Ik gebruikte in 't vorig
nummer, 't woord: insubordinatie. Ziehier wat me daartoe
aanleiding gaf. Het is 'n klein voorval dat me door den betrokken
persoon zelf werd meegedeeld. [1]
Gedurende den Javaschen oorlog hadden we by de dusgenaamde
expeditionaire troepen, een roomsch-katholiek veldprediker. Dit was de
algemeen geachte en beminde pastoor
Scholten. Het getal myner lezers die
den prettigen fideelen man kunnen gekend hebben, begint gaandeweg
aftenemen, doch sommigen hunner zullen zich den goeden
Scholten nog herinneren, uit den tyd toen-i
Praefectus Apostolicus te Batavia was.
Onder
de Nederlandsche helden in den Javaschen oorlog, bevonden zich velen
die van Nederland nooit iets gezien hadden dan Harderwyk, en dus in
beschaving, wellevendheid en krygstucht, wel-eens wat te wenschen
overlieten. Het regende dagorders ter handhaving van de discipline
die, als gewoonlyk, onder al dat handhaven bezweek. 't Was 'n wilde
troep.
Door
de gedurig noodige samenwerking van militaire en civiele personen,
groeiden de ellendige kwestien over préséance als paddestoelen
uit den grond, en men had niet zoo snel aan eenige dozynen
autoriteiten aangewezen waar ze staan en liggen moesten, of er waren
terstond weer even zooveel anderen die in zeer letterlyken zin op hun
plaats moesten worden gezet.
Ook
onze goeie Scholten zweefde tusschen de
kommandanten der kolonnes en de fuzeliers in, zonder by voorkomende
gelegenheid te weten wat hem officieel toekwam of verboden was.
Dat
men hem in geestelyke funktien onbeperkt heer van z'n daden liet,
spreekt vanzelf. De Historie meldt niet, dat-i ooit werd bemoeielykt
in 't beschikken over heilige ouwels en de daaruit voortspruitende
zaligheid, noch in de keus der teksten waarover-i preekte, noch in 't
voorschryven van penitentie en dergelyke zaken die zeer speciaal tot
z'n vak behoorden.
Maar
er is op zoo'n veldtocht meer te doen dan boeten opleggen, preeken en
zaligmaken. Al is men pastoor, veldprediker, geestelyke, men reist,
rydt te-paard, slaapt, eet, drinkt, heeft behoefte aan kwartier...
precies als 'n krygsman of andere wereldling.
Scholten moest omgaan met de
officieren.
En dit
deed-i op 'n wys waarover de minst slechten onder die onnederlanders
zich niet te beklagen hadden. Ze hielden zooveel van hem, dat onze
pastoor, om in den dagelykschen omgang z'n rang als fatsoenlyk man
optehouden, tegen-over hen eigenlyk geen andere bescherming noodig had
dan z'n persoonlykheid hem verschafte. Dit is my door den ouden
generaal Cleerens,
'n vieux de la vieille meermalen verzekerd.
Doch
onder de officieren waarmee onze Scholten
genoodzaakt was te verkeeren, waren er ook van andere soort. Gelyk 't
meer gaat, wreekten zy zich over 't eerbetoon dat ze hun meerderen in
rang bewyzen moesten, door grofheden tegen den arme die géén
militairen graad had. Er rezen gedurig konflikten over fourage, plaats
aan tafel, voorkeur in kwartier, ja misschien zelfs over 'n vuurtje by
't bivouak. Na 't by zulke gelegenheden onmisbaar gekibbel,
gerapporteer en geschryf, verscheen er 'n leger-order die 'n eind
maken zou aan de moeielykheid. De veldprediker werd benoemd tot
kapitein of althans z'n pozitie werd met den rang van kapitein
geassimileerd. Lastige luitenants konden nu weten waaraan ze zich te
houden hadden.
Op
zekeren avend, na 'n langen marsch, kwam 'n detachement waarby
Scholten zich had aangesloten, ergens in de
buurt van Kedong-Kebo, in 'n dessah aan. Ieder zocht 'n
plaatsjen om zoo goed mogelyk den nacht doortebrengen. Onze pastoor
had in 'n klein inlandsch huisje zich wat ryst weten te verschaffen,
maakte vuur aan zette 'n pot met water daarop, wikkelde z'n ryst in
nipa-bladen, en legde 't pakjen op den pot, om 't te laten gaar
stoomen. Intusschen zocht-i ergens in den omtrek, 'n put of
pentjoeran waarbyd-i zich baden kon.
Terugkeerend vond hy 'n paar luitenants in de hut. De een lag op de
baleh-baleh. Hy had van de door Scholten
uitgetrokken en daarop neergelegde bovenkleeren 'n bundeltje gemaakt
en gebruikte dat als hoofdkussen. De ander zat op z'n hurken by den
pot met ryst.
Het
vertrekje werd zeer onregelmatig verlicht door spaanders die de
indringer op 't vuur wierp. Toch bemerkte onze pastoor terstond dat
men zich had meester gemaakt van z'n keuken. Niet even spoedig
ontwaarde hy dat ook z'n rustplaats ingenomen was. Dit bleek hem
eerst, toen-i half op den tast de baleh-baleh naderde. Uit
eenige woorden die z'n ongeroepen gasten met elkaar wisselden, bleek
hem dat-i met 'n paar halfbeschonkenen te-doen had. Na eenige
vergeefsche pogingen om z'n oorlogs-huisrecht te doen gelden, gaf hy
dit op, en zette zich op 'n blok hout by z'n vuurtje.
- Waar
kyk jy na? vraagde hem de kok.
- Naar
m'n ryst, met je welnemen, antwoordde Scholten.
- Dat
is jouw ryst niet, snauwde de ander, met 'n paar scheldwoorden.
- Ja,
dat is wel myn ryst. Maar ik heb er niet tegen dat jelui mee-eet.
- Ben
je mooi be...
Deze
vraag liep uit in drie zonderlinge byvoegelyke naamwoorden, die de
strekking schenen te hebben naar den welstand der lichamelyke,
zedelyke en verstandelyke vermogens van onze pastoor te informeeren.
-
Komaan, wees niet lastig. Je kunt mee-eten met je tweën, zeg ik je,
maar 't is myn ryst. En jy ook, vrindje, daar op de
baleh-baleh, straks wil ik daar liggen. Ik had me daar
kwartier gemaakt, weetje!
- Nou,
dat kan je begrypen, jou... enz. zwartrok!
De
zeer eigenaardige hoedanigheid van dit tot persoon verheven
kleedingstuk, was in deze uitroep nader toegelicht door zekere in den
hier bedoelden kring niet ongebruikelyke vergelyking met 'n elektrisch
natuurverschynsel. [2]
- Zoo,
vrindjes, jeluî kent me? Komaan, geen twist dan! We zullen ons zoo
goed mogelyk samen behelpen. A la guerre comme à la guerre,
niet waar? En daar je my kent...
- Wel
wis en...
Elektriciteit!
...kennen wy je. Je bent die...
Elektriciteit!
... pastoor met
kapteinsrang.
-
Dàn acht dagen provoost, heeren! Ik had gehoopt dat je niet
wist wat me toekwam, en in dat geval gaarne met je gedeeld wat ik
had. Maar nu je 't weet... marsch!
Die
luitenants hadden niet moeten zeggen dat zy de legerorder
kenden. En ook de nieuw-rotterdams-‘staatkundige’ kunstbeschouwer zou
geen provoost-arrest hebben opgeloopen, als-i in 's hemelsnaam maar
gezwegen had van Schiller,
en Göthe. Alzoo:
Marsch!