Ik heb 'n
scheepskapitein gekend, die nooit op-reis ging zonder zekeren voorraad
damborden en dominospellen. Ook was-i gewoon by 't aanwerven van
matrozen, z'n kandidaten te vragen: of ze viool-speelden?
[1] Ik hoorde
kollegaas van dien man zeggen - en ze zetten daar 'n heel wys gezicht
by - ‘dam- domino- en vioolspel zyn geen marine-zaken.’
Met
voordacht onthoud ik me nu van de ontwikkeling der redenen, waarom die
zeer intelligente zeeman hierover anders dacht. De lezer moge ze zelf
zoeken, en wie ze vindt, zal ook met de toepassing op ons tegenwoordig
onderwerp niet verlegen zitten.
Wie
precies weten wil wat naar stug-officieel begrip ‘Regeeringszaken’
zyn, moet de lyst inzien van artikelen die belast zyn by invoer. Hy
zal daar allerlei dingen aantreffen, die zich verwonderen, in
aanspraak op regeerings-bemoeienis boven Kunst te staan:
wagensmeer, talk, afval van hoeven en hoorns, haarölie, foezel,
gebroken glas, oud-yzer, lompen... altemaal zaken waarmee elke
regeering zich dagelyks bezig houdt. En - nu eenmaal die
Inkomende-Rechten aannemende voor minder nadeelig en schandelyk dan ze
inderdaad zyn - dit is volkomen billyk. Er wordt niets in de natuur
gevonden, dat niet onder zekere gegevens den Staat zou kunnen
betreffen. We zouden al zeer ver moeten teruggaan, voor we in de
Geschiedenis iemand ontmoetten die, aan 't hoofd van 'n Volk
geplaatst, eenig onderwerp zonder voorbehoud uitsloot van de
bemoeienis der Regeering. De heer Th. heeft dus, hiervan ten-laatste
een voorbeeld gevende, 'n zonderlingen greep gedaan, door tot voorwerp
van z'n byzonderen afkeer, juist iets te kiezen dat we wel beschouwd
eenigszins minder kunnen missen dan lompen en oud-yzer. Wat deden we
met die lompen, als er geen Kunst bestond om ze te veranderen in
papier? Wat met dat yzer, zonder metallurgie?
Welnu... de man heeft het zoo kwaad niet gemeend. Er is Kunst en
Kunst. Hy bedoelde niet de soort van kunst die in-verband staat met
nyverheid, maar... maar...
Hoe
gaarne wilde ik deze zinsnede aangevuld zien door iemand die party
trekt voor 't banvonnis! Mag ik zeggen, dat de principes van onzen
‘staatsman’ slechts gekant zyn tegen: schoone kunsten?
Zoo
ja, dan vraag ik: waar de schoonheid ophoudt, om plaats te maken voor
't utilitaire? Doch liever nog: of de ontwikkeling van 't
schoonheidsgevoel-zelf niet 'n zeer utilitaire zyde heeft?
[2]
En op
veel lager terrein nog: er ligt, ook in strikt
staatkundig-huishoudelyken zin, 'n diepe beteekenis in de wyze waarop
'n Volk zich vermaakt. [3] (Zie bundel IIa, blz. 36, in
de vyfde Uitgaaf.) Meenen de volgelingen van den zoo krankzinnig
geprezen ‘staatsman’ dat het geen invloed zou uitoefenen op budjet en
rechts-statistiek, indien 't oude kolven weer in de mode kwam? Indien
alle Nederlanders 't schaakspel verstonden? Dan verwys ik hen naar m'n
scheepskapitein met z'n damborden.
Geenszins beweer ik dat 'n Regeering den ingezetenen 't kolf- of
schaakspel behoort optedringen. Maar dat het achtslaan op de
eigenschappen, wenschen, behoeften en fouten des Volks, niet tot hare
‘zaken’ behooren zou, is 'n... ministeriëele bêtise. Moet ze
misschien beduiden, dat men zich zoo gemakkelyk afmaakt van 't
zoogenaamd minder-praktische, om zich geheel te wyden aan de stevige
deftige voelen tastbare werkelykheid?
Juist
om deze bedenking te-gemoet te gaan, hield ik me 'n oogenblik by die
zotte rivierdyken op. We worden telkens overstroomd, alsof
Medicissen en Beiersche Ludwigs sedert eeuwen 't land
hadden opgeofferd aan tempels, pantheons, stanzen en muziek. Ik vraag,
welke zoogenaamd praktische zaak behandeld wordt met 'n zorg,
die 't verwaarloozen van 't vermeend-ongepaste zou kunnen wettigen?
Geen
Kunst? Het zy zoo. Maar onvervalschte levensmiddelen dan! Geen
Kunst? Goed, maar... vleesch! Geen Kunst? Een flink
leger dan, 'n goed werkende marine dan, 'n nederlandsche
strafwet dan, behoorlyke wetten dan op den eigendom der
voortbrengselen van den geest... [4]
Ik
vergis me. Waar 'n Regeering de Kunst ignoreert, kan ze over
dàt onderwerp geen wet opstellen. Zyzelf heeft zich onbevoegd
verklaard, en te-recht!
Geen
Kunst? Welnu dan, wie zich op zóó'n standpunt plaatst, levere
dan ten-minste stoffelyke welvaart!
Niet ik stel deze zaken tegenover elkander. Integendeel. Ik beweer dat
ze zeer nauw verwant zyn. Doch wie vulgair genoeg van opvatting is, om
't besef van het schoone te stellen tegen-over de
werkelykheid, behoorde te kunnen wyzen op de triumfen die behaald
werden door z'n dorre praktyk. (500)
En dit kunnen ze niet, omdat deze tegenstelling valsch is.
We
mogen niet konkludeeren: de Leentje die zoo'n zonderling armoedig
verslag gaf van den indruk, dien hare eerste aanraking met de
kunstwereld op haar maakte, moet 'n flinke deern geweest zyn, 'n meid
als melk en bloed...
't
Lykt er niets naar! Haar lichaampje was even rachitisch als de ziel.
Ditzelfde heb ik van 't Volk te zeggen. Dat de ‘staatsman’ geroepen
kan zyn, zich nu-en-dan intelaten met gebroken glas en oud-yzer, zal
wel waar zyn. Maar hy vergist zich, als-i verdienste zoekt in 't
miskennen van de behoefte des Volks aan geestelyke ontwikkeling. Het
was dan ook 'n treurig teeken des tyds, dat 'n minister aan de
Volksvertegenwoordiging z'n hof trachtte te maken - en met succes! -
door 'n betuiging die aan de Regeering juist het standpunt aanwyst,
dat de dieren tegenover den mensch innemen.
Het is
er ver vandaan dat ik de Schoone-Kunsten zou willen opgenomen zien
onder de middelen waardoor de Politie zich gehoorzaamheid moet
verschaffen. [5] Maar dat de handhaving van orde gemakkelyker gaat
onder 'n beschaafd Publiek, dan onder 'n woeste bende, zal toch wel
erkend worden. Ook in dit opzicht is het dus 'n politische kettery,
minachting of ignorantie voortewenden omtrent 'n beschavingsmiddel.
Een minister die de beoefening der Kunsten buiten den kring plaatst
van de eigenschapen eens volks, waarop hy te letten heeft, is reeds
daardoor niet in-staat 'n behoorlyke Begrooting voor Justitie en
Politie te ontwerpen.
En uit
'n industriëel oogpunt! De ontwikkeling van 't Kunstgevoel werkt op de
wyze van wonen, op kleeding, op voeding, op handel en verkeer, op
fabrieken, op de keus van vermaak.
Wat
overigens de rechtstreeks-politische zyde van de zaak aangaat, ieder
zal 't verband inzien tusschen de Kunstwaardeering en de
staatkundige gezindheid eens Volks. De gevolgen hiervan openbaren
zich tot ver over de grenzen, en werken terug op de achting die 't
Buitenland zoo'n Volk toedraagt.
Hiermede nu is 't op dezen oogenblik, wat ons landje betreft,
allertreurigst gesteld! [6]
Een minister die
openlyk verkondigt geen acht te willen slaan op 't eenige
middel dat 'n kleine natie ten-dienste staat, om zich door omliggende
mogendheden te doen eerbiedigen, begaat 'n aanslag tegen 't
Volksbestaan, en noodigt uit tot annexatie. Hy gelykt de
fille de marbre die zich aan den openbaren weg plaatst, en
rinkelend met 'n geldbeursjen uitroept: eer is geen vrouwenzaak!
Zoo'n
schepsel zou zich op twee manieren vergissen. Vooreerst liegt ze. Dit
is slechts onzedelyk, en zou er dus, plomp-politisch gesproken, niet
op aankomen zoolang ze kans zag de meerderheid der omstanders - háár
kiezers! - op 'r hand te houden. Maar... ze bederft haar industrie, en
verliest die kans. Ze kan vorderen noch verwachten dat men zal
voortgaan iets te betalen voor wat zyzelf - zich roemend nogal! -
erkende wegtewerpen als onnut. Weldra zal ze gedwongen worden intezien
dat het zoogenaamd-pozitieve niets te winnen heeft by de minachting
van 't zoogenaamd-ideale, en de platheid van haar ‘principe’ zal
gestraft worden door de platheid van haar beurs.
Zoo
ook is te verwachten dat in de Wereldgeschiedenis, de boersche leus
van Thorbecke, al behoeft zy dan niet het
voorwendsel te leveren tot de katastrofe die voor de deur staat
[7] - aan
voorwendsels zal waarachtig geen gebrek zyn! - dat ze dan toch zal
kunnen dienen tot vergoelyking daarvan.
Nederlanders, we hadden moeten zorgen dat onze inlyving iets te
betreuren had gegeven aan Europa! Dit is een van myn
staatkundige ideën, die ik wel plaatsen durf naast de ‘principes’
waarmee sedert zooveel tientallen jaren de ministerzetels veroverd
zyn. [8]
Geen
treuriger ziekte dan de zoodanige die zelfs de aanspraak op rouwbeklag
uitsluit. En vooral wanneer juist uit het behouden van die aanspraak
de hoop te putten ware op herstel. Dit noem ik: 'n linie van
defensie opgeven!
[1]
Ik heb 'n
scheepskapitein gekend, die nooit op-reis ging zonder zekeren voorraad
damborden en dominospellen. Ook was-i gewoon by 't aanwerven van
matrozen, z'n kandidaten te vragen: of ze viool-speelden?
Multatuli heeft diverse scheepskapiteins
gekend, waaronder zijn eigen vader. We mogen aannemen dat hij deze in
gedachten had toen hij dit schreef.
[2]
... of de ontwikkeling van 't
schoonheidsgevoel-zelf niet 'n zeer utilitaire zyde heeft?
Het is in ieder geval een interessant
feit dat het bijzonder moeilijk is iets te noemen dat in alledaags
gebruik is, wat het ook mag wezen, dat zonder esthetische vormgeving
is. Dit geldt zelfs werktuigen: Vrijwel alles dat mensen regelmatig
gebruiken wordt verfraaid, althans in hun ogen, met kennelijk geen
ander doel dan het plezieren van het oog.
[3] En op
veel lager terrein nog: er ligt, ook in strikt
staatkundig-huishoudelyken zin, 'n diepe beteekenis in de wyze waarop
'n Volk zich vermaakt.
Dat is zo. Het volk waaronder ik leef
vermaakt zich voornamelijk met TV, drie uren per dag, gemiddeld.
[4] Geen
Kunst? Het zy zoo. Maar onvervalschte levensmiddelen dan! Geen
Kunst? Goed, maar... vleesch! Geen Kunst? Een flink
leger dan, 'n goed werkende marine dan, 'n nederlandsche
strafwet dan, behoorlyke wetten dan op den eigendom der
voortbrengselen van den geest...
Multatuli was, ondanks alles, een
Nederlands patriot in nogal wat opzichten.
[5] Het is
er ver vandaan dat ik de Schoone-Kunsten zou willen opgenomen zien
onder de middelen waardoor de Politie zich gehoorzaamheid moet
verschaffen.
Stalin en Hitler dachten daar héél
anders over, net als de leiders van de katholieke kerk. En in feite
schijnt censuur eerder de norm dan de uitzondering in de menselijke
geschiedenis, tot nu toe, vrijwel altijd om geen andere of betere
reden dan dat dit de belangen van de heersers van het moment van kerk
en staat diende, of leek te dienen.
[6]
Hiermede nu is 't op dezen oogenblik, wat ons landje betreft,
allertreurigst gesteld!
Dit is
een samenvatting in één zin van veel beweegredenen van Multatuli. En
wie idee 451 doorleest kan hem onmogelijk ongelijk geven, geheel
ongeacht wat men van zijn plannen tot verandering en verbetering
denkt.
[7] ..
de katastrofe die voor de deur staat ..
Multatuli vreesde in de tijd dat hij dit
schreef dat Nederland ingelijfd zou worden door Bismarck. Dit gebeurde
niet, maar was niet zo'n heel irreële vrees. Zie [4].
[8]
Nederlanders, we hadden moeten zorgen dat onze inlyving iets te
betreuren had gegeven aan Europa! Dit is een van myn
staatkundige ideën, die ik wel plaatsen durf naast de ‘principes’
waarmee sedert zooveel tientallen jaren de ministerzetels veroverd zyn.
Het dunkt mij een nogal zinloos idee,
maar wellicht ben ik wat Machiavellistischer of realistischer dan
Multatuli inzake politiek.