De dokter, die 'n menschenkenner was
[1],
korrigeerde den loop dien Wouters gedachten namen:
-
Ieder moet handelen naar z'n overtuiging. En om tot overtuiging te
geraken, moet men veel onderzocht hebben. [2] Ik ben overtuigd dat
onze kleine gast heel gaarne wat van die dopërten zou willen. Help 'm
eens, Sietske!
Sietske deed het met veel gratie.
Wouter
had den zin van Holsma's woorden zeer goed begrepen, en... zelfs de
oorzaak van dien overgang op de dopërten. Hy voelde ten-minste
dat de schoolmeestery na klokkeslag vyf zonder genade ter-zy
gezet was, en dat de vriendelyke gastheer hem slechts even ter-loops
had willen waarschuwen tegen koppige onbekookte betwetery, zonder
daaraan den makkelyken toon opteofferen, die inderdaad aan-tafel
heerschte.
In-weerwil namelyk van z'n beschroomdheid, of liever juist in-verband
met deze eigenschap, was Wouter hoogst-intelligent. De oorzaak dat dit
onbekend was aan byna allen die hem tot-nog-toe gadesloegen, lag in 't
gebrek aan zelfvertrouwen, dat hem belette zich te uiten.
[3] Gewoonlyk
scheen het alsof hy veel later dan anderen iets begreep, omdat hy -
fyner bewerktuigd misschien, en meer eischende van z'n doorzicht -
niet zoo spoedig als vele anderen met de slotsommen zyner
overleggingen tevreden was. Gedurende z'n ziekte had Holsma deze
eigenaardigheid opgemerkt, en hieruit vloeide de belangstelling voort,
die hy 't kind betoonde.
Wouters beschroomdheid was gedeeltelyk 'n gevolg van de methode waarop
men hem 't weinigje kennis dat-i bezat, had meegedeeld. Al wat men hem
leeraarde, was steeds in de oogen der sprekers 'n onomstootelyke zaak
geweest. [4] Tweemaal twee is... zóóveel, Prins die of die is 'n held,
brave kinderen komen in den Hemel, God is groot, de Batavieren zyn
byzonder dapper, 't ware geloof is in de Noorderkerk, enz. enz. Hy
wist niet dat er twyfel bestond, en hield dus z'n begeerte om
iets meer van de zaken te weten, voor ongepast en zelfs misdadig.
Slechts enkele malen had-i even beproefd lucht te gewen aan z'n
weetgierigheid, maar 't was hem slecht bekomen. [5] Op de katechizatie was
z'n rechtsgevoel gestruikeld over die vuile historie van Jakob en
Ezau. Byna voelde hy 'n oogenblik den moed iets aftekeuren in 't
gedrag van den aanstaanden aartsvader, en hy begon reeds met 'n enkel
bescheiden woordje... maar de dominee overlaadde hem met verwyten.
‘Zulke vragen pasten geen kind!’ heette het. Wouter moest bedenken dat
de Heer van-plan was uit Jakobs stam voorttekomen, en dat alzoo die
linzenhistorie volkomen fair play was. ‘Men moest niet verstokt
zyn.’ De arme jongen bad dien avond wel 'n uur lang dat God hem toch
niet zoo erg verstokken zou. En 't hielp. Het duurde vele jaren voor-i
zich weer waagde aan zedekundige analyse van Jakobs handelingen, en
van Gods ingenomenheid met dien schurk.
Zoo
ging 't met alles. Uit vromen afschuw van verstoktheid, berustte hy in
al wat men hem zei. Doch daar hy de aldus opgedrongen denkbeelden niet
verteren kon, werd z'n ziel daarmee niet gevoed. Hy sprak, ook in z'n
binnenste, al de klanken die hem waren voorgepreekt, geloovig na, en
verweet zich z'n ontevredenheid als iets ondankbaars, en als 'n
overblyfsel van de oude verstoktheid die God zeker niet zoo heelemaal
op-eens genezen kon. [6]
Het
schynt zonderling dat hy niet dacht aan de mogelykheid van
beredeneerden twyfel. Hy wist toch dat duizenden en millioenen
menschen veel zaken geheel anders beoordeelden dan z'n moeder en
Pennewip, en dat dus de mogelykheid zich kon voordoen, jazelfs de
noodzakelykheid, dat er soms 'n keuze tusschen meeningen moest
gedaan worden. Welnu, hieraan dacht-i niet! Dit was dom, bekrompen en
- by Wouter in zeer letterlyken zin nog - kinderachtig, maar 't was
zoo. [7]
Toch
kunnen we 't hèm niet zeer kwalyk nemen, als we opmerken hoe 't heele
menschelyk geslacht aan 'tzelfde euvel mank gaat. Wouters
onaanzienlyke omgeving scheen hem groot toe, omdat-i haar van te naby
waarnam, en nog niet gewoon was z'n blik te vestigen op voorwerpen die
verder-af lagen. [8] Men behoeft slechts 't huis Pietersen en Woutertje
zelf eenige malen te vergrooten, om 'n gelyksoortig verschynsel
overal te kunnen opmerken. De een zweert by z'n dorp, de ander by
z'n gemeente, 'n derde by z'n vak, enz. Zelden ontmoet men 'n wydte
van blik, die zekere altyd betrekkelyk nauwe grenzen overschrydt. 't
Verschil ligt in de maat onzer bekrompenheid, maar... bekrompen zyn wy
allen. [9] Byna altyd keuren wy de zeden, manieren,
denkbeelden, die niet in ons kringetje tehuis behooren,
onvoorwaardelyk af. [10] En zelfs daar waar ons
oordeel zich eenigermate, heeft vry gemaakt, blyven we toch onbewust
altyd nog de slaven van onzen smaak.
En... een der tegenstellingen waaruit de gansche wereld gemaakt is (1047a)
vinden wy ook hier. In-weerwil der gehechtheid aan 't naast
omliggende, worden wy beheerscht door 'n zucht om alles te verheffen
en naar alles te haken wat vreemd en ongewoon is. [11] Trekvogels en
hokvast te-gelyk, beminnen wy wat ons benauwt, en we schrikken voor 't
geprezene terug, zoodra 't afwykt van de zaken die wyzelf
veroordeelden, maar die ons ketenen met de kluisters der gewoonte. Dat
loven en roemen van 't vreemde zèlf is 'n gewoonte van zekere
wereldverbeteraars, en de minst huisbakkene niet. Ze gelyken hierin op
den oester die de vlucht van den arend bezong. [12] 't Beest rymde zoo
mooi, dat Jupiter hem 'n paar vlerken zond, met 'n aanstelling tot
vogel. Maar de zanger wees die onderscheiding af, omdat-i 't jammer
vond den schulp te verlaten, waarin hy geen wieken bergen kon.
Het is
niet onbelangryk, acht te slaan op de vele zaken die niet
gezien werden door mannen wier blik ruimer was dan van hun
tydgenooten. Keppler geloofde aan heksen, Columbus aan 'n Azië bewesten
Europa, enz. [13] Wie lust heeft dergelyke voorbeelden tot in het oneindige
te vermeerderen, vergelyke de maat van kennis der dusgenaamde groote
mannen - d.w.z. van hen die eenigszins boven anderen uitstaken
- met den stand der wetenschap, honderd jaren na hun dood, of zelfs
zéér kort daarna. Men heeft Napoleon kunnen
wysmaken dat de stoom 'n onpraktisch ding was. Met één hedendaagschen
lucifer zou men Aristoteles,Cicero,
en zelfs Newton in verbazing gebracht
hebben. [14]
Als
vry algemeen kenmerk van de betrekkelyke bekrompenheid die ik hier
bedoel, zou men kunnen aannemen: het gemis aan besef van
voortdurende verandering.
Besef! Elk kind weet wel dat het bestemd is om volwassen te
worden, en ook dat z'n ouders eenmaal kinderen geweest zyn, doch...
het weet dit maar. Een heldere voorstelling van de verandering
die geschied is en geschieden zal, heeft het niet. [15] ‘Als ik groot ben,
zal ik alle dagen kinderpartytjes geven, en hoepels, tollen, knikkers
koopen zonder eind!’ Zóó stelt zich de knaap 't genot van 't groot-zyn
voor. Hy kan zich niet verbeelden dat z'n vader, in de wieg nog, niet
reeds 'n model van stugge wysheid was, en dat de deftige mama ooit met
de pop zou gespeeld hebben. Men zegt hem wel dat papa 'n
insteekpakje met 'n jukkraagje gedragen heeft, en dat z'n moeder
eenmaal in de termen viel om berispt te worden over snoeplust of
ongehoorzaamheid, en hy gelooft het wel, maar...maar...
Wanneer 'n knaap de bekwaamheid had, de beelden die zich in z'n gemoed
vormen, met juistheid te teekenen, zou men ontwaren dat hy veel minder
begrypt dan-i blyk geeft te weten. [16] Stel dat hy 'n drama
schreef - ‘Moeders geboorte’ byvoorbeeld, - wees verzekerd
dat-i de baker zou laten zeggen: ‘mag ik zoo vry wezen, Mevrouw 'n
schoone luur aantedoen?’
Straks
zal ik aantoonen hoe ik dit te weten kwam, of liever een-en-ander
meedeelen dat my tot deze gissing aanleiding gaf.
[1]
De dokter, die 'n menschenkenner was
Naar men mag aannemen van een dokter -
alleen is het mij zelden duidelijk wat men met de term "mensenkennis" bedoelt, en in
het bijzonder welk soort kennis. Een zinnig vermoeden is dat vrijwel
alle zogenaamde mensenkennis bestaat uit gelijke delen projectie uit het
eigen gemoed en generalisaties uit de enkele tientallen mensen die men
regelmatig meegemaakt heeft. (En als afgestudeerde in de
wetenschap der psychologie kan ik de wellicht naïeve lezer melden dat
ook in dat vak mensenkennis niet of nauwelijks onderwezen wordt.)
[2] -
Ieder moet handelen naar z'n overtuiging. En om tot overtuiging te
geraken, moet men veel onderzocht hebben.
Dit laatste is nu juist waar het
gewoonlijk aan ontbreekt: De meeste mensen komen tot de overtuigingen
die ze hebben door wensdenkerij en naäperij, en niet door zelfstandig
onderzoek of relevante kennis.
[3]
In-weerwil namelyk van z'n beschroomdheid, of liever juist in-verband
met deze eigenschap, was Wouter hoogst-intelligent. De oorzaak dat dit
onbekend was aan byna allen die hem tot-nog-toe gadesloegen, lag in 't
gebrek aan zelfvertrouwen, dat hem belette zich te uiten.
Ongetwijfeld had de ongetwijfeld
hoogst-intelligente lezer(es) dit al door, bijvoorbeeld geholpen door
Wouter's Rooverslied (waarvan dokter Holsma kennelijk geen weet had).
Zie 397 en
405.
Een vraag die blijft is of de hoogst-intelligente Eduard Douwes Dekker
in z'n jeugd geplaagd werd door een soortgelijk "gebrek
aan zelfvertrouwen".
[4]
Wouters beschroomdheid was gedeeltelyk 'n gevolg van de methode waarop
men hem 't weinigje kennis dat-i bezat, had meegedeeld. Al wat men hem
leeraarde, was steeds in de oogen der sprekers 'n onomstootelyke zaak
geweest.
Dit is zeker een zeer gebruikelijke
tekortkoming van veel opvoeders, maar het is de moeite waard op te
merken dat een kind geen keus heeft: Het moet beginnen met overwegend
aan te nemen wat 'm verteld wordt, en kan niet anders. Wie aan alles of
aan het meeste twijfelt komt niet verder dan twijfel. Een mens moet
allerlei dingen aannemen, was het alleen om een standpunt te verkrijgen
dat hij later kan verlaten.
[5]
Hy wist niet dat er twyfel bestond, en hield dus z'n begeerte om
iets meer van de zaken te weten, voor ongepast en zelfs misdadig.
Slechts enkele malen had-i even beproefd lucht te gewen aan z'n
weetgierigheid, maar 't was hem slecht bekomen.
Hier is sprake van een gebruikelijke
gang van zaken, maar het lijkt me enigszins misleidend uitgedrukt:
Kinderen moeten beginnen tal van zaken en onderscheidingen aan te nemen,
maar dat betekent niet dat ze niet weten wat twijfel is.
[6]
Doch daar hy de aldus opgedrongen denkbeelden niet verteren kon, werd
z'n ziel daarmee niet gevoed. Hy sprak, ook in z'n binnenste, al de
klanken die hem waren voorgepreekt, geloovig na, en verweet zich z'n
ontevredenheid als iets ondankbaars, en als 'n overblyfsel van de oude
verstoktheid die God zeker niet zoo heelemaal op-eens genezen kon.
Iets dergelijks geldt kennelijk voor
vrijwel alle gelovers in een religie: Wat ze geloven begrijpen ze
niet, kennen ze niet, hebben ze geen evidentie voor, en geloven ze
niet in de zin waarin ze geloof hebben van dingen waar ze wèl kennis, enig begrip en
enige ervaring van hebben.
[7] Het
schynt zonderling dat hy niet dacht aan de mogelykheid van
beredeneerden twyfel. Hy wist toch dat duizenden en millioenen
menschen veel zaken geheel anders beoordeelden dan z'n moeder en
Pennewip, en dat dus de mogelykheid zich kon voordoen, jazelfs de
noodzakelykheid, dat er soms 'n keuze tusschen meeningen moest
gedaan worden. Welnu, hieraan dacht-i niet! Dit was dom, bekrompen en
- by Wouter in zeer letterlyken zin nog - kinderachtig, maar 't was
zoo.
Ja, en zie [5], en trouwens ook
idee 1:
Om iets te kunnen betwijfelen zal je eerst iets moeten begrijpen, was
het alleen een taal om je twijfel uit te drukken.
En inderdaad zijn kinderen gedwongen
zeer veel dat ze verteld wordt aan te nemen, bij gebrek aan enige
kennis van iets anders, en ook bij gebrek aan enige kennis dat het hun
vertelde twijfelachtig zou maken. Dit is weer een reden, trouwens, om
een tegenstander te zijn van godsdienstonderwijs aan kinderen: Het is
onderwijs in iets dat vrijwel zeker illusie is, hoe goed bedoeld ook,
aan mensen die nog niet de vermogens hebben het hun onderwezene
behoorlijk te beoordelen.
[8] Toch
kunnen we 't hèm niet zeer kwalyk nemen, als we opmerken hoe 't heele
menschelyk geslacht aan 'tzelfde euvel mank gaat. Wouters
onaanzienlyke omgeving scheen hem groot toe, omdat-i haar van te naby
waarnam, en nog niet gewoon was z'n blik te vestigen op voorwerpen die
verder-af lagen.
Opnieuw het probleem van [4],
[5] en [7]
- maar inderdaad heel relevant voor wie de verschillen tussen kinderen
en volwassenen wil begrijpen of verduidelijken.
[9]
Zelden ontmoet men 'n wydte van blik, die zekere altyd betrekkelyk nauwe
grenzen overschrydt. 't Verschil ligt in de maat onzer bekrompenheid,
maar... bekrompen zyn wy allen.
Het mag wel eens opgemerkt worden dat
dit voor Multatuli zelf veel minder gold dan voor de zeer grote
meerderheid van z'n tijdgenoten: Multatuli was geen racist, geen
chauvinist, geen ethnicist, en geen bewonderaar van de maatschappelijk
gearriveerden of machtigen.
[10]
Byna altyd keuren wy de zeden, manieren, denkbeelden, die niet in ons
kringetje tehuis behooren, onvoorwaardelyk af.
Ja, mensen zijn zo, in overgrote
meerderheid, al is het tegenwoordig Politiek Correct te huichelen dat
het anders zou zijn.
[11]
En... een der tegenstellingen waaruit de gansche wereld gemaakt is (1047a)
vinden wy ook hier. In-weerwil der gehechtheid aan 't naast omliggende,
worden wy beheerscht door 'n zucht om alles te verheffen en naar alles
te haken wat vreemd en ongewoon is.
Inderdaad, maar nieuwsgierigheid is in
ieder geval een zoogdieren-eigenschap, die ongetwijfeld soms
gevaarlijk is maar gemiddeld het overleven bestendigd: "Wat is dit dat
ik nog niet eerder meemaakte?"
[12]
Dat loven en roemen van 't
vreemde zèlf is 'n gewoonte van zekere wereldverbeteraars, en de minst
huisbakkene niet. Ze gelyken hierin op den oester die de vlucht van den
arend bezong.
Dit geldt zeker voor de communisten,
socialisten en anarchisten uit Multatuli's tijd, en ook voor de idems
uit mijn tijd, en - bijvoorbeeld - de moderne kunst: Velen zijn
voorstanders van vernieuwing omdat het vernieuwing is, en bewonderaars
van het ongewone omdat het ongewoon is. Gewoonlijk is dit een
standpunt dat een groot gebrek aan eigen originaliteit of denkkracht
doet vermoeden.
[13]
Keppler geloofde aan heksen, Columbus aan 'n Azië bewesten
Europa, enz.
Ja, dat is zo. Maar het lijkt redelijk
aan te nemen dat ieder mens zich feitelijk vergist in de meerderheid
van z'n meer algemene ideeën, gemeten aan de hand van latere
wetenschappelijke kennis.
[14]
Men heeft Napoleon kunnen
wysmaken dat de stoom 'n onpraktisch ding was. Met één hedendaagschen
lucifer zou men Aristoteles,Cicero,
en zelfs Newton in verbazing gebracht
hebben.
Natuurlijk, want een lucifer is een
praktische technologische uitdrukking van nogal wat wetenschappelijke
kennis die de genoemden volledig onbekend was. En zelfs het
perfectioneren van de lucifer heeft diverse tientallen jaren gekost.
[15] Elk kind weet wel dat het bestemd is om volwassen te
worden, en ook dat z'n ouders eenmaal kinderen geweest zyn, doch...
het weet dit maar. Een heldere voorstelling van de verandering
die geschied is en geschieden zal, heeft het niet.
Klopt: De mensheid begint opnieuw met
iedere nieuwe boreling. Het enige dat onbetwijfelbaar vooruitgaat door
de menselijke generaties - zij het ook met vallen en opstaan en vele
eeuwen duisternis - is de wetenschappelijke kennis.
[16]
Wanneer 'n knaap de bekwaamheid had, de beelden die zich in z'n gemoed
vormen, met juistheid te teekenen, zou men ontwaren dat hy veel minder
begrypt dan-i blyk geeft te weten.
Ja, natuurlijk, maar dat geldt voor
iedereen: Iedereen wéét veel meer dan hij behoorlijk kan verklaren, en
het meeste dat mensen meemaken, hoe alledaags en bekend en normaal
ook, is welbeschouwd nogal mirakuleus.