VYFDE BEDRYF.
[1]
Tooneel: warande
op Louise's Rust. Linkerzy, linker helft van de achterzy (waarin
'n dubbele deur) en voorste helft van de rechterzy: kamerwand.
Rechts-achter en achter-rechts tuin en ingang van 'n park, met
standbeelden en bloemvazen op voetstuk. Rechts op den voorgrond:
'n fauteuil. Daarachter, tegen den wand, onder 'n venster, 'n
tafel waarop eenige boeken. By die tafel met den rug naar 't
midden 'n stoel. Aan den linkerkant, vóór, dameswerktafeltje.
Behalve de stoel die daarby staat, drie schuins-achterwaarts
gerangschikte stoelen.
De Walbourg,
alleen (linker voorhoek) en bezig met tapisseriewerk. Niet te
spoedig na 't ophalen van de gordyn, De Koning (zwart jasje)
haastig door de achterdeur binnentredend. Hy loopt snel op de linker
zydeur toe.
Kon.
gejaagd.
- De Koningin is binnen?
De Walb.
opstaande.
- Hare Majesteit
Reed uit, doch is misschien terug.
Kon. met
hevige teleurstelling.
- Ga zien!
De Walbourg links
af.
Koning,
alleen. Hy gaat in blykbare gemoedsbeweging op-en-neer.
- Van Weert schynheilig? Nu, dat ziet men meer!
Maar dat ikzelf 'n oogenblik kon meenen...
't Is onvergeeflyk! Zy, zoo fier en edel,
Zy die het hart zoo hoog draagt... foei, foei, foei!
Ik schaam my over 't al te zot vermoeden!
Maar wie kon gissen dat Van Weert... zoo raide,
Zoo'n overdeftig man, zoo'n zedepreeker,
Zich inliet met 'n vrouw van lagen stand?
Toch blyft m'n argwaan schandlyk, en ik zoek
Vergeving... die ze my niet schenken kan,
Omdat ik... haar niet zeggen durf, waarvoor!
Hy gaat De
Walbourg, die terugkeert, haastig te-gemoet.
Koning. De Walbourg.
De Walb.
- De Koningin is nog niet van haar toer
Terug. Verkiest uw Majesteit, dat een
Pikeur... ik weet den weg dien ze afkomt...
Kon.
- Neen,
Dat is niet noodig. Ik kom straks terug,
En ga wat wandlen in het park...
Hij treedt op den
rechter achterhoek toe, doch keert terug.
Zeg dat ik...
Wie vergezellen haar?
De Walb.
- De moeder van
Uw Majesteit, de dame van den dag,
En prins Spiridio.
Kon. steeds
in blykbare onrust.
- Zeer wel! Zeg... dat
Ik hier... geweest ben, en... terugkom, en...
En dat...
Weifelend tusschen
gaan en blyven.
De Koningin is immers
wèl?
En... goed gestemd?
De Walb.
- O, Sire...
Kon. a.v.
- Juist! Ik ook!
Zeg dat ik haar... zeg dat ik... nergens liever
Met wandlen my vermaak, dan in haar park.
't Is alles hier... zoo smaakvol ingericht!
De lucht is... reiner dan, dan... ergens elders!
Hy gaat, doch keert
terug.
En zeg vooral...
Hy keert zich
driftig van De Walbourg af.
Hoe kan 'n ander
zeggen,
Wat ik niet onder woorden brengen wil! [2]
Koning snel af in
den tuin. De Walbourg neemt haar plaats weer in. Na eenige
oogenblikken keert de Koning terug. Hy heeft 'n roos in de hand.
De bloemen staan hier
prachtig in den tuin,
En alles stemt... zoo... geef de Koningin
Die roos, en zeg haar dat.. . ikzelf die plukte,
En dat ik haar verzoek...
Zich eensklaps
omkeerend.
Verdoemd!
tot De Walbourg.
Adieu!
Koning snel af, in
den tuin. De Walbourg neemt weder plaats.
De Walbourg, alleen, als by 't ophalen van de gordyn. Terstond
daarop, uit de linker zydeur, Spiridio. Later Lakei.
De Walb.
- Welnu, Spiridio?
Spir.
- 'k Heb hare Majesteit
Het schandstuk blootgelegd, zoo goed ik kon,
Doch zy wist byna alles, vóor ik sprak.
De Walb.
- O, zeker!
Spir.
- En wat zal ze doen?
De Walb.
- Ze zal
Het kwaad in goed verkeeren... 'k weet niet, hoe?
Maar zeker is het, dat ze wèl zal doen! [3]
Op haar horloge
ziende.
Ze wacht van Huisde
hier, en 't meisjen ook.
Spir.
- Maar ik begryp niet, hoe ze... zonder, zich...
De Walb.
vurig.
- Te... verontschuldigen? Gewis, dat mag ze niet!
En ook, dat zàl ze niet!
Spir.
- Maar... zonder zelfs
De zaak te noemen, want reeds dàt is moeilyk!
De Walb.
- Ge noemt dit moeilyk? Zeg: onmogelyk!
Daartoe zou zich gewis haar mond niet leenen!
Maar wees gerust! Zy zal in 't ryk gemoed
Het middel vinden, om te doen verstaan
Ook wat niet rein genoeg is voor haar lippen!
Lakei, door
de achterdeur.
- De heer Van Huisde meldt zich aan, en zegt
Dat hare Majesteit hem wacht.
De Walb.
tot Spiridio.
- Ge wilt
Misschien 'n andren weg uit? Door den tuin?
Spir.
- O, neen! Van Huisde mag me hier zien, en
Het weten dat... m'n levenslust, m'n...
De Walb.
- Geest,
Kom, zeg het maar!
Spir.
- Welnu, dat ik, en wat
Er in my is, geen deel heeft aan...
De Walb.
- Aan schelmery!
Dat staat je goed, Spiridio!
Tot den lakei.
- Laat binnen!
Lakei af. Van
Huisde binnen. De Walbourg reikt zeer vriendelyk de hand aan
Spiridio, die hierop vertrekt, na Van Huisde in 't voorbygaan op
verachtende wys met de oogen gemeten te hebben.
De Walbourg. Van Huisde. Deze staat op den achtergrond in 't
midden.
V. Huisde.
aarselend.
- Uw dienaar, freule! Hare Majesteit
Heeft my ontboden, en ik kom...
De Walbourg tikt
aan een op haar tafeltje staande schel. Lakei binnen.
De Walb.
zonder optezien.
- 'n Stoel!
De lakei zet 'n
stoel nagenoeg in 't midden van het tooneel, waarop Van Huisde
plaats neemt, zoodat-i op eenigen afstand schuins achter De Walbourg
komt te zitten. Lakei af. Van Huisde geeft aanhoudend blyken van
verlegenheid.
V. Huisde.
- Maar freule, ik hoop toch dat... (hoe vang ik aan?)
Het was vandaag iets minder guur, maar toch
Zoo warm niet, als 't wel wezen kon.
De Walb.
a.v.
- Ei, zoo!
V. Huisde.
- Hoe maakt het uw papa, de generaal?
De Walb.
a.v.
- Heel wel.
V. Huisde.
- Nog altyd even vroolyk?
De Walb.
a.v.
- Ja.
En eerlyk ook.
V. Huisde.
- De freule badineert.
De Walb.
a.v.
- O, neen!
V. Huisde.
- 't Geval is epineus. Ik meende...
De Walb.
- U meende dat het wel nog warmer kòn?
Dat is 'n schoon geloof, m'nheer van Huisde.
V. Huisde.
- De zaak is ernstig, freule...
De Walb.
a.v.
- Zeker!
V. Huisde.
- Als
Niet Hesselfeld uit haat, en... om Van Weert...
De Walb.
ziet op haar horloge. Naar den achtergrond gaande, in 't voorbygaan:
- Heeft u den man gezien, die u dien stoel
Daar bracht, m'nheer van Huisde?
Zy opent de
achterdeur en ziet in de antichambre.
V. Huisde,
zich op z'n stoel half omkeerend.
- O ja, maar... wat
Beduidt die vraag?
De Walb.
- Ik wilde u zeggen... dat...
Ze sluit de
achterdeur, loopt haastig naar 't werktafeltje, neemt de daarop
neergelegde roos, en gaat snel naar de linker-zydeur. In 't
voorbygaan:
Die man 'n eerlyk man
is. Anders niet.
De Walbourg af, in
de kamer der Koningin.
V. Huisde,
alleen. Hy loopt toornig heen-en-weer.
- Men zou... ik wil... ik moet... het is verbazend!
Ik ben, geloof ik, woedend. En ik zou,
Als niet 'n grondbeginsel me weerhield...
Dan zou ik ik... ja, dan zou ik razend zyn! [4]
Louise
(zwart fluweelen kleed met sleep. Waaier. Juweelen diadeem.
Overigens geen versierselen dan de roos die ze op haar borst draagt)
gevolgd door De Walbourg, treedt langzaam binnen. Zonder
op Van Huisde acht te slaan, die herhaaldelyk diep buigt, zet ze
zich, met den rug naar 't midden gekeerd aan de tafel, waar ze
eenige boeken opneemt en rangschikt. Daarna schynt ze in gepeins
verzonken, als zich gereedmakende voor 't nu volgend tooneel. De
Walbourg heeft Hanna, Herman en Albert door de achterdeur
binnengelaten, en aan de linkerzyde eenigszins, doch niet geheel
nog, naar den voorgrond geleid. Van Huisde staat by z'n stoel, in 't
midden, achterwaarts. De drie bezoekers, die onderling fluisteren,
worden door De Walbourg met 'n wenk tot stilte en aandacht vermaand.
Pauze. Van de linkerkant des toeschouwers af gerekend, bevinden zich
de personen in de volgende orde: De Walbourg. Hanna. Albert.
Herman. Van Huisde. Louise.
Louise,
zich op haren stoel omwendende.
- Weest niet verlegen, kindren!
Ze wyst de stoelen
aan, naby De Walbourg's werktafeltje.
Neemt dáár plaats!
Ze staat op, zonder
voor-als-nog naar de linkerzyde te treden, en noodigt met 'n wenk de
bezoekers uit, te gaan zitten, 'tgeen op het voorbeeld van De
Walbourg, die haar werk ter-hand neemt, geschiedt. Van Huisde staat
altyd in 't midden, eenigszins achterwaarts.
Die dame kent ge! 't
Was m'n zuster, die
Zoo'n tandpyn had... ge weet wel? Deze heer
Van Huisde buigt.
Is... 'n notaris. Hy
mag alles hooren --
Jazelfs, hy moet het hooren! - wat ik zeg.
Eenvoudig is 't! Ik heb, u hier geroepen,
Om u, in zyne tegenwoordigheid...
Ze nadert nu met
iets plechtigs in gang en houding, de bezoekers, die opstaan. De
Koningin spreekt zeer langzaam, en met eigenaardigen nadruk.
Een blyk te geven van
m'n achting. U...
Ze reikt Albert de
hand. Deze strekt de zyne niet uit, voor ze aanmoedigend zegt:
De hand! En u...
als voren, tot
Herman die almede blyk geeft van beschroomdheid.
De hand!
tot Hanna.
En u... een kus,
Myn Hansje!
Ze kust Hanna, die
in gebogen houding staat, op 't voorhoofd.
Gaat nu zitten, dáár,
en luistert!
En wat ge niet terstond begrypt, zal later...
Ze neemt plaats op
de fauteuil.
(Rechter-voorhoek) De Walbourg borduurt. Hanna, Herman en Albert
luisteren met ingespannen aandacht. Uit hun gelaatstrekken blykt,
dat zy in den beginne Louise's woorden niet begrypen, doch dit
verandert van-lieverlede in blykbare belangstelling. De Koningin
spreekt langzaam en, op weinig uitzonderingen na, toonloos. Er blykt
dat zy 'n zichzelf opgelegde rol speelt, en zich dwang aandoet.
Neem plaats, m'nheer
van Huisde! Ik was zoo vry
U hier te ontbieden, om u een verzoek
Te doen, dat...
Van Huisde.
- Majesteit...
Louise.
- Blyf zitten. Ik
Heb van uw roem als rechtsman veel gehoord
En wilde...
Van Huisde.
- Majesteit...
Louise.
- Blyf zitten. Eerst
Iets anders nog: hebt ge verstand van vlinders?
V. Huisde.
- Maar, Majesteit...
Louise, met
den waaier spelend.
- Blyf zitten. Hebt gy ooit
Zoo'n beestje, fladdrend, tegenstrevend, op
Een schyf van kurk genageld? Blyf toch zitten!
Dat is voor sommigen 'n groot vermaak...
Ze noemen 't, meen ik, entomologie.
Men stoort zich, schoon het diertje niets misdeed,
Niet aan z'n angstig spartlen. Met 'n speld
Prikt men 't meedoogenloos door 't lyfje heen...
Een slecht entomoloog, die dit niet kan,
En die zich roeren laat door de onschuld van
Zoo'n beestje! Als 't nog 'n slang was, of 'n wesp,
Een skorpioen, 'n pad, 'n adder... dan, ja dan,
Dan zou ikzelf - wie weet! - het naglen op
Een plank, en my niet storen aan 't gespartel,
En slaan met vaste hand den priem door 't hart! [5]
V. Huisde.
- Maar, Majesteit...
Louise.
- Blyf zitten. Nu ter-zake!
't Is u misschien bekend, dat m'n vermaak,
Hier op Louise's Rust...
V. Huisde.
- Ik bid u, Majesteit,
Het was uit bestwil... en ik meende...
Louise.
- Ook ik
Doe alles wat ik doe, uit bestwil, schoon
Men daarmede een chaussee plaveit, die niet
Precies ten-hemel leidt, m'nheer Van Huisde!
Uit bestwil dan, vermaak ik me zoo goed
En kwaad ik kan. Ik slaap, en droom, en eet,
En drink, en lees, en schryf, en ryd, en wandel,
Ontvang bezoek...
V. Huisde.
- Maar, Majesteit...
Louise, den
waaier driftig toeslaande.
- Ga zitten!
Op-nieuw gedwongen
kalm, en gemaakt-onverschillig met den waaier spelend.
Helaas, aan al dat
tydverdryf komt eens
Een eind! De geest, de ziel, 't gemoed...
Al wat ik u van ziel en hart kon zeggen,
Weet gy zoo goed als ik, m'nheer Van Huisde...
Van Huisde.
- Maar, Majesteit, ik dacht, ik meende...
Louise.
- Blyf
Toch zitten! Meen niet, dat ik u verzoek
Om 'n verhandling over fysiologie,
Om psychologische vertoogen, neen!
Noch om 'n studie over zeedlykheid,
Of preeken over eer en deugd, o neen!
Al zy 't dan dat gy in dit alles zeer
Ervaren zyt...
Van Huisde.
- Ik kan uw Majesteit
Verzeekren...
Louise.
- Blyf toch zitten, en verzeker
Niet meer dan aan 'n wysgeer past. Ik gis
Dat ook filosofie uw vak is... maar
Het Recht, de Rechten, is toch hoofdzaak, niet?
V. Huisde.
- Voorzeker, Majesteit, maar...
Louise.
- Blyf toch zitten!
Ik heb u 'n bekentenis te doen,
Iets zeer vertrouwlyks, iets, iets... dat men niet
Dan aan dezulken openbaart, wier eer
En rechtsgevoel...
Van Huisde.
- O, Majesteit, m'n dank...
Louise.
- Dat's wèl! Maar blyf toch zitten, Doctor Juris!
Ik zeg u dan... de Walbourg weet het, maar
Zy is ook de eenige! Ge kunt toch zwygen?
V. Huisde.
- O, Majesteit, die eer... m'n woord...
Louise.
- Blyf zitten.
Ik zeg u dan... maar 't valt me waarlyk zwaar,
En 'k reken op uw eer, m'nheer Van Huisde...
Blyf zitten toch! De zaak is, dat ik my,
In-weerwil van dat slapen, ryden, lezen...
De zaak is dat ik... me verveel, ziedaar!
Het is er uit!
Van Huisde.
- Maar, Majesteit...
Louise.
- Blyf zitten.
Hebt ge in m'n park, daar, rechts van de inrylaan,
Dien vyver wel gezien, met karpers?
V. Huisde.
- Ja,
Maar... Majesteit...
Louise.
- Blyf zitten. Hoor my aan,
En toon u m'n vertrouwen waard. Toen ik
Het eerst de kwaal die me verteert, ontdekte,
Beproefde ik vele middlen tot herstel.
'k Studeerde uit wanhoop in de Aglaia. [6] Toen
Las ik proces-verbalen van... ge weet wel?
Geachte-sprekerswysheid, en... en... en...
Gyzelf waart... spreker, meen ik, en... geacht,
O zeer! Dit weet ik. Maar m'n kwaal weerstond
Den breeden stroom van wysheid en geachtheid:
Zoo'n kwaal is dom, dit ziet ge. Maar... qu'y faire?
'k Heb daarop troost gezocht by vogels,
By lysters, vinken, kraaien en kanaries,
By eksters, beo's, spreeuwen, papegaaien...
Och alles zonder baat, m'nheer Van Huisde.
Ten einde raad liet ik dien vyver graven,
En plaatste daar 'n tal van karpers in...
(Oók schepsels die niet schittren van vernuft,
Helaas!) Hebt gy verstand van karpers? [7]
V. Huisde.
- Neen,
Doch als uw Majesteit het wenscht, zou ik...
Louise.
- Zoudt gy verstand van karpers kunnen krygen?
Dit eisch ik niet, het waar te veel verlangd.
Ik wou alleen... ja dit nog: ook die vyver
Verveelde my. Zoo'n visch, geacht misschien
By medekarpers en konsorten, en expert
In zaakjes die... kortom, ik vond geen baat!
En daarom nu, en désespoir de cause,
Zoek ik op 't oogenblik - ge raadt het al! -
M'n troost in en.to.mo.lo.gie:
forsch.
blyf zitten!
Weder
gemaakt-onverschillig.
Maar ook aan dat
vermaak komt eens 'n eind,
En bovendien... 't is jammer van de spelden!
Wat anders dus! Ik zocht, en zocht, en vond
Een onderwerp tot tydverdryf... uniek,
Grossartig, majestetisch, impayable!
Ik wil - het plan is stout, maar 't lacht me toe -
Me wyden aan het vak waarin gy uitmunt,
'k Wil in de Rechten, of in 't Recht, studeeren.
(Die domme karpers! Nu, de vyver wordt
Gedempt.) Wilt gy in 't Recht m'n leeraar zyn?
Van Huisde.
- Maar, majesteit...
Louise.
- Blyf zitten. Ik begryp
Wat ge my vragen wilt? Of ik latyn
Versta? Och, bitter weinig. Is dat noodig?
Ze bladert in de
eerste pagina's van 'n lyvig boek.
'k Heb hier 'n
woordenboek... a, absque en abacus,
Ambages... zyn die noodig by de Rechten?
Ambitio, ambire, rondgaan... hè?
Ambire... slentrend rondgaan uit ambitie?
En... alibi! Wat is dat, a.li.bi?
Me dunkt, het is 'n zonderlinge taal,
We kunnen dat latyn wel overslaan.
Ze slaat het boek
toe.
Wilt gy m'n leeraar,
zyn, m'nheer Van Huisde?
V. Huisde.
- Maar, Majesteit, ik weet niet...
Louise zeer
langzaam van toon veranderend.
- Hoe? Ik
Hoop toch, dat ge weet wat Recht is!
Van Huisde.
- Majesteit,
Ik smeek u...
Louise.
a.v.
- Smeeken hoort by Recht niet,
Dit weet ik zonder abacus, goddank!
Houd me niet voor nog dommer dan ik ben,
Al vondt ge my wat zwak in a, ab, abs,
En in het juist begrip van alibi.
Wat is 'n alibi? Komaan, laat hooren,
Wat is 'n alibi, m'nheer Van Huisde?
Hanna schynt aan
De Walbourg te vragen: is hy de man? Deze weert haar zacht
af, en noopt haar met 'n wenk tot zwyyen.
V. Huisde.
- Graaf Otto...
Louise,
streng, daarna spottend.
- Graaf Van Weert is eerlyk man,
En heeft met alibiën niets te maken.
Ik vraag aan U: wat noemt ge 'n alibi
In uw latyn of in uw Rechten? Hoe,
Ge noemt uw doctor, leeraar, in die dingen,
En laat uw leerling smachten naar wat licht?
Dat is niet edelmoedig. [8]
V. Huisde.
- Majesteit...
Louise.
Blyf zitten. De facultas - noem ik 't goed? -
Docendi is my niet gegeven, maar
Ik denk toch, dat 'n les van my... in de en-
tomologie by-voorbeeld, met 'n proef
In vili animâ, u duidlyk wezen zou!
V. Huisde.
- Ik smeek u, Majesteit... het was uit bestwil!
Louise.
- Om niet den grond van 't dierbaar vaderland
Te drukken? Zeker, dat is Recht, en zelfs
Bestwillig edel: Is dit àlles? En
Kan ik, doordrongen nu van dit besef,
Terstond gaan promoveeren met de kap?
Of zit de studie van het Recht nog dieper?
Streng.
Ik wacht!
V. Huisde.
- Maar, Majesteit, ik ben...
Louise.
a.v.
- Blyf zitten.
Ik wacht! Welnu? Nog-eens: ik wacht!
V. Huisde.
- Ik ben...
Louise.
a.v.
- Ge zyt? Ik wacht.
V. Huisde.
- O, Majesteit...
Louise.
a.v.
- Ik luister.
Komaan, ik wacht! Of zou de vlinder soms
De speld niet waard zyn?
Hanna wordt door De
Walbourg op haar
stoel teruggehouden. Ook Herman schynt te willen spreken, doch
wordt telkens door De Walbourg met 'n wenk tot stilte vermaand.
V. Huisde.
- Majesteit, ik wil
Vergoeden, schaadloos stellen... men kan vordren
Een som...
Herman,
opvliegend.
- Neen!
De Walbourg zet
hem neer.
Louise, met
blykbaar gedwongen kalmte en spottend.
- Schaadloos stellen? Wie en wat?
My, voor de niet ontvangen les in 't Recht?
Vergoeden? Wat? Waarmee? Zyt ge zóó ryk?
Meent ge alles met 'n weinig geld... o, o,
Ge stelt niet eens my schaadloos voor m'n karpers,
En zoekt het Recht in d' opslag van uw mouw!
Met eenige
verheffing van stem, daarna vry snel losberstend in hevigheid.
Komaan, m'nheer, van
Huisde, spreek! Weet gy
Nog altyd niet wat Recht is? Spaar uw mouw!
Ik vorder antwoord!
Opstaande. Ook van
Huisde staat op.
Antwoord!
Ze gaat een schrede
op hem toe.
Antwoord!
V. Huisde.
- Ik...
Hanna.
vliegt op, en valt voor de voeten van de Koningin neer.
- Genade voor dien man! [9]
Louise.
- Sta op, m'n kind!
tot Van Huisde.
Weet gy nog altyd
niet wat Recht is?
tot Hanna.
Op!
Uw plaats is dáár
niet! Op, sta op!
Terwyl ze met de
linkerhand Hanna opricht, strekt ze de rechter, waarin zy den waaier
houdt, naar Van Huisde uit.
Gy... neer!
Omlaag... neer... lager... op den grond!
Van Huisde, die
zich, met schokken en tegenstrevend ,
al dieper boog, valt by 't laatste woord, met gebogen hoofd, op
de knieën voor Hanna neer.
Ziedaar myn recht!
De Koningin-Moeder
vertoonde zich gedurende eenige oogenblikken in de linker zydeur, en
blyft, even als Herman, Albert en de Walbourg, roerloos staan.
Pauze.
Een exekutie, moeder!
Vorigen en
Koningin-Moeder. De Walbourg schynt met groote aandacht in den
tuin te staren.
Louise.
- Het is genoeg!
Van Huisde staat op.
De Walb.
- Ik zie z'n Majesteit
Ginds wandlen in de allee...
Louise.
- O, dat is heerlyk!
Mama, ik bid u, roep den Koning hier!
Ik voel behoefte hem te spreken, en
Te zeggen dat ik... zyn bevel volbracht!
En dat ik...
fluisterend en
snel.
zeg hem alles, àlles,
moeder!
luid.
En dat ik deed... wat
hy bevolen heeft,
Stipt, stipt, wat hy gelastte!
fluisterend.
Alles, moeder!
Koningin-moeder af,
in den tuin.
Vorigen, zonder Koningin-Moeder.
Louise, tot
Van Huisde.
- Ge kunt vertrekken. Wisch uw knieën af,
En wat er verder aan u vuil mag zyn.
Zorg dat ge niet z'n Majesteit ontmoet!
Ik raad u dit in uw belang. Het hart
Des Konings gruwt van laagheid, en hy zou...
Wat my betreft, ge weet misschien, het is
Van-avend op Louise's Rust soiree...
(De Walbourg, laat den vyver wat-i is,
We kunnen onze karpers nog niet missen!)
Ge zult me zeer verplichten met wat hoofdpyn,
Koliek of podagra... de keus is vry,
Doch liefst zag ik de kwaal wat chronisch. Ga!
Van Huisde af, door
de achterdeur.
Vorigen, zonder Van Huisde. Later Lakei.
Louise neemt
niet zonder blyk van vermoeienis, weder plaats, nu op den stoel,
dien ze byna geheel van de tafel heeft afgewend. Ze wenkt ook de
anderen te gaan zitten.
- Dat is verricht! En
nu een woord aan u,
M'n kindren! Hanna, hebt gy alles goed
Begrepen, wat hier voorviel?
Hanna.
- Majesteit,
Om... heusch oprecht te zyn, in het begin.
Was 't my wat vreemd... niet alles even duidlyk.
Maar later, en vooral toen Herman ‘neen!’ riep...
Louise.
- Toen werd de zaak u helder?
Hanna.
- Ja, o ja!
Zóó helder, dat ik alles met hem leed,
En schaamte voelde dat de man, om my,
Zoo vreeselyk werd gepynigd door beschaamdheid.
Ik zou 't niet overleven, dunkt me! [10]
Louise tot
Alb. en Herm.
- En gy,
Poëet, en gy... zegt, kunt ge nu berusten
In het gebeurde!
Alb.
- O, Majesteit, ik heb
Geen wraak gezocht!
Louise.
- Ook ik niet! Maar, herstel
Van eer voor uwe bruid, voor uwe zuster. [11]
tot Herman.
Zyt gy voldaan?
Herm.
- Mevrouw, ik... kan niet... spreken.
Louise,
opstaande.
- Welnu... ik hoop u
allen weertezien,
En wil dat ge eenmaal zeegnen zult, wat eerst -
En zeer te-recht! - u zoo geschokt heeft. Gaat...
Gedurende de
laatste woorden is 'n lakei binnengetreden. Hy ging achter de
bezoekers om, en sprak zacht eenige woorden tot De Walbourg, die
daarna opstond, en nu
de Koningin nadert. Lakei naar de achterdeur, waar-i staan blyft.
De Walb.
- De jonker Schukenscheuer vraagt gehoor.
Louise.
- Wel zeker, dat ontbrak nog! Laat hem zeggen
Dat ik op Vrydag iedereen ontvang,
En dat hy komen kan als ieder komt,
Maar nu niet, en ook hier niet!
De Walbourg gaat
naar de achterdeur.
Zeg
Gyzelf hem, dat ik niet begryp wat hem
Zoo stout maakt, buiten'styds, en hier...
Op 't oogenblik dat
De Walbourg het vertrek verlaat.
neen, wacht!
Ze bezint zich
eenige oogenblikken.
Zeg niets!
tot den lakei.
Laat binnen!
Lakei af. De
Walbourg en de bezoekers nemen op 'n wenk van de koningin hun
plaatsen weder in. Louise zet zich op den fauteuil. Vorigen. Von
Schukenscheuer. Na, by 't binnentreden, 'n diepe buiging voor de
Koningin gemaakt te hebben, nadert Schukenscheuer den voorgrond. De
blikken die hy nu, en gedurende dit geheele tooneel, op de bezoekers
werpt, getuigen van z'n teleurstelling, de Koningin niet alleen te
vinden. De Koning en de Koningin-Moeder vertoonen zich
aan den ingang van den tuin. De eerste leunt tegen het voetstuk van
'n bloemvaas.
Louise.
- Wat's er van uw dienst?
V.S.
- Ik wilde uw Majesteit... maar, Majesteit...
Louise.
- Laat hooren, jonker!
V.S.
- Majesteit, ik wilde...
Ik kan...
Louise.
- Welnu, ik luister.
V.S.
- Maar ik kan...
Louise.
Is 't 'n geheim?
V.S.
- Ja, Majesteit! Het is...
Louise.
- Is 't 'n fameus geheim?
V.S.
- Ja, juist, fameus!
Louise.
- Fameuze zaken moeten ruchtbaar zyn,
Een stille faam is 't ware niet. Spreek op!
V.S.
- Maar, Majesteit, het is onmogelyk!
De zaak is... delikaat, zeer delikaat!
Louise.
- Een middel tegen 't staamlen?
V.S.
- Neen, o neen!
Maar, Majesteit, ik kan... hier... waarlyk niet...
Louise.
- Komaan, ik zal je helpen, jonker! By
Domeinen is 'n vakature, en ge wilt...
V.S.
- O zeker, Majesteit, maar... dat...
Louise.
- Ge weet
Misschien, dat ik, zoowel naar recht als smaak,
Geen invloed hebben mag, noch wil, op het
Begeven van 'n ambt...
V.S.
- Maar, Majesteit,
Ik had... iets anders... iets... iets... wel fameus!
Er is... gevaar!
Louise.
- Voor 't land?
V.S.
- Neen, niet voor 't land,
Maar voor...
Louise.
- Domeinen?
V.S.
- Neen, maar voor...
Louise.
- Voor wien?
Voor u?
V.S.
- O, neen! Er is gevaar...
Louise.
- Voor uw geheim?
Is 't kostbaar?
V.S.
- Ja! Ja, Majesteit, bepaald!
Louise.
- Dan vind ik 't wreed, u daarvan te berooven.
Ik houd my aan die vakature by Domeinen.
Luister! In het algemeen
Laat ik me niet met zulke zaken in,
Maar... daar ge veel verdienste hebt... ja gy!
Méér inderdaad, dan aan uzelf bekend is...
Doch my is 't helder op dit oogenblik!
Nu, daarom wil ik u... gehoor verschaffen
By zyne Majesteit, en wel intiemer
Dan anders mooglyk is.
Schukenscheuer
geeft blyken van verbazing, en wil spreken. Louise legt hem met 'n
wenk het zwygen op.
De Koning komt
Gewoonlyk 's avends hier, en arbeidt met
Den Graaf Van Weert, tot middernacht, en later.
Wanneer ge u aanmeldt - met uw staat-van-dienst,
Natuurlyk... en bewyzen van bekwaamheid!
Dan zal ik zyne Majesteit verzoeken,
By wyze van byzondere gunst, u in
Myn kabinet te ontvangen. En de Koning,
Die dan 't advies van graaf Van Weert terstond...
V.S.
- Maar, Majesteit... ik... ik...
Louise.
- Alweer 't geheim?
Als dat u dan zoo vreeslyk nog bezwaart.
Dan kunt ge tevens die gelegenheid
Gebruiken, om u daarvan te ontlasten.
Met 'n wenk dat-i
vertrekken mag.
'k Ben zeker, dat men
hier of daar u wacht.
Schukenscheuer
schynt nog te willen spreken, doch de Koningin ziet hem de kamer
uit. Aarselend, buigend, weifelend tusschen ontzag en
ontevredenheid, bereikt-i de
achterdeur, en vertrekt. Louise staart hem schouderophalend na.
Daar gaat 'n
kandidaat voor de oppozitie...
Het doet me waarlyk leed... voor de oppozitie! [12]
Opstaande, tot
Hanna, Albert en Herman.
En nu... ik zeide u
reeds, ik wil u weerzien.
Gaat opgeruimd naar huis, en aan uw werk.
Gy dáár... ik hier! Ik bied u geen geschenk... [13]
Hanna.
- O, dat is lief!
Gedeeltelyk uit
eigen beweging, gedeeltelyk door 'n wenk van de Walbourg aangemaand,
zyn de bezoekers eenigszins teruggetreden. Albert is naby de
achterdeur. Hanna volgt hem. Herman blyft weifelend staan, en keert,
met blyken van innige gemoedsbeweging terug.
Herm.
stamelend.
- Mevrouw, ik was zoo ruw,
En voel me nu... zoo anders! Maar ik kan
Niet uiten wat ik voel. De woestheid van
M'n ziel... hebt gy veranderd in iets lieflyks.
Ik wilde u vragen... maar ik durf niet...
Louise,
vriendelyk.
- Spreek!
Herm.
- U vragen, of...
hartstochtelyk
uitberstend, en zeer innig.
Mevrouw, mag ik die
roos! [14]
Louise.
- Die vraag is 'n geschenk aan my... ik neem
Het aan!
Terwyl zy de roos
van de borst neemt.
Die bloem heeft 'n
geschiedenis
Die menig onzer haar benyden mocht!
Ze was - en blyft! - welsprekende bodin,
Getuige, pand, symbool en prys van 't goede.
De roos kussende:
Vaartwel, m'n
hartelyke blaadjes... dank!
Ge hebt niet te-vergeefs gebloeid! Ziedaar!
En nu, m'n kindren, laat me alleen. Ik ben
Vermoeid.
Herman, drukt onder
't weggaan, de roos aan z'n lippen. Hy, Hanna en Albert af. Louise
zinkt als uitgeput op den stoel voor de tafel neer, en met het hoofd
in de beide handen. Ze weent.
Louise, als voren. De Walbourg. Koning. Koningin-Moeder.
De Walbourg, die blyk geeft den Koning en de Koningin-Moeder aan den
ingang van den tuin gezien te hebben, blyft na het vertrek der drie
bezoekers, links op den achtergrond staan, en schynt met 'n
verschrikt gebaar, den Koning opmerkzaam te maken op den
gemoedstoestand der Koningin. De Koning treedt snel eenige
stappen vooruit, doch blyft in 't midden van den achtergrond, met
blyken van ontsteltenis staan. Ook de Koningin-Moeder treedt nu de
warande geheel binnen. Pauze. Op 'n wenk van den Koning,
verlaat De Walbourg het tooneel. Ze sluipt op de teenen door de
linker zydeur, haar blikken onafgebroken op Louise gevestigd
houdende. De Koning en de Koningin-Moeder trachten door
gebaren te kennen te geven, wat er in hen omgaat. Ze schynt hem
toeteroepen:
’Ziedaar de
bevestiging en 't gevolg van alles wat ik u meedeelde, en onder 't
oog bracht.’
De Koning doet
beurtelings 'n schrede voorwaarts en terug, en geeft blyk van hevige
gemoedsbeweging. Hy slaat zich voor 't hoofd, en schynt telkens op
Louise te willen toevliegen, doch weifelt tusschen berouw en
schaamte. Eindelyk wenkt hy nu ook de Koningin-Moeder, hem met
Louise alleen te laten, waarop zy, hem met 'n streng gelaat
aanstarende, langzaam door den tuin vertrekt.
Na Louise eenige oogenblikken zeer ernstig te hebben
gadegeslagen, treedt de Koning langzaam vooruit, en legt haar de
hand op 't hoofd.
Louise, als
voren. De Koning.
Kon.
- Louise!
Louise,
verrast opstaande.
- George!
Ze grypt z'n hand,
en wil die kussen. Hy weert haar zacht af.
Kon. met
gedwongen kalmte.
- Deze tranen...
Ik wil, ik zal ze waard zyn! Ik weet alles...
levendig.
Zeg niets, spreek
niet! Ik weet, ik weet, ik weet!
Hier in m'n borst roept alles luider, dan
Eén klank het uiten kan!
treurig.
Die werkman heeft
Het juiste woord genoemd: ook ik was... anders!
wild.
By God, 'k zal anders
worden dan ik was!
Zeer ernstig,
zonder emfaze, doch op elk woord drukkende.
Ik wil, als gy,
Louise...
zich naar den
voorgrond keerend.
myne plaats
Verovren in het hart des Volks... [15]
Louise, dankbaar
en verheugd de gevouwen handen omhoog heffend.
- O, George!
Kon. zeer innig
tot Louise.
- En... 'k wil m'n
plaats verdienen in het uwe!
Ze valt hem in de
armen.
[16]
[1]
VYFDE BEDRYF.
We zijn aangeland bij het vijfde en
laatste bedrijf van dit stuk, waarin - het zal de lezer zeer verbazen
- toch nog alles goed komt, de slechte snoodaard wordt bestraft, en de
deugd beloond.
Het is, in één woord dat de 19e eeuw
en Multatuli nog niet kende in deze betekenis, je reinste soap. Omdat
ik niet van soap houd heb ik ook niet zoveel met Vorstenschool, maar
omdat ik de lezer graag help aan zinnige ideeën heb ik besloten
een
nawoordje te produceren waarbij ik ampel zal citeren uit Hazlitt's 'On
the Spirit of Monarchy' - om te laten zien hoe men het thema
'Vorstenschool' óók kan behandelen voor 'het volk', op een aanzienlijk
scherper en zinniger manier dan Multatuli deed, en in feite voordat
hij kon, want het stuk dat ik zal citeren dateert uit 1823.
[2]
Hoe kan 'n ander zeggen,
Wat ik niet onder woorden brengen wil!
Ja, dat is een goede vraag, al heeft
men voor dat soort dingen personeel. Geheel afgezien van deze
praktische overweging, valt het op dat de hele intrige geknoopt is
rond 19e eeuwse begrippen van wat men wel en niet mag zéggen. Zie
374, waarin men o.a. kan lezen
Want, myn zoon, aldus is de mensch geschapen, dat hy veel onreins
kan slikken, doch geenszins uwe woorden òver onreinheid.
[3]
De Walb.
- Ze zal
Het kwaad in goed verkeeren... 'k weet niet, hoe?
Maar zeker is het, dat ze wèl zal doen!
Vanzelfsprekend, want ze is immers
vrijwel bovenmenselijk goed en nobel.
[4]
Ik ben, geloof ik,
woedend. En ik zou,
Als niet 'n grondbeginsel me weerhield...
Dan zou ik ik... ja, dan zou ik razend zyn!
Multatuli hield niet van mensen met
grondbeginselen - zie 933 - vooral omdat hij ze niet geloofde. Mij
komt dat wat vreemd geredeneerd voor (alsof oneerlijkheid en
onwetendheid verward worden), en ik vermeld hier, terzijde maar
leerzaam, een principe van Mandela, of althans een vuistregel: 'Never
speak in anger'.
[5]
Als 't nog 'n slang was,
of 'n wesp,
Een skorpioen, 'n pad, 'n adder... dan, ja dan,
Dan zou ikzelf - wie weet! - het naglen op
Een plank, en my niet storen aan 't gespartel,
En slaan met vaste hand den priem door 't hart!
Wat mij hier toch enigszins verbaasd
van deze zo goed als onmogelijk nobele vrouw is dat ze zich toch niet
houdt aan de beginselen van de RSPCA - de Royal Society for the
Prevention of Cruelty to Animals. Kan dergelijk gedierte er wat aan
doen dat ze zijn zoals ze zijn? Hebben ze soms geen gevoel? Is het
niet wreed iets dat veel kleiner, dommer en zwakker is dan jij bent te
pijnigen?
[6]
'k Studeerde uit wanhoop
in de Aglaia.
Wij lezen in de
Multatuli-Encyclopedie:
"Aglaia, het mode- en
handwerkperiodiek waarvan sprake is in de Max Havelaar. De naam
is ontleend aan één van de drie Chariten of Gratiën, de Griekse
godinnen van de bevalligheid. Dit 'tijdschrift voor dames' verscheen
vanaf 1835 en werd tot 1857 uitgegeven door A.C. Kruseman."
De laatste was een jeugdvriend van
Multatuli, die weinig zag in z'n literair talent en in z'n
maatschappelijke opvattingen, en hem dus niet wilde uitgeven.
Ik vind de Multatuli-Encyclopedie
een aangenaam en prettig werk, omdat er zoveel informatie in staat
over Multatuli en z'n geschriften die anders nergens anders makkelijk
te vinden was, maar er staan ook fouten in. Eén merkte ik op bij
529 en hier is reden om er nog twee
te noemen.
Primo: De Multatuli-Encyclopedie
spelt in het eerste woord van het lemma 'Aglaja' maar dat is toch
echt fout.
Secundo: Zoals we zien is er óók sprake van gezegd prachtwerk in
Vorstenschool, dat toch aan een Duits hof werd geacht te spelen.
Kortom: Een grapje voor insiders van Multatuli.
[7]
Hebt gy verstand van
karpers?
Ik noemde in mijn vorige noot een
grapje voor insiders van Multatuli, en dit is er ongetwijfeld ook één:
Zie idee 251.
[8]
Hoe,
Ge noemt uw doctor, leeraar, in die dingen,
En laat uw leerling smachten naar wat licht?
Dat is niet edelmoedig.
Nee, maar wel héél gebruikelijk: De
meeste universitair afgestudeerden zijn, naar het Duits, noch grote
lichten noch grote verlichters, en er is veel meer pretentie van
kennis en kunde dan kennis en kunde. En uiteraard betaalt de
weetgierige naar en voor de pretentie, en niet voor wat werkelijk
geleverd of beheerst wordt.
[9]
Hanna. vliegt
op, en valt voor de voeten van de Koningin neer.
- Genade voor dien man!
Eén van de zaken die mij tegenstaan
aan Vorstenschool, heeft de oplettende lezer ondertussen
begrepen, is deze superbrave, intens nobele, voorbeeldig goede,
onmogelijk deugdzame Vrouw uit het Volk.
Het maakt het allemaal zo
sentimenteel, zo larmoyant, zo kunstmatig, kortom: zo soaperig. En ik
kan aan Hanna's nog veel minder geloven dan aan Louise's, die
tenminste tijd van lezen geacht mag worden te hebben om haar boekerige
ideaaltjes en frases uit te hebben kunnen nemen.
[10]Hanna.
- Ja, o ja!
Zóó helder, dat ik alles met hem leed,
En schaamte voelde dat de man, om my,
Zoo vreeselyk werd gepynigd door beschaamdheid.
Ik zou 't niet overleven, dunkt me!
O nee - maar wel lachend met de
schande kunt leven dat de hele stad meent te weten dat je een hoer
van heren van het hof zou zijn, nietwaar? Kortom: Ofwel Multatuli
heeft erg weinig oog voor het gehalte aan realisme in z'n stuk, ofwel
hij
heeft het e.e.a. vergeten uit een voorgaand bedrijf.
[11]
Louise.
- Ook ik niet! Maar, herstel
Van eer voor uwe bruid, voor uwe zuster.
Maar dat heeft ze helemaal niet
gehad! Haar reputatie is precies even geschandvlekt als deze al was
ongeacht dit hele bedrijf. Zie ook de vorige noot.
[12]
Daar gaat 'n kandidaat
voor de oppozitie...
Het doet me waarlyk leed... voor de
oppozitie!
Alweer een plotfout. Weliswaar
eindigt het derde bedrijf met de woorden van Von Schukenscheuer
Zy moet me helpen, als ik waarschuw... ja!
Dat's 'n fameus idee! En lukt het niet...
Bepaald auf Ehre, dàn in de oppozitie!
maar die worden expliciet als volgt
gezegd:
Von Schukenscheuer
alleen.
Wellicht is Koningin Louise zo
volmaakt dat ze gedachten kan lezen?
[13]
En nu... ik zeide u
reeds, ik wil u weerzien.
Gaat opgeruimd naar huis, en aan uw werk.
Gy dáár... ik hier! Ik bied u geen
geschenk...
Nee, dat moest er nog bij komen!
Onverdienstelijke boerenfamilies krijgen koe en goud voor niets of wat
vleierij in een vorig bedrijf, maar wie werkelijk wat voorstelt moet het met de gebruikelijke
beloning van de deugd doen, namelijk niets.
Hoewel... de welwillende lezer(es)
kan natuurlijk aannemen dat onze nobele Hanna, Herman en Albert
allersnelst tot grafin en graaf worden benoemd bijvoorbeeld omdat ze
uitvinden de bastaarden van de graaf van Weert te zijn (zie de plot
van "De Bruid Daarboven" van Multatuli).
[14]
Herm.
- U vragen, of...
hartstochtelyk
uitberstend, en zeer innig.
Mevrouw, mag ik die roos!
O, die handige vleier! Of is het
omdat hij een nobel dichters-hart heeft?
[15]
Ik wil, als gy,
Louise...
zich naar den
voorgrond keerend.
myne plaats
Verovren in het hart des Volks...
Heerlijk voorbeeldig denkbeeld! Alsof
ie dat niet allang heeft! Alsof het ertoe doet! Alsof niet een hele
kleine minderheid van alles wat koning was geen schoft, uitvreter of
domkop was!
[16] Kon. zeer innig
tot Louise.
- En... 'k wil m'n
plaats verdienen in het uwe!
Ze valt hem in de
armen.
En zo kwam het op het eind toch nog
helemaal goed, en kregen ze mekaar - precies zoals Multatuli zo graag
mocht klagen over literair werk van anderen, dat bijna altijd, in zijn
worden, om de
vraag draait of Pietje en Mietje elkaar wel zouden krijgen, en dat in de
19e eeuw gewoonlijk beantwoord werd vlak vóór mogelijke bed-scènes
met "Ja, en zij leefden nog lang
en gelukkig".
De lezer die wat meer wil weten over
vorsten in het écht verwijs ik naar mijn
Nawoord bij Vorstenschool.
|