Eenmaal was ik in den
Haag getuige van 'n straattooneel, dat my versterkte in de meening
over de ongeschiktheid van onze natie, om op die wyze te worden
gedoceerd. 'n Geestdryver verzekerde aan drie of vier kleine kinderen,
dat hy 't ‘Woord des levens zou verkondigen’ en verzocht hun
hier-of-daar 'n stoel, ter-leen te vragen. De wichten - die naar 't
getuigenis dat over hun lippen vloeide, meer behoefte hadden aan
neusdoeken dan aan zielespys - staarden hem met domme verbazing aan. [1]
- 'n
Stoel, kindertjes... 'n klein matten stoeltjen is voldoende. Weet ge
niet waar dat zou te krygen zyn?
Geen
antwoord.
- Wat
mòt die kerel? vraagde 'n grooter jongen, die 'n standje rook.
- Ik
wenschte 'n stoel, herhaalde de apostel. Ik wil het Woord des Levens
verkondigen...
Ook
die jongen begreep er niets van.
Misschien zag de arme straatpreeker in, dat het woord ‘verkondigen’
slecht gekozen, en 'n beetje te hoog van verdieping was. Hy
korrigeerde z'n uitdrukking:
- Ik
wil van God spreken, en van den Heere Jezus.
Geen
antwoord.
Van
lieverlede naderden andere personen, meest kinderen uit den
zoogenaamd-laagsten stand. 't Stuk speelde natuurlyk in 'n
onaanzienlyke buurt. Ik had me voor de uitstalkast van 'n winkeltje
geplaatst, vanwaar ik alles kon gadeslaan.
Na
veel vergeefsche pogingen, waarby ik 't geduld van den man bewonderde,
werd hem 'n stoel gebracht. 'n Oud vrouwtje kwam er mee aanloopen. Ze
eischte daarvoor een stuiver, dien de apostel gewillig betaalde.
En hy
preekte! Er was iets liefelyks in z'n stem. Z'n voordracht muntte uit
door eenvoudigheid. Waarlyk, 't lag niet aan hèm, dat z'n woorden geen
indruk maakten. Ik herinner me niet, ooit 'n predikatie te hebben
gehoord, die beter beantwoordde aan den zin dien sommigen gewoon zyn
aan 't woord ‘evangelisch’ te hechten. De man bracht inderdaad 'n
blyde boodschap... aan ieder die gelooft. Voor my, die niet geloof,
was 't 'n treurig staal van welmeenende krankzinnigheid.
[2] Ik had medelyden met hem, en verfoeide de
duizenden en duizenden van z'n geestverwanten, die hem daar zoo alleen
lieten staan op z'n gehuurd stoeltjen in den kring van 'n paar dozyn
morveuze jongens. Ik voelde iets als neiging me daarby te voegen...
Helaas... wat zou 't gebaat hebben! 'n Zakdoek had ik, maar wat helpt
dit zonder geloof?
't
Auditorium van onzen prediker had noch 't een, noch 't ander, naar 't
scheen. De vreemdheid van 't geval hield de kleine gemeente 'n
oogenblik bezig, maar nauwelyks was de weg ter zaligheid betreden tot
‘vermorzelde slangenkoppen’ en ‘lamgetrapte verzenen’
toe, of de jeugd begon zich te vervelen. De geestigsten trokken
elkander by de haren. De anderen... och, anderen waren 'r niet.
Ja
toch, 't oude vrouwtje!
'n
Buurvrouw ging voorby, die haar iets toeriep. Ik verstond niet wat
deze zeide, maar 't scheen iets als 'n vraag waarom ze stond te
luisteren naar ‘dien vent?’ Dit laatste woord kon ik
onderscheiden, en 't overige maakte ik op uit het antwoord:
- Ik
wacht op m'n stoel. Hy staat er op. Ik heb 'r 'n stuiver voor
gekregen...
En ter
verduidelyking stak zy de hand op, welker uitgespreide vingers vyf
centen moesten beduiden.
De
leraar ging rustig voort met ‘verkondigen.’ Z'n rede was inderdaad 'n
kort begrip van den kristelyken godsdienst, en ik kan me niet
voorstellen dat deze beter kan worden ‘verkondigd.’ Voor 'n betaalden
dominee was 't om te bersten van afgunst. In-weerwil van de nu-en-dan
voorkomende fout dat-i zich bediende van 'n te kanselachtige
uitdrukking - die-n-i evenwel meestal terstond in gewone, doch daarom
niet platte, taal overbracht - perste de man me bewondering af. Hy had
het talent z'n talent zóó te verbergen, dat ik waarlyk in verzoeking
kwam hem alle talent te ontzeggen, 'n gebrek dat ik hooger schat dan
de meeste deugden. Waarachtig, ik had den man wel om den hals willen
vliegen. Hy had hart! [3]
Van
wrevel over de verregaande nuchterheid van z'n auditorium, was geen
spoor te ontdekken. En ook later, toen de kring zich uitbreidde, en hy
niet slechts onverschilligheid moest ontwaren, maar geplaagd werd door
allerlei rumoer, door 't gekibbel en gestoei van de aanstaande
hemelburgers, toen zelfs 'n kwajongen, onder luid gejuich der
gemeente, de heldendaad beging aan den matten stoel te schudden,
verloor-i z'n kalmte niet. Hy sprak over de goedheid van God: ‘die
z'n eeniggeboren zoon niet had gespaard.’ Over de verdiensten van
dien zoon ‘in wien allen konden zalig worden.’ Over de ‘verstoktheid
des harten...
Nu,
dàt was 'n woordjen op z'n pas, want, juist vloog hem 'n halve notedop
langs 't hoofd. Maar niet dáárover klaagde de man. Hy beweerde dat de
menschen hun harten verhardden: ‘om de begeerlykheden dezer wereld
aantehangen [4], instede van Jezus Christus,
den Zaligmaker, en dien gekruist.
Toen
hy die ‘begeerlykheden der wereld’ aanroerde, vreesde ik 'n
oogenblik dat-i op den verkeerden weg was, daar de straatgemeente er
niet naar uitzag, alsof ze zich te-buiten ging aan weelde. Misschien
voorzag hy deze tegenwerping. Althans hy kommenteerde z'n klacht:
-
Gylieden zult meenen geen misbruik te maken van de goederen dezer
wereld, maar eilieve, denkt ge dan dat daartoe juist rykdom vereischt
wordt? Het toegeven in traagheid, in zinnelykheid, 't kwaadspreken, 't
beleedigen van uwen naaste, 't benyden der welvaart van anderen,
dagdievery, 't misbruiken van Gods naam... dit alles is wereldsche
lust! [5] De Heer heeft verzekerd dat zyn koninkryk gesloten blyft voor
ieder die zich niet betert van zulke fouten. En Hyzelf wil u daartoe
kracht geven! Wie den Vader bidt in Zynen naam om de genade... enz.
Terwyl-i bezig was met de nogal moeielyke aanwyzing in-hoe-ver wyzelf
hebben zorg te dragen voor onze zaligheid, en welke dienst ons ‘Gods
genade’ in dit opzicht bewyzen kan - hy drong er op aan, zoo
weinig mogelyk op dien bondgenoot te laten aankomen, 't geen me
praktisch voorkomt - naderde er 'n troep beschonken jongens met
nummers op de mutsen. Ze deelden aan de voorbygangers, zoo luid ze 't
konden uitschreeuwen, de belangryke tyding mee, dat ze op-weg waren:
naar ‘de kamp f'n Seist.’ [6] De straat was niet breed, en aldus 'n
konflikt tusschen de Zeistgangers en de reizigers naar den Hemel,
onvermydelyk. Onze lotelingen smolten met de heilbegeerige gemeente
in-een, en brachten ruimschoots 't hunne by tot vermeerdering van de
reeds heerschende wanorde. Eenige notenverkoopsters achtten de
gelegenheid gunstig om 'r waren aan den man te brengen, en sloten zich
met 'n schel: ‘ses cente-n-'t fééf-e-twintich!’ by de groep
aan. De oude vrouw die den stoel verhuurd had, scheen er 'n eer in te
stellen dat ze daarvoor 'n stuiver had ontvangen. Ze vertelde dit
herhaalde malen aan de omstanders. 't Had er veel van, of ze 'n beetje
beschaamd was over haar tegenwoordigheid op die plaats, en behoefte
voelde zich te verontschuldigen. Van-tyd-tot-tyd bestrafte zy de
stoeiende kinderen, en 't scheen alsof ze, boven den voor haar stoel
ontvangen huurprys, zich wou meester-maken van 't diakonaat. Dit bleek
me vooral uit de woorden waarmee ze by 'n paar buurtjes den oorveeg
vergoelykte, dien ze zoo-even had toegediend aan 'n kleinen jongen
wiens woeligheid wat ver ging.
- 't Is myn stoel, weetje... de man heit er foor betaalt...
welnou, laat 'm prate... kêêk - ze toonde de centen - anders (hou je
moel *
jongen) anders... eichelik bin ik rooms, maar ik seg: laat de man
prate, wel ja, niewaar?
Dat
‘eigenlyk ben ik roomsch’ beviel me beter dan 't overweldigd
ouderlingschap. 't Beduidde: ik heb zyn straatzaligheid niet
noodig: Ik ‘doe’ m'n geloof in de kerk. Ik ‘hou’ m'n
godsdienst by de mis. De pastoor zorgt voor de rest, en dus behoef
ik me met die vreemdigheden niet optehouden. [7] Maar:
- Fêêf
cente... kêêk!
Daarin
lag: ik verzaak m'n geloof niet, maar ik doe m'n plicht als
huishoudelyke vrouw. Er was oprechtheid in de permanente
ten-toonstelling van dien stuiver.
Maar
dat baas-spelen over de jeugd stuitte my. Dàt recht kocht ze niet voor
't uitleenen van 'r stoel! Ik dacht aan de regels:
- Hélas, est-ce
une loi sur notre pauvre terre,
- Que toujours
deux voisins entr'eux auront la guerre? [8]
- Que la soif
d'envahir et d'étendre ses droits
- Tourmentera
toujours... koningen, molenaars, diakenen en ouwe vrouwtjes die
stoelen verhuren voor 'n hagepreek?
Daar steekt-i, so
waar as chot, s'n tong teuche me-n-euêêt... km-ier, dief... ik sel je
wel krêêche. 't Is de jonge-n-euêêt de chroentekelder, weetje...
[9]
‘Alzoo
lief heeft God de wereld gehad, dat hy zyn eeniggeboren Zoon...
- ‘S'n
broêrs binne-n-ook sukke rakkers! 'k Sel 't an je moeder seche. Sech,
fraag jy liever 'reis an je suster, weneer se me-n-'t dubbeltje brengt
foor de musse die 'k foor der chewasse heb? Ik ken nie f'r nimmendal
werreke...
‘Wat
baat het of men de gansche wereld won, en schade leed aan zyn
onsterfelyke ziel...
-
Fâ-me schaai ken ik nie lefe... en dan noch de tong teuche
me-n-euêêttesteke! P'ssop, smeerlap!
‘Al
wat liefelyk is, en welluidt! Wy zyn hier op aarde slechts voor korten
tyd. Wy worden gewacht in de woningen die de Vader daarboven
gereed-maakte voor allen die hem dienen in geest en waarheid...
- En we chaan
nog nie na huis,
- En we chaan
nog nie na huis,
- En we chane na
de kamp f'n Seist...
viel hier 't koor van
de lotelingen schreeuwend in.
De
hoopvolle spruit uit den groentekelder bleef zich vermaken met het
plagen van de oude vrouw, die 'r toorn niet onbetuigd liet. Een van de
lotelingen scheen z'n vaderlandreddende carrière te willen openen met
aanranding der eerbaarheid van de notenverkoopsters, die 'r deugd
openbaarden in den vorm van oorveegen. De beschonken jongens wreekten
zich over den geleden neerlaag, door 'n ‘patertje-langs-den-kant’ om
de stoelenverhuurster, die met 'n schrille stem haar eigendom
terugvorderde:
- 't
Is nou lang chenoch (skei-euêêt, jonges!) wâ-denkt-i wel, dâ'k ier
de-n-eelen dach ken blêêfe staan, f'r s'n fêêf cente!
- Hy was in de
mei so bly,
- Hy was in de
mei...
- Lâ-me-los, rakkers!
M'n stoel... 't is nou lang chenoch...
Dat
noemde zy lang genoeg! Er was nog geen levende ziel bekeerd! Maar de
lotelingen schenen het op dit punt met de vrouw eens te zyn. Ze
zongen:
- Pater! jy mot
skeije chaan...
- Los, seg ik je!
Julli binne beeste. As ik m'n seun m'r hier had...
‘Dien
hy heeft overgegeven tot den dood, ja, tot den dood des kruizes...
- 't Mag je nog
wel zesmaal doen,
- Sesmaal,
sesmaal...
‘Profeten en
apostelen, die hun geloof bezegelden met hun bloed...
- Fêêf-e-twintich
f'r ses cente!
‘Ik bidde u, alsof
Christus zelf door my bade...
- Pater, geef je
non 'n soen...
- Smeerlappen...
allemaal! Lâ-los, sech ik je... m'n stoel!
‘Laat
ons eindigen met het allervolmaaktste gebed!’ [10]
- En we chaan
noch nie na huis,
- En we chaan
noch nie...
‘Onze Vader...
- In de nes daar
motte we wezen... §)
‘die in de Hemelen
zyt!’
- Daar staat op
de deur geskrefe:
- Hier verkoop
men brandewyn.
‘Uw naam worde
geheiligd!’
- M'n
stoel weerom, godverdomme!
- Hosse,
Hosse!
‘Uw Koninkryk kome!’
- Ses cente-n-'t
fêêf-e-twintich, nim m'r wech f'r 'n steuêêfer!
‘Uw wil geschiede...
- Nou
verdom ik 't langer! Ik mot m'n stoel weerom hebbe... wech, jonges!
‘En
vergeef ons onze schulden, gelyk wy vergeven...
- Ik
sel julli allemaal op je donder komme... m'n stoel!
‘En
leid ons niet in verzoeking...
- Hosse...
Hosse!
‘Want U is het
Koninkryk, en de kracht...
- Nim m'r wech
f'r 'n steuêêfer!
- As-i nou niet
euêêtstkeit, bliksem ik 'm 'r of!
‘Amen!
Vrouwtje, daar is je stoel terug.’
*) Zóó is 't woord, en niet smoel. Dit
laatste is 'n allertreurigste verbastering - even treurig voor 't
minst als 't ongelukkige aaltolletje, dat blykens 't
Woordenboek zooveel verdriet veroorzaakte
aan de heeren D.V. en T.W.
- van 't duitsche halt's (das) maul! De onnadenkende
straatjeugd heeft, met verkrachting van alle laatste beginselen, 't
lidwoord vastgelymd aan 't nomen. Waar moet het heen! De
toekomst onzer heele maatschappy... enz.
Ik wil maar zeggen dat 't hoog tyd wordt de kostbare
Woordenboeken, door 't uitloven van premiën
aan wien ze koopt, en 't adelen van wie er gebruik van maken, te
popularizeeren. Niets vroooolyker dan 'n geketende taal...
[11]
Ik sprak zoo-even van ‘laatste’ beginselen. Nu ja... in primitieve
talen vinden we dat samensmelten van naam- en lidwoord - door
prefix of suffix dan - ook wel eens, en de straatjeugd is
dus hierin klassieker dan zyzelf weet. Dit gebeurt meer, en geen
schoolmeesters-furca zal die natuur expelleeren.
§) Noot van 1876. Hier ziet men in welke
fouten 'n geschiedschryver vervallen kan! ‘In de nes’ is...
amsterdamsch. De haagsche lezing heeft: ‘op de denneweg.’
[12] Ik
ben deze opmerking verschuldigd aan de wetenschappelyke
nauwgezetheid van een onzer eerste Letterkundigen die zich met
aandoenlyken yver toelegt op 't emendeeren, annoteeren en
kommenteeren van codices. Alzoo: ‘op de denneweg’
en... meâ culpâ!
[1] "Eenmaal was ik in den
Haag getuige van 'n straattooneel, dat my versterkte in de meening
over de ongeschiktheid van onze natie, om op die wyze te worden
gedoceerd. 'n Geestdryver verzekerde aan drie of vier kleine kinderen,
dat hy 't ‘Woord des levens zou verkondigen’ en verzocht hun
hier-of-daar 'n stoel, ter-leen te vragen. De wichten - die naar 't
getuigenis dat over hun lippen vloeide, meer behoefte hadden aan
neusdoeken dan aan zielespys - staarden hem met domme verbazing aan."
Hier begint weer een bijzonder fraaie
Multatuliaanse parabel, deze keer over de mens en de - vooral:
Christelijke - godsdienst.
[2] "De
man bracht inderdaad 'n blyde boodschap... aan ieder die gelooft. Voor
my, die niet geloof, was 't 'n treurig staal van welmeenende
krankzinnigheid."
Dit geldt ook voor mij - maar anno
2003 is nog steeds ca. 95% van de Neerlanders gelovig, al is een veel
lager percentage kerkelijk of aangesloten bij een erkend geloof.
Ikzelf kan dat ook niet verklaren anders dan door een combinatie van
domheid en "welmeenende
krankzinnigheid", al getuigt de
toevoeging "welmeenende"
van aanzienlijk optimisme bij Multatuli.
Bovendien: Het beangstigende en
gevaarlijke van alle bekende uitgebreide vormen van religieus geloof
is niet het geloof in kwestie zelf, dat kennelijk gewoonlijk - lang
geleden - gesticht werd door inderdaad "welmeenende"
voorgangers van aanzienlijk intellectueel en verbaal talent, waar
vaak althans in moreel opzicht iets voor te zeggen valt, maar de
doorsnee religieus gelovigen: Wàt hun geloof ook mag zijn, in de
feitelijke praktijk zijn ze vaak fanatiek, totalitair,
onverdraagzaam en heel makkelijk te verleiden tot de gruwelijkse
wreedheden tegen wie niet van hun geloof is, zogenaamd omdat
dit hun God
zou behagen. (Zie 423)
[3] "Hy
had het talent z'n talent zóó te verbergen, dat ik waarlyk in
verzoeking kwam hem alle talent te ontzeggen, 'n gebrek dat ik hooger
schat dan de meeste deugden. Waarachtig, ik had den man wel om den
hals willen vliegen. Hy had hart!"
Hier moet eerst opgemerkt worden dat
het volgen van het eigen hart (gemoed, gevoel, ingevingen) voor M. een
noodzakelijke voorwaarde was tot het zijn van een goed - eerlijk,
waarachtig - mens, en bovendien dat de grote meerderheid der
Christenen, anders dan de besproken straatprediker, eerder uitblinken
door harteloosheid en hypocrisie dan door eerlijkheid of
waarachtigheid.
Vervolgens wat betreft "talent":
Er is in mijn en M.'s taalgebruik een verschil tussen "talent" en
"genie", ook al betekenen beiden iets als "het bezit van een
aanzienlijk intellectueel of artistiek vermogen, dat in ieder geval in
de mate waarin de drager het bezit anders is dan de doorsnee".
(Zie ook 77.)
De hier relevante verschillen tussen
wat met "talent" en "genie" wordt aangeduid zijn tweeledig: Voor het
toekennen van "genie" aan iemand is een véél groter verondersteld
vermogen nodig dan voor het toekennen van "talent". In een
rekenkundige vergelijking: Er is al sprake van een redelijk
ongebruikelijk talent voor iets als iemand op dat terrein in de orde
van 1 op de 100 is, maar er is pas sprake van genie als iemand op z'n
terrein in de orde van 1 op de 10 miljoen is.
Ik kies mijn getallen niet volledig
willekeurig maar wel zonder pretentie van exactheid. Waar 't vooral om
gaat is aan te geven dat een beetje behoorlijke academicus gewoonlijk
een betrekkelijk talentje is, maar in het geheel geen genie, en dat er
voor ieder genie minstens 100.000 redelijk begaafde, verdienstelijke
en aan hun universiteiten bij hun leven gehoogachte talenten zijn.
En nu zijn we aangeland bij M.'s
gebrek aan waardering voor "talent":
In het soort maatschappij waarin hij en ik leven, die slecht
georganiseerd en laag in beschaving en intellectueel en artistiek
niveau is (zeldzame enkelingen niet en nooit te na gesproken!), wordt
de feitelijke macht uitgeoefend door diverse duizenden of tienduizenden
"talent"en
- van het soort feitelijke tienduizendsterangers als Van Mierlo,
Pronk, Kok of Balkenende, dat zich naar boven weet te vechten door
iets minder domheid dan de doorsnee, gecombineerd met mateloze
ambitie, leugenachtigheid en partij-trouw, en daarbij gewoonlijk trouw
gesteund wordt door even getalenteerde media-hoeren.
[4] "Hy
beweerde dat de menschen hun harten verhardden: ‘om de
begeerlykheden dezer wereld aantehangen"
Dit lijkt mij geheel waar, en
hetzelfde zal M. gegolden hebben.
[5] "-
Gylieden zult meenen geen misbruik te maken van de goederen dezer
wereld, maar eilieve, denkt ge dan dat daartoe juist rykdom vereischt
wordt? Het toegeven in traagheid, in zinnelykheid, 't kwaadspreken, 't
beleedigen van uwen naaste, 't benyden der welvaart van anderen,
dagdievery, 't misbruiken van Gods naam... dit alles is wereldsche
lust!"
Opnieuw waar - en zoals de rest van
het verhaal aantoont deed de straatprediker hier niet anders dan z'n
directe menselijke omgeving waarachtig beschrijven.
[6] "naderde
er 'n troep beschonken jongens met nummers op de mutsen. Ze deelden
aan de voorbygangers, zoo luid ze 't konden uitschreeuwen, de
belangryke tyding mee, dat ze op-weg waren: naar ‘de kamp f'n Seist.’
"
Dit waren lotelingen. De oorlogen van
de 19e eeuw, hoewel ook gruwelijk, waren op veel kleinere schaal dan
de gigantische veldslagen en bombardementen van de 20ste eeuw, en
hadden dus ook veel minder militairen nodig. In Nederland werd in het
benodigde militaire voetvolk voorzien door loting (en slaagden de meer
welstaanden - zie Woutertje Pieterse - er gewoonlijk in hun kroost
vrij te kopen door een minder welstaande met geld te bewegen hun
plaats in te nemen).
[7] "Dat
‘eigenlyk ben ik roomsch’ beviel me beter dan 't overweldigd
ouderlingschap. 't Beduidde: ik heb zyn straatzaligheid niet
noodig: Ik ‘doe’ m'n geloof in de kerk. Ik ‘hou’ m'n
godsdienst by de mis. De pastoor zorgt voor de rest, en dus behoef
ik me met die vreemdigheden niet optehouden."
Het is inderdaad een opvallend feit
dat juist de Protestante geloven (want er zijn er vele, die het
onderling vrijwel alleen eens zijn over het belang van de Bijbel en de
slechtheid van de Paus) de bekérende geloven zijn, die proberen
volgelingen te winnen door prediking.
[8] " Hélas, est-ce
une loi sur notre pauvre terre,
Que toujours
deux voisins entr'eux auront la guerre?
"
Kennelijk - en in tegenspraak met het
gebod van Jezus "Heb uw naaste lief gelijk uzelve". Uit dit nu vrijwel
2000 jaar evidente feit kan afgeleid worden dat ófwel Jezus niet de
zoon van God was en maar wat verzon ófwel dat het leerstuk van de
erfzonde verder gaat dan de meeste gelovigen willen aannemen. (In dit
verband zijn de schilderijen van wat mij wil verschijnen als
Nederland's grootste schilder, Jeroen Bosch, zeer interessant en
leerzaam.)
[9] "Daar steekt-i, so
waar as chot, s'n tong teuche me-n-euêêt... km-ier, dief... ik sel je
wel krêêche. 't Is de jonge-n-euêêt de chroentekelder, weetje...
"
Uiteraard schreef M. dit zeer bewust
op in verband met het versje waar ik onder [8] op
inging.
[10] "‘Laat
ons eindigen met het allervolmaaktste gebed!’
"
In de VW zijn wat brieven en
commentaren opgenomen waaruit blijkt dat M.'s vertelling over de
straatprediker Esser waarschijnlijk voor een deel verzonnen is. Esser
schreef namelijk n.a.v. de publicatie van dit Idee een brief waarin hij beweerde
niet gebeden te hebben in de open lucht, omdat dit bij de Nederlandse
wet verboden was buiten een Godshuis.
Maar dit doet weinig of niets af aan
M.'s fraaie parabel, die meer dan goed genoeg is als tekst voor een
Monty Python pastiche.
[11] "Ik wil maar zeggen dat 't hoog tyd wordt de kostbare
Woordenboeken, door 't uitloven van premiën
aan wien ze koopt, en 't adelen van wie er gebruik van maken, te
popularizeeren. Niets vroooolyker dan 'n geketende taal..."
M. had kennelijk een flinke walging
van Neerlandse "Woordenboeken"
en hetzelfde geldt mij. Er was toen en is nog steeds eenvoudig geen
behoorlijk Nederlands woordenboek, d.w.z. een redelijk uitgebreide
alfabetisch geordende lijst van in het Nederlands gebruikte woorden
met heldere definities, etymologieën en gebruiksgeschiedenissen, dat
ook maar enigszins in de schaduw kan staan van de goede buitenlandse
woordenboeken als Littré, Duden of - het beste mij bekende woordenboek
- de Shorter Oxford English Dictionary. (Wie hier ànders over belieft
te denken verzoek ik de proef te nemen. Kies 100 woorden en vergelijk
hun definities etc. in Nederlandse woordenboeken met de vertaling van
die woorden in goede buitenlandse woordenboeken. Een wereld van
verschil zal u geopenbaard worden!)
[12] "Hier
ziet men in welke fouten 'n geschiedschryver vervallen kan! ‘In de nes’ is...
amsterdamsch. De haagsche lezing heeft: ‘op de denneweg.’
"
Hier leren we weer iets historisch:
In de 19e eeuw waren dit de plaatsen van de respectievelijke
Amsterdamse en Haagse hoerenbuurten. Beide straten bestaan nog steeds,
maar omdat ik weinig bekend ben in Den Haag weet ik niet of de Haagse
hoerenbuurt nog steeds rond de Denneweg ligt. De Amsterdamse
hoerenbuurt ligt kennelijk al minstens 400 jaar op ongeveer dezelfde
plaats.