeven. De
Chinezen hadden geen alfabet, en oude talen zijn niet op een alfabet
maar op syllaben gebaseerd, en allebei de systemen van schrijven zijn
zeer veel moeilijker te leren dan alfabetische talen.
[15] Lokken, kakelen, kallen, geluk, gauklen, kloek - in alle
beteekenissen - goochelen, gichelen, hakkelen... al die
woorden, en veel meer nog, zyn ons door kippen voorgezegd, of althans
wy maakten ze van klanken die eenmaal uit het hoenderhok werden
opgevangen.
Multatuli schijnt dit echt geloofd te
hebben. Waarom de kippen dan niet heten te kakelen in het Engels of
Frans, en geluk heel anders heet in het Latijn en Sanskriet, is mij een
raadsel en naar mijn weten nooit door hem behandeld. Ook betwijfel ik of
M. wist dat er in Noordeuropa helemaal geen kippen waren totdat de
Romeinen die invoerden. Of zou M. beweerd hebben dat men dan hier
spreken leerde van het gekwaak der kikkers?
[16]
Hy werd veroordeeld tot... leven onder menschen die hem dooden zouden.
Dit komt meer voor, zeker in
overdrachtelijke zin, en één reden waarom Multatuli na 1860 overwegend
in Duitsland woonde is dat Nederlanders hem zo vaak tegenstonden.
[17] De
schepelingen die daar wegroeiden, zouden misschien 't Vaderland
weerzien, hun dorp, hun huis, hun gezin!
Misschien, maar niet zo erg
waarschijnlijk: Omdat in die tijd noch de de oorzaak van scheurbuik
(vitamine C gebrek) noch een kuur ervoor (zoals citroenen meenemen en
aan boord eten) bekend was stierf een groot deel van de schepelingen van
lange ontdekkingsreizen vaak, en was het niet ongebruikelijk dat de
helft of driekwart van de bemanning overleed.
[18]
Even als by die droomery met de wegvlietende strootjes, meende hy de
stem van den ongelukkige te hooren, die verwytend riep: waar blyft
Wouter?
Dit gold ook voor
Multatuli, die een sterk moreel eergevoel had.
[19] Indien
iemand die niet gelooft, ronduit z'n meening zegt in 'n kring van
geloovers, neemt men 't hem zeer kwalyk dat hy den moed heeft van de
leer aftewyken. Twyfelaars en ontkenners zyn gewoonlyk zachtmoediger.
[20]
't Menschen-eten is verboden, maar wel scheen het geoorloofd, aan
menschen-eters 'n mensch te eten te geven. De Romeinen wierpen hun
misdadigers in 't wilde-beestenperk.
Er is het gezegde "If in Rome, do as the
Romans do", dat bovendien het moreel ideaal van conformisten
weergeeft, die in iedere groot groep mensen de absolute meerderheid
vormen. Vanwege de genoemde Romeinse praktijk en de logica mag ik deze
morele stelling al vele jaren uitbreiden met "If among cannibals do as
cannibals do".
[21] -
Beschaving legt 'n vernis over onze boosaardigheid, en nog niet eens
altyd.
Juist. Multatuli was gecharmeerder van
Rousseau dan ik - Rousseau meende
dat de menselijke natuur goed is, en de ongecorrumpeerde natuur van
primitieve en wilde mensen het best - en het is dus prettig te zien dat
hij zover als Rousseau niet ging.
Zoals ik in de vorige noot duidelijk
maakte, is mijn eigen mening dat er wel degelijk zowel goede als slechte
mensen bestaan, zoals er wel degelijk intelligente en domme mensen
bestaan, maar dat de proportie goede mensen in alle mensen aanzienlijk
kleiner is dan 1/2, en dat hetzelfde voor intelligentie geldt. Het
uiteindelijk excuus voor de meerderheid is dat ze zichzelf niet op de
wereld gewenst hebben, en ongetwijfeld, als dat mogelijk was geweest,
een ander ontwerp van zichzelf zouden hebben gekozen dan hun feitelijk
overkwam door genetische speling van het lot.
En wat moraal betreft: De meeste mensen
zijn niet goed; de meeste mensen zijn niet slecht; de meeste mensen zijn
conformist. Dat is ook het veiligst, het makkelijkst, intellectueel het
minst verplichtend, en het populairst. Het vergemakkelijkt ook zeer de
carrières en het aantal slachtoffers van voorgangers als Hitler, Stalin
en Mao, waar tegenover staat dat als er in een maatschappij iets
zinnigers en menselijkers dan wat zij leerden populair is ook dat op
grote schaal geloofd en gepraktiseerd wordt. Helaas leert de geschiedenis
dat de kans daarop ook niet groot was, tot nu toe.
[22] - Het
schynt wel of ieder die zich verstout eenigszins aftewyken van de
maniertjes waaraan wy gewoon zyn, reeds daarom alleen onze vyand is.
Zuivere welwillendheid is zeldzaam.
Inderdaad en zie [20] en
[21].