Koning Achab had Elia
verweten dat-i Israël ‘beroerde.’ De profeet wees die beschuldiging
van zich af, en beweerde dat de koning-zelf oorzaak was van de
moeielykheden waarin 't volk verkeerde. Achab ‘had de geboden des
Heeren verlaten, en de Baäls nagevolgd.’
Elia
vergiste zich. Baäl, Bel, beduidt zoo goed ‘Heer’ als de benamingen
waarmee hyzelf gewoon was 't Opperwezen aanteduiden. De twist had er
dus iets van, alsof men 'n franschman uitmaakte voor 'n
afgodendienaar, omdat-i God aansprak met den naam van Dieu. En
wat het meervoud van die Baäls aangaat, Achab had zich met
grond kunnen beroepen op de even meervoudige, en zeer schriftuurlyke:
Elohim uit Genesis. In theologie en
taalkunde schynen die beide voorgangers van Israël, zoo ongeveer op
één hoogte te hebben gestaan. Maar in de praktyk gaf de klerikale
woordvoerder doorslaande bewyzen van grooter behendigheid. Hy noodigde
Achab uit: ‘het gansche Israël te doen by-eenkomen op den berg Karmel,
en de vierhonderd en vyftig profeten van Baäl, en de vierhonderd
profeten van het bosch, die van de tafel van Jezebel eten.’ Achab deed
alzoo. Ziehier wat er verder geschiedde:
‘Toen naderde Elia
tot het gansche volk, en zeide: hoelang hinkt gij op twee gedachten?
Zoo de Heer God is, volgt hem na, en zoo het Bäal is, volgt hem na!
Maar 't volk antwoordde hem niet een woord...
Bogowontisch!
[1]
Toen zeide Elia tot
het volk: ik ben alleen een profeet des Heeren overgebleven, en de
profeten van Baäl zijn vierhonderd en vijftig mannen.
Dat men ons dan twee varren geve, en dat zij voor zich den éénen var
kiezen, en denzelven in stukken deelen, en op het hout leggen, maar
geen vuur daaraan leggen; en ik zal den anderen var bereiden, en op
het hout leggen, en geen vuur daaraan leggen.
Roept gij daarna den naam van uwen God aan, en ik zal den naam des
Heeren aanroepen; en de God, die door vuur antwoorden zal, die zal
God zijn. En het gansche volk antwoordde en zeide: dat woord is
goed.
En Elia zeide tot de profeten van Baäl: kiest gijlieden voor u den
éénen var, bereidt gij hem eerst, want gij zijt velen; en roept den
naam uws Gods aan, en legt geen vuur daaraan.
En zij namen den var, dien hij hun gegeven had, en bereidden hem, en
riepen den naam van Baäl aan, van den morgen tot op den middag,
zeggende: o Baäl, antwoord ons! Maar er was geene stem en geen
antwoorder. En zij sprongen tegen het altaar, dat men gemaakt had.
En het geschiedde op den middag; dat Elia met hen spottede, en
zeide: roept met luider stem, want hij is een God; omdat hij in
gepeins is, of omdat hij wat te doen heeft, of omdat hij eene reize
heeft; misschien slaapt hij en zal wakker worden.
En zij riepen met luider stem, en zij sneden zich zelven met messen
en met priemen, naar hunne wijze, totdat zij bloed over zich
uitstortten.
Het geschiedde nu, als de middag voorbij was, dat zij profeteerden,
totdat men het spijsoffer zou offeren; maar er was geene stem, en
geen antwoorder, en geene opmerking.
Toen zeide Elia tot het gansche volk: nadert tot mij. En al het volk
naderde tot hem; en hij heelde het altaar des Heeren, dat verbroken
was.
En Elia nam twaalf steenen, naar het getal der stammen van de
kinderen Jakobs, tot welken het woord des Heeren geschied was,
zeggende: Israël zal uw naam zijn.
En hij bouwde met die steenen het altaar in den naam des Heeren;
daarna maakte hij eene groeve rondom het altaar, naar de wijdte van
twee maten zaads.
En hij schikte het hout, en deelde den var in stukken, en leidde hem
op het hout.
En hij zeide: vult vier kruiken met water, en giet op het brandoffer
en op het hout. En hij zeide: doet het ten tweeden maal. En zij
deden het ten tweeden maal. Voorts zeide hij: doet het ten derden
maal. En zij deden het ten derden maal;
Dat het water rondom het altaar liep; daartoe vulde hij ook de
groeve met water.
Het geschiedde nu, als men het spijsoffer offerde, dat de profeet
Elia naderde en zeide: Heere, God van Abraham, Izak en Israël! dat
heden bekend worde, dat Gij God in Israël zijt, en ik uw knecht; en
dat ik al deze dingen naar uw woord gedaan heb.
Antwoord mij, Heere! antwoord mij; opdat dit volk erkenne, dat Gij o
Heere! die God zijt, en dat Gij hun hart achterwaarts omgewend hebt.
Toen viel het vuur des Heeren, en verteerde dat brandoffer, en dat
hout, en die steenen, en dat stof, ja lekte dat water op, hetwelk in
de groeve was.
Als nu het gansche volk dat zag, zoo vielen zij op hunne
aangezichten, en zeiden: de Heer is God, de Heer is God!
En Elia zeide tot hen: grijpt de profeten van Baäl, en dat niemand
van hen ontkome...
Ik bewaar vierhonderd
negen en veertig man voor 'n latere gelegenheid, en vergenoeg me voor
't oogenblik met het aanwyzen van Bilderdyk.
Hy is tot belhamel gekozen, en moet de lasten dragen van de bate zyner
beroemdheid.
...en zy grepen
ze...
Wat 'n dociel
auditorium! 't Is om jaloers te worden op den redenaar.
...en Elia voerde
hen af naar de beek Kison...
Ik heb ‘Floris
de Vyfde’ afgevoerd naar m'n schryftafel.
...en slachtte hen
aldaar.
Iets dergelyks wil
ook ik beproeven.
Met
moeite weerhoud ik me van eenige op- en aanmerkingen omtrent de
exekutie van die vierhonderd en vyftig valsche dichters in Israël.
Misschien kom ik by 'n latere gelegenheid daarop terug. 't Zou jammer
wezen den indruk te verzwakken dien ik wilde te-weeg brengen: het
besef dat men zich uit plichtgevoel kan gedwongen zien tot schynbare
wreedheid. Moge dit dan al niet van toepassing zyn op den aangehaalden
tekst - Elia had beter gedaan, z'n antagonisten 't verschil tusschen
God en Dieu begrypelyk te maken - toch hoop ik dat men
't zal ten-bate brengen van de daarop gegronde toepassing. Ik voer
Bilderdyk naar de ‘beek Kison’ omdat ik dit voor m'n plicht houd
omtrent het door hem en de zynen bedrogen volk.
[1] Bogowontisch!
Zie
1022.
|