Gedeeltelyk uit vrees
voor de verdenking van geldbejag - 'n verdenking die de oprechtheid
van z'n streven naar waarheid doet betwyfelen, en dus 't wèl opvatten
van z'n woorden in den weg staat - gedeeltelyk uit zekere
goedhartigheid, by de naïve vergoelyking: och, als ze dan waarlyk zoo
arm zyn, zou weigeren toch slecht wezen... neemt onze redenaar de
uitnoodiging aan. Slachter, bakker, huisheer, hadden hem zoo-even
gemaand. Hy heeft de middelen niet om z'n kinderen te geven wat voor
hun ontwikkeling noodig is. De vermoeiende speldeprikken van
dagelyksche gêne maken 'm zenuwachtig. Toch antwoordt hy:
- Ik
zal komen. O, om 't geld is 't me niet te doen!
En hy
zegt tot de zynen: ge begrypt toch, niet waar, dat ik die menschen
niet voor 't hoofd kan stooten? Foei... ik zou me schamen! Moet niet
het evangelie der waarheid, byvoorkeur aan de armen gepredikt worden?
En de
zynen antwoorden: dàt is zoo! Het is uw plicht daarheen te gaan.
Hy zàl
dus gaan.
Wel
is-i ziekelyk, wel knikken hem de knieën - hy leed zooveel, den
laatsten tyd! - wel weigert hem de keel haar dienst, rauw als zy is
van spreekbeurten en difteritische angina, maar... hy zal gaan:
ze schynen daar ginds zoo arm. Dáár immers moet hy wezen! Wel is 't
wat guur en koud in die derde klasse...
- O, dàt is niets, indien maar niet de medereizigers m'n stemming
bederven. Kou? Pah, ik kan er tegen! Die keel... leer dit van my,
kinderen, 'n keel moet gehoorzamen.
* Ze zyn zoo
arm daarginds! Je begrypt toch dat ik daar... daar juist, wezen moet.
- Maar
de vermoeienis...
- Pah!
Kinderen, jelui weet niet hoe taai ik ben! Dàt zult ge nu eens zien:
ze zyn zoo arm! Bedenkt toch, dat ik daar wezen moet, juist dáár!
- Maar
't stoort u zoo in uw arbeid. Ge waart juist bezig met...
-
Gekheid! Niets zal me beter doen werken, dan 't besef dat ik daar m'n
plicht heb gedaan: ze zyn zoo arm!
En hy
gaat! Hy gaat, om op 't oogenblik dat-i bezig wezen zal met de
ontwikkeling van de denkbeelden waaraan hy 't duurste van z'n ziel
besteedde, te ontwaren dat de ‘armen’ die hem tot zich riepen, op één
avend meer aan wyn verzwelgen, dan gedurende een gansche maand noodig
wezen zou voor 't onderhoud van z'n gezin!
Dat
echter zoo'n: ‘onze societeit’ arm was, is waar. Men had immers
zooveel uitgegeven aan illumineeren op den laatsten koningsjaardag! En
er waren tooneelvoorstellingen gegeven! En 'r was 'n zangeres in de
stad... 'n reklaam-étoile van de zevende klas. En 't was pas
kermis geweest, of 't zou weldra kermis zyn...
En de
gemartelde ‘waarheid’ -verkondiger komt geknakt te-huis, en doolt
dagen lang rond, vóór-i de geleden smart heeft verslikt, voor-i
op-nieuw genoegzaam helder ziet tot het scheppen van nieuwe
denkbeelden. [1]
* Noot van 1871. Een der meest geachte
geneesheeren te Amsterdam zou kunnen getuigen dat ik me op zekeren dag
met helschen steen heb moeten laten branden, om den volgenden avend
geluid te kunnen geven. Later was ik, zonder geneesheer, meermalen
verplicht dit middel zelf toetepassen. De hoorders wisten niet hoe my
onder 't spreken de nitras argenti walgde, die me bovendien
door den vuilen zilversmaak aan betaalde entreebilletten herinnerde!