Wouter's eerste les in verzemakery, en z'n 1001e in
nederigheid. Belangryke ontmoeting van 'n waschvrouw en haar dochter.
Onderricht in 't alleen zaligmakend geloof.
De opdracht om 'n
vers te maken, streelde Wouter. Jufvrouw
Pieterse en Stoffel
hadden zich vergeefs beyverd hun goede meening omtrent zyn talent, te
omzwachtelen met geringschatting. De arme jongen schrikte van
genoegen, by de ontdekking dat men hem ‘voor iets aanzag.’ Hy had zóó
vaak gehoord dat-i eigenlyk niemendal was, en nooit iets worden
zou... [1] dat hy nu ter-nauwernood lette op al de pogingen die z'n moeder
en broêr in 't werk stelden, om hem te doen gelooven dat de heele
commissie eigenlyk een straf was voor z'n onkunde in de namen van
bergen. ‘Ja, zei Stoffel:
- Ja,
ik kan je verzekeren dat het by my op school niet gebeuren moest...
maar nu moet je letten op behoorlyke afwisseling van liggende en
staande regels...
- Hè?
vroeg Wouter.
- Wel
zeker... weet je dat nog niet eens? Heeft meester
Pennewip je dat niet geleerd? Of heb je weêr niet opgelet?
Kyk... zoo!
En
Stoffel wilde voorbeelden bedenken. Maar 't
lukte niet.
-
Trui, geef me je gezangboek. Kyk,
Wouter: hoog, omhoog, het hart naar boven...
dat 's liggend, zieje. En: hier beneden is het niet... dat
staat, weetje? En dan moet je er wat inbrengen van God...
- Ja,
en dat-i wewenaar is, voegde de moeder er by.
- Haar
oom... verbeterde Stoffel. En alle regels
moeten even lang wezen.
- En
je krygt ulevellen... en als je 'r niet meê terecht kunt, zei de
moeder, vraag dan maar aan Stoffel.
- Wel
zeker, ik zal je telkens zeggen wat rymt. 't Is heel makkelyk...
Wouter had er wel zin in. Hy ging naar de
achterkamer, nam een lei, en schreef er op. Maar mooi was 't niet. Ook
kon-i maar niet verder komen dan: Een weduwnaar van God... O God,
een weduwnaar...
Zou
dat nu staan of liggen? dacht-i. De arme jongen beet de tanden slee op
z'n grift, en 't grift tot gruis... maar och, 't ging niet. Hy was 'n
oogenblik verwaand geweest, en werd daarvoor zwaar gestraft, want nu
begon hy te gelooven dat z'n moeder gelyk had, toen ze zeide: ‘dat er
van dien jongen nooit iets komen zou.’ [2]
Hy
vraagde aan Leentje, of zy wist wat liggende
en staande regels waren? En daar zy 't ook niet wist, besloot hy
‘morgen eens weêr te probeeren. Misschien zou 't dan beter gaan.’ Dit
vond Leentje ook.
- My
wel, zei de moeder, maar denk er aan dat je me niet veraffrenteert
voor jufvrouw Laps... want ik heb gezeid dat
je 't kon... en de man is jarig woensdag over acht dagen... dus veel
tyd heb je niet.
Wouter ging naar de aschpoort, zocht het
brugje, en begon daar bitter te schreien.
- Ga
eens kyken wat dat jongetje scheelt, hoorde hy 'n vrouw zeggen tot een
meisje van veertien, zestien jaren, 't kind heeft zeker iets verloren.
[3]
- Heb
je wat verloren, jonge-heer?
Wouter zag op, en schrikte. Want het was hem
of-i dat gelaat herkende. 't Deed hem denken aan
Fancy.
- O,
nu is alles goed... nu gy daar zyt! Ik heb zoo naar u
verlangd...
- Naar
my, jonge-heer?
- Ja,
ja, ja! Ik wist niet dat ik verlangde... maar nu weet ik het: O, zeg
het my toch spoedig... wat staande regels zyn, en hoe ik m'n vers moet
maken?
Het
meisje, dat met hare moeder waschgoed te bleeken legde op 't gras,
keek Wouter gek aan. Ze liep terug naar de
moeder, en zei niet te weten wat dat kind mankeerde. Maar dat er iets
aan haperde was zeker.
- Hy
ziet er uit, of-i geschrokken is, zei ze.
En
daarop haalde ze uit 'n klein huisjen in de buurt, wat water dat ze
Wouter toereikte in een theekopje.
Wouter-zelf begon te begrypen dat-i zich
vergist had. Maar er was iets zoo goedaardigs in het voorkomen en in
de wyze van doen van 't meisje, dat hy zich tot haar voelde
aangetrokken, al heette zy dan maar Femke. Zoo
noemde haar de moeder. En bovendien deze naam deed hem denken aan
Fancy, dat al veel was. [4]
Femke wees Wouter 'n
omgekeerd mandje aan, en noodigde hem uit, haar te vertellen wat de
oorzaak was van zyn verdriet.
Wouter deed dit zoo goed hy kon, terwyl moeder
en dochter zich bezig-hielden met haar ‘bleek.’
-
Misschien kan ik je wel helpen, jonge-heer... zei de moeder,
want m'n man heeft 'n aangetrouwden neef die wéwenaar is...
- Ja,
jufvrouw... maar de liggende regels? En er moet van God inkomen.
- Precies, jonge-heer. Och, 't is 'n heele historie. Z'n vrouw was m'n
mans nicht, weetje, want we zyn roomsch, en ze deed haar geloof
goed... leg 'n steentjen op die asseldoekies
*
Femke, anders waaien ze weg... ja, jonge-heer,
't is 'n heel ding met zoo'n bleek, je heb 'r geen begrip van, zoo'n
ding als 't is... nu, ze onderhield haar godsdienst, en daar deed ze
goed aan, want - dat zal je ook wel weten, jonge-heer - als 'n mensch
z'n godsdienst niet doet, is er niet veel aan, maar hy... trek dat
hemd wat na je toe, Femke, de mouw hangt in de
sloot... maar hy gaf er niet om, en zei dat 't allemaal gekheid was...
maar toen ze stierf, en hy zag hoe ze bediend werd... 't was pater
Jansen die 'r bediende, jonge-heer, je zal hem
wel kennen... hy loopt altyd met zoo'n zwart stokkie, en raakt er
nooit meê aan den grond...
De
vrouw zag Wouter vragend aan. De arme jongen
zat op 't omgekeerd korfje, met de ellebogen op de knie, en de kin in
beide handen. Hy luisterde met open mond, en spande zich in om te
begrypen hoe die vertelling zou neêrkomen op verzemaken. Maar van
pater Jansen en diens aarde-verachtend stokje
had hy nooit gehoord. Dit moest-i bekennen.
- Nu, 't was pater Jansen die 'r bediende. En
toen m'n mans neef dat zag... giet niet bezyen, Femke,
dan spat er de modder zoo op... ja, toen-i zag dat 'n mensch toch niet
sterft als 'n stom beest, toen had-i 'r weet van, en naderhand heeft-i
z'n paschen gehouden net als 'n ander... en toen-i verleden jaar z'n
been brak, want hy is schilder
†
, weetje, toen heeft-i negen weken lang dertien
stuivers van de armen gehad... zoodat ik maar zeggen wil dat ik ook 'n
wéwenaar in m'n familie heb. En nu moet je opstaan van je mandje,
jongeheer, want ik heb 't noodig.
Wouter stond haastig op, alsof-i bevreesd was
onbescheiden te wezen in 't gebruik maken van de gastvryheid. En de
vrouw ging heen, na een
ernstige vermaning aan Femke, om goed op de
bleek te passen, en haar te roepen als 'r kwaêjongens kwamen. Want dat
gebeurde wel eens, zei ze.
- Ben
je weêr beter, jonge-heer? vraagde de vriendelyke
Femke.
- O
ja, antwoordde Wouter, maar ik begryp niet hoe
ik dat alles zal te-pas brengen in m'n vers.
Weinig
lezers zullen, zonder myn hulp, hier op 't denkbeeld komen, dat
Wouter moed noodig had om z'n gebrek aan
begrip te erkennen. We zyn zoo gewoon aan 't niet begrypen, dat wy uit
traagheid daarin berusten. [5] En 't gedurig waarnemen van die berusting
in anderen, maakt ons beschaamd over onze stompheid waarmeê wy meenen
alleen te staan. Waarlyk, er is moed noodig om alleen dom te wezen, en
hierdoor is de wysheid der menigte meestal niets dan commanditair
wanbegrip. Laat een schryver, een spreker, een redenaar, die zich
verheugde over algemeene toejuiching, den indruk onderzoeken
dien z'n arbeid gemaakt heeft op elk individu, dan zal hy meestal
ontwaren, dat de algemeene goedkeuring de som is van persoonlyk
onverstand, en dat men niet hèm heeft toegejuicht, maar zichzelf een
certificaat gegeven van gelyke scherpzinnigheid als men, nog-al
gewaagd, in alle anderen veronderstelde. [6] De meeste schryvers,
dichters, wysgeeren van naam, hebben daaraan hun roem te danken.
[7]
Hoe
dit zy, Wouter was oprecht, en zei ronduit aan
Femke, dat z'n vers hem nog evenzeer bezwaarde
als vroeger.
- Je
moet bedenken, dat het rymen moet, Femke, dat
alle regels even lang moeten zyn, dat ze moeten liggen en staan...
want dat heeft m'n broêr gezegd, die zelf schoolmeester is.
Femke peinsde, en op-eens:
- Ken
je latyns? vraagde zy, of Wouter dan geholpen
was.
- Ach
neen...
- Nu,
't doet er niet toe, riep ze, 't hollandsch staat er naast... ik zal
je helpen. Wil je even op de bleek passen?
Wouter beloofde het, en Femke
liep naar huis.
Daar
naderden een paar jongens die met steenen wierpen.
Wouter, in 't diep besef zyner verantwoordelykheid voor de
bleek, riep hun toe daarmeê optehouden. Nu werd het erger. Zy
naderden, en plaagden onzen kleinen bewaker, door op het waschgoed te
loopen. Hy had 'n gevoel of-i Femke-zelf zag
mishandelen en vloog dapper op de bleekverstoorders in. Maar hy was de
sterkste niet, en alleen tegen twee, zoodat-i waarschynlyk zou
bezweken zyn, als niet z'n dame tydig was weêrgekomen. Deze verloste
hem, en verjaagde de ondeugende aanvallers. Toen zy zag dat
Wouter bloedde aan de lip, gaf ze hem een
zoen. Het hart van den knaap tintelde. Zyn ziel groeide op-eenmaal tot
ongekende hoogte, hy voelde weêr - voor 't eerst in langen tyd - dat
prinselyke waarmeê hy Leentje eens zoo
verschrikt had. Z'n oogen flonkerden, en den armen jongen, die
zoo-even geen vers wist saemtelymen, doorschoten op-eenmaal de stralen
van gevoel, van verbeelding en van moed, die den mensch maken tot
dichter.
- O
Fancy... Fancy...
sterven voor u... sterven met zulk een kus op de lippen!
[8]
Het
speet hem dat de jongens weg waren. Ja, al waren er tien geweest, hy
had lust in ongelyken stryd.
En
Femke, die nooit dichterlyke uitboezemingen
gehoord had, begreep hem terstond, omdat ze een onbedorven meisje was,
en dus in 't bezit van de rouerie, die de Natuur ten bruidschat
geeft aan onschuld. Zy voelde Wouter's
ridderlykheid, en tevens dat ze een dame was, die ridderlykheid
beloonen kon.
- Je
bent een lieve, lieve, jongen, zei ze, en greep zyn hoofd met beide
handen, en kuste hem weêr, en nog-eens nog-eens... op 'n wyze alsof ze
't meer gedaan had. Wat toch niet waar was. [9]
En nu
moest je eens kyken in dit boekje, waarin verzen staan. Misschien zal
't je helpen voor je tante...
- Ze
is m'n tante niet, antwoordde Wouter, maar 't
boekje wil ik wel zien.
Hy legde 't op de leuning van de brug, en begon te lezen.
Femke, grooter dan hy, had den arm om z'n hals
geslagen, en wees hem met de andere hand wat bv lezen moest. Een lieve
schildery!
*
- Zie,
die regels zyn even lang, zei 't meisje.
- Ach
ja... maar ze rymen niet.
En
Wouter las:
- Allerreinste
moeder,
- Allerzuiverste
moeder,
- Ongeschonden
moeder,
- Onbevlekte
moeder,
Machtige maagd,
- Goedertierene
maagd,
- Getrouwe maagd,
- Geestelyk vat,
- Eerwaardig vat,
- Schoon vat van
devotie,
- Geestelyke roos,
- Toren van David,
- Ivoren toren,
- Deur des
hemels...
- Maar
Femke, hoe kan ik dat gebruiken voor myn vers?
Ik begryp er niets van.
Nu
moet ik erkennen dat Femke-zelf er ook niet
veel van begreep. Sedert vier, vyf, jaren las ze dagelyks in dat
boekjen, en was altyd tevreden geweest met de maat van haar begrip.
[10]
Maar nu ze door Wouter's onnoozelheid in
morâ gesteld werd, reden te geven van haar geloof, bemerkte zy
voor 't eerst dat zy even onwetend was als hy. Zy voelde schaamte
hierover, en sloeg 't boekje dicht.
- Maar
ken je dan 't geloof niet? vraagde zy, alsof hun beider domheid
het gevolg kon zyn van die byzondere omstandigheid.
- Zóó
niet, zei Wouter. Ik heb 't anders geleerd.
- Maar
je gelooft toch aan Jezus?
- O
ja, dat is de zoon van God. Maar ik wist niets van die vaten en
torens. Hoort dat by 't geloof?
- Wel
zeker! En je kent de Heilige Maagd toch? Dat is Maria.
- Zóó?
Maria? Ja, dan weet ik het.
- En
't vagevuur?
- Daar
weet ik niet van.
- En
de biecht?
- Gut
né... [11]
- Maar
hoe maak jelui 't dan?
- Hoe
meenje dat, Femke?
-
Wel... om zalig te worden.
- Ja,
dat weet ik niet, antwoordde Wouter. Meenje,
om in den hemel te komen?
- Wel
zeker. Daarom is 't te doen, en dat kan niet zonder de Heilige maagd,
en zonder zoo'n boekje. Wilje dat ik je 't geloof leer,
Wouter? Dan komen we samen in den hemel.
Nu,
dit wilde Wouter wel. En
Femke begon:
- God
schiep de wereld...
- Wat deed hy
vóór dien tyd, Femke?
* [12]
- Dat
weet ik niet. Maar de menschen zyn slecht geworden door een slang, en
toen heeft de Paus de slang vervloekt, want de Paus woont te Rome,
weetje. En toen is Jezus gekruizigd, om de
menschen weer goed te maken... dat is lang geleden...
- Ja,
dat weet ik wel, zei Wouter.
Jezus heeft het jaar veranderd. Hy begon met nul by z'n
geboorte. [13]
Dit
wist Femke weer niet. Zoo vulde de een de
wysheid aan van den ander, en Wouter was
grootsch dat-i toch ook iets wist van 't geloof, al was het dan
volgens Femke 't ware niet.
- Nu,
Jezus heeft de menschen weêr goed gemaakt, en
als je nu goed bidt uit zoo'n boekje, dan word je zalig. Begryp je 't
nu, Wouter?
- Nog
niet geheel. Wat is eigenlyk een ivoren toren?
- Wel,
dat is zoo'n benaming van de Heilige Maagd. 't Is by-voorbeeld alsof
je... pater tegen den pastoor zegt. Daar heb je nu...
Femke zocht een voorbeeld.
...daar heb je nu je moeder, hoe noem je die?
-
Wel... ik zeg: moeder.
-
Juist. Maar hoe noemt haar een ander?
- Dan
zeggen ze jufvrouw Pieterse.
-
Precies. Nu, als men de Heilige Maagd aanspreekt, zegt men: ivoren
toren, juist zoo-als men je moeder jufvrouw Pieterse
noemt. Als men roept: jufvrouw Pieterse! dan is het, dat ze
luisteren zal, en zoo wil ivoren poort zeggen, dat men onder de
Heilige Maagd moet doorgaan, om in den hemel te komen. Want daarom is
't te doen.
- Maar
Femke, wat is dat toch eigenlyk... een maagd?
Femke kleurde.
- Dat
is iemand die nooit een kindje gehad heeft...
- Ik?
vroeg Wouter verbaasd.
- Wel
neen, malle jongen... 't moet een meisje wezen.
- Ben
jy een maagd?
- Wel
zeker...
Femke sprak de zuivere waarheid.
- Wel
zeker... omdat ik niet getrouwd ben.
- Maar
Maria was toch getrouwd... en
Jezus was haar kindje.
- Dit
is nu juist het heilige van de zaak, antwoordde Femke.
En daarom heet ze ivoren poort. Begrypje 't nu,
Wouter? [14]
Wouter begreep het niet. Maar hy vraagde
verlof het boekje meê te nemen om er in te studeeren. Dit kon niet,
want Femke moest het dagelyks gebruiken, zeide
zy, en Wouter berustte hierin met te-meer
spoed, omdat-i voor geen schatten oorzaak zou willen zyn, dat er iets
bedorven werd aan Femke's zaligheid. Maar
Femke noodigde hem uit, dikwyls weêrtekomen. Ze
wilde hem altyd gaarne vertellen wat zy van de zaak wist, en als er
iets haperde, zou ze 't aan pastoor Jansen vragen. Dan kon
Wouter heel gauw
† zoo
knap worden als de beste.
Wouter vertrok, na Femke
hartelyk gegroet te hebben. De ontmoeting met dat meisje, dat
geheimzinnige boekje, 't zaligworden, zyn gevecht met de
bleekverstoorders, alles warde zich dooréén met de gedachte aan 't
vers dat-i maken moest. En - zonderling! - ook scheen er verband
tusschen dit alles, en zyne droomen van macht en heerlykheid. Dit had
hem dan ook weêrhouden van veel vragen en tegenwerpingen, die z'n
gezond verstand hem zou hebben in den mond gelegd, by 't kort begrip
van Femke's theologie. Hy zou begrepen
hebben dat haar weten ver beneden 't zyne stond, maar in zyn
onbestuurd gevoel veranderde alles van zin.
[15] Thuiskomende
bladerde hy in Stoffel's boeken, of daarin ook
soms iets te vinden ware van heilige vaten, ivoren torens, of
allerzuiverste maagden. Maar, helaas, hy vond niets dan dorre
schoolboekjes die over allerlei dingen handelden, maar niet over de
zaligheid. Wouter voelde neiging tot zweven,
en z'n heele omgeving dwong hem tot kruipen. [16]
Hy had
aan Femke gevraagd, wat God deed voor hy de
wereld schiep. Deze vraag namelyk had hem sedert lang beziggehouden.
Hy kon zich 't niet-zyn niet voorstellen, en het verdroot hem,
niet te kunnen doordringen tot de eerste oorzaak der dingen. Telkens
als zyn ongeoefend denkvermogen stuitte op 'n onmogelykheid, of
afdwaalde op bypaden, bracht hy zich met inspanning terug tot zyn punt
van uitgang, om op-nieuw te beproeven of hy een doortocht vinden kon
naar 't ééne onbekende: de oorzaak van het zyn.
[17]
-
Meester Pennewip heeft 'n vader en eene moeder
gehad, zuchtte hy... goed! En de oude heer Pennewip,
die spekslager was... zou dàt ook de reden zyn dat
Slachterskeesje... neen, ik wil niet afdwalen. Die oude heer
Pennewip moet ook 'n vader gehad hebben... en
die weer... en die ook... en die weer... ja altyd... maar wie is de
eerste Pennewip geweest? En wie zou de
varkens geslacht hebben, vóór er spekslagers waren? En wat deden de
spekslagers, toen er nog geen varken was?
En
waar is 't eerste konyntje van-daan gekomen? En de eerste appel? Of 't
eerste pitje? En wat zou er eerst geweest zyn, een appel of 'n pit?
[18]
En
God? Toen hy aan 't scheppen ging, moest hy toch een wil gehad hebben.
Wat deed hy met dien wil, toen er niets was? Ik begryp er niets van,
en zou 't toch zoo graag willen weten.
Ja,
Wouter wilde zoo graag weten, wat sedert
menschen-bestaan gezocht is door alle wysgeeren. 't Was hem niet
kwalyk te nemen, dat-i bleef vasthouden aan die kinderlyke neiging om
zich een begin te denken. [19] En als veel anderen - ouder, maar
niet veel wyzer dan hy - wanhoopte hy niet. Eenmaal zou hy 't weten,
dacht-i...
Aan
hen die Wouter kinderachtig vinden, moet ik
zeggen dat ik hem niet veel dommer vind dan
Plato,
Kant en dezulken. [20]
En
voor deze heeren kan geen jeugd worden aangevoerd als verlichtende
omstandigheid, terwyl zy zich bovendien voor hun onkunde lieten
betalen als-of 't wysheid geweest ware. [21]
Eenmaal zou hy dat alles weten, dacht Wouter.
Als-i maar zoo gerust ware geweest over den afloop van 't vers, dat
nog altyd niet op stapel stond. Als dàt maar eerst klaar was, meende
hy, dan zou hy de eerste oorzaak der dingen ook wel te weten komen.
Intusschen droomde hy van Femke, van haar
blauwe oogen, van haar vriendelykheid, en van die zachte lippen. En
van de stem, waarmeê ze gezegd had: je bent een lieve, lieve jongen...
- Zou
zy 't wezen... Omikron? dacht hy.
[22]
* Zegge:
okseldoekjes. Het zyn de vierhoekige stukjes lynwaad die aan de
onderzyde der armsgaten, op 'n wyze die de speling van 't bewegen
toelaat, de mouwen verbinden met het hemd. Hoe in casu
zulke lapjes op eigen gelegenheid werden te-bleek gelegd...
Ik gis dat de auteur 't woord assel heeft willen plaatsen,
om een bewys te geven hoe aandachtig hy 't volksdialect
bestudeerde. (1872)
†
Schilder, amsterdamisme voor verwer.
* Voor 't byna
ondenkbaar geval, dat onze schilders een oogenblikje tyd vonden, na
't afwerken van hun heiligen, binnenhuizen, stillevens of den
eeuwigen: één heer met één hond en één haas, ben ik zoo vry hun myn
Woutertjen allereerbiedigst aantebevelen. Ik
weet wel dat het gewaagd is, by den Lucullischen rykdom aan
denkbeelden, waarvan onze schildery-tentoonstellingen getuigenis
geven, op de behandeling van een nieuw onderwerp aantedringen, maar
't kòn eens zyn, dat de weelderige inspiratie van richting
veranderde. Nu voor alsdan geef ik den heeren kennis, dat
Femken een Amelander kap draagt.
Quaeritur: hoe komen de vrouwen van dat eiland, aan een
hoofdtooisel dat meer met het Noordhollandsche uit de buurt
van Alkmaar, dan met het Friesche overeenstemt?
[23] (1872)
* Femke
wist niet te antwoorden op deze onnoozele vraag, en
Wouter drong niet op verklaring aan. Ik evenwel stel aan de
theologen dezelfde vraag, en dring wel aan op antwoord. Men zie over
die vóórscheppings-periode,
564 en
565.
(1872)
† Ik betwyfel of
myn Vlaamsche lezers het woord gauw kennen. De beteekenis in
gemeenzaam hollandsch, is: vlug, snel, spoedig. Geheel in afwyking
van anderen die gauwdief afleiden van gauw, houd ik
ons gauw voor 'n aanduiding van den spoed en de behendigheid
waarmeê een gauwdief steelt. Dit woord namelyk is 't hoogduitsche
gaudieb, a highwayman, un voleur de grand chemin. De beteekenis
van dit gau, heeft oorspronkelyk niets te maken met spoed. 't
Spreekt vanzelf dat in-allen-geval die w overcompleet is:
drie u's naast elkander! Onze taalmeesters houden daarvan. Van
honved, de benaming der Hongaarsche militie, later scheldwoord
als lansknecht {lansquenet) schobbejak en pandoer,
maken zy: hondsvot. Dit rehabiliteert de jufvrouw van den
koekbakker, die clairvoyance tot ‘kleer van jansen’
omknoeide. Ik vraag 'n professoraat in de letteren voor die dame.
(1872)
[1] "De
arme jongen schrikte van genoegen, by de ontdekking dat men hem ‘voor
iets aanzag.’ Hy had zóó vaak gehoord dat-i eigenlyk niemendal was, en
nooit iets worden
zou... "
Rond
1945 schreef de Deens-Noorse auteur Axel Sandemose de
ontwikkelingsgeschiedenis van een jongetje dat Jante heet, waarin hij
de volgende wet van
Jante formuleerde, die daarna in Scandinavië heel bekend werd:
Du
skal ikke tenke at du er noen!
Vertaald: Je mag niet denken dat je iemand bent! Het Nederlands
hiervoor is:
Doe
maar gewoon dan doe je al gek genoeg
(zie
155) en het verschil tussen
Skandinavië en Nederland is dat de Skandinaviërs zich schamen voor
hetzelfde door-en-door totalitaire en nivellerende sentiment dat de
Nederlanders al eeuwen met trots uitdragen, in de beste
Patagonische pygmeeën-traditie.
[2] "Hy
was 'n oogenblik verwaand geweest, en werd daarvoor zwaar gestraft,
want nu begon hy te gelooven dat z'n moeder gelyk had, toen ze zeide:
‘dat er van dien jongen nooit iets komen zou.’
"
We
mogen aannemen dat dit ook autobiografisch is. M. maakte de Latijnse
school - het toenmalig gymnasium - niet af en het is niet
onaannemelijk dat hij naar Nederlands Indië werd gestuurd door z'n
ouders bij gebrek aan beter alternatief een redelijk betaalde baan te
krijgen. M's twee oudere broers slaagden er wel in hun opleiding af te
maken en werden resp. domine en stuurman.
[3] "- Ga
eens kyken wat dat jongetje scheelt, hoorde hy 'n vrouw zeggen tot een
meisje van veertien, zestien jaren, 't kind heeft zeker iets verloren."
De aandachtige lezer van "Woutertje Pieterse" krijgt
daarin een
portretten-galerij voor ogen van Nederlanders waar heel weinig goeds
en zeer veel doms en huichelachtigs in te vinden is. Er zijn maar een
paar uitzonderingen en hier zijn we aangekomen bij twee daarvan: Vrouw
Claus en haar dochter Femke. (De anderen: De familie Holsma en pater
Jansen met Stijntje, waarvan later sprake zal zijn.)
Er
zijn verschillende manieren om "Woutertje Pieterse" te begrijpen,
waarvan "Bildungsroman" in de zin van "de ontwikkelingsgeschiedenis
van kind tot volwassene" de makkelijkste en meest voor de hand
liggende is. Gezien Multatuli's behandeling van z'n onderwerp is het
echter zinnig het hele verhaal - vooral - als een lange satire op Nederland en
Nederlanders te beschouwen.
[4] "al
heette zy dan maar Femke. Zoo
noemde haar de moeder. En bovendien deze naam deed hem denken aan
Fancy, dat al veel was."
Voor
wie het niet opviel: "Femke" betekent "vrouwtje".
[5] "We
zyn zoo gewoon aan 't niet begrypen, dat wy uit traagheid daarin
berusten."
Daar
is iets van waar, maar ik vrees dat het gewoonlijk neerkomt op: Ze
zijn zo traag in het denken dat het voor hen gewoon is niet te begrijpen.
Hier komt bij dat de meeste mensen menen de dingen te begrijpen die ze
kunnen benoemen door het benoemen en door zich aan te sluiten bij wat
"men" daarover zegt.
[6] "Laat
een schryver, een spreker, een redenaar, die zich verheugde over algemeene toejuiching, den indruk onderzoeken
dien z'n arbeid gemaakt heeft op elk individu, dan zal hy meestal
ontwaren, dat de algemeene goedkeuring de som is van persoonlyk
onverstand, en dat men niet hèm heeft toegejuicht, maar zichzelf een
certificaat gegeven van gelyke scherpzinnigheid als men, nog-al
gewaagd, in alle anderen veronderstelde."
Ja,
dat is ook mijn ervaring. Anders gezegd: Iedereen leest uit zichzelf
in het proza van anderen - en wie weinig in zich heeft kan dus weinig
begrijpen van de weinigen die veel in zich hebben. Kortom: het bekende
"Als een aap in een spiegel kijkt, kijkt een aap terug" is van
toepassing.
[7] "De meeste schryvers,
dichters, wysgeeren van naam, hebben daaraan hun roem te danken."
Zeker in Nederland waar hoge premies op gewoonheid, middelmatigheid en
conformisme staan.
[8] "- O
Fancy... Fancy...
sterven voor u... sterven met zulk een kus op de lippen!"
Voor
een amper twaalfjarig Protestants jongetje levend rond 1810, opgevoed
in benepen fatsoen, is dit een zeer ongeloofwaardige uitroep. Maar zie
405
- 412 in Ideen 1,
[9] "- Je
bent een lieve, lieve, jongen, zei ze, en greep zyn hoofd met beide
handen, en kuste hem weêr, en nog-eens nog-eens... op 'n wyze alsof ze
't meer gedaan had. Wat toch niet waar was."
En
voor een 14 à 16 jarig Katholiek meisje levend rond 1810, ongetwijfeld
ook opgevoed in benepen fatsoen, is dit een behoorlijk
ongeloofwaardige handeling, zeker met een 12-jarig Protestants
jongetje.
[10] "Sedert
vier, vyf, jaren las ze dagelyks in dat boekjen, en was altyd tevreden
geweest met de maat van haar begrip."
Zoals het miljoenen verging, hele levens lang, met het lezen in
Bijbel, Koran etc. Dit wanbegrijp gekoesterd als begrip heeft ook een
reden die veel met hoogmoed (220 -
223) heeft te maken, of beter: Met het
gewone gebrek daaraan. Gewone lezers van filosofie en theologie menen
namelijk enerszijds, en terecht, dat zij zelf in het geheel niets
bijzonders zijn, maar anderszijds dat zij heel wel in staat zijn te
oordelen over het bijzondere proza van buitengewone mensen. Hoe doen
ze dat? Gewoonlijk door een beroep op autoriteiten: De lokale
autoriteiten beweren dat dit of dat (als: Bijbel, Koran, Marx, you
name it - neem bijvoorbeeld Oosterhuis (394))
zo buitengewoon bijzonder prachtig diepzinnig wijs en goedertieren is
dat eenieder er waarachtig door gesticht wordt die er kennis van
heeft. Men slaat het prozaisch prachtig open en leest iets als
(waarachtig citaat!):
"Deze geboren vreemdeling op vijandelijke
bodem getogen, tenzij van fonkelende zonen, neven, uitgelezen schonen,
toont hij zijn wonden spreekt zijn woorden deze dichter zonder landstaal
deze blanke zwarte blanke oudere broer van miljoenen deze geboren koning.
Zwart als git wordt het licht -
loodzwaar hangen de wolken - iedere helling te steil, ach olijven je
smaakt me niet meer: dat is hem overkomen."
Wie durft hier gearriveerd - als
welwillend doorsnee-lezer en middelmatig denker, voorgelicht door
lokale autoriteiten, en gewillig het goede te doen en het ware te
geloven - nog te beweren dat dit slaande waanzin is of in ieder geval
z'n begripsvermogen ver ontstijgt?
[11]
" - En
't vagevuur? - Daar
weet ik niet van. - En
de biecht? - Gut
né..."
Hier vernemen we een paar fundamentele leerstellige en praktische
verschillen tussen Katholieken en Protestanten.
[12] " - God
schiep de wereld... - Wat deed hy
vóór dien tyd, Femke?"
Zoals we hieronder zullen zien in M.'s tekst doet Wouter zich hier
naïever voor dan hij was.
[13] "Jezus heeft het jaar veranderd. Hy begon met nul by z'n
geboorte."
Dit
is ongetwijfeld een opzettelijk door M. verkozen kinderlijke manier
van verwoorden, en het is in diverse opzichten niet waar. Voorzover ik
weet is uitgerekend dat de historische Jezus vier jaar voor het in de
huidige tijdrekening veronderstelde jaar 0 geboren, en het hele begrip
0 werd pas ca. 1250 ingevoerd in het Westen.
[14] "Dit
is nu juist het heilige van de zaak, antwoordde Femke.
En daarom heet ze ivoren poort. Begrypje 't nu,
Wouter?"
Dit
is een fraai voorbeeld van het gebruiken van leeg woordgebruik -
klanken - in plaats van waarachtige begrippen.
[15] "Hy
zou begrepen
hebben dat haar weten ver beneden 't zyne stond, maar in zyn
onbestuurd gevoel veranderde alles van zin."
Maar
dit begrijp ik niet, althans waar het om "weten"
gaat, want zowel Wouter als Femke wisten niets van de vragen waar ze
het hier over hebben. Ik wil echter aannemen dat M. bedoelde dat
Femke's begripsvermogen geringer was dan dat van Wouter, en dat zou
hem inderdaad duidelijk zijn geworden uit tal van vragen die zij niet
en hij wel stelde over dezelfde onderwerpen.
[16] "Wouter voelde neiging tot zweven,
en z'n heele omgeving dwong hem tot kruipen."
Dit
is een sleutelzin in "Woutertje Pieterse". Zie ook
74 en
261.
[17] "om
op-nieuw te beproeven of hy een doortocht vinden kon naar 't ééne
onbekende: de oorzaak van het zyn."
Zie
hieronder voor wat theologie. Op deze plaats verdient het opgemerkt
dat dit een goed voorbeeld is van een zinledige vraag, omdat de
oorzaak van wat is of was alleen iets kan zijn wat is of was, zodat de
oorzaak van wat is niet gezocht kan worden buiten wat is.
[18] "En
wat zou er eerst geweest zyn, een appel of 'n pit?"
Het
bekende kip-of-ei probleem in een andere vorm. Het bekende probleem
kan opgelost worden door de overweging dat er geen kippen zijn die
niet uit eieren ontstaan, en wel eieren die niet uit kippen ontstaan.
Wouter's probleem kan overeenkomstig aangevat worden: Geen pitten of
appels zonder bomen, wel bomen zonder appels met pitten. (Mijn reden
om dit uit te schrijven is dat zoveel mensen beweren dat dit
onoplosbare problemen zijn. Ik had mijn oplossing van het kip-of-ei
probleem al op of voor Wouter's hier in M.'s tekst aangenomen
leeftijd.)
[19] "'t
Was hem niet kwalyk te nemen, dat-i bleef vasthouden aan die
kinderlyke neiging om zich een begin te denken."
En wel omdat er vele zogenaamde godsbewijzen gevoerd zijn op basis van
deze veronderstelling. Zie bijv. Aquinas' Summa Theologica (heel
scherpzinnig - zolang er geen sprake is van geloofszaken). Daarvan
sprekend: Een andere vreemde eigenschappen van dergelijke godsbewijzen
is dat de meeste die ik gelezen heb neerkomen op deze vorm: "Alles heeft
een oorzaak. "Dus" moet er een eerste oorzaak zijn. "Dus" dit is God.
(Prijs de Heer, etc.)". Dit is vreemd geredeneerd, want de eerste
aanname is om te beginnen hoogst twijfelachtig (zeker als toeval
bestaat). Maar dat daargelaten: Het eerste "dus" geldt niet omdat ALS
alles een oorzaak heeft het voor de hand liggender is om te
konkluderen: En daarmee zijn er geen eerste oorzaken. Het tweede "dus"
is - zo mogelijk - nog vreemder: Hoezo moet de eerste oorzaak, als ie
dan zou bestaan, per se god of goddelijk zijn?
Maar
... de lezer die dit niet verveelt kan verder met
Leibniz.
[20] "Aan
hen die Wouter kinderachtig vinden, moet ik
zeggen dat ik hem niet veel dommer vind dan
Plato,
Kant en dezulken."
Multatuli had heel weinig op met de meeste filosofen, maar het is me
niet duidelijk hoeveel kennis hij van filosofen had. Ik ben bang dat
hij velen beoordeelde aan de hand van samenvattingen door anderen,
maar dergelijke samenvattingen kunnen niet veel scherpzinniger zijn
dan de samenvatters, zeker wanneer deze de denker die ze behandelen
niet citeren maar in hun eigen woorden weergeven.
Hoe
het zij: Ik heb zowel Plato als Kant gelezen (de eerste zelfs
volledig, hoewel niet in het Grieks) en ikzelf vind Plato bijzonder
scherpzinnig en buitengewoon goed schrijvend, al is het overgrote deel
van wat bij beweerde (bijna 400 jaar voor Christus schrijvend, door
mij bijna 2500 jaar later beoordeeld, with the benefit of much
hindsight) onzin. Maar een grote deugd van Plato is dat hij kwesties
niet uit de weg ging en uitstekend logisch kon redeneren, als hij
wilde. Van Kant heb ik een veel geringer dunk, onmodieus als dat mag
zijn onder academische filosofen, en mijn hoofdbezwaar is weer niet
dat ik zijn stelsel overwegend onzin vind, al is ook dat zo, maar dat
hij zich buitengewoon slecht uitdrukte en niet echt goed logisch kon
redeneren. (Wie dit behoorlijk scherp en in fraai Duits uitgelegd wil
zien raadplege Schopenhauer: Anhang bij band 1 van "Die Welt
als Wille und Vorstellung" - "Kritik der Kantischen Philosophie".)
[21] "En
voor deze heeren kan geen jeugd worden aangevoerd als verlichtende
omstandigheid, terwyl zy zich bovendien voor hun onkunde lieten
betalen als-of 't wysheid geweest ware."
Kant
was professor, ontving salaris, en schreef bijzonder laf klinkende
zeer vleiende voorwoorden gericht aan de Koning van Pruisen in zijn
filosofische werk. Maar Plato vond het onnet geld voor
filosofie-onderwijs te vragen, en hoefde dat ook niet, want kwam uit
een welvarende familie.
[22] Voor Omikron zie
407.
[23] "Nu
voor alsdan geef ik den heeren kennis, dat
Femken een Amelander kap draagt.
Quaeritur: hoe komen de vrouwen van dat eiland, aan een
hoofdtooisel dat meer met het Noordhollandsche uit de buurt
van Alkmaar, dan met het Friesche overeenstemt?"
De
Nederlandse schilders voelden zich niet aangesproken naar mijn weten.
Hoe het zij: Multatuli's vader en moeder waren afkomstig van Ameland -
en op de gestelde vraag weet ik het antwoord niet.