O, er zyn veel voogden - en ouders! -
die verdienen zouden te recht te staan voor de chambre ardente
te Zwol. Hoe zou 't de regeering van den Nederlandschen Staat maken,
als zy eens werd opgeroepen zich te zuiveren van den blaam dat
ze schuldig is aan verwaarloozing en mishandeling van pupillen en
stiefkinderen?
Om nu niet te spreken
van Indië, hoe is 't gesteld met z'n eigen kind, met het
Nederlandsche Volk? [1]
Dit willen we eens
nagaan, en als handleiding daartoe, acht ik 't goed hier een brief te
publiceeren, dien ik voor weinig maanden schreef, en waarop me byval
ten-deel viel. 't Zal misschien nuttig wezen dien byval optewekken in
grooter kring, opdat er kracht ontsta door vereeniging.
Den Haag, 19 Januari
1864.
*)
[2]
Amice! Wy hebben
meermalen, en vooral in den laatsten tyd, al pratende ons bezig
gehouden met de publieke zaak. Dat praten is spreken geworden, en uit
dat spreken is zekere stemming voortgevloeid, die ons dringt verder te
gaan, en 't niet te laten blyven by spreken. Handelen
dus, werkzaam zyn, iets doen, dat is de aandrift die
sedert weken en maanden ons vervult, en meermalen stuiten we alleen op
de vraag: hoe? Als 't waar is, dat alle beginselen moeielyk zyn,
dan verklaar ik dezen brief voor een moeielyk werk, want myn voornemen
is hem te maken tot punt van uitgang, altans dit te beproeven.
Ik zal schryven zonder veel inspanning - opmerking en studie is 't
schryven voorafgegaan -
losweg en als pratende, met dit verschil alleen tusschen myn
tegenwoordig schryven en vroeger gesprek, dat het u mogelyk wordt door
het meêdeelen van deze blaadjes, dezen en genen deelgenoot te maken
van onze inzichten. En daarom noem ik dit schryven een punt van
uitgang, wyl het u in de gelegenheid zal stellen te onderzoeken, of wy
dan zoo geheel alleen staan met onze meening:
[3]
I. Dat er aan 't
welzyn des Volks veel ontbreekt.
II. Dat dit voor
een groot deel is toeteschryven aan verkeerdheden in de
Staatsinrichting.
Na deze beide punten
te hebben behandeld, wil ik my bezighouden met het onderzoeken van de
vraag: welke middelen daartoe zouden moeten aangewend worden.
*
Doch ik herhaal hier dat dit
schryven inderdaad het eerste middel is. Gelukt het u namelyk,
door 't meêdeelen van deze bladzyden, sommigen te bewegen tot
aansluiting aan onze voornemens, dan volgt de verdere loop der zaak
vanzelf. Zoo niet, dan is 't moeielyker. Want publiciteit is...
kracht, ja, maar kracht voor de toekomst alleen. Publiek is niemand.
Publiek gelooft, neemt aan, juicht toe of verwerpt, beschimpt en
verdoemt... maar: toegejuicht of veroordeeld, men blyft even ver als
vóór Publiek's meening.
†
[4]
Eén persoon die uit hartelijke
overtuiging steunt of tegenwerkt, weegt zwaarder in de schaal die
overslaat naar slagen of mislukken, dan 't gemiddelde van al de
stemmen die elkaêr vice-versa vernietigen. Wanneer het u of my gelukte
eenige personen byeen te brengen, die ernstig het goede willen,
is er meer gewonnen dan by algemeene toejuiching, die krachteloos
wordt juist dóór hare algemeenheid.
Ik wil een voorbeeld
aanhalen van die onmacht der publieke opinie, in
tegenoverstelling van de macht die kan worden uitgeoefend door een
individu.
Stel u voor, dat ge
een accoord hadt gemaakt met 'n koetsier, om u te vervoeren van Arnhem
naar Amsterdam. Ge betaalt hem vooruit. Naby Utrecht blyft hy staan
met z'n rytuig. Waarom, doet nu niet ter zake: hy wil dat zoo.
Hy bekommert er zich niet om, of gy haast hebt, of 't u
onaangenaam is, langer dan noodig te vertoeven in z'n rytuig, hy
heeft in zyn belang, of vermeend belang, zich 't recht
aangematigd u te doen wachten. Naby Amsterdam vertoont-i dezelfde
komedie nog-eens, en arrogeert zich zelfs 't recht u optesluiten
in z'n wagen, zoolang hy verkiest.
Welk individu
zou zich zoo'n behandeling laten welgevallen? Niemand!
Nu, 't ‘Publiek’ wèl.
De Rynspoor-directie, steunende op die onmacht van 't Publiek, op de
zwakte der algemeenheid, durft te doen, wat niemand zich zou
veroorloven omtrent 'n persoon, en waar ieder persoonlyk
zich beklagen zou over den voerman die misbruik maakte van z'n
koetsiersgezag, gaat de weêrzin van 't publiek krachteloos verloren in
onnutten wrevel.
En als nu die onmacht
blykt, zelfs dan wanneer al de leden eener verzameling gelaedeerde
individuën samenstemmen in ontevredenheid - niemand zal beweren dat de
bedoelde handeling van de Rynspoor-directie hem behaagt -
hoeveel te-meer is dit dan het geval, waar de algemeenheid der
goedkeuring van nieuwe denkbeelden, tegenstand uitlokt.
Tegenstand uit eigenbelang, uit onkunde, uit vooroordeel, uit de
verwaande begeerte tot het voeren van 'n eigen vlag. O, zal men
misschien zeggen, de waarheid zal zegevieren, en wie anders wil
overwinnen dan door haar, verdient die zegepraal niet. Dit is
zoo. [5] De waarheid zal zegevieren, nadat de leugen tyd in
overvloed heeft gehad, zich te verzadigen aan misbruik. Zeker zal er
'n tyd komen dat men met minachting neêrziet op den tegenwoordigen
toestand, maar zy die daarvan voordeel trekken ten nadeele van 't
algemeen, zullen niet meer citabel zyn voor de rechtbank die dàn
uitspraak doen zal. Het baat den Javaan weinig, of men eenmaal de
Nederlandsche overheersching zal afschetsen als 'n droogstoppelig
Jezuïtisme. De weinigen die zich vetmestten ten-koste van de algemeene
nationale eer, en met voorbyzien van de algemeene welvaart, hebben
daardoor geen grein verloren van 't gewicht dat hun oneerlyke winst in
de schaal legt van hun oneerlyk gezag. Het baat der Natie weinig, of
reeds nu deze en gene inziet hoe ze wordt opgeofferd aan de
goochelary van een zeer kleine clique zoogenaamde Staatsmannen.
Die ‘staatsmannen’ plukken intusschen de vruchten van wat zy zaaiden,
en de Natie levert daartoe geduldig bodem en bemesting.
Ja, zeker zal de
waarheid zegevieren, zeker! Dat zeide ook gewis 'n enkele denker by 't
zien verbranden van eene heks. Maar... 't arme oude vrouwtjen is
verbrand.
En de ‘heeren van den
gerichte’ dier dagen zyn rustig gestorven op hun bed.
I. Er ontbreekt veel aan het welzyn des Volks.
Deze stelling laat zich gevoegelyk beschouwen uit drie gezichtspunten:
a.) Er
ontbreekt veel aan den zedelyken toestand des Volks.
b.) Er
ontbreekt veel aan den verstandelyken toestand des Volks.
c.) Er
ontbreekt veel aan den stoffelyken toestand des Volks.
a.) Moreel.
Hoe is de toestand van publieke eerlykheid? De statistiek der
rechtbanken toont aan, dat zoogenaamd-kleine gluipende lafhartige
vergrypen toenemen. De misdaden waartoe energie, moed, vaste wil,
vereischt worden, nemen af. Kindermoord is frequent, en men yst
by 't denken aan het cyfer der vermoorde kinderen, als men 't
onbekende afleidt uit het aantal der dagelyks blykende
gevallen. Het vinden van kinderlykjes levert een welkom vulsel aan de
couranten. En tevens bieden die kranten zelf, in hare annonces, 'n
goede gelegenheid tot waarneming van 't peil der publieke zedelykheid.
‘Geen gryze haren meer.’ ‘Dit middel geneest nog iets meer
dan alle kwalen.’ Wie dàt boek niet gelezen heeft, heeft niets
gelezen.’ Enz. [6]
Men lette voorts op
den toon van polemiek op staatkundig gebied, van controverse in 't
godsdienstige. Niemand acht den tegenstander, en al zeer
spoedig bemerkt men dat die wederzydsche minachting, of verachting,
gegrond is.
Er behoort vervolgens
ter schatting van de publieke zedelykheid te worden acht-gegeven op de
wyze hoe 't meerendeel des Volks zich vermaakt. Arbeid is
noodzaak, uitspanning keuze. Die keus geeft dus middelen aan-de-hand
ter beoordeeling van zedelyke ontwikkeling of bekrompenheid.
Dis-moi comment tu t'amuses, je te dirai qui tu es, zeg ik met wat
verandering 't bekende spreekwoord na. [7] Het Volk spreekt niet,
het wawelt of twist. Het zingt niet, het lolt. - 't Is me om 't
even of ik grof schyn in de keus myner woorden, myn hoofddoel is
waar te zyn, onverschillig of die waarheid ruw of liefelyk klinke.
De zaken die ik behandel, zyn ook niet fyn. - Het Volk wandelt
niet, het slendert. Het Volk vermaakt zich niet, het zoekt in
luidruchtigheid, met of zonder opwinding door drank, een middel ter
verdooving. Want de doorgaande, de normale toestand is:zorg.
Ik zeg met voordacht: zorg, en niet: smart, omdat er tot
het gevoelen van smart, zekere vatbaarheid voor fyner indrukken noodig
wezen zou, die voor 'n groot deel verloren is gegaan, zelfs in die
mate dat het oogenblikkelyk vergeten van de dagelyksche
ellende, in de schatting der lyders rang heeft genomen van vermaak.
[8]
Zeg my hoe ge u
vermaakt, ik zal daaruit opmaken wie ge zyt.
*
Ik weet dat het een fout is, uit op
zichzelf staande feiten al te stoutmoedig te besluiten tot algemeene
conclusien. Maar ook zou 't een fout wezen, niet te letten op
schynbaar nietige voorvallen, waar we zoo dikwyls zien dat belangryke
waarheden door onbeduidende verschynsels worden aan 't licht gebracht.
[9]
Ik herinner me by de behandeling van het thema: ‘de keus van
vermaak, een kenteeken van den stand der beschaving’ eene opmerking
die ik maakte by gelegenheid eener kermis te Amsterdam.
Men joelde, verdrong
zich, en... maakte veel geluid. Dat geluidmaken bestond in 't vry
vervelend herhalen van twee of drie maten zang. Om exact te zyn, mag
ik niet zeggen dat men ‘liedjes’ zong. Het eentoonig geschreeuw
bestond in ééne uitboezeming: de diepzinnige beschouwing der
crinoline. Velen noemen het een ‘onzedelyk lied.’ Dit is myns inziens
onjuist gezegd, in dien zin namelyk, dat de onzedelykheid niet zoozeer
is gelegen in zekere zeer laffe toespeling op de geslachtsdeelen, als
wel in de verwaarloozing van 't schoonheidsgevoel. Niemand is
slecht omdat hy blyk geeft te weten hoe de mensch gevormd is, vrouw of
man om 't even, maar wèl is 't een bewys van zedelyke verlaging,
uitspanning te zoeken in 't onophoudelyk uitschreeuwen van
dezelfde waarheid waarnaar niemand vraagt, en welker herhaling dus -
op z'n zachtst gezegd - overbodig is.
Over 't algemeen
bestaat er een groote afdwaling van de waarheid, in 't schatten der
zedelykheid. De nauwte van ons landje en onzer woningen, de duurte der
voedingsmiddelen, de moeite om ‘aan den kost te komen’... dit alles
heeft veroorzaakt dat men by die schatting, te veel de geslachtsdrift
wil te-pas brengen. (366)
Als 't kleeding, brood en vleesch regende, zou dat gauw veranderen, en ons arm gemeen
zou zeer spoedig uit zichzelf 't gros sel, van z'n liedjes
flauw vinden.
*
[10]
Dat het gemeen, in
afwachting van wat ruimte in spys en woning, nu grof en smakeloos
is, stem ik toe. En misschien worden weinige ooren daardoor zoo
onaangenaam aangedaan als de myne. Ik houd niet van grofheid, en voel
dikwyls myn smaak gekwetst in heel andere gezelschappen, dan er
zingend loopen op straat.
Maar ik maak verschil
tusschen 't beleedigen van den smaak, en krenking van het
hart. De straatliedjes noem ik vies en walgelyk. Het byblad
van de Staatscourant noem ik slecht.
Naar myn gevoel - en
ook naar myn gevoelen - is een minister of ander staatsdienaar, die
rang, inkomen en macht aanneemt, zonder daarvoor terugtegeven eene
evenredige hoeveelheid yver, kunde en goede trouw,
oneindig dieper te verachten, dan personen die, uit armoed van ziel,
zich schuldig-maken aan grove toespeling op 't geslachtsleven. 't Een
is laf, plat, smakeloos. Het ander noem ik misdadig.
[11]
Het klein gemeen
vraagt en verdient genezing. Het groot gemeen moet gestraft
worden, en zonder genade. Want het is geen geringe zaak een heel Volk
te bederven. Dat 's wat erger dan 't zingen van domme liedjes.
[12]
Nu, de kermistroep
dacht niet aan byblad of ministers, en zong zulke liedjes. Men
vermaakte zich, en ik wilde dat vermaak schatten, meten, wegen,
beoordeelen. Ik werd in m'n studie geholpen door 'n schreeuwende bende
die eensklaps ophield met het uitgalmen der natuurlyke historie van de
crinoline, en bleef stilstaan voor 'n koffihuis.
Welk vreemd voorval
was belangwekkend genoeg om 't vermaak aftebreken?
Voor het koffihuis
stonden stoelen. Een heer zat daar, zeker als aanschouwer van de
kermispret. Misschien waardeerde ook hy 't gehalte der
vermaken, en zie: die heer had z'n hoed afgezet. Dit was alles.
‘Ei kyk, 'n heer zonder hoed! M'nheer,
je zal koû vatten! M'nheer, kom hier, ik zal je toedekken!’ enz.
Het schandaal van
iemand die 't waagde 'n oogenblik daar te zitten zonder hoed, was
belangryk genoeg om het vermaak te vergeten, of liever dat
grootere vermaak verdrong gedurende 'n paar minuten het kleinere. Wat
moet men nu denken van de uitspanning der feestvierders over 't
geheel, als er zoo weinig noodig was om de heele uitspanning te
vergeten? En men meene niet dat deze opmerking op zichzelf staat. Noch
dat ze niet thuishoort in de rubriek: toestand der zedelykheid.
Ik herhaal dat men te veel gewoon is, by dat woord alleen te denken
aan zaken die in betrekking staan tot het geslachtsleven. Ik heb
daarover geheel andere begrippen dan de gewone, en trachtte myn
meening kort en forsch te formuleeren door de uitdrukking: de eer van
den mensch woont boven den navel. Doch al is men dit niet met my eens,
al beweren sommigen - zeer ten-rechte misschien! - dat ik hunne eer
een te hooge plaats aanwys, dit toch zal ieder moeten toestemmen, dat
er geen grooter onzedelykheid kan bestaan, dan eene zoo ellendige
armoede van ziel als men alöm by 't Volk kan waarnemen. Is
onzedelykheid niet te vergelyken by ziekte? En is niet hy ziek, die
uitgeput is, en zwak, en hongerend, en verslapt? Ligt er dus niet
onzedelykheid in die totale absentie van wil, geest, gevoel,
smaak? Is die leegte niet onzedelyk? O zeker, men zou
den man niet gezond noemen, die leed aan eene gelyksoortige
versterving van 't lichaam! Bloedarmoede, gebrek aan veerkracht in de
spieren, uittering
*
, verval van lichaamskrachten, dit
alles valt lichter waartenemen. Maar de ziel, die zedelyke
werking van 't lichaam, zou verwaarloosd kunnen worden zonder gevaar?
Dit is ongerymd. En ik noem de dwaling onzedelyk, die de
zedelykheid alleen zoekt in dingen van meestal conventioneelen aard.
Kracht van geest, energie, het scheppingsvermogen der gedachten,
dat is niet conventioneel, dat behoort tot de dagelyksche gymnastie
van den mensch. [13] Waar wy die gymnastie zoo in 't oogloopend zien
verwaarloozen, zou 't misdadig wezen daarvan geen melding te maken,
daarop niet te wyzen als een verontrustend verschynsel.
Ieder is by-machte het
eenvoudig voorbeeld dat ik aanhaalde, te toetsen aan eigen ervaring.
Het nietigst voorval op de straten geeft welkome aanleiding om de
gedachten aftetrekken van de schrale werkelykheid. Een kip te-water is
'n schouwspel. Een eenigszins vreemd kleedingstuk levert stof tot
gejoel. Een dronkeman geeft ware feestvreugde.
Wanneer nu sommigen
mochten beweren, dat ik de laagte der zedelykheid ten-onrechte noteer
op de peilschaal van 't vermaak, vraag ik of m'n opmerking niet
ten-volle wordt bewaarheid, wanneer men 't oog slaat op schynbaar
ernstiger zaken dan vermaak. Schynbaar... want: alles is
in alles. Genot en vermaak zyn evenzeer integreerende deelen
van 't mensch-zyn, als arbeid en inspanning.
[14]
Wie kan ontkennen dat
ons Volk laag is gezonken, als men let op den lammen toon die er
heerscht in 't zieleleven, toegepast op zaken? Waar is
ondernemingsgeest? Welke groote flinke dingen worden tot-stand
gebracht? [15]
Zoo-even over vermaak
sprekende, doelde ik voornamelyk op de zoogenaamd lagere klasse,
schoon ook de hoogere stof genoeg zou leveren tot gelyksoortige
opmerkingen. Waar van zaken kwestie is, mag men de
veerkrachteloosheid van den groothandelaar niet afscheiden van de
lamme mismoedigheid die den werkman kenschetst. Ik laat nu in 't
midden, of handel alleen in-staat is eene natie te onderhouden,
met wat zekerheid voor de toekomst, doch dit nu voorbygaande, welke
handel dryft Nederland? De beide hoofdartikelen van den
zoogenaamden Nederlandschen handel bestaan in koffi en
suiker, en die handel zal ophouden, zoodra wy de tuinen missen,
waarin wy die artikelen doen voortbrengen op zeer onzedelyke
wys. [16] En, de onzedelykheid der manier van voortbrengen daargelaten, kan
het handel heeten, dat kunstmatig makelaarschap tusschen 't
consumeerend Europa, en den tot slaaf gemaakten Javaan? Er is
inderdaad aan handel, aan wezenlyken handel, een zeer geniale zyde.
Een der kenmerken van zulken handel, is het opwegen, in zekere mate,
der kansen van winst door verlies. [17] De verhouding tusschen die kansen -
ik zeg niet de gelykheid, want dan zou 't dobbelen zyn -
veroorzaakt zekere spanning, die moed, kracht, inzicht, kennis en
energie vordert. Welke energie of kennis is er noodig tot het
verschacheren van waren die men verkreeg tegen pryzen welke de kooper
zelf vaststelde naar willekeur? Ben ik handelaar als ik me heer
maak over 'n werkman, en hem dwing z'n werk aan my te leveren tegen
een prys beneden de markt? Sluit dit niet alles buiten, wat handel zou
maken tot iets geestverheffends? Moet niet hy die daarmeê zich
hoofdzakelyk bezighoudt, vanzelf terugvallen in een zeer onzedelyke
apathie?
Wees niet bevreesd voor de
tegenwerping dat de materieele zyde alles domineert, dat men
niet ver komt met sentimenteele politiek, want straks by 't behandelen
van den stoffelyken toestand des Volks, zullen wy zien dat
hier, gelyk veelal, zedelykheid - de ware - hand-aan-hand gaat
met welvaart [18], en dat het voordeel van de weinige exploiteurs die zich
handelaars noemen, in-geenendeele het voordeel is van de Natie.
't Zou dan ook wel heel ongelukkig wezen, als een Volk ontzenuwende
handelingen noodig had om te blyven bestaan. Zoo'n volk mag
uitsterven als de roodhuiden. [19]
Handel? Is de
geestdoodende vrachtvaart van producten - zóó voortgebracht! - handel?
De overgroote meerderheid onzer reederyen staat in ondernemingsgeest
beneden de aandeelhouders in een binnen-trekschuitveer. Deze toch zyn
afhankelyk van kansen, welker berekening eenige inspanning gekost
heeft, terwyl de zoogenaamde groote vaart, met volkomen zekerheid hare
inkomsten vooruit kan vaststellen, of waar zy dit niet kan -
zoo-als byv. onlangs by de vrachtvermindering - geheel afhangt van de
willekeur eener party, en niet van den natuurlyken loop der
zaken. De mogelykheid bestaat dat 'n ministerie, met zeer gemakkelyken
pennestreek, de vrachten terugbrengt tot vorig bedrag, en daartoe ware
slechts zekere invloed noodig, dien we herhaaldelyk op zeer
onzedelyke wyshebben zien influenceeren op de publieke zaak. Alzoo
is die dusgenaamde handel geheel-en-al afhankelyk van luim of
eigenbelang der regeering, of juister: van de weinige personen
die tydelyk regeeren, en niet van eenen in de natuur der dingen
liggenden toestand. Welk zeer onzedelyk dryven en pogen hieruit
voortvloeit, behoeft geen betoog. Men verbeelde zich 'n speeltafel,
waar sommige personen de macht bezitten, de kaarten te verdeelen naar
goeddunken, en van die faculteit misbruik maken ten-behoeve van
vrienden, of ten nadeele van tegenstanders. Maar de onzedelykheid der
regeering hoort thuis onder de fouten der staatsinrichting. Dus
daarover straks.
Handel, nog-eens?
Wanneer men het daartoe noodig kapitaal - in economisch-juisten zin nu
- verdeeld heeft in: kennis, ligging en opbrengst van het land,
hulpbronnen van verkeer, behoeften van eigen volk en van anderen,
kortöm in al de factoren die 't dryven van handel mogelyk maken, wie
zal dan ontkennen dat kapitaal - in dagelykschen zin: geld -
een hoofdingrediënt uitmaakt van 't geheel?
[20]
Welnu, waar zyn de
kapitalen des Volks? Waartoe worden ze gebruikt? De bezitting der
kapitalisten steekt in papier, in schuldbrieven. En de voornaamste
handel bepaalt zich tot ‘weddingschap op hausse of baisse.’
Wie roode, geele of blauwe Grieken koopt, wedt dat die papieren
zullen stygen. Wie ze verkoopt - tenzy gedrongen door nood, en dit
maakt de zaak niet schooner - wedt dat Griekenland zal
achteruit-gaan. En waarop bazeert zich dat wedden? Op 't bestudeeren
der omstandigheden van dat land? Op kennis van zaken? Volstrekt niet.
Een gril, een luim, een niets, beweegt den
effectenspeler tot koop of verkoop, en evenmin als de dwazen te
Homburg of te Spa, weet hy reden te geven van z'n zet. Doch aan zoo'n
speelbank is iets openhartigs by de zaak. De speculant op rouge
of noir zegt, na voordeelig spel: ik heb gewonnen. Onze
effectenluî zeggen, zeer onzedelyk liegende: ‘ik heb verdiend!’
[21]
Is 't handel
eindelijk, de oproepingen die we dagelyks vinden van ‘voorname’ huizen
aan 't publiek, om geld te schieten tot ondernemingen, waartoe men
hoogstwaarschynlyk Publiek's geld niet behoeven zou, wanneer ze zoo
voordeelig waren als die ‘voorname’ huizen dat afschetsen? Daarby
behooren dan: namen. De kommissaris is kommandeur van de een of andere
kroon. Een der directeuren is staatsraad in zekere - of onzekere -
dienst. De raad van toezicht schittert van sterren en titels. Maar als
later de geloovige geldschieter zich aanmeldt by een van die heeren,
om dividend, om rente, om inwisseling a pari zelfs, van het
verstrekte, dan blykt er dat de heeren die de oproeping teekenden, de
onderneming wel patrocineerden, maar volstrekt niet garandeerden. Het
antwoord ligt voor-de-hand, al spreekt men 't dan liever niet uit:
- ‘Myn goeie man...
dit begrypt ge toch... als de zaak zoo goed ware geweest als we
zeiden... zou ik niet uw geld, maar m'n eigen geld daartoe
gebruikt hebben!’
*
Onlangs las ik een dusdanige
oproeping in de nieuwsbladen. Eenige heeren met velerlei titels - de
vrome ex-burgemeester van Amsterdam stond boven aan - raadden de
lezers aan, geld te schieten in eene internationale logement-opzettery.
- NB. de vermoedelyke kapitaalskracht der onderteekenaars reikte
waarschynlyk ruim toe, om de benoodigde som, zonder Publiek,
byeentebrengen, doch daarin bleken zy geen lust te hebben. - Dezelfde
bladen behelsden op 'n andere bladzy, een entrefilet: ‘men
verneemt dat de aandeelen in de internationale hôtel-vereeniging, op
de beurs te Londen met eene premie van 7/8
à 11/4% worden verhandeld!’ De heeren
dreven dus de edelmoedigheid zóó ver, dat zy die winst welke te Londen
terstond te behalen was, niet voor zichzelf namen, maar die geheel
belangeloos ter beschikking stelden van ieder die in-staat was zich 'n
aandeel aanteschaffen van 25 pond sterling.
Zyn zulke
kwakzalveryen zedelyk?
Is er moraliteit
in 't speculeeren op de onkunde van de menigte die voortgaat aan
zekere namen en titels eenige waarde te hechten?
[22]
Hoe 't overigens gaat
met zoodanige ondernemingen! Ik ben in de gelegenheid geweest, eene
daarvan nategaan in wording en voortgang. Een bankierskantoor stelt de
negotiatie open, en begint met 'n speculatie op de dubbele beteekenis
van het woord: goed. Een goed huis, dat is zoodanig
huis welks handteekening discomptabel is by de bank, heeft
meermalen die renommée van goed, dat is: solide ter
verplichte betaling, solvent, te danken aan 'n reeks van
handelingen die volstrekt niet goed zyn. Het bankiershuis
waarvan ik sprak, was zeer solide. Of 't goed was in
moreelen zin, zal straks blyken. Op aanpryzing van het ‘goede’ huis,
waren de veertien of zestien ton die er tot de bedoelde onderneming
noodig waren, spoedig by-elkaêr. Het goede huis vergat niet, de
behoorlyke administratiekosten aftetrekken. Indien het dit verzuimd
had by deze en vorige gelegenheden, zou immers het huis onmogelyk zoo
‘goed’ geweest zyn?
Na 't verwerken van de
hoofdsom, bleek er - of altans men gaf voor - dat er fouten waren
ontdekt in de raming. De aandeelhouders werden genoodigd tot
suppletie. Het mes werd op de keel gezet: ‘om niet alles te verliezen,
moest er 50% by.’ Velen deden het. Anderen, onmachtig, verkochten de
aandeelen in het hoofdkapitaal, voor 12 à 15%. Van die aldus verkochte
aandeelen, kwam 't grootste gedeelte in-handen van het ‘goede’ huis.
Na eenige jaren arbeids, deed zich een force majeure voor, die
volgens de circulaire van het ‘goede huis’ de zaak zeer belemmerde, en
alle vooruitzicht den bodem insloeg, tenzy men voorzag in eene
nieuwe suppletie van fondsen. Wederom daalden de aandeelen. Het
huis had geen concurrent in 't opkoopen, en maakte daarvan een ruim
gebruik, met het gevolg dat eindelyk een bedrag van circa drie
miljoenen gestorte fondsen, of wel de voor dat bedrag verkregen
rentable arbeid, in het bezit is geraakt van het ‘huis’ dat
daarvoor niet meer dan 9 à 12%, of circa drie tonnen heeft uitgegeven.
Het verschil drukt het verlies uit, dat geleden werd door vele
armen. Ik weet van zeer naby dat 'n oude keukenmeid, dienende by
de familie van het ‘goede huis’ haar spaarpenningen by die speculatie
heeft ingeschoten.
Is dit zedelyk?
[23]
Ik sprak van couranten
en hare betaalde entrefilets. Is 't zedelyk, dat ze 'n
verraderlyk: ‘men verneemt’ laten drukken voor een kwakzalversbetoog,
en aldus op hare beurt misbruik maken van de lichtgeloovigheid der
naïve lezers? Hoe overigens de nieuwsbladen in elkaêr worden gezet,
heb ik gekarakteriseerd in m'n eerste brochure over
Vryen-arbeid.
En als er nog bewys
noodig ware voor de verregaande onzedelykheid der voorlichters van de publieke
opinie
*
hebben wy niet nog onlangs gezien
†
hoe een zoogenaamd liberaal blad
zich aan een tegenstander verkocht? Is dat zedelyk? Wat moet
men zeggen en denken van lieden die jaren lang voorgaven zekere opinie
te zyn toegedaan, en eindelyk na veel groote woorden van: principes,
overtuiging, vaderlandsliefde, gehechtheid aan het ware en goede, die
- nà dat alles - hun invloed, hun talent, hun orgaan, weggeven voor 't
bod des tegenstanders, opdat-i zyn invloed, zyn talent,
zyn orgaan daarvoor kunne in de plaats stellen, om later - wie
weet! - dat alles weêr te verkoopen by een convenabel bod?
Is dit zedelyk?
Is 't zedelyk dat 'n
predikant - onder toejuiching nog-al! -zyn gemeente verwyt dat ze dom
en lichtgeloovig was in 't aannemen van de leugens die hy vroeger
verkondigde voor loon, en dat hy nu onbeschaamd voortgaat dat loon te
ontvangen, schoon-i betaald wordt voor 't bepreeken van het tegendeel?
Dat-i nu 't volk bedriegt op tweërlei wys, de geloovers door een
walgelyk-laffe klanknabootsing van de oude taal Kanaäns, de
halfdenkers door 't noemen van 'n waarheid hier-en-daar? Dat-i voorts
zich aanstelt als hadde hy die waarheden ontdekt, hy, en
niet de velen die lang vóór hem ze luide hebben verkondigd, en
daarvoor scheldwoorden en laster inoogstten van hem en z'n
geestverwanten? Ik spreek hier uit persoonlyke ondervinding.
[24]
Is dat zedelyk?
Gy begrypt dat ik in
dit vluchtig schryven minder betoog, dan aanstip. Het is
my minder te doen om volledig te zyn, dan waar. Ik zou nog veel
te zeggen hebben over de scholen, over de kroegen, over de
schouwburgen, over de kerken. Over al de schandelykheid welke er
gedoceerd wordt in die inrichtingen. En over veel meer dat ik nu
oversla, om 't bestek van dezen brief niet te-buiten te gaan. Ook zal
ik op veel punten terugkomen by 't behandelen van den intellectueelen
en stoffelyken toestand, daar alles zoo nauw in-elkaar grypt dat
splitsing moeielyk is. Voor ik evenwel afstap van de vluchtige
opsomming der feiten die over 't algemeen den staat van
onzedelykheid der natie staven, wil ik nog even terugkomen op den
zoogenaamd geringen stand. By den werkman bestaat niet de minste
gedachte dat er door yver en inspanning, mogelykheid is tot
‘vooruitkomen.’ Het blyft de vraag of die gedachte, àls ze bestond,
hem gelukkiger maken zou, en of niet de vruchteloosheid zyner begeerte
hem meer zou grieven, dan thans zyn slaperige, onbewuste apathie,
schoon 't aan den anderen kant zeker is, dat alle moreele en
materiëele vooruitgang onmogelyk blyft, zoolang hy daartoe geen
begeerte voelt.
Onze vrachtvloot is
voor 'n zeer groot gedeelte, ja uitsluitend byna, bemand met Denen,
Noren, Zweden, Jutten en Oostzeeduitschers. Het Nederlandsche Volk,
zoo by-uitnemendheid zeevarend naar men zegt, vaart volstrekt niet
ter-zee. Er staan veel schepen geboekt op naam van Nederlandsche
kantoren, dit is alles. De noodige energie - toch zoo byzonder groot
niet - om dienst te nemen aan boord van 'n koopvaardyschip, schynt te
ontbreken, en dit is te-meer in 't oog vallend, wanneer men let op 't
verschil tusschen de voeding van den matroos en van den ambachtsman,
een verschil dat menigeen naar zee moest lokken, naar 't schynen zou
aan ieder die geen achtslaat op het treurig, zeer onzedelyk
verschynsel, dat zelfs honger niet in-staat is het volk wakker
te schudden.
Is die toestand
zedelyk?
Weêr moet ik
aandringen op 't besef der onzedelykheid van de dwaling, die
zedeloosheid by uitsluiting zoekt in 't geslachtsleven.
[25] Dat hebben
de heeren moralisten gemakshalve ingevoerd, om door 't prediken van
‘onthouding’ zich den schyn te geven van boetprofeten. Het is zeker
lichter de heel passieve deugd van onthouding te preeken, dan
voorschriften te geven hoe men behoort te handelen. De ware
zedelykheid is werkend, niet lydend. Deugd is: geluk
geven, en geven is 'n handeling.
[26]
Hoe is 't, uit dit
oogpunt beschouwd, gesteld met de zedelykheid van 't Volk? Wat is, om
nu by de dusgenoemd lagere klasse te blyven, de vader voor den zoon?
De man voor de vrouw? Wat zyn de kinderen voor de ouders? Hoe
volbrengen die individuën, van weêrszyde, in 't algemeen de
verplichtingen die wy zoo treffend vinden... in een boek, maar zoo
zelden aantreffen in de wereld? Klinkt het niet byna als 'n ongerymde
vordering dat menschen inderdaad menschen zyn? Geldt niet in 't
spraakgebruik de uitdrukking: ‘hy drinkt niet’ als 'n lofspraak? Zyn
wy niet reeds tevreden, als er van een werkman wordt gezegd: ‘hy is
oppassend’ alsof dit genoeg ware? Alsof 't voldoende was, dat hy geen
reden geeft om te worden weggejaagd uit winkel of werkplaats, en alsof
z'n zedelyke minderheid zóó wordt aangenomen als van algemeene
bekendheid, dat zelfs de vordering van iets hoogers ons
voorkomt als ongerymd? [27]
Ligt er niet in de
laagte der eischen die we gewoon zyn te stellen aan den geringeren
stand, een bewys dat er over 't geheel van de zedelykheid in dien
stand weinig verwacht wordt? [28]
Van dien stand?
Wat wil 't zeggen: van dien stand? Is de scherpe afzondering
der standen, zooals die in Nederland wordt gehandhaafd, zedelyk?
[29] Ik
trek geen party voor den onttroonden adel der middeleeuwen, maar zyn
we zooveel verder met onze kruieniershoogheid? Met onzen boerentrots?
Met de morgue van onze parvenu's? Met de insolentie onzer
vry-arbeiders, contractanten, concessionarissen, effectenprinsen, en
hoe al 't volk heeten moge, dat 'n onëvenredig deel inslokte van de
algemeene welvaart?
*
Welk nut heeft 't
Volk getrokken van de fransche revolutie, als de plaats der
ci-devants overal wordt ingenomen door ander canaille? Drukte de
belasting die men in ontzag, goederen en bloed moest opbrengen aan
gemeene ridders, zooveel zwaarder, dan die 'r nu wordt opgebracht aan
't fatsoenlyk gemeen? Is 't zoo'n voordeel, dat wy de wolven hebben
verruild voor vampiren? Wonden en snellen dood, voor tering en
langzaam sterven?
Wat beduidt overigens
die gelykheid in kerk of loge, de broederschap die we hooren preeken
binnen'skamers, maar die terstond schynt te vervallen, zoodra de
broeders zyn teruggekeerd in de maatschappy? Wat helpt het, of men
een God heeft die als algemeene vader heet te fungeeren, als-i z'n
gezin zoo ongelyk behandelt, voedt, kleedt en huisvest? Of als de
beter bedeelde broeders op de anderen neêrzien met minachting?
Zou 't ook hier zyn: un frère est un ennemi donné par la nature?
Is die afscheiding van
standen zedelyk?
Meen niet dat ik
gelykheid predik. Volstrekt niet. [30] Zoowel als de maat van myn kleeding
verschilt van de maat die 'r past aan m'n kleinen jongen (50)
zoowel ook is er groot verschil in zedelyke waarde, in verstandelyke
ontwikkeling, in gepresteerde dienst, en dus in aanspraak. Volstrekte
gelykheid is ongelykheid, en daarom onbillyk.
[31] Maar 't verschil
van stand wordt niet aangewezen door verschil in bezitting.
[32] Hoe? M'nheer die of die wist miljoenen by elkaêr te zuigen
uit de bron die allen moest laven... anderen hebben te
weinig, wat hy te veel genoot... en men zou hem by
't onwettig leeuwendeel dat-i wist te zamelen, nog eerbied en
onderdanigheid bewyzen bovendien?
Is dit stellen van een
premie op 't byeenschrapen van fortuin, niet laag en laf in wie ze
aanbiedt, oneerlyk en laag in wie ze vordert of ontvangt?
Is die toestand
zedelyk?
Ik erken dat de
lamzalige onderdanigheid van middelstand en armen my meer stuit dan de
trots der anderen.
*
Als ik kiezen moet tusschen een kalf en wie er voor
knielt, kies ik 't kalf. Het beest is stom, en kan niet zeggen:
besteed je tyd en je kniën beter.
Gelykheid? O neen!
Geen twee bladen aan een boom zyn gelyk.
Geen twee bladen zelfs in de heele
natuur. Geen twee stofjes. Neen, geen gelykheid!
[33]
Er is verschil, en
groot verschil, tusschen een mensch en een mensch. De waarlyk brave man die 't
goede wil, die 't betrachtte, die daaraan z'n leven wydt,
daarvoor zich opoffert als 't noodig is... o, hy staat niet gelyk met
den ellendeling die onder schyn van nederige vergetenheid, zich alleen
bezighield met het mesten van zyn ik, met rusten zonder ooit te
hebben gearbeid.
[34] Curtius,
die in den kuil sprong om Rome te redden, staat niet gelyk met 'n
verrader die z'n medeburgers in den kuil gooit om zichzelf te
bevoordeelen. Ik sta niet gelyk met
Duymaer van Twist. En zùlk verschil van
stand wil en zal ik handhaven met alle macht. In dàt verschil ligt ook
de natuurlyke adel die nooit kan worden weggecyferd, al heeft
men ten-rechte den maatschappelyken onnatuurlyken perkament-adel
beroofd van alle prerogatief. [35]
De ware adel zit in 't
hart, en plant zich voort in de harten. Ten-allen-tyde zal 't een kind
aangenaam zyn te hooren, en een spoorslag wezen ten-goede, dat men hem
zegt: uw vader dacht - en handelde - goed. Die adel
blyft bestaan. Gevolg van feiten, is hyzelf een feit.
En er bestaan ook
andere verschillen. Verschil in ontwikkeling van denkvermogen, toon,
beschaving, ondervinding, smaak. O zeker, dit alles scheidt de
menschen in soorten en klassen. En ikzelf erken, zeer aristocratisch
gesteld te zyn op 't handhaven van dat onderscheid, en daarom dan ook
afkeerig van veel omgang.
*
[36] Maar dit alles wettigt de
afscheiding van standen niet, zoo-als we die waarnemen in onze
maatschappy, en die belachelyk wezen zou, als de gevolgen niet zoo
treurig waren. De groothandelaar acht zich verheven boven den
tweedehands-koopman. Deze boven den makelaar of winkelier. De
winkelier in die straat, boven z'n collega in een andere
straat. Deze weêr boven den uit-venter op den publieken weg. Het getal
afscheidingen is eindeloos, en er hoort een microscopischen blik toe,
om al de verschillen waartenemen. Ik ben er dan ook dikwyls meê in de
war, en verwys u, als gy gesteld zyt op juistheid in de classificatie,
tot meester Pennewip.
[37]
't Is treurig, zeide
ik. Ja. Want de zoogenaamd-hoogere klasse leert de lagere niet kennen.
De broederschap openbaart zich alleen in tyden van gevaar.
[38] Dan is de
arme of minder welvarende broeder goed genoeg voor schutter, conscrit,
pypgast, of nummer zooveel op de lyst van choleralyders. Dan
zakt de hoogheid een beetje, en verwaardigt zich tot kennisname van 't
bestaan der lager geplaatste broeders. Overigens blyft ze, zelfs waar
menschenliefde 't pakjen aantrok van uithangbordige philanthropie, op
'n afstand, grootsch, styf, vormelyk, en... wreed. Zonder in 't
minst party te trekken voor verjaarde toestanden, beweer ik dat de
verhouding tusschen adel en gemeenen, tusschen slavenhouders en
slaven, over 't geheel, meer lichtpunten aanbood, meer
liefelyks bevatte, dan er in onze maatschappy wordt gevonden in de
relatien van armen, burgerluî en ryken. [38] En dit nog: de ryken zyn 't
ergst niet. De middelstand, de ‘heele fatsoenlyke’ middelstand drukt
veelal met z'n halfbakken fatsoen nog zwaarder op den armen werkman,
dan de ryke wiens hoogheid niet betwist wordt en die dus, eenmaal 't
gouden kalf vertoonende, altans in z'n rol is door kalverigheid.
[39]
Ook de verhouding
tusschen patronen en cliënten te Rome was schooner, dan wat daarvoor
in de plaats zou moeten zyn by ons. En zoo geheel anders was de
opvatting van den band tusschen meester en slaaf by de oude Romeinen,
dat we in onze moderne talen het woord ‘familie’ hebben overgenomen
ter aanduiding van bloedverwantschap, terwyl dat woord toch
oorspronkelyk het huisgezin beteekende: met inbegrip van
lyfeigenen. [40] Dat men oudtyds z'n slaven mishandelde, is waar. 't Is
even waar, als dat er tegenwoordig zooveel kinderen mishandeld worden
door de ouders. Maar uit alle geschriften blykt dat de verhouding
tusschen meester en knecht, tusschen aanzienlyk en gering, in vroeger
tyd inniger was dan by ons, en misschien ware 't niet onjuist het
woord familiaar te vertalen met: zoo-als een dienaar (famulus)
tot z'n heer spreekt. Zoo kan er verwyt liggen in
spraakgebruik, en soms moet men de taal verkrachten om leugenachtige
zeden te verschoonen. [41] Van ons woord: slecht, dat in
maatschappelyken zin beduidde: onaanzienlyk, niet voornaam,
heeft de meisjesachtige preutsheid van die zeden een neusöptrekkend
méchant gemaakt. Kerel = 'n manbaar persoon, een volwassen,
sterk, dapper man - misschien, even als 't woord kracht, van
den sanskritwortel kr = werken, maleisch: kerdda
- is vastgegroeid aan: gemeen. [42] Ja, 't adjectief hoeft er niet
eens by. De beteekenis daarvan is opgenomen in 't hoofdwoord. Wie
werken kon, wie sterk was, flink, dapper en bekwaam om z'n handen
uittesteken, moest 'n gemeen persoon wezen. 't Was
‘onfatsoenlyk’ dachten de meisjes van de kostschool die 't menschdom
bezoekt sedert 'n eeuw of vier. 't Woord gemeen zelfs hoort
geheel by deze opmerkingen. Commun, communis, ke- of gemein, common...
overal heeft die klank nu de beteekenis van zekeren degradatie, terwyl
toch de oorspronkelyke zin alleen doelt op ontstentenis van rang. 't
Woord dief - Saksisch theof - beduidt niet: iemand die
steelt. 't Is een dienstknecht, een volgeling, een lyfeigene,
iemand van lagen rang altoos, maar geen misdadiger daarom. Het
denkbeeld: misdaad, oneerlykheid, schande enz. is, in al die
woorden, een uitvindsel van 't ploertig fatsoen der eeuwen.
*
Maar genoeg van taal. Is 't in onze
maatschappy zedelyk, dat de armen en gemeenen op zoo
verren afstand worden gehouden?
De ryken en
aanzienlyken zyn òf beschaafder, verstandiger, beter dan de geringen,
en in dat geval zyn ze wat meêdeeling schuldig van den zedelyken schat
dien ze bezitten. Of ze zyn dat alles niet, en dan vervalt hun
aanspraak op onderscheiding. [43]
Maak evenwel uit dit
alles niet op, dat ik de geringen zedelyk hoog stel. Integendeel, ik
vind het gemeen meestal zeer gemeen.
[44]
Alleen beweer ik dat de ongemeenen
verantwoordelyk zyn voor de laagte waarop hun gemeene broeders staan.
Als ik 't straatgezang hoor, dat me zoo walgt, ben ik verontwaardigd,
ja. Maar in dit gevoel is beklag van de zangers, aanklacht
tegen de voorgangers. Tegen de voorgangers in de raadzaal en
wettenfabrieken, op kansels of katheder. Op hùn hoofd komt de
liederlyke smakeloosheid van 't Volk. 't Is de witharige wysheid van
't fatsoenlyk canaille, dat aangetast moet worden over den toestand
der armen. En dat voor dien toestand boeten zal, als ik nog wat leef,
en gelegenheid heb om te werken. De maskers van gehuichelde deftigheid
moeten afgelicht worden. Het Volk moet weten: eerst
hoe laag 't zonk, daarna hoe 't door geloof, staatkunst en
fatsoen, met grondwetten, kiezerybluf en dagbladen, met witte
dassen en keizersgrachtery, met bybels, tractaatjes en een ‘Heer’ tot
die laagte gebracht is.
Een Heer? Zeker. Ik
mag myn hoofdstuk over de zedeloosheid des Volks niet sluiten, zonder
melding te maken van den godsdienst die zoo'n ellendige hoofdrol
speelt in onze maatschappy. (428,
429,
436,
437)
In gods naam stuurt men z'n kinderen naar katechisatie of
biechtstoel. In gods naam laat men ze biologeeren door 'n
geestelyke.
*
In gods naam verwaarloost
men verstand, hart, karakter, wilskracht, eergevoel...
In gods naam
maakt men den Javaan tot slaaf, en idioten van de Hollanders...
[45]
Och, de aarde zou zoo
leelyk niet wezen, als men zich minder liet bedriegen door al 't
ontuig dat z'n zes schellingen vraagt voor 'n boodschap uit den hemel.
(443)
[46]
Voor ik overga tot de
beschouwing van den intellectueelen toestand van 't Volk, moet ik u
nogmaals herinneren hoe deze brief door myzelf wordt gehouden voor
zeer onvolledig. Meermalen zag ik kans, één regel daaruit te maken tot
tekst van 'n heele preek. Gy weet dat ik maar aanstip, en staat-maak
op den rykdom uwer eigen opmerkingen, en die van andere lezers, om
aantevullen of uittebreiden wat ik voorbyging of vluchtig noemde. Voor
ik verder ga, heb ik evenwel 'n andere opmerking. Straks in de tweede
en derde afdeeling van dit hoofdstuk, zal 't u wellicht toeschynen,
dat ik ten-onrechte sommige punten behandel als verstandelyke
fouten, wyl ze thuishooren op stoffelyk gebied. Misschien
ook zal ik aan andere zaken plaatsgeven onder de afdeeling materieele toestand, die
ten-rechte zouden behooren by de beschouwing der zedelykheid.
Welnu, 't is me om 't even. 't Moge u een bewys te-meer zyn, dat ik
ditmaal vluchtig schryf, meer doelende op wakker-maken dan op
overtuigen, meer op alarm roepen, dan op wegwyzen of aanvoeren. 't
Ontwaken moet elke verbetering van richting voorafgegaan. Gelukt het
my, een eind te maken aan den loggen slaap waarin Nederland verzonken
is, dan scheelt het me weinig of deze en gene opmerking in dit
schryven op de rechte bladzy staat. Bovendien, gy weet het, ik ben
zeer tuchteloos. En dit wil ik blyven, vooral ook omdat ik zoo weinig
goeds zie doen door de luî die tucht hebben... naar hun zeggen.
[47]
En, eilieve, is 't wel
waar dat deze of gene opmerking niet op de juiste plaats
gesteld is? Bestaat er wel een juiste plaats voor opmerkingen, die
allen in-elkaêr grypen? Had ik ook wellicht beter gedaan, elke
verdeeling wegtelaten? Zou 't ook misschien ordelyker wezen alles
dooréén te plaatsen, juist om aantetoonen hoe alles in-verband staat?
Misschien wel. [48]
Nu, zoodra ik weer
zoo'n brief schryf, zal ik de kiezery laten volgen op de voeding, de
straatliedjes op de preeken, de veerkrachteloosheid van den werkman op
't plichtverzuim van regeerders, en dat alles onder dit eene hoofd:
verrotting.
Maar nu ik eenmaal
begonnen ben met in driën te preeken als 'n domine, zal ik zoo
voortgaan. Ik ben genaderd tot:
b.)
Intellectueel. Het onderwys is slecht. De kinderen en jongeluî
leeren over 't algemeen juist genoeg om te geraken tot 'n
broodwinning. [49] En zelfs dat ter-nauwernood. Professer
De Gelder klaagde
dat men hem zooveel studenten op z'n collegies zond, die niet bedreven
waren in... de vier hoofdregels der lagere rekenkunde!
[50] En spreek
eens met jongeluî die schoolgaan, of de scholen reeds verlieten. Merk
eens op, hoe weinig ze weten, en hoe nog dat weinige verward dooreen
ligt. Hoe oppervlakkig meestal de kennis is, die ze hebben van de
meest gewone zaken, van zaken die ze toch noodig hebben te weten. Op
hooger en lager scholen wordt een-en-ander onderwezen, dat meestal
later blykt eigenlyk meer te zyn opgenomen onder de vakken van
onderricht, om zeker soort van leeraars aan den kost te helpen, dan om
die leerlingen tot practisch-bekwame menschen te vormen.
[51] (340,
341)
Dit geldt voor den werkman zoo goed als voor den zoogenaamd geleerde.
Het lezen en schryven van den eerste, baat hèm even weinig, als de
klassieke schoolgeleerdheid den ander. Oefening in het denken -
beter buiten dan in de school - wordt meermalen eer onderdrukt dan
aangemoedigd, en de blyken daarvan zyn menigvuldig.
[52] Het zeer gemakkelyk autoriteitsgeloof neemt de plaats in van zelfoordeelen, en
de oogst zou zeer schraal wezen, als men de oorspronkelyke denkbeelden
byeensprokkelde, die er sedert langen tyd gegroeid zyn op
Nederlandschen grond.
*
In requisitoren en vonnissen
beroept men zich brutaal-dom op jurisprudentiën van 't een of ander
hof, dat is: op de meening van 'n paar onbekende ouwe heeren die lang
genoeg leefden om raadsheer te worden. [53] Het heeft er veel van, als-of
men zeide: zoo was 't gevoelen van apostel die of profeet
die. En aldus worden er vonnissen gegrond op opiniën van personen
die aan spoken geloofden, en niet wisten dat de aarde draait. Dat noem
ik de theologie van het recht.
Ik herinner me, in
Indië eenmaal eene kwestie te hebben gehad over de vraag, of zeker
meisje dat ten-huwelyk aangeteekend was, en trouwen wilde zonder den
by de - toen nieuwe - wet, bepaalden ouderdom te hebben bereikt, al of
niet mocht huwen? De heeren van de rechten brachten er
Justinianus en
Hugo de Groot by
te-pas... of te on-pas. Ik liet het kind by me komen, zag duidelyk,
zonder De Groot of
Justinianus te raadplegen, dat ze onder de oude wet voorschot
had genomen op de nieuwe, en trouwde haar.
Schryvers wedyveren in
onbeduidendheid, en zouden nog onopgemerkter voorbygaan dan het geval
is, wanneer zy niet onderling à titre de revanche elkander
verhieven door lof, of - wat byna op 'tzelfde neerkomt - deden in 't
oog vallen door tegenspraak.
In het algemeen is de
niveau van hen die 't Volk voorgaan in kennis, geleerdheid en
oordeel, zeer laag, en er ware een heel dagblad te vullen met de
dagelyksche vermelding alleen, der anecdotische nietigheid van de
Schriftgeleerden. [54] Zie als 'n staaltje, in m'n Ideen,
de aanhaling van Professor
Muurling die in z'n formulier ter inzegening van 't huwelyk,
den predikanten uitdrukkelyk voorschryft, het huwend paar geen opstaan
te bevelen wanneer dat paar niet geknield ligt, noch de gemeente
toetespreken als de gemeente niet tegenwoordig is, enz. enz
't Verzamelen van dergelyke staaltjes
moge den lachlust der lezers opwekken, het is een treurige arbeid, en
wie 't in den grond wèl meent met het Volk, geeft daarover zyn
sarkasmen niet zonder smart.
Wat is er te denken
van den intellectueelen toestand der minderen, als we
byvoorbeeld in 'n krant-artikel lezen, dat het publiek ministerie in
een ‘sierlyke’ rede... den dood eischte, gelyk onlangs in de
Rotterdammer. Welk denkbeeld heeft zoo'n schryver van sierlykheid, van
‘den dood eischen’ en van misdaad?
Wat moet men gelooven
van de verstandelyke ontwikkeling eens Volks, waar 'n minister van
finantiën niet weet wat 'n bankier is? Zoo-als onlangs bleek.
Kort na de koncessie
voor 't doorgraven van Holland op z'n smalst namelyk, zei de Heer
Betz dat die zaak toch zeker goed was ‘want hy
wist van-goeder-hand dat er londensche bankiers waren, die hunne
bureaux wilden openstellen voor de inschryving.’ Dat is: er waren in
Londen wel menschen die zonder eenige risico, 5% van 18 miljoen wilden
verdienen. En er was niemand in de Kamer, die opstond om den minister
te vragen, welke bewyskracht ten voordeele der verleende concessie er
in zyne mededeeling gelegen was?
Ik denk dat de
londensche bankiers ook wel genegen zyn - tegen 5% altoos - gelden te
ontvangen om 'n spoorweg naar de maan te maken, als ze maar niet
gehouden zyn hun geld daarin te steken, of meetereizen.
Wat heeft men te
denken van de intelligentie eens Volks, dat na zoo moeielyken
barensnood by 't kiezen, voorgelicht en geholpen door zoovele
kieskollegien en dagbladen, niets anders weet byeentebrengen dan de
zeventig heeren die 't vertegenwoordigen, die 't zóó vertegenwoordigen
als we dat dagelyks lezen kunnen in 't byblad? Van zoogenaamd-staatkundige partyen spreek ik nu niet. Ik spreek van
bekwaamheid, van talent, van kunde. Dat alles toch ware te vorderen in
menschen die verondersteld worden de élite der natie te zyn.
[55] Misschien zelfs zou er spraak behooren te wezen van genie, in
mannen de geroepen zyn kennis te hebben van... alles. Doch zonder de
eischen zóó hoog optevoeren, welke uitstekende mannen heeft ons
parlement opgeleverd sedert 1816? En vooral sedert 1848?
*
[56]
Een aandachtige beschouwing van de
Nederlandsche parlementaire geschiedenis, geeft aanleiding tot zeer
bedroevende opmerkingen. [57] (Vergelyk wat ik daarover zeg in myne eerste
brochure over Vryen-Arbeid, alsmede
myn uitval in dat boekje tegen de dagbladschryvers.)
En de ministers, de
Regeering! Afwisselend behoudend en liberaal, blyft zy zich
standvastig gelyk in onbekwaamheid. De stukken die de ministeriëele
bureaux verlaten, munten uit door gebrek aan styl, door slechte
redactie. [58] Nog niet zeer lang geleden, werd dit in de kamer erkend door partyloopers van 't betrokken ministerie zelf, en ook zonder die
erkenning zou 't heel moeielyk wezen het tegendeel voltehouden. Wat
dan ook nooit beproefd wordt.
Ik hecht aan
welsprekendheid, en aan 't kunstje van schryven, niet de waarde
die daaraan wordt toegekend door het algemeen.
[59] Maar zy die wèl hechten
aan de wyze van uiting, op welke schitterende voorbeelden
hebben zy te wyzen? Waar blykt het dat die kunsten welke
volgens my leiden tot parlage en verbiage, maar die door
anderen worden toegejuicht, ik zeg niet op hoogen, maar zelfs op
middelmatigen trap staan in ons land? Waar is in ons parlement,
Guizot,
Thiers,
Jules Favre,
Berryer? Of om
terugtegaan, welken Danton
hebben wy? welken Robespierre?
welken Barnave? En
vooral, welken Mirabeau?
Ik spreek nu niet van staatkundige richting, ik spreek alleen van
talent. [60]
En onze rechtbanken en
balie! Telkens als er 'n lid sterft van rechtbank of hof, zegt de
president by 't installeeren van z'n opvolger: dat die
overledene nu juist zoo byzonder knap was. Zolang de man leefde, wist
niemand iets van die knapheid. [61]
Altans men bemerkte er
niets van in de rechtspraak. 't Is 'n gewetenstillende regel
geworden, dat de uitspraak der justitie niet zoozeer ten-doel heeft
het recht te handhaven, als wel: op wettelyke wyze een eind te
maken aan kwestien.
*
Ach... die opmerking
behoorde in m'n afdeeling: zedeloosheid.
En als de couranten
verslag geven - welk verslag, lieve hemel! - van 'n terechtzitting,
heeft de advokaat die of die altyd zoo byzonder mooi gesproken. Eilieve,
waar is onze Dufaure,
Crémieus,
Chaix d'Est-Ange,
Lachaux,
Jules Favre alweêr, en
Berryer alweder, en vooral waar is onze
Paillet?
Ja, zegt men...
welsprekend zyn ze niet ten onzent, maar... 't zyn zulke
‘knappe juristen.’ Och! Dat zei men ook van den procureur
Duymaer van Twist!
*
Onlangs las ik 'n
memorie van verdediging, gesteld door zoo'n knappen jurist. 't Ding
was geredigeerd op 'n wyze die 't maakte tot een memorie van
zelfbeschuldiging. De ‘knappe jurist’ liet eerst z'n cliënte een paar
punten ontkennen, en daarna ‘god almachtig’ aanroepen by 'n volgend
punt, alsof ze zoo'n prachtig woord by de vorige ontkenningen niet
durfde gebruiken, en die alzoo introk. De heele verdediging gaf
daardoor den indruk van schuldbekentenis, vooral wyl de
zinsnede waarin god voorkwam als geciteerde getuige à
dècharge - of-i gecompareerd is, weet ik niet - zoo kronkelig
gesteld was, dat meer de plaats waar, dan 't feit zelf
scheen bedoeld te worden, waarom 't dan toch om de schuld te
beoordeelen, te doen was.
En intelligentie op
ander terrein. De voorbeelden heb ik voor 't grypen. Is niet
Van der Palm de prins der kanselredenaars,
bybeluitleggers, enz.? lees eens die bybeluitlegging, en als ge niet
verbaasd zyt over de diepte zyner opmerkingen, over deze, byv.: ‘dat
onder 't woord beddekens - als kind las ik altyd dekens - moet
verstaan worden groote bedden en kleine bedden’ dan zoudt ge verdienen
ten-eeuwigen-dage te slapen op zoo'n klein bed.
[62]
Wilt ge iets van later
tyd? Onlangs kocht ik postpapier, en las 't gedrukt blaadje waarin 't
gewikkeld was. Ik vernam daaruit, dat de wyn die
Jezus wonderde te Kana ‘van zoo byzonder goede hoedanigheid
was.’ Premier crû zeker. En hoe wist de schryver dit? Wel, heel
eenvoudig: ‘de hofmeester van den huize had het verklaard, en die was
een deskundige.’ Gy begrypt dat ik den naam wilde weten van den
voorganger des Volks, die zooveel - en zulk! - licht verspreidt. Ik
vraagde er naar: de man heet
Nonhebel, van beroep: schriftgeleerde.
Wilt ge meer
staaltjes? Voor eenigen tyd had Domine
Koetsveld ontdekt dat er in den bybel
zooveel vieze dingen staan. Met het bekende slendertje: ‘het woord
gods is in den bybel, maar de bybel is gods woord niet’
beloofde hy een nieuwe en verbeterde editie te bezorgen van dat boek.
‘En, stond er in 't program zyner onderneming: ik zal de paarlen
zuiveren van zand en slyk.’ Groot rumoer in de gemeente.
[63]
Protesten,
demonstratiën, deftig bezoek van een kommissie by domine
Koetsveld, om te reclameeren tegen zyn ‘slyk
en zand.’ De man scheepte de klagers af met de verzekering dat hy ze
zou tevreden stellen. Maar het program was nu eenmaal in de wereld. De
inteekenaars hadden recht op gezuiverde ‘paarlen.’ En aan de vromen
had de man toegestemd dat er geen zuivering noodig was. De toestand
was moeielyk, maar niet te moeielyk voor 'n intelligenten
voorganger der gemeente. De bybel naar de
beschryvinghe van Domine K. verscheen, en in 't voorbericht
kan jong en oud deze tevredenstellende woorden lezen: ‘Met het slyk
heb ik bedoeld: het slyk der zonde. Het zand is de
zandlooper des tyds.’ Vrage: hoe zand een zandlooper wezen
kan? Vrage: wat zoo'n uitlegging te-pas komt by 't in z'n program
verkondigd voornemen de vuiligheden der hoogheilige schrift te
supprimeeren? Vrage... o allerlei vragen! Maar is niet alleen deze
genoeg: Wat heeft men te denken van de intelligentie eens Volks dat
gediend is met zùlke voorgangers?
Intelligentie? Welke
uitvindingen zyn er gedaan in Nederland, op 't gebied van techniek,
van industrie, van natuurkunde? Wat hebben we den laatsten tyd
opgeleverd in sterrekunde, geologie, botanie, chemie, landbouw,
zeevaart, natuurkunde. [64]
O, men werpe my geen
renommées de clocher tegen. Wat of wie inderdaad iets beduidt,
breekt baan over de grenzen, en zeker is de eenige persoon in ons land
die, sedert Erasmus,
Huygens, Boerhave, en
De Ruyter, bogen kan
op Europesche bekendheid, Dr. P.Bleeker
die ongelukkigerwyze als 'n echte Hollander z'n roem heeft gezocht
beneden de oppervlakte van de zee, door zich te maken tot den
Linnaeus van de
visschen.
*
[65]
Wat men hier-en-daar
vermeld vindt over europesche vermaardheid van dezen of genen
Nederlander onzer dagen, is veelal - ja, ik geloof byna altyd -
broederschap en camaraderie à titre de revanche. Zie 't
Jerusalem, waarvan domine Ten Kate verlost is
in 't hollandsch. Men heeft weten te bewerken dat er 'n stuk in de
couranten geplaatst werd, vol italiaansche verrukking over
nederduitsche welluidendheid. Domine
Ten Kate is tot ridder geslagen,
alsof-i Tancred of
Godfried zelf was,
en zeker zal de italiaansche verrukking ook beloond worden. En dit zal
billyk wezen. Want ik vind het makkelyker 'n paar-duizend verzen
saemtelymen in 't hollandsch, dan daarover verrukking te voelen in 't
italiaansch. Dit moet veel inspanning gekost hebben, en in Holland
zelf heeft men 't dan ook zoo ver niet kunnen brengen.
Als men my mocht
tegenwerpen dat Moleschot
te Turyn, en Kern
die te Oxford beroepen werd, Nederlanders zyn, antwoord ik dat die
beide heeren in Nederland geen plaats vonden naar verdienste, en dat
dus hunne beroeping naar den vreemde, pleit tegen de
intelligentie der natie. Toch zal men later Moleschot
en Kern opnemen onder beroemde Nederlanders
*
zoo-als men nu doet met
Ary Scheffer, tot
wiens ontwikkeling, roem en welvaart, Nederland niets heeft bygedragen.
Hier had men den man belet verf en paneel te koopen, en hy zou gestikt
zyn uit ergernis. (360)
By 't eerste schoone stuk van zyn hand, had men hem uitgemaakt voor 'n
onverlaat. Van domine Ten Kate heb ik nooit
iets kwaads gehoord.
De eenige man die er
ooit in slaagde, recht populair te worden en te blyven in Nederland,
is de laffe vuile platte vader
Cats die nota bene zes
geslachten lang voor 'n dichter is aangezien. Holland heeft twee
eeuwen noodig gehad, om Huet
voorttebrengen, die den algemeenen vader - en 't kroost er by, dat hem
't vaderschap opdroeg - ontkroostte en ontvaderde met 'n flinken
oorveeg. Ik ben er waarlyk grootsch op, dat ik als kind reeds dien
lammen liederlyken godzaligen rymelaar heb veracht. Maar toen durfde
ik 't niet zeggen.
Die
Cats was ook een voorganger in z'n tyd, een heel
fatsoenlyk persoon met ringkraag, pruik, deftige relatien,
buitenplaats, geloof, en verder toebehooren van fatsoen. Als hy
nu leefde, werd-i zeker lid van de Kamer. Zulk soort van voorgangers
hadden en hebben wy velen, al maken ze geen verzen. Maar wat is
er te zeggen van 't eigenlyke Volk? Van de ongeleerde laffe
aristocratie, van den ploertigen middelstand, van den werkman, van den
arme? O, ik weet dat de statistiek in Nederland een hooger cyfer dan
elders aangeeft, voor 't getal lotelingen of bruidsparen die hun naam
kunnen teekenen. Is dit intelligentie? Maar dan is de Chinesche natie
de intelligentste van de wereld, want elk Chinees kan lezen en
schryven. [66] Ik heb meermalen opgemerkt dat het onderwys dáárin de
ontwikkeling van 't denkvermogen eer belemmert dan bevordert.
[67] Lezen,
als hulpmiddel om gedachten van anderen in zich optenemen, die te
verwerken, te beoordeelen, en daardoor te geraken tot het vormen van
eigen denkbeelden, werkt zeker beschavend. Maar dient het lezen den
werkman ten-onzent dáártoe? Wat leest hy? Verstaat hy wàt-i
leest? Blykt het uit de ontwikkeling zyner denkbeelden, dat het lezen
waarlyk vruchten draagt? Ik geloof het niet.
[68]
Hoor een
Nederlandschen werkman iets verhalen, en oordeel of hy een zoo
geregelden gedachtenloop heeft, als byv. de Franschman die niet leerde
lezen? Naar myne ervaring is dit zoo niet, en zeker heeft nooit 'n
vreemdeling, by 't waarnemen van de geestontwikkeling onzer
landgenooten, de opmerking gemaakt: er blykt me dat ik my in een land
bevind, waar de statistiek van lezen en schryven gunstiger is dan by
ons.’
En zy die lezen
kunnen, lezen zy inderdaad? Zoo neen, waartoe dient het? Zoo ja,
wàt lezen zy? Wat werkt het uit? Ik ontdek er niets van, en weet dat
het boeken-debiet hier-te-lande - met uitzondering van de
godzalighedens, maar die worden mindergelezen dan gekocht - in zeer
ongunstige verhouding staat tot het bevolkingcyfer. De vraag moet zyn:
hoeveel wordt er gelezen, wàt wordt er gelezen, en met welk
resultaat? Begrypt men 't gelezene? Meestal neen. En dit gaat niet den
geringen man alleen aan. (95)
Ik weet er zoo iets van! Na de meeste moeite om my duidelyk
uittedrukken, bemerk ik gewoonlyk niet geslaagd te zyn.
[69] Myn stryd
tegen hysterie byv., is gelezen als-of ik party-trok vóór dat
monster. Als-of ik ontucht predikte, en zelfbederf! Een schryver heeft
zelden bekwaamheid genoeg, om zich te verplaatsen op de laagte zyner
lezers. En in-plaats van natedenken over de kwestie: wat is
waarheid? moet hy zich gedurig tot afmattens toe, inspannen tot het
beantwoorden der vraag: hoe zal ik de waarheid uitdrukken, dat ze geen
leugen schyne door verkeerde opvatting? [70]
Dit is zeker dat in
weinig landen, de lagere klasse niet alleen, maar ook de zoogenaamde
middelstand, en zelfs de hoogere klasse des Volks, zoo weinig weten
van de Staatsinrichting, van algemeene belangen, van volkswelstand,
enz. als by ons. Menig paryzer concierge zou daarin, wat zyn
land betreft, een beschamend voorbeeld kunnen geven aan veel
Nederlanders die zich in ontwikkeling ver boven hem verheven wanen.
Ik acht het geenszins
wenschelyk, het ras der politieke tinnegieters uittebereiden. Maar
volslagen onkunde baart onverschilligheid
[71], en 't is die
onverschilligheid welke aan de weinige raddraaiers die ons
rechtstreeks of indirect regeeren, de gelegenheid geeft, ten
algemeenen nadeele, heer te spelen over de natie.
Op 't platteland, in
de provinciesteden althans, is de middelstand iets meer ontwikkeld dan in de
hoofdplaatsen, maar hier is 't dan toch ook zéér erg. Als onderwerp
van studie is 't belangryk de gesprekken aantehooren, zoo-als die
gewoonlyk worden gevoerd in de koffihuizen, en men staat meestal
verbaasd over de verrassende onwetendheid en de nietigheid van die
heeren.
*
Gewoonlyk komt by my 't denkbeeld
op: dat zyn de luî die den Javaan willen beschaven, verlichten, tot
mensch maken, enz., en onwillekeurig doen we de vraag, of 't niet tyd
wezen zou eene aziatische zendingzaak in 't leven te roepen, tot
beschaving en verlichting van den Nederlander. Daartoe ware by den
oosterling slechts noodig zekere geest van proselytisme, die 't
angelsaksisch ras schynt te kenmerken, en die meermalen zucht tot
verovering bedekt met 'n voorgewende blyde boodschap. Wy weten
overigens dat in de overzeesche bezittingen de inlanders 't minst
beschaafd en 't diepst verdorven zyn op de plaatsen waar ze 't meest
in aanraking kwamen met Nederlanders. De intelligentie onzer natie
schynt zich dus 't best te openbaren in het meedeelen van bederf, of
misschien wel daarin alleen.
†
c.)
Materieel. Alles is in alles. Alles hangt samen, in-verhouding van
oorzaak of gevolg. Of wel, er bestaat 'n soort van zusterschap
tusschen alle omstandigheden, door geboorte uit dezelfde oorzaak. De
toestand van 't Nederlandsche Volk in materiëelen zin, is zeer
nauw verwant met den lagen trap waarop intelligentie en moraliteit
staan. [72] We kunnen nu in 't midden laten of gebrek aan genot - in
wysgeerigen zin gelykstaande met gebrek aan deugd - oorzaak of gevolg
is van onvoldoende voeding, slechte woning en verdere gebreken of
schraalte in den materiëelen toestand. Ik denk dat èn 't een èn 't
ander wel waar zal wezen. [73]
Een volledige schets
van de ellende des volks op stoffelyk terrein, zou 'n zeer groot werk
vullen, en by strikt-nauwkeurige behandeling jaren arbeids
vereischen. Ook zou daartoe noodig wezen wat ruimte van geldelyke
middelen, want het Volk is beschroomd en achterdochtig. Het geeft
namelyk z'n openhartigheid niet gaarne om-niet. Er wordt tot het
volbrengen van zulk werk nog meer gevorderd, dat ik niet bezit, maar
nu voorbyga, wyl ik in dit schryven geen aanspraak maak op
volledigheid. Het zal voldoende wezen straks eenige hoofdpunten
aantestippen.
Vooraf 'n paar
aanhalingen uit het schoone werk van
Le Play, les
Ouvriers Européens, aanhalingen die zeker menigen
hollandschen werkman zullen doen watertanden, en niet alleen den
werkman. Men zal er uit zien dat zelfs de Nederlandsche
middelklasse, in reëel welzyn, staat beneden den half-nomadischen
Oural-bewoner in Oost-Rusland. [74]
Ik verzoek u, uit den
toon en verdere byzonderheden van Le Play's
werk, te beoordeelen met welke nauwgezetheid de schryvers die daaraan
meêwerkten, hun onderwerp hebben behandeld. Het is, na oplettende
inzage, onmogelyk te twyfelen aan de juistheid der opgaven die overal
het eigenaardig kenmerk dragen van de conscientie der wetenschap.
Bovendien, by elke opgaaf staat de naam vermeld van 't huisgezin dat
tot type gekozen is. Men zou kunnen tegenwerpen dat het navragen niet
gemakkelyk is, wyl vele opgaven den toestand betreffen van gezinnen
die ver-af wonen, en niemand er licht toe komt, zich naar Rusland of
Noorwegen te verplaatsen, om 't werk van Le Play
te controleeren. Ik heb hierop veel te antwoorden:
Vooreerst. Hy
levert insgelyks vele opgaven over den toestand van gezinnen die niet
ver-af wonen, en omtrent welke 't onderzoek dus gemakkelyk is.
[75]
Ten tweede. Wat
vèr wezen zoude voor 'n particulier, ligt onder 't bereik van de
Staatsbesturen en der diplomatie. Het schoone werk van
Le Play is gedrukt op de keizerlyke drukkery.
In Frankryk namelyk, dat zoo vreeselyk despotisch geregeerd wordt,
bemoeit zich de slechte keizer met den toestand van 't Volk, en de
pogingen om daarin verbetering te erlangen, worden ondersteund. Dat is
nu wel zeer tyranniek, onvry, onhollandsch en infaam, maar 't
is zoo, en de arme Franschen moeten zich schikken. Ten-gevolge
van zulke schandelyke ondersteuning, is dan ook dat werk tot stand
gekomen, waaraan misschien wel 'n millioen franken zal ten-koste
gelegd zyn. Dit alles brengt mede dat Le Play's
arbeid de waarde heeft gekregen van een staatkundig feit, dat
niet mag geïgnoreerd worden door de europesche diplomatie, of door de
officiëele economisten onder de ministers van alle landen, waar 't
bestuur tyranniek genoeg is om te willen weten: wat het Volk eet, hoe
't zich vermaakt, hoe het leeft. Daar men nu van de juistheid
der opgaven uit eene russische of deensche provincie, zich te
Petersburg en te Kopenhagen even goed kan vergewissen, als te Parys
van de accuratesse der données uit 'n Fransch departement,
is 't niet te onderstellen dat Le Play zich
zou hebben durven blootstellen aan démenti
Ten derde. De medearbeiders
aan 't werk van Le Play hadden geen thesis
te verdedigen. Zy pleiten niet. Wanneer ik, die begon met den toestand
des Nederlandschen Volks ellendig te noemen, straks of later een paar
budjetten geef van Nederlandsche gezinnen, kan men denken dat ik de
truffels die de Nederlandsche werkman gebruikt, uit m'n opgaaf weglaat
uit rechthaberei, dat ik de pâtés de foie gras verzwyg
uit rancune, omdat ik my te beklagen heb over de Natie. En men
zal dus wèl doen myn opgaven naterekenen, waartoe ik my
aanbeveel. [76] Maar Le Play en z'n medearbeiders
werden, zoover ik weet, in hun vaderland nooit mishandeld, en hebben
dus geen aanleiding tot dubbelzien by 't kyken naar de ménage van een
Rus. Ook beweren zy niet dat de toestand elders beter of slechter is
dan ten-hunnent. Zy noemen 't goede en 't kwade, zoo-als ze dat
vinden, en laten de conclusien over aan lezers en... regeeringen. Dat
zy voorts den Keizer niet trachten te vleien met verzonnen welvaart,
blykt uit de schets der ellende in de Soissonnais en elders, in
Frankryk zelf.
In-weêrwil van dit
alles erken ik dat sommige cyfers my te hoog voorkomen. Maar ik schryf
daarover aan Le Play, en zal de justificatie
meedeelen zoodra ik kan. [77]
En ik voorzie nog 'n
opmerking, want men is vindingryk in 't aanvoeren van bedenkingen, als
er beweerd wordt dat Nederland geen modelstaat is. Men vraagt: is dan
alles in 't buitenland beter dan by ons? Op die nuchtere vraag
antwoord ik even nuchter, dat ik dit niet beweerd heb, maar alleen dit
beweer, dat er ten-onzent veel leelyks is. Ik denk dat men
hier-en-daar in 't buitenland regeeringen zal vinden, schuldig aan nog
onverantwoordelyker plichtverzuim, werkluî en armen, nòg ellendiger
gevoed en gehuisvest dan by ons. Maar deze ontdekking verschoont òns
bestuur niet, voedt ònzen arbeider niet, en maakt het krot dat hy
bewoont, niet tot 'n menschelyk verblyf. Het gedurig beroep op den
ellendigen toestand elders, bewyst juist de gegrondheid der klachte,
en doet denken aan Slymering's theorie, die
vond dat Havelaar ongelyk had zich zoo te
bekommeren over Lebak:
- Wyl. Dat. Alles. Te.
Tjiringien. Nog. Erger. Was. [78]
Nu volgen eenige
aanhalingen uit Le Play's werk:
Herder-Baschkirs
in Oost-Rusland.
‘Dans tous le cas, l'abondance des
moyens de subsistance rend facile le soulagement de ceux qui tombent
momentanément dans la détresse... [79]
Er staat uitdrukkelyk by, dat in die
streken geen inrichtingen zyn van liefdadigheid. Ze zyn er niet noodig.
In 't voorbygaan zy gezegd, dat niets meer den lagen trap aanduidt van
algemeene welvaart en zedelykheid, dan 't groot getal
inrichtingen van dien aard.
*
[80] Ons woord ‘godshuizen’ is
karakteristiek. Waar liefde ontbreekt, komt terstond in daad en
woord een god voor den dag. En als men de herkomst van die
godshuizen opspoort, zal er blyken dat ze een bydrage leveren tot de
opmerking, hoe verkeerd de kapitalen verdeeld zyn. Honderd
welvarende gezinnen zouden geen gestichten van dien aard noodig
hebben. Waar zoo'n ding is opgericht, kan men aannemen dat de welvaart
van negen-en-negentig is opgeslokt door één. Er zouden weinig
ouwe vrouwtjes of weeskinderen onder dak komen, als de geloovers het
aardsche slyk konden meênemen naar hun hemel. Als ze sterven moeten,
koopen ze hun lievenheer om, door hem 'n deel te bieden van den buit,
om daarmeê de joyeuse entrée in de zaligheid te betalen. Er zou
geen voordeeliger betrekking wezen, dan die van god in een Staat waar
veel armen zyn, als-i maar wat meer kon rekenen op z'n
administrateurs. Godsdienst en menschenliefde staan lynrecht tegenover
elkander. [81]
Een Javaansch hoofd
vraagde my eens, hoe 't kwam dat er in Nederland zooveel weeshuizen
waren? ‘Zou men anders 'n ouderloos kind laten omkomen?’ vraagde hy...
Nu weêr naar Rusland:
‘Chaque habitant peut couper tout
le bois de feu, nécessaire à sa consommation...
‘les droits de chasse, de pêche et
de cueillette sont à la disposition de tous...
‘les jours de fête on mange de la
viande, rôtie dans de la graisse, ou dans le beurre de vâche. On
prépare quelquefois un mets nommé bichbarack, composé de
viande hâchée, d'orge, d'oignon et de légumes assaisonnées de sel et
de divers aromates...
‘les jeunes gens s'amusent une fois
par semaine au jeu de balle, à la lutte, à la course, et se
disputent les prix institués à cet effet par les notables. Ils se
livrent aussi au chant...
‘Un repas copieux termine toujours
certaines journées de travail...
Voeding van een
Baschkir-huisgezin, uit den laagsten stand, gedurende een jaar.
Twee mannen, twee vrouwen en vier kinderen.
[82]
| Tarwe, rogge, gerst, haver.
. . . . . . . . . . . . . . |
1443 |
kilo |
| Boter en room. . . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . |
63 |
kilo |
| Melk, kaas, eieren. . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . |
3866 |
kilo |
| Vleesch en visch. . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . |
226 |
kilo |
| Groente en vruchten. . .
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . |
274 |
kilo |
| voorts zout, peper, kaneel,
koek, thee, suiker en honig. |
|
|
Dit alles wordt
genoten door een arm gezin in het barbaarsche Rusland! En in
datzelfde land verbruikte:
Een gezin van
karrevrachtryders (tien personen, waaronder twee kinderen
beneden de vier jaar) in de steppen van Oremburg:
| Tarwe, rogge, enz. . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . |
7,177 |
kilo |
| Boter, vet en olie. . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . |
123 |
kilo |
| Melk, eieren enz. . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . |
1,060 |
kilo |
| Vleesch en visch. . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . |
642 |
kilo |
| Groente en vruchten. . .
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . |
1,724 |
kilo |
| Zout, honig, peper, enz.
. . . . . . . . . . . . . . . . . . |
135 |
kilo |
| Diverse gegiste dranken.
. . . . . . . . . . . . . . . . . . |
10,060 |
kilo |
Aanhalingen uit
Le Play's werk:
‘dans ces occasions - op feestdagen
- on mange une grande quantité de mets, six à huit par repas: des
soupes de viande aux navets, au vermicelli, des viandes froides à la
gélée, ou des pâtés farcis; des rôtis de boeuf, de mouton, de cochon
de lait, de poules, de canards, d'oies, et de dindons; des boudins
au gruau; beaucoup de gruaux diversément assaisonnés de lait, de
crême, de beurre, d'oeufs, de miel; des galettes, des bouillies
frites; des flans, diversément assaisonnés de beurre, d'oeufs, de
crême, de miel...
En zulke feesten komen gewoonlyk
negen-en-twintig malen in 't jaar voor!
[83]
Dat barbaarsche Rusland! Nu weet ik
wel, dat de menschen daar toch niet recht gelukkig kunnen zyn, omdat
ze 't ware Geloof niet hebben, en geen Kieswet als wy, maar toch
betwyfel ik of ze zouden willen ruilen. Ik denk dat ze verblind zyn
door indigestie van welvaren.
Ons strafwetboek is
altyd in de maak. - Toch straffen de rechtbanken maar altyd voort. Hoe
durven zy dit te doen, als zyzelf erkennen dat de bepalingen op 't
straffen niet deugen? - Nu, hoe zou 't wezen als we in de nieuwe wet
vaststelden, dat hoofdmisdaden zullen gestraft worden met verbanning
naar de steppen van Oremburg? Of zou misschien die strafbepaling den
Nederlandschen hongerlyder verlokken tot misdaad? 't Is mogelyk,
en zelfs waarschynlyk.
Lastdragers-schuitevoerders in Centraal Rusland. Twee mannen,
vier vrouwen en één kind van negen jaren, gedurende een jaar. Één man
gedurende een halfjaar, en één man in tachtig dagen, gebruikten te
zamen:
| Haver en gerst. . . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . . . |
6,502 |
kilo |
| Boter, room, vet en olie.
. . . . . . . . . . . . . |
95 |
kilo |
| Melk en eieren. . . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . . . |
1,286 |
kilo |
| Vleesch en visch. . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . . |
328 |
kilo |
| Groente en vruchten. . .
. . . . . . . . . . . . . . . . |
1,087 |
kilo |
| Specery en toespys. . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . |
153 |
kilo |
| Gegiste dranken. . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . . . |
7,300 |
kilo |
Aanhalingen uit
Le Play's werk:
‘les membres de cette famille
appartiennent à la classe la plus modeste...
‘les jeunes filles se réunissent
assez souvent dans la belle saison, pour se livrer à la danse...
‘les récréations principales sont
les fêtes de mariage, les réunions de travailleurs, et surtout les
repas copieux pris dans ces occasions, et dans une multitude de
fêtes et de réunions... [84]
Smid en kolebrander
in Noord-Rusland. Sterkte: man en vrouw met vyf kinderen, oud
19, 11, 9, 7, en 1 jaar.
| Tarwe, gerst, haver, enz.
. . . . . . . . . . . . . |
2,027 |
kilo |
| Boter en olie. . . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . |
22 |
kilo |
| Melk en eieren. . . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . . . |
2,243 |
kilo |
| Vleesch en visch. . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . . |
285 |
kilo |
| Groente en
vruchten. . . . . . . . . . . . . . . . . . . |
763 |
kilo |
| Toespys en
specery. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . |
55 |
kilo |
| Gegiste dranken.
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . |
16 |
kilo |
Het maken van
dergelyke specifieke uittreksels uit het boek van Le
Play zou my verder leiden dan in dit schryven past. Wel ware
dit belangryk, maar 't zou te huis behooren in een uitvoerig werk dat
geschreven werd om de oogen van 't Nederlandsche Volk te openen, en ik
stel my voor dit te doen, zoodra ik in staat zal wezen geregeld te
arbeiden. Nog eenige korte aanduidingen zullen voldoende zyn voor m'n
tegenwoordig doel. [85]
Opgave van het
gebruikte aan vleesch of visch in één jaar, door de gezinnen van een:
| Smidsgezel te
Danemora (Zweden). . . . . . . . . . . . . . . . . . |
420 |
kilo |
Werkman by de
kobaltmynen, te Buskerud
(Zuid-Noorwegen). . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
. . . . . . |
489 |
kilo |
| Smid te
Samakowa (Turkye). . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . |
172 |
kilo |
| Landman in
Middel-Hongarye. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . |
443 |
kilo |
| Gieter by de
zilverwerken te Schemnitz (Hongarye). . . . |
191 |
kilo |
| Schrynwerker te
Weenen. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . |
72 |
kilo |
| Kolebrander in
Carinthie (één persoon.). . . . . . . . . . . . . . |
44 |
kilo |
| Arbeider in de
kwikmynen te Carniola (Oostenryk). . . . |
31 |
kilo |
| Mynwerker in den
Opper-Hartz (Hanover). . . . . . . . . . . |
85 |
kilo |
| Werkman by een
yzergietery in Pruissen. . . . . . . . . . . . . |
77 |
kilo |
| Arbeider in een
wapenfabriek te Solingen . . . . . . . . . . . . |
314 |
kilo |
| Wever in
Pruisen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
. . |
73 |
kilo |
| Horlogiemaker te
Geneve . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . |
153 |
kilo |
| Horlogiemaker te
Geneve (een ander gezin) . . . . . . . . . . . |
148 |
kilo |
| Boerenarbeiders
familie in Castilië . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
|
62 |
kilo |
| Mynwerker in
Galicië (Een persoon gedurende 210 dagen) |
|
|
| Dit is alleen
visch . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . |
11 |
kilo |
| Werkman in een
messenfabriek te Londen . . . . . . . . . . . . |
297 |
kilo |
| Werkman te
Sheffield . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
. |
217 |
kilo |
| Schrynwerker te
Sheffield . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . |
208 |
kilo |
| Werkman in een
yzergietery (Derbyshire). . . . . . . . . . . . |
240 |
kilo |
| Daglooner in de
wynbergen te Armagnac . . . . . . . . . . . . . |
171 |
kilo |
| Idem te
Morvan (Deze klasse van menschen gebruikt slechts eenmaal 's
jaars vleesch. Hun toestand wordt dan ook beschreven als zeer
ellendig.) . . . . . . . . . . . . . . |
4 |
kilo |
| Daglooner in
de Maine. (Opmerking als boven) . . . . . . . |
4 |
kilo |
| Daglooner in
Neder-Bretagne. (Opmerking nagenoeg als boven) . . . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . |
13 |
kilo |
| Maaier in de
Soissonnais. (Opmerking als boven) . . . . . . . |
5 |
kilo |
Zonder nu te willen beweren, dat
alleen het gebruik van vleesch de krachten der bevolking voortbrengt
en regelt, verdient het toch aandacht dat er zooveel huwelyken in de
laatstgemelde provincie onvruchtbaar zyn. Ik vind in zeker dorp van de
Soissonnais, op 73 huisgezinnen, slechts 98 kinderen opgegeven.
Het oordeel van
Malthus over de
verhouding tusschen bevolking en voedingsmiddelen, is bekend. Maar
minder bekend is de opmerking die ik geloof te moeten maken, dat men
by die verhouding niet alleen behoort te letten op 't cyfer der
bevolking, maar tevens wel degelyk op 't gehalte. 't Ware te
wenschen dat het gebrek aan voedingsmiddelen in Nederland, zich
openbaarde in minder geboorten, maar dan van een ander soort.
*
Onze bevolking neemt normaal toe,
maar... 't is er ook na, of naar!
[86]
| Gietersgezel in
de Nivernais. . . . . . . . . . . |
106 |
kilo |
| Mynwerker in
Auvergne. . . . . . . . . . . . . . . . . . |
13 |
kilo |
| Wever te
Mamers (Sarthe). . . . . . . . . . . . . . . |
17 |
kilo |
| Hoefsmid in de
Maine. . . . . . . . . . . . . . . . . . . |
35 |
kilo |
| Waschman
blanchisseur te Parys. . . . . . . . . |
341 |
kilo |
Vodderaper te
Parys. (Het gezin van dezen man bestaat
slechts uit man, vrouw en een dochtertje van 13 jaren.).
. .. . . |
33 |
kilo |
Ik geloof de
aanspraken van den Nederlandschen werkman niet te hoog te stellen, als
ik voor hem vorder: minstens gelykheid met een voddekrabber. Ik
zal daarom hier eenige aanhalingen laten volgen uit het werk van
Le Play, die den toestand van zulk een
industrieel voldoende blootleggen, om dien te kunnen vergelyken met
het bien-être van den smid, den timmerman, den schrynwerker,
den fabriekarbeider ten-onzent, lieden die in hun bedryf toch
allen een zeker kapitaal meebrengen van kennis, van handigheid,
bekwaamheid en kracht, terwyl de voddekrabber geen andere bezitting
inlegt, dan oogen, beenen, een haakstokje, en wat relatie met 'n
opkooper van z'n straatoogst.
La famille fait régulièrement deux
repas par jour. La petite fille emporte en outre à l'école un
troisième repas...
Het déjeuner bestaat uit
koffi met melk en suiker, en brood. De koffi is vermengd met 25%
chicorei. Het diner uit: soupe a la graisse et au pain, een
schotel linzen of witte boonen, ryst of vermicelli. Eens in de week
vleesch - dit wordt toebereid gekocht op de markt St. Honoré - met
aardappelen of uien. Eenmaal 's weeks: fromage de Brie...
‘Quelquefois en outre on ajoute à
chacun des mets ci-dessus indiqués, du fromage de Brie, des pommes
de terre, ou des oignons frits...
‘Pendant trois mois de l'été, une fois par semaine, on achète de la
viande de boeuf ou de vâche, chez le boucher. On en mange le premier
jour une partie bouillie et chaude, puis, le deuxième jour, le reste
froid avec de l'huile ou du vinaigre; on mange deux autres jours de
la soupe au pain, et de la salade; pendant les trois autres jours,
diverses sortes de légumes, achetés ordinairement dans le temps où
ils abondent, parfois aussi en temps de primeur...
En temps de primeur...
verbeeld u... jonge dopërten! En onze Nederlandsche werkman?
Maar ik spreek hier
niet van een werkman, ik spreek van een vodderaper.
Le Play noemt hem,
uit beleefdheid of ter-bekorting: ouvrier, en dit moge juist
wezen in wetenschappelyk-économischen zin, op den maatschappelyken
eertitel van werkman heeft de voddekrabber geen aanspraak.
‘l'ouvrier prend quelquefois en
rentrant le soir, un morceau de pain...
‘l'enfant emporte chaque matin en s'en allant à l'école, deux
tartines faites de pain tendre...
Pain tendre... fyn witbrood...
een voddekrabberskind!
Ik gun het aan 't
meisjen, o ja! Maar... wat krygen de kinderen van onze
werkluî mede naar school? Ik herinner me hoe eens te Brussel, een
dienstmeisje weigerde roggebrood te eten, dat ik als zeldzaamheid had
meêgebracht uit Holland. Ze zei: c'était pour les chiens et les
chevaux. Ik beweer niet dat dit meisje daarin gelyk had. Ik haal
't maar aan om te doen zien welke pretentiën er in 't buitenland
gemaakt worden door personen uit den geringen stand. Al keurt men nu
die aanspraken af, er blykt uit: aan welke pretentiën ze gewoon zyn,
welke aanspraken hun toestand blykt te veroorloven. 't Is er ver
af, dat wy den werkman ten-onzent zouden hoeven te berispen over te
groote keurigheid. Maar ik erken dat diensboden vaak lastig zyn.
Ze zyn bedorven door te nauwe aanraking met halve
fatsoenlykheid, of fatsoenlyk onfatsoen.
Wit brood dus,
en:
‘du pain tendre, et une compôte de
fruits...
Compôte de fruits... een
voddekrabberskind! Zeer goed. Ik gun het dat meisje nog-eens, en
hartelyk, maar... de kinderen van onze werkluî, wat krygen
zy meê naar school?
‘la famille mange une grande
quantité de fruits, et elle fait comme réjouissance, quatre repas
copieux chaque année...
‘l'habitation située à un deuxième étage, consiste en une grande
chambre (six mètres sur trois) ayant vue sur un jardin...
‘le mobilier est proprement entretenu; il est simple, sans indiquer
le denûment; quelques objets, tels qu'un fauteuil, une
montre, une bibliothèque, indiquent une tendance au luxe
bourgeois. Les vêtements des deux époux sont propres. Ceux de la
petite fille ont même un certain dégré d'élégance...
Een bibliotheek... élégance in
de kleeding van het kind! En onze werklieden?
Nu volgt het hoofd:
récréation: uitspanning van 't gezin des voddekrabbers.
De schryver erkent dat
dit door hem gekozen voorbeeld geen type is van 't geheel. Dit zou ook
ongerymd wezen. Het voorbeeld heeft niet ten-doel te bewyzen: hoe
de vodderapers te Parys leven. Het toont aan: hoe 't leven te
Parys voor een vodderaper mogelyk is.
‘les principales qualités de
l'ouvrier, le développement de l'esprit réligieux, l'habitude de la
réflexion, et l'amour de la famille, se révèlent dans le choix de
ses récréations. Toutefois celles-ci se ressentent aussi de la
pénurie du ménage... [87]
Een pénurie die den
Nederlandschen werkman zou voorkomen als weelde.
‘sa distraction habituelle est de
s'entretenir avec sa fille, et de lire à haute voix la bible, ou un
autre livre réligieux... [88]
De man, hoewel van geboorte Italiaan
en katholiek, heeft neiging tot het protestantisme.
‘en accompagnant cette lecture de
réflexions et de commentaires, souvent empreints d'une profonde
connaissance de la vie, et du coeur humain...
[89]
Men vindt dit veel by menschen die 'n
zwervend leven leiden. Herders, bedelaars, Chaldeën, woestynbewoners,
Zigeuners, nomaden, volkeren of individuen zonder vaste woonplaats,
schynen uit hun omdwalen iets eigenaardigs optedoen. (378)
De man van wien hier sprake is, had veel gezworven. Onder anderen was
hy in z'n jeugd te Harderwyk geweest, en werd daar aangenomen als
Nederlandsch held. Het schynt dat die betrekking hem niet aanstond.
Altans hy liep weg, en is dus aan den Nederlandschen Staat z'n
handgeld schuldig. Maar ik vind beter dit niet terug te vorderen,
schoon 't een prachtig onderwerp wezen zou voor Kamerspeeches en
geleerde diplomatieke verwikkelingen. Ik beweer dat de man z'n
handgeld ruim vergoedt door de gelegenheid die hy ons geeft, om den
toestand van 't Nederlandsch Volk te vergelyken met den toestand
elders. Mocht ons braaf ministerie hem lastig vallen om die schuld,
dan stel ik m'n lezers voor, dat gezamenlyk voor hem te betalen. Het
zou m'n geweten bezwaren, als ik 'm door myn schryven in ongelegenheid
bracht.
Wat overigens dat
lezen aangaat van bybel en godsdienstige boeken, niet dáárdoor
is de man goed van gedrag, niet dáárdoor weet hy zich in z'n lage
maatschappelyke betrekking te verheffen tot een denker. Juist andersöm.
De man is een denker, hy houdt van onderzoek, dat en zóó
is hy geworden door loopbaan en neiging. Z'n lezen is gevolg,
geen oorzaak van zyn zedelyke hoogte. Hy zoekt waarheid,
en als-i ten-slotte bemerkt dat die niet te vinden is in z'n lectuur,
zal hy z'n bybel wegwerpen en de verloren inspanning betreuren, tenzy
deze hem den weg wees naar betere bronnen van kennis, of de behoefte
daaraan opwekte.
Wie de juistheid van
myn oordeel over bybelsche lectuur betwyfelt, lette op de
liederlykheid, neen... op de smakeloosheid van onzen geringen
stand, die zooveel tractaatjes leest. Al die crinolienzangers hebben
bybels in huis.
‘les plus grands plaisirs de la
famille sont les quatre repas des jours de Noël, du Mardi-gras, de
Pâques, et de Pentecôte. Le mets composant ce repas est un macaroni
au beurre et au fromage. On y ajoute un litre de vin.
L'ouvrier ne fréquente point les autres familles des chiffonniers;
il ne boit jamais avec eux. Huit fois par an, il va faire un petit
repas à la barriére, avec sa femme et sa fille. Il mâche les bouts
de cigare qu'il ramasse dans la rue. La femme achete du tabac à
priser. L'un des plus grands plaisirs des parents est de faire de
temps en temps un petit cadeau à leur enfant...
Ik stap voor ditmaal af van het werk
van Le Play, dat een gezette studie overwaard
is. Het geeft stof tot vergelyking en diep nadenken. Ook tot op- en
aanmerkingen. Die allen te voorzien en te beantwoorden, zou mij te-ver
leiden. Bovendien, veel aanmerkingen maak ikzelf. Wat een Franschman
soupe noemt, is dikwyls slechts een lauw zout watertje met wat
broodkruimels. Hy geeft vaak mooie namen aan onbeteekenende dingen. 't
Woord bibliothèque moet waarschynlyk vertaald worden met
boekerekje. Compôte aux fruits zal wel beduiden
gekneusde appelen, meer niet, enz. [90]
Doch... laat ons zien
wat hier-te-land wordt gebruikt. In Nederland is volgens
officiëele opgaven - die ditmaal juist zullen wezen, wyl de cyfers
moeten overeenstemmen met de ontvangen accyns - in één jaar aan
rundvleesch gebruikt voor veertien miljoen gulden.
*
Dat is dus gemiddeld
ruim vier gulden per hoofd. [91]
Dit cyfer is
welsprekend. Hier is geen sprake van weelde, van overdaad.
Hier helpt geen godsdienstige afkeer van alles wat lykt naar
vroolykheid, pret, wereldschen zin. Hier wordt gesproken van 't
noodige.
Wy beklagen hier den
werkman, niet omdat-i verstoken is van Oostersche pracht, van parysche
verfyning... 't is hier om vleesch te doen, om vleesch dat in
zyn weiden groeit. Vleesch van de runderen die hy ziet grazen,
die hy loeien hoort in 't veld. Vleesch, dat-i ziet te-koop hangen in
de winkels der slachters. Vleesch, dat-i ziet wegvoeren naar
Engeland...
Vleesch, dat hy overal
ziet of waarneemt... behalve op zyn tafel, behalve op zyn
schotel, behalve inzyn maag.
Vleesch, dat-i noodig
heeft om gezond te zyn naar ziel en lichaam. Om 't werk te verrichten
dat van hem geëischt wordt. Vleesch, dat zich in hem zou behooren
omtezetten in spieren en bloed, met evenredige levenslust, wilskracht
en energie.
Is 't niet treurig?
[92]
Men heeft op dit cyfer
van vier gulden 's jaars per hoofd deze beide aanmerkingen gemaakt:
De opgave van
14 millioen gulden aan geslacht rundvleesch, berust op de geboekte
accyns. Er kan gesloken zyn.
Ja, zéker is er
gesloken. De hatelyke accyns wordt zooveel mogelyk ontdoken. Wie durft
het wraken? Maar aannemende dat het geslokene 10 pct. bedraagt van 't
aangegeven cyfer - méér zal men toch niet durven stellen - dan
verhoogt dit de waarde van 't door één persoon 's jaars genoten
rundvleesch, tot op nog geen ƒ 4½. Verandert dit iets aan de zaak?
Bovendien, de vraag is niet, of de arme, de
werkman - jazelfs de middelstand voor een groot deel - of hy voor
vier gulden per hoofd aan vleesch gebruikt, dan wel voor vier
en een half?... de treurige waarheid is: dat al die
personen geen vleesch gebruiken. Dit immers volgt uit de
opmerking, hoevelen er in die veertien-millioen deelnemen voor vyftig
gulden, voor honderd, tweehonderd gulden 's jaars, en meer.
Een tweede aanmerking
was deze:
De geringe man
gebruikt by voorkeur varkensvleesch of spek.
Varkensvleesch eet hy
weinig. Het is te duur. Spek gebruikt hy wanneer-i dat betalen kan -
straks zullen we zien of en in hoeverre dit het geval is - maar hy
gebruikt het niet by-voorkeur. Volstrekt niet. Althans niet
by-voorkeur van smaak. Evenmin omdat hy zich bemoeit met
berekeningen over voedingsvermogen of verwarmingskracht van 't vet.
Dit laatste zou bovendien 's zomers geen reden zyn om spek te eten.
Het gebruik van spek
by den arme, heeft 'n andere reden. Hy heeft vet noodig om
aardappelen te slikken. Wat het vet in de maag uitwerkt,
gaat hem niet aan, hy gebruikt het voor de keel. Scheikundigen
die in filanthropie doen - ik bedoel dezulken die by hun wetenschap
gezond verstand kunnen gebruiken, en niet uit boekerigheid
afkeerig zyn van de onomstootelyke waarheid der feiten - worden
uitgenoodigd eens de voedingskracht te ontleden van 't maal dat byv.
de amsterdamsche werkman gebruikt. Daarby is van vleesch geen
spraak. En zelfs meestal niet van vet. Het surrogaat daarvan is
‘kattenburger doop’ namelyk: water en azyn.
Men zou 't den soldaat
niet durven voorzetten. Jazelfs den gevangene niet. En men bedenke dat
de werkman arbeiden moet, dus meer behoefte heeft aan goed
voedsel, dan gevangenen of militairen.
Wie officiëel in den
kost is by den Nederlandschen Staat - door misdryf of conscriptie dan
- heeft aanspraken. Hy kan reclameeren. Dit kan de
werkman niet, naar 't schynt. En daarom doe ik 't voor hem, by
dezen. Men schynt te meenen dat de arbeider geboren is tot onthouding,
verdriet, geloof, vermoeienis, zweet, hongerlyden en berusten. Ik
geloof aan vooruitgang. Tot alle vooruitgang is beweging noodig. Die
beweging ontbreekt in Holland. De arme teert zwygend weg. Hy heeft de
geestkracht niet om verbetering van z'n lot te vorderen, en juist
datzelfde lot belet hem om te geraken tot geestkracht. Dit alles loopt
rond in 'n fatalen kring die verbroken moet worden. En dit kan wel. Ik
zal 't beproeven. [93]
Ik wil hier 'n opmerking
tusschenvoegen, die geheel thuishoort op economisch terrein, en die ik
dringend aanbeveel in de attentie van heeren filanthropen. Hoe komt
het, dat een slaaf in Oost of West - vóór de afschaffing
*
- geldswaarde had, en dat het Nederlandsch individu geen geldswaarde heeft?
[94]
Een slaaf kon door
matig werk, de kosten opbrengen van z'n onderhoud. Men was door
eigenbelang genoopt - en waar dit zweeg, door de wet gedwongen - hem
te onderhonden. De meester verschafte hem deksel en voedsel, beiden in
overeenstemming met z'n behoeften. Jazelfs was 'n eigenaar den slaaf
ondersteuning schuldig, in-geval van ziekte of verwonding. Al deze
uitgaven konden bestreden worden uit de winsten die de arbeid van den
slaaf afwierp. En bovendien werd uit die winst gedekt: de
rente en risico van 't voor inkoop van den slaaf betaalde kapitaal.
Eilieve, welk kapitaal
zou men durven uitgeven voor een werkman ten-onzent? - Wie zou
hem - onder verplichting van behoorlyk onderhoud - durven
koopen, wanneer hy mocht te-koop gesteld worden? Niemand.
Een afrikaansch dier van 't genus:
homo, had geldswaarde. De eigenaar eener negerin die verloste,
deed winst.
Een Nederlandsch dier
van dat genus, heeft geen waarde. Elk kind dat hier ter-wereld
komt, is 'n lastpost.
Ginds brachten de
geboorten rykdom aan. Hier vermeerderen zy de armoede. Daar stal
men kinderen en menschen. Hier legt men ze te-vondeling. Gemeenten of
armbesturen kibbelen en procedeeren om 't eigendomsrecht van zich
afteschuiven.
Hoe is dit,
filanthropen, christenen, wereldbeschavers? Hebben al uw bemoeienissen
niets voortgebracht dan dit? Niets dan dat gy op uw eigen pryscourant
den mensch hebt gebracht beneden de waarde van een rund?
Hoe, die zwarte
slaverny was zoo afschuwelyk, hebt gy gezegd... dat verkoopen en
koopen van menschen streed tegen uw gevoel, wyl de koopwaar
werdt gelykgesteld met paarden, kalveren of ander vee... en gy
ziet het koelbloedig aan, dat in ons land, in 't land der
witte slaverny, uw eigen landgenooten ver beneden dat vee
staan? Het stuitte u nooit, dat de eigenaar van een kalf waarde
ontvangt voor z'n beest, en dat in uw land niemand
eigenaar zou willen wezen van een mensch, dan onder
schadeloosstelling voor den last van 't bezit? Het hindert u niet dat
een neger of koebeest bate was of is, en uw arme landgenoot
schade? Het kalf plus, de mensch minus?
Hoe is dit,
filanthropen?
Het afschuwelyk
menschenslachten in Dahomey strydt niet tegen myn beweren dat de
waarde van 't neger-individu, in économischen zin, boven die
van den blanke staat. Dat slachten zou ophouden, als men dien koning -
koning! - geld bood voor z'n offers. Maar geldbieden voor een
mensch... foei! Slachten, en toelaten dat-i geslacht wordt, is
veel menschelyker, niet waar? [95]
Wat overigens die
afschaffery van 't slavenstelsel aangaat, herinner ik my een voorval
dat de hartelyke innigheid kenschetst van de uithangmannen by zulke
bewegingen.
Voor tien, twaalf, jaar woonde ik, in
een maçonnieke loge, de receptie by, van iemand die naar Berbice of
Demerary zou vertrekken. By 't gezellig onderhoud dat er volgde op de
ceremoniëele behandeling der zaak, vraagde en kreeg een oud advokaat
het woord. Hy ‘broederde’ vreeselyk, en had tot tekst zyner toespraak
gekozen: de slaverny. Nu weet ik niet recht, of 't wel te-pas
kwam - want ik meen dat de slaverny al lang was afgeschaft in de
kolonie waarheen de nieuwe ‘broeder’ vertrekken zou - maar hoe dit zy,
al had dan de jonge metselaar de toespraak niet noodig, de spreker had
de slaverny noodig om z'n toespraak te houden. 't Duurde lang. Het was
een pelotonsvuur van woorden als: vertrapt
menschenrecht, allemaal gods kinderen, rechten der natuur, beschaving,
zedelykheid, broederschap, en wat er verder by zoo-iets hoort. Hy
waarschuwde den broeder, hy onderrichtte den broeder, hy vermaande den
broeder, hy smeekte den broeder, en hy dreigde den broeder. Alles in
't belang van de arme negers. De wyn verschaalde er van, en ik denk
dat de nieuwe broeder - als ten-minste z'n hart goed was - zich
voornam zyn slaven nooit te straffen met zulke lange toespraken.
Na den toast - of de
preek - zei ik, niet als speech, maar zoo-als men spreekt in
gezelligen kring, dat ook ik de slaverny afkeurde, maar dat er dikwyls
iets liefs werd gevonden in de verhouding tusschen slaaf en eigenaar.
Ik vertelde, hoe 'k eens een klein slavejongentje had hooren zeggen
tot 'n vryen loonbediende: houdje stil, zwyg... jy moogt niet
meespreken... ik hóór by m'nheer, ik ben z'n eigen kind (saya
toewan poenja anakh sendiri, loe tjoema orang-sewah) jy bent maar
'n huurmensch. En ik haalde eenige feiten aan waaruit bleek dat er
- by al die gruwelen die er door slaverny ontstaan - toch nu-en-dan
iets goeds kan voortvloeien uit het stelsel, al deugt dan ook dat
stelsel zelf niet. Ik meende onpartijdig te oordeelen daar ikzelf
nooit slaven bezeten had, nooit langer altans dan na 't koopen noodig
was tot vrygeven.
Maar zie, de advokaat
werd boos. Nu onderging ik een speech die hierop neerkwam, dat
alle menschen die 'n groot deel van hun leven hadden doorgebracht in
landen waar de slaverny bestond, verdorven waren van hart, verstompt
van gevoel, enz.
Ik droeg myn lot
geduldig. En toen 't uit was, vraagde ik het woord, ditmaal vormelyk.
Ik zeide: ‘dat ik
geroerd was door de toespraak van den broeder. Dat ik inzag geen
behoorlyk Nederlandsch hart te hebben. Dat dit my zeer speet. Dat ik
verging van wroeging over de smetten in m'n bloed. Dat ik alles
toestemde wat de broeder dáárover, en over de slaverny, had georeerd,
of oreeren zou. Dat ik berouw voelde...
Hier haalde 'k m'n
portefeuille uit, en vraagde een blaadje of bord.
‘dat ik m'n berouw
toonen wilde...
Ik nam wat bankpapier,
en legde dat op het blaadje.
‘dat ik naar myn
vermogen wou meêwerken tot het vrykoopen van slaven...
Ik bood den broeder 't
bord aan. De man was ryk.
‘en dat ik niet
twyfelde of de broeder die zoo schoon gesproken had...
De ‘broeder’ was
opgestaan, en zocht z'n hoed...
Ik heb 'm nooit
weêrgezien. [96]
Nog-ëens, filanthropen, hoe is
dit? Waarom toch hebt gyzelf de slaven niet vrygekocht? Waarom
laat ge uw menschenliefde betalen door den arme die meê bydraagt tot
het budjet, waarop de afkoop geaffecteerd is?
De zwarte slaverny
was inderdaad in beginsel een gruwel, maar... ze was openlyk,
oprecht, frank. En: de slaaf werd beschermd door de wet.
Wie beschermt den
witten slaaf? Wie verzacht of geneest den kanker van de blanke
slaverny? Ook dàt is een gruwel, filanthropen, en een gruwel
met toebehooren van huichelary en valsheid.
De invoering eener
gereglementeerde slaverny, met verplichting aan den kant des
meesters, om z'n eigendom behoorlyk te onderhouden, zou voor zoo menig
Nederlandsch werkman een weldaad wezen... als ze bestaan kon. Maar
niemand zou iets durven bieden voor 'n blanke, en daarom is 't
onmogelyk. Daarom, en niet omdat onze zeden zouden verheven zyn boven
de begrippen die slaverny dulden. Integendeel, ze staan daar beneden,
en bedekken haar zelfzuchtig terugdeinzen voor de verantwoordelykheid
van 't patronaat, met 'n valsch kleursel van eerbied voor
menschenrecht. [97]
De christelyke
beschaving is fyn en slim in haar berekeningen.
Zy zegt: gy moogt niet
verkocht worden... ze meent: ik wil u niet koopen. Zy
zegt: ik wil niet dat gy slaaf zyt... ze meent: ik wil uw
eigenaar niet wezen. Zy zegt: behoud uwe waarde als mensch...
ze meent: ik wil myn kapitaalswaarde niet verliezen. Zy zegt:
geen vernedering voor u... ze meent, geen schade
voor my.
Want, de werkman in
onze maatschappy is slaaf. Z'n maag levert hem gebonden
over, aan ieder die hem 'n maal aardappelen met azyn betaalt. Hy is
slaaf, minus 't recht op onderstand, minus
registratiekosten, minus gezegelden koopbrief, minus
rente en risico. [98]
Ja, zonder risico.
Want als-i ziek wordt, ongeschikt om te arbeiden, oud, gebrekkig...
welnu, dan huurt men een nieuwen slaaf die werken kan, en betaalt hem
als 'n voorganger, met 'n maal aardappelen daags...
Moeten dan de
fabrikanten hun betaling verhoogen, de werkbazen hun loon? Volstrekt
niet. Dit kunnen zy niet. Die betaling is geregeld door de verhouding
van vraag en behoefte. [99] Er kunnen evenwel maatregelen genomen worden om
die verhouding gunstiger te maken. Altans men kan zich die
vraag voorleggen. Maar dit behoort in de volgende afdeeling, of
liever, ik zal later de kwestiën over tarief en vryhandel
- want op dit terrein hoort deze zaak voor 'n groot deel thuis -
afzonderlyk behandelen. 't Is heel eenvoudig gelyk alles,
wanneer men maar in oprechtheid zich voorstelt: wat de vraag is,
en niet met infame bruggemanstaktiek byten hakt, om wat te verdienen
aan onnoodige plankjes. (340)
Weinig vraagstukken
zyn onöplosbaar, en 't zou wel heel ongelukkig wezen, als 't zoeken
naar voldoend levensonderhoud onder die weinige kwestiën behoorde.
Zoo-als nu de zaken staan, noem ik den toestand van ons Volk
schandelyk. Zeven-achtste deel der gehuwde mannen moeten de
vruchtbaarheid hunner vrouwen verwenschen, en zeker zouden de
vogeltjes die zoo vroolyk spys zoeken en vinden voor hun
jongen, met minachting neêrzien op 't verwaand menschdom, als ze
wisten hoe schraal de tafel bereid is, waarom 't aanzit.
Ik zeide dat er in
Nederland dooréén slechts voor vier gulden 's jaars aan
rundvleesch wordt genoten door elk individu. Of liever, dat zoo
velen in 't geheel geen vleesch eten. En ik heb reeds eenige
opmerkingen beantwoord, die ik op deze meêdeeling verwachtte. Nu zal
ik dezelfde treurige waarheid eens betoogen langs anderen weg. Stel
dat de opgaven der accynsen onjuist zyn. Dat er veel wordt
gesloken, zooveel zelfs dat er in Nederland, niet voor veertien
millioen gulden 's jaars, maar voor tien of twintig malen méér aan
runderen wordt geslacht. Waar blyft dan dat meerdere vleesch? Wie
koopt het? Wie gebruikt het?
De werkman? Immers
neen, want al berekende men dat er honderdmaal meer vleesch ter-sluik
werd ingevoerd en geslacht dan aangegeven is, dan blyft het toch altyd
waar, dat de betaling daarvan de middelen van den werkman te-bovengaat.
Stel verder - maar 't
is zoo niet! - dat hy liever schapenvleesch gebruikt, of spek.
Neem zelfs aan dat die spyzen gezonder zyn, voedzamer, meer warmte
ontwikkelend.
Dit belet dan toch
niet, dat ook dat schapenvleesch moet worden betaald met 25 à 30
centen, en varkensvleesch met 35 à 40 centen het pond.
Vanwaar bekomt de
werkman die centen, die stuivers? Vanwaar vooral bekomt hy de
guldens, waartoe ze aangroeien als men rekent by week of maand?
Ik geef u hier de begrooting van een
hollandsch huisgezin. Later hoop ik er meer te publiceeren, en ik zal
ze den Koning voorleggen, opdat hy wete hoe de arme drommels
gevoed worden, die zoo schreeuwen en geestdriften, als hy Amsterdam
bezoekt. Kan de Koning 't helpen... vraagt ge? Dit beweer ik niet.
Maar wel beweer ik, dat een Koning zulke dingen weten moet, en dat de
ministers behooren weggejaagd te worden, die hem onkundig laten van
den toestand des Volks
Budjet van een huisgezin te
Amsterdam. Inkomen: Zes gulden in de week, vrye woning en vry
brandstof. Sterkte: man, vrouw, drie kinderen van 7 tot 10
jaren. [100]
De man was vroeger by
de kavallerie, en heeft z'n paspoort bekomen wegens expiratie van
verplichte dienst. Hy heeft daarop z'n vorig beroep hervat, en dient
nu sedert veertien jaren als knecht op 'n houtzaagmolen. Z'n patroon
legt loffelyke getuigenis af over z'n gedrag. ‘Hy drinkt niet’ en doet
goed z'n werk.
|
| UITGAVEN: |
Centen daags. |
In de week. |
| Aan brood.
. . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . . . . . . . |
22½ |
ƒ 1,57½ |
| Aan hoofdspys
voor 't middagmaal. . . . . . . . . . . . . . . |
20 |
ƒ 1,40 |
| Dit bestaat uit
5 kop aardappelen, of 2 kop erwten, of 2 pond meel. |
|
|
| Aan zout.
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . |
- |
ƒ -,7½ |
| Aan boter,
½ ons daags. . . . . . . . . |
5 |
ƒ -,35 |
| Aan vet,
½ ons daags. . . . . . . . . . . |
5 |
ƒ -,35 |
| Aan peper,
azyn, mostert, meel voor saus. . . . . . . . . .
|
- |
ƒ -,15 |
| Aan koffi,
2 ons in de week. . . . . . . |
- |
ƒ -,26 |
| Aan gebrande
stroop id. . . . . . . . . . |
- |
ƒ -,03 |
| Aan melk,
½ kan daags. . . . . . . . . . |
3 |
ƒ -,21 |
Aan karnemelk,
eens in de week,
4 kan. . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
3 ons meel. . . . . . . . . . . . . . . . 1½
ons stroop. . . . . . . . . . . . . . |
- |
ƒ -,20½
ƒ 0,10
ƒ -,06
ƒ -,04½ |
| Aan olie voor
licht, in de week. . . . . |
- |
ƒ -,09 |
| Aan zeep,
styfsel, blauwsel, droogwater, in de week |
- |
ƒ -,20 |
| Aan garen,
band, sajet . . . . . . . id. |
- |
ƒ -,20 |
| Aan
contributie aan 't begrafenisfonds id. |
- |
ƒ -,18 |
| Aan
schoolgeld voor een kind. . . . . . id. |
- |
ƒ -,10 |
| Aan tabak,
scheren, en soms een glas Jenever. |
- |
ƒ -,40 |
| Totaal. . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . |
|
ƒ 5,77½ |
|
Uit de overschietende
22½ cent in de week, moet betaald worden: kleeding, schoeisel,
onderhoud van de meubelen, geneeskundige hulp...
Het spreekt vanzelf
dat die 22½ cts daartoe niet voldoende zyn. Mocht echter de welvarende
lezer die geneeskundige hulp onnoodig achten, en tevens de post:
onderhoud van meubels (!) willen schrappen, dan blyft toch
altyd de behoefte aan kleeding bestaan. Het schoeisel vooral is
zeer duur.
Ik heb my geinformeerd
waaruit dit gevonden wordt, en daarop 't volgend antwoord bekomen:
‘Als er byv. een
hemd noodig is, wordt dat gekocht op Zaterdagavend. Dan moeten de
daarvoor uitgegeven 90 cts. worden bezuinigd op de voeding van
de volgende week. In plaats van 5 kop aardappelen, worden er
3 kop daags gebruikt. In plaats van 2 kop erwten, 1½
kop, in plaats van 2 ponden meel, 1½ pond. Dit moet
zoolang worden volgehouden tot het tekort aangezuiverd is.
[101]
Gevraagd:
Gebeurt het dikwyls dat op die wyze de dagelyksche begrooting
moet verminderd worden om 'n uitgaaf van Zaterdagavend te verevenen?
Antwoord: Ja, er is
altyd iets noodig. Als ik, of een der mynen een jas,
broek of ander kleedingstuk moeten hebben, gebeurt het wel dat ik
ƒ 10 of ƒ 12 voorschot vraag van den patroon. Dit moet dan
worden aangezuiverd door inhouding van 50 centen 's weeks. Deze
inhouding, gevoegd by de wekelyksche uitgaaf voor kleêren en schoenen,
maakt dat wy, zoolang die aanzuivering niet afgeloopen is, moeten
hongerlyden. In zulke dagen eten wy droog brood, en 's middags
aardappelen of erwten met zout, zonder boter of vet.
[102]
Gevraagd: Gy
hebt op uw begrooting 40 centen 's weeks gebracht voor sigaren,
scheren, borrels en tabak...
Antwoord: Ja. Maar
zeer dikwyls doe ik deze uitgaaf niet. Ik gebruik zeer zelden, en dan
nog weinig, jenever. Veel zou ik ook niet kunnen betalen. Maar ik
beken dat ik soms voel een opwekking noodig te hebben om niet
moedeloos te worden.
*
[103]
Gevraagd: Kan
uwe vrouw niets verdienen?
Antwoord: Als zy
kan, gaat ze uit schoonmaken
†
en verdient dan acht stuivers.
Maar daarop kan niet worden gerekend, omdat er niet altyd ‘huizen’ zyn,
en ook omdat zy zich overwerkt heeft, en bovendien geplaagd is met
rhumatiek.
Gevraagd: Wie
zorgt voor uw eten als uw vrouw uit schoonmaken gaat?
Antwoord: Dat maakt
ze den vorigen avend gereed, en ik zet het op 't vuur, als ik van den
molen kom.
Gevraagd: Wie
zorgt voor uw kinderen, als uwe vrouw uit is?
Antwoord: De
kinderen zyn op school, en krygen een boteram meê.
Vraag: Hoe is
over 't algemeen de gezondheidstoestand van uw gezin?
Antwoord: Slecht.
M'n kind'ren zyn zwak. Myn dochtertje van elf jaar lydt, uit zwakte,
aan witten vloed. De dokter zei dat ze versterkende middelen moest
gebruiken...
Bouillon, biefstuk?
Zeker, dat zou goed zyn... maar:
... hy zei 'r niet
by, in welke apteek die te verkrygen zyn.
Gevraagd: Doet
gy wel eens uitgaven om uzelf, uwe vrouw, of kinderen eenig genoegen
te verschaffen?
Antwoord: Ik weet
niet waarvan ik 't betalen zou.
En ik deed nog meer
vragen welker meedeeling 't bestek van dezen brief te-buiten gaat,
doch waarop ik zal terugkomen by latere behandeling van dergelyke
toestanden.
Wie nu aanmerkingen
mocht te maken hebben op de begrooting van dien werkman, wordt
verzocht optegeven: hoe die begrooting dan zou behooren ingericht
te zyn? [104]
Het is daarmeê als met de 1000
millioen die er in Indië verloren gaan onder 't bestuur van één
Gouverneur-generaal die z'n plicht niet doet. Velen vinden dat cyfer
overdreven, omdat ze, zoo-als vaak gebeurt, de kracht der
vermenigvuldiging niet kennen. Welnu, men rekene uit, hoeveel er dàn
in vyf- jaren tyds op onwettige manier wordt afgenomen van de
veertig-millioen onderdanen daarginder, en neme daarby tot maatstaf de
feiten in den ‘Havelaar’ en de opgaven in de ‘Minnebrieven.’
Die opgaven zyn nooit weêrsproken, wat ook niet doenlyk is. Wil
men nu door verandering in de multiplicatie (Minnebr. pag. 145, volgg.)
tot 'n ander resultaat komen, tot 800, tot 500 millioen? Tot 200, of
zelfs tot 100 millioen? My is 't voorloopig wel, schoon ik de
juistheid myner cyfers staande-houd. 't Komt waarlyk niet aan op 'n
paar millioen meer of min, als slechts het feit geconstateerd
is. Debat over nauwkeurigheid in slotsommen volgt later. En ik ben
nieuwsgierig naar 't resultaat van hen die my beschuldigen van
overdryving. 't Zou waarlyk komiek wezen dien
Van Twist te hooren beweren:
-
Multatuli heeft overdreven. Ik kan narekenen en bewyzen dat er
onder myn bestuur maar 500 miljoenen zyn verwaarloosd of geroofd...
jazelfs, heel stipt genomen, is 't nog 'n driegulden minder, en dus...
Zoo gaat het veelal.
Voorgewend wantrouwen in een cyfer wordt gebruikt om de waarheid
aantetasten, die door zulk cyfer bewezen wordt, en die waarheid
blyven zou, al kòn men iets afdingen op de volkomen
juistheid der opgave. Hier nu, byv. de begrooting van den werkman. Ik
noemde 't woord hongerlyden. Nu is niets gemakkelyker dan met
Van Twist of anderen die zoo goedkoop tot rust
komen, uitteroepen: overdryving! Maar ik vraag hoe men dàn die
begrooting zou inrichten, zoodat de man géén gebrek lydt met z'n
gezin?
Kom-aan, filanthropen,
en gy vooral die uw eigen welvaart neemt tot maatstaf om 't geheel te
beoordeelen, gy die vindt que tout est pour le mieux dans le
meilleur des mondes possible [105], schryft eens voor, hoe een werkman,
die zes gulden in de week verdient - en al waren het twaalf! - z'n
uitgaven behoort te regelen, om niet z'n bestaan voorttesleepen
in ellende, zoo-als nu 't geval is. [106]
Zes gulden in de week
voor een huisgezin! Eilieve, ik zie in 't verslag van het Fonds ter
aanmoediging van gewapende dienst, dat er gedurende 1863, voor 84
verminkte en infirme militairen in 't invaliden-gesticht te Leiden, is
uitgegeven ƒ 21,950. Dit bedraagt vyf gulden per hoofd in de
week. Hoe kan dan een werkman, die kracht noodig heeft, die
arbeiden moet, met zyn gezin bestaan van zes gulden?
Bovendien, er worden voor zulke gestichten veel zaken in 't groot en
dus goedkooper ingekocht, terwyl de werkman alles ten duurste betaalt.
Hoe woont overigens de arme,
de minvermogende, ten-onzent? Jazelfs, hoe woont 'n groot gedeelte der
burgerklasse? Meermalen heb ik daarop gedoeld (401,
429)
en zal nu geen beschryving geven van de woningen der armen. Ik ben
realistisch genoeg geweest in de laatste bladzyden en naar myn smaak
zelfs te veel. Myne pen is moê van walg.
Maar over dat
woonen, toch eene vraag, en 'n mededeeling.
De vraag is deze:
zouden de heeren, die onlangs fondsen van anderen trachtten
by-elkaêr te krygen, om hôtels op-te-zetten voor reizigers, niet beter
doen hun eigen geld te gebruiken tot het bouwen van woningen voor
armen? Maar... geen kazernes. Dit bereikt het doel niet.
[107]
Ik begryp dat
burgemeesters-filanthropen, als ze gereisd hebben, veel aanmerkingen
maken op de europesche logementen, en vooral op die in Nederland. Maar
als ze een tydje hadden doorgebracht in 'n kelderwoning te Amsterdam,
geloof ik dat ze die logementen bovenal de moeite van 't
hervormen zouden waardig keuren.
En nu de mededeeling.
Ik geloof dat ze treffend is! Er bestaat in Nederland eene maatschappy
tot Nut van 't Algemeen. Die Maatschappy houdt jaarlyks
algemeene vergaderingen. De afgevaardigden der departementen hebben 't
recht voorstellen te doen... natuurlyk moetende strekken: tot nut
van 't algemeen.
In de laatste
vergadering werd door het departement Franekeradeel
voorgesteld:
‘den departementen aantebevelen,
elk in zyn kring zooveel mogelyk onderzoek te doen naar de
gesteldheid der woningen voor den geringen stand, armen of
behoeftigen; of zy schadelyk zyn voor de gezondheid en den welstand,
en daardoor nadeeligen invloed uitoefenen op het huiselyk
geluk, en oorzaken zyn van kwyning, achteruitgang,
zedeloosheid, onverschilligbeid, verdierlyking...
Ge ziet dat ik niet alleen sta in m'n
oordeel over den invloed van het wonen op de zedelykheid.
‘en plaatselyke maatregelen te
beproeven ter verbetering ten deze.
Zoover 't voorstel van Franekeradeel.
Nu de behandeling in de zitting, volgens de gepubliceerde verslagen:
‘Het voorstellend lid licht zyn
voorstel nader toe, en wil zelfs by de regeering, policie- of andere
maatregelen hebben uitgelokt, om het voorgestelde doel te bereiken...
Dat domme departement Franekeradeel!
't Verdiende waarlyk geschrapt te worden van de ledenlyst der
maatschappy: tot nut van 't algemeen.
Het lid
Arum acht het een onbereikbaar ideaal...
Spoedig een eikenkroon voor dat lid
Arum. Ik zei
ten-onrechte dat er geen uitvindingen worden gedaan door ons Volk...
zie Arum eens! Het heeft idealen weten te
ontdekken - en onbereikbare nog-al! - in dingen waarin ikzelf ze niet
zou gevonden hebben, ik, de droomer by uitnemendheid. En
Arum vindt nog meer uit. Dat dichterlyke lid
beweert:
‘dat het onderwerp in kwestie
niet ligt op den weg der maatschappy tot nut van 't algemeen...
Ik vraag: wat ligt er dàn op dien
weg? Tractaatjes? Bybels? Histories van brave hendrikken? Ik zou 't
een schoone weg vinden, die tot nut van 't algemeen leidde naar
behoorlyke woningen, al struikelde men dan niet op die wandeling over
bundels preeken en verhandelingen. Maar ik schyn dit mis te hebben.
Altans naar 't oordeel der afgevaardigden van onze maatschappy -
tot nut van 't algemeen, vergeet dit niet! - had het dichterlyke
Arum gelyk, en 't praktisch-domme
Franekeradeel ongelyk:
‘Het voorstel werd by
acclamatie verworpen... [108]
Is 't niet bedroevend? Gy begrypt dat
er onder die acclameerende afgevaardigden, veel dominees zyn.
Moesten ze niet in natte kelders worden gestopt, om daar door nauwte
en vuil, door vocht en stank wat menschelykheid te leeren by
hun godsdienst, of liever in-plaats daarvan?
II. Veel van 't
verkeerde is te wyten aan onze Staats-instellingen.
[109]
Algemeenheid van
grieven lokt uit tot het bedenken van specieuse antwoorden. Een
byzondere klacht eischt 'n verklaring die op de zaak past, maar zoodra
een grief herhaaldelyk en van alle zyden wordt ingebracht, componeeren
de betrokkenen een adagio dat de verantwoordelykheid schynt te
dekken. Als gy of ik een brief verliezen, die ons werd toevertrouwd
ter bezorging, zouden we verdriet voelen over dat geval. We zouden ons
moeite geven om den klager tevreden te stellen door 't opgeven der
redenen van het verlies, en door de meest mogelyke inspanning om 't
verlorene terug te vinden. Maar by de postkantoren, waar
herhaaldelyk brieven zoek-raken, heeft men 't makkelyker
geoordeeld eens-vooral 'n paar frazen te bedenken, waarmeê alle
klagers worden afgescheept:
- M'nheer, als de brief waarnaar
ge vraagt, hier is aangekomen, is hy bezorgd. Klager exit.
- M'nheer, als uw
brief hier op de post is gedaan, is hy verzonden. Klager exit.
- M'nheer, kunt gy
verzekeren dat het opschrift luidde zoo-als ge zegt? Men kan zich
vergissen in 't schryven van 'n adres... Dat is waar: klager
exit.
Zulk een algemeen
geldend antwoord - ik zeg dat zulke antwoorden als regel,
niet gelden - zoo'n deun is er ook uitgevonden, om alle
klachten over den toestand des volks te smoren, wanneer men die in
verband brengt met onze Staatsinrichting. Dat antwoord luidt:
Dit is de zaak niet
van de Regeering.
Het volk is zedeloos
en onzedelyk... dit is de zaak niet van de Regeering.
Het Volk is dom... dit
is geen Regeeringszaak.
Het Volk lydt honger,
't Volk woont ellendig, 't is uitgeput, malingre,
moedeloos...geen zaak van de Regeering.
[110]
Al die dingen
liggen niet op den weg der Regeering, om te spreken met
Arum en met de heele nuts-maatschappy, behalve
't nobele Franekeradeel.
Eilieve, wat ligt er
dan toch wèl op dien weg? Wat, in 's hemelsnaam, gaat dan der
Regeering wèl aan? Of gaat haar niets aan, ligt er niets
op haar weg, dan 't kibbelen over 'n plaatsje voor dezen of genen
staatsman?
Waarlyk, de heele
Regeering lykt op 'n spoorweg-maatschappy die vergeten zou de treinen
te doen loopen, om zich alleen bezig te houden met het benoemen van
conducteurs. Ik kom daarop terug.
Wat men in Nederland
vryheid noemt, is niets dan een lafhartig en wantrouwend verdeelen van
verantwoordelykheid. [111] Zie daarover m'n Ideen
5,
6,
7,
8,
9,
119,
120,
121,
135,
326,
329,
330,
332,
333,
334,
335.
Uit vrees voor
tyrannie heeft men alles zoo ingericht, dat het lydende Volk zich op
niemand beroepen kan. Een grondwetkoning is zoogenaamd onschendbaar,
dus: niet aansprakelyk. Hy is verantwoord, wanneer-i zich stipt houdt
binnen de beperkingen van zoo'n instrument, en wel genoodzaakt, om
niet meineedig te worden, verstand, oordeel, bekwaamheid, goeden wil,
hoogere inzichten, alles wat in hem is, voor 'n groot deel te besteden
aan 't bestudeeren van militaire modes. Dit is zoo erkend, dat reeds
by de opvoeding en opleiding van aspirant-koningen, alles wordt
geregeld op 'n wyze die ze vatbaar maakt voor latere onbeduidendheid.
(117)
Dat koningen soms gaarne wat meer en
wat anders doen, is onlangs gebleken by den hollandschen watersnood.
En men ziet die aandrift om toch óók eens iets te mogen wezen of te
doen zonder verlof van den minister, overal by brand en dergelyke
ongelukken. Altyd is daar 'n koning of prins by. Wel loopen ze dikwyls
in den weg, maar mag dit worden kwalyk genomen, als men nagaat dat
zoo'n voorval een der weinige gelegenheden aanbiedt, die hun den moed
geven tot école buissonnière? Laat ons billyk zyn, en zacht
oordeelen over personen die - alleen onder al hun medeburgers -
verstoken zyn van 't recht zichzelf te wezen.
Een koningszoon moet,
om eenmaal zyn beroep goed waartenemen, z'n karakter dooden, z'n geest
uitblusschen, z'n wil onderdrukken. Om wat te wezen, moet-i niets zyn.
[112]
De grondwet leert dat-i eenmaal zal te teekenen hebben wat men hem
voorlegt, en dat z'n hoogste verdienste of bekwaamheid wezen zal, geen
bekwaamheid of verdienste te bezitten.
Waar individueele
verdienste bestaat - en men ziet dit meestal by vorsten die
niet werden opgevoed als troonopvolgers - is hun hoofdstreven, te
verbergen dat ze minder onbeduidend zyn dan de grondwet
voorschryft. Ze moeten dan hun bekwaamheid verstoppen, als 'n
schuchter meisje haar gevoel.
Niets zou dus
onbillyker wezen, dan een grondwet-koning aansprakelyk te houden voor
de ellende des Volks. Hy mag zich zelfs niet bemoeien met de publieke
zaak, en staat dus beneden ieder ander. Wanneer byv. een koning de
zaken inzag als ik, zou hy 't recht niet hebben, daarover
openlyk te klagen als ik. Zyn plicht zou bestaan in 't nalaten van wat
myn plicht me voorschryft te doen. De ministers en liberale
bladen zouden terstond hem terechtwyzen:
- Met uw verlof,
Sire... wees zoo goed te zwygen. Gy zyt gedoemd tot onbeduidendheid.
Volgens de grondwet zullen wy terstond ophouden met roepen: leve de
Koning, zoodra gy bewyzen geeft niet dood te wezen. Uwe taak is, niets
te doen. Uwe roeping is: geen roeping te hebben. Uwe zorg is: alle
zorg overtelaten aan anderen.
Aan anderen?
Aan wien? Aan wie?
Dit moeten wy vragen.
Natuurlyk. Want, als dan de koning volgens z'n grondwet-instructie
zich niet mag bemoeien met de zaken, spreekt het vanzelf, dat hy
geheel-en-al buiten verantwoordelykheid moet gesteld worden,
zoo-als dan ook bedoeld wordt door 't woord: onschendbaar.
Wanneer dus anderen
belast zyn met beslissen en handelen dan moet ook de
verantwoordelykheid by die anderen gezocht worden.
Er moet, toch een
domicilium citandi wezen, waar 't Volk zich kunne aanmelden om
recht te vragen, als 't verdrukt wordt, of - zoo-als by ons -
verwaarloosd. Neem eens aan, dat samenscholing, oproerig geschreeuw,
brandstichten en plunderen, wettige en zedelyke dingen waren...voor
wiens huis moet het Volk samenscholen, wiens naam moet
bezongen worden in oproerliedjes, wiens glazen moeten worden
ingegooid, wiens huisgeplunderd?
Dit weet ik waarlyk
niet. En dat weet niemand. Deze onwetendheid is de triumf van 't
parlementair stelsel, en 'n gemakkelyk bedkussen voor gewetenlooze
regeerders. Als er klacht is, heeft niemand het alleen gedaan.
(326)
De ministeriëele
verantwoordelykheid is 'n leugen. Die heeren zyn zedelyk
verantwoordelyk, ja - zoowel als ieder individu - maar overigens zyn
ze inderdaad onschendbaar. [113]
Een koning staat
te-recht voor de geschiedenis. En al beleeft hy z'n vonnis niet, de
mogelykheid bestaat dat hy er aan denkt met belangstelling. En
zelfs de benoeming zyner ministers - naar den uitslag van 'n
Kamerstemming! - is in-zooverre onderworpen aan eenige pudeur,
dat hy, wat dan ook die Kamer bestemd hebbe, toch z'n paard niet zou
mogen benoemen tot consul, zoo-als men vertelt van
Caracalla. Ook heeft een koning soms de eer optehouden van z'n
geslacht. Of hy heeft achtteslaan op populariteit. Hoe ontmand ook
door de grondwet, het kòn zyn dat 'n vorst zich den loop der zaken
aantrok. 't Is zeldzaam, maar er zyn voorbeelden van. Zie Hendrik
den Vierden, die z'n koninkschap beschouwde als 'n roeping om
te zorgen dat z'n onderdanen goed gevoed werden, en elke week een
hoentje in den pot konden steken. [114] Ook zyn er voorbeelden in de
Geschiedenis, dat een Volk dol wordt, alles vergeet, z'n koning
doodslaat of hem wegjaagt met z'n familie, en die voorbeelden zouden
misschien dezen of genen koning kunnen opwekken tot belangstelling in
de publieke zaak.
Maar... de ministers?
Eilieve, wat hebben zy te vreezen! Hoe bereikt hèn de afkeuring
der Geschiedenis, de vloek van den tydgenoot? Geslachts-eer hebben ze
niet optehouden... het Volk kent hen ter-nauwer-nood, en de
geschiedenis heeft wel wat anders te boeken, dan de namen der
onbeduidendheden die elkaêr opvolgden aan de groene tafel. Wy hebben
sedert twaalf of veertien jaar, byna honderd van die heeren
versleten. 't Is in Nederland een distinctie geworden, geen minister
te zyn geweest.
Ministeriëele
verantwoordelykheid? Onzin. Heeft
Van Maanen de kosten betaald van den tiendaagschen
veldtocht? Zullen de ontelbare ministers die oorzaak zyn van 't
toekomstig verlies onzer bezittingen in Indië, een nieuw Insulinde
weergeven aan Nederland? Zullen zy voorzien in 't equivalent van een
nieuw batig saldo? In een nieuwe koffi- en suikervrachtvaart? Waar zyn
nu al de ministers die jaar-in jaar-uit gelden aanvraagden voor de
marine, en daarmeê niets tot-stand brachten dan de algemeene erkenning
dat die marine in slechten staat is? Zyn de gelden welke dan toch de
Natie gedurig opbracht, zoo slecht besteed geworden? Wie of wat
waarborgt dat de fondsen die nu worden toegestaan, beter
resultaat zullen opleveren?
*
Als over tien jaar het tegendeel
blykt, zal de tegenwoordige minister ver te zoeken wezen, zoo-als nu
z'n voorgangers.
Welke minister zal de
ellende boeten, of herstellen, waaraan 't Volk ten prooi is? Wie zal
het genezen van 't bederf der vochten, dat natuurlyk gevolg van
slechte voeding? Welke minister is aansprakelyk gesteld voor den
schandelyken watersnood van 1862? Tot welke civiele of crimineele
actie geeft het plichtverzuim eens ministers, wettelyk aanleiding? Hoe
moet die actie geïnstitueerd worden? Waar beteekend? Door wien?
[115]
Enquête in de
Tweede-Kamer? Eilieve, de leden dier Kamer zyn immers juist de
personen met wier hulp de minister staande blyft. Zoodra hy in die
Kamer de meerderheid verliest, treedt hy af, trekt zich terug, en is
vergeten. Het zou een curieus ding wezen, die Kamer te hooren
vonnissen over de daden van 't laatst-afgetreden ministerie. Maar
daartoe komt het nooit, want de lieden du jour hebben 't zoo
druk met vasthouden aan 't gezag van heden, dat ze meestal geen tyd
hebben om de fouten en misdaden van gister te behandelen.
Bovendien, de mannen die op 't kussen zyn, hebben een eigenaardige
goedwilligheid voor de verkeerdheden hunner voorgangers. Het tegendeel
mocht eens gewoonte worden, en hoe dan, als ook hùn opvolgers lastig
werden? 't Is daarmeê als met advokaten die elkander sparen... ten
koste van de respectieve cliënten. Die cliënten zyn in dit geval: het
Nederlandsche Volk.
De heele inrichting van ons bestuur
berust op leugen. [116] Die geheel onverantwoordelyke, onaantastbare
ministers zyn 't product van de stemmingen eener Kamer die zelf 'n
leugen is. Die Kamer is niet gekozen door 't Volk. Ze is het
voortbrengsel van krantengeschryf. Wie dat voortbrengsel wil leeren
kennen, ga naar den Haag, of leze 't byblad. En als men 't een te vèr
vindt, en 't ander te vervelend, dan verwys ik naar
336, waar ik een kort levensbericht
heb meegedeeld van ons parlement, dat met-een kan gelden als portret.
[117]
Onder de dagbladen
hebben die kranten 't hoogste woord en den meesten invloed
[118], welke in
den aanvang gesteund door kapitaal, den tyd hadden, door Hoff-advertentiën
en Holloway-annonces, zich te maken tot ‘'n veel gelezen blad.’
Een gezelschap raddraaiers dat 'n paar ton wil ten-koste leggen aan de
verspreiding van een goedkoope courant, kan zeker wezen, na weinig
jaren het uitgeschoten kapitaal met woeker terug te ontvangen... en
den Staat te regeeren. Naast en tusschen de annonces over revalenta of
haargroeimiddelen, geven ze den lezer hun politiek brouwsel in.
[119] Wie
niet geneest door 't middel van dokter die, zal baatvinden by
't stemmen voor m'nheer die. Als dat lid in de Kamer
komt, verdwynen de sproeten. Honderd certificaten uit vreemde landen,
dat m'nheer die 'n ware liberaal is, en dat z'n staatkundige
loopbaan alle kinderen geneest van engelsche ziekte. Likdorens zyn
onmogelyk voortaan, als m'nheer die een plaatsje krygt op 't
binnenhof, en 't stamelen zal mythe worden, zoodra m'nheer die
aan 't woord komt in den Haag. Longtering en opcenten...
O genoeg, arm
rachitisch Volk met uw pillen en kranten, en poeiers en kiescollegiën!
Moet er niet een
algemeene oorzaak zyn, die Nederland gebracht heeft tot den staat
waarin het verkeert? Byzondere gevallen hebben, sedert de zoogenaamde
restauratie, geen plaats gevonden. Doch als wy teruggaan tot de 17e
eeuw, toen de ‘compagniën van verre’ winst begonnen aftewerpen,
waardoor van-lieverlede alles wat niet ‘verre’ was, werd verwaarloosd
en bedorven, vinden wy misschien een der hoofdoorzaken van 't later
verval. De Geschiedenis van 'n volk biedt meermalen punten van
vergelyking aan met de lotgevallen van een individu, en 't zou niet
ongepast wezen, den nadeeligen invloed van den kunstmatigen
compagnie's-handel te vergelyken by loterywinst, waarop geen zegen
is, zooals 't Volk zegt, en ten-rechte misschien. Want zulke winst
maakt lui, onachtzaam, onbekwaam om na 't verliezen van dien rykdom,
op nieuw aan 't werk te gaan.
Maar, om nu alleen te
spreken van lateren tyd, welke reden is er, dat onze natie achteruit gaat?
Sedert 1816 zyn er geen algemeen werkende catastrofen gebeurd. De
treurige twist met België is onbeduidend, als men die van een
geschiedkundig standpunt beschouwt.
*
De uitgaven voor wapening - jaren
lang, en te lang - na den tiendaagschen veldtocht, hadden ruim
kunnen gedekt worden uit de baten van Indië, als 't goed bestuurd was
geworden. - In 't voorbygaan zeg ik u, dat Indië oneindig meer kon
opbrengen. Het zoogenaamd batig saldo bedraagt geen tiende gedeelte
van wat daar wordt verwaarloosd. [120] Aan koffi alleen wordt, naar raming
der ambtenaren van 't binnenlandsch bestuur, evenveel weggeworpen als
ingeleverd. -
Watersnood was in de
laatste vyftig jaren niet frequenter, noch belangryker, dan
overeenstemt met den doorslag-norm van zulke onverantwoordelyke
gebeurtenissen. Ook vroeger bouwde men dyken - dat verkeerd is - en
ook vroeger maakte men die van zand, dat slecht is. De onbekwaamheid
en 't gebrek aan doorzicht onzer dagen, bestonden vroeger evenzeer op
dat punt.
Cholera of andere
ziekten heerschten in de laatste jaren niet meer noch heviger dan
andere kwalen van dien aard in vroeger tyd. Oorlog hadden we niet. De
eeuwigdurende vechtpartyen op de indische buitenposten raken niet aan
't hart van de natie, dat is: niet aan de koffi. Ik zwyg van bloed nu,
ik spreek van zaken...
Welke zaken kunnen
te-weeg brengen dat alles is, zoo-als 't is?
Dit is hoofdzakelyk te
wyten aan slecht bestuur. [121]
De ministers die zich
terugtrekken op hun buitenplaatsen, als de boêl verkeerd loopt,
regelen, beschikken, benoemen, bevorderen of ontslaan naar 't hun
lust.
†
Après eux le déluge, dat
is: watersnood... of andere nood. Wy
hebben dááraan, in medeplichtigheid met de kiezery, een stel
regeerders en bestuurders van land en stad te wyten, dat treuren doet
of lachen, al naar men gestemd is, maar in ieder geval minachting en
verontwaardiging opwekt. Vandaar dan ook dat men nergens den minsten
eerbied bespeurt voor de ‘Overheid.’ Meestal zelfs is er iets vyandigs
in den toon, waarop men hoort spreken over regeeringsdaden of
bestuurders. Van innig verband tusschen Regeering en volk is geen
spoor. Zooveel de wet maar eenigszins toelaat, onttrekt ieder zich aan
't vervullen van burgerplicht. Belangstelling in de res publica
is 'n onbekende zaak geworden. [122] Kan het anders? Wáár men 't oog vestigt
op de handelingen van bestuur, stuiten we overal op onkunde, op
inertie, op gebrek aan bekwaamheid. De kunst van regeeren en
besturen moet geleerd worden. Daartoe is aanleg, yver en studie
noodig, en waar 't Volk dit alles ziet ontbreken op-den-duur, kàn er
geen ontzag bestaan voor bestuur of regeering.
[123]
Let eens op de
straatpolicie in onze groote steden. Het wyzen daarop zal voor ons
tegenwoordig doel genoeg zyn, schoon 't niet onaardig ware, eene reeks
van zaken aantevoeren, die myne bewering staven. Ik zou van de
anecdotische onbekwaamheid der ministers kunnen afdalen tot schynbare
nietigheden toe. Ja, tot het plankje van 't frankeer-raampjen in een
postkantoor, dat door 'n schrenier-gleuf in tweën is gedeeld, om toch
vooral den spoed te verhinderen, die bevorderd worden zou door 't
eenvoudig wegstryken van terugbetaalde pasmunt. Men is nu genoodzaakt
stuk voor stuk optenemen. Er wordt vaak geklaagd over de
postbeambten, en deze klagen op hun beurt over de lompheid en de
exigentie van Publiek. Publiek is lomp,
maar in z'n eischen op vlugge dienst heeft het recht. Als
echter de dienst slordig - en met tydverlies - wordt verricht, is dit
meestal niet zoozeer de schuld der beambten, als van de ellendige
domme organisatie van 't postwezen. Nog-eens wil ik wyzen op
iets zeer eenvoudigs, opdat ieder kunne mee-oordeelen. Zou men niet
meenen, dat de ambtenaar die belast is met de frankatuur, met
aanteekenen, met debiet van postzegels, z'n zitplaats moest hebben
by de guichet?
Me dunkt dit zou nog-al in de rede
liggen. Zoo-als 't nu geregeld is, doet de man z'n dienst loopende
en legt geheel onnoodig alle dagen eenige uren gaans af. Reken
maar na. Hy is langer op de been dan de briefbestellers zelf, die toch
op loopen gehuurd zyn. Wie dus voor zoo'n venstertje z'n tyd staat te
verstampvoeten, duide het niet euvel aan de schraal-betaalde
ambtenaren. Deze kunnen er niet aan doen, of altans niet veel. De fout
ligt in de verregaande onbekwaamheid hooger-op.
*
[124]
Maar, evenzeer
willende vermyden te wyzen op voorbeelden die zoogenaamd hoog liggen,
als op veel wat nietig schynt, zoek ik iets dat geen vat geeft op
niet-ontvankelykheid, noch door schynbare verhevenheid, noch
door even schynbare laagte van terrein. Ik wil niet dat men zich
incompetent verklare door 'n lamzalig: dat is my te hoog, of
door 'n onjuist: dat is my te nietig. Daarom gryp ik iets uit
het midden, en kom terug op de straatpolicie. De schoone studie der
petite voirie blykt by elken voetstap 'n onbekende zaak te wezen.
Ieder schreeuwt, timmert, handelt op den publieken weg, alsof 't z'n
winkel of werkplaats ware. Behoorlyke markten, zoo-als in andere
groote steden van Europa, zyn er niet. Alignement van huizen of
stadswal is 'n onbekende zaak. De reinheid - behalve op de
hoofdgrachten - schynt niet te behooren onder de punten van bestuur.
Regels op 't wonen, in dien zin dat er zóóveel kubiek ruimte zy voor
zóóveel individuen, bestaan er niet. In de achterbuurten hoopt zich
alles op-elkaêr, en deelt elkander meê wat er zoo-al meêtedeelen valt
in die buurten. [125] De mannen van de Regeering ignoreeren dedaigneuselyk
alle kennisname van die vuiligheid, en zeker zouden de bewoners eener groote stad er veel
by winnen, als men friesche of noordhollandsche boeren met het bestuur
belastte, mits ze zich verbonden hun geadministreerden te behandelen
als vroeger hunne koeien. Ik geloof niet dat een rechtgeaarde koe er
in berusten zou, te logeeren als nu drie-vierde deel van de bevolking
te Amsterdam. [126]
Maar dit gaat het
bestuur niet aan. Dit alles ligt niet op den weg van 't bestuur.
En by 't klagen
daarover, stuit men alweder en altyd op dat voorheerschend kenmerk van
't parlementarisme: op gebrek aan verantwoordelykheid.
[127]
Als een pikant
staaltje van de wyze hoe er bestuurd wordt, hoe de bestuurders hun
roeping begrypen, wys ik u op 't volgende.
Wy weten nu eenmaal
dat het Volk geen vleesch eet. Voor 'n oogenblik aannemende dat het
bestuur daaraan niets doen kan, zal 't toch waar blyven, dat zoo'n
feit belangstellende aandacht verdient. Ziehier hoe de Gedeputeerde
Staten van Friesland zich van hun plicht daaromtrent kwyten. Wy lezen
in 't verslag van die provincie over 1861:
Wij moeten nog wijzen op 't
verblijdend verschijnsel dat de invoer van Smeer...
de ‘Nederlandseke Industrieel’
voegt hier zeer gepast by: ‘dat is: de afval van ons naar Engeland
verzonden vee.’ [128]
... ‘smeer, een artikel zoo
uitnemend geschikt om bij de geringe volksklasse het gemis aan
vleesch te vergoeden, in de beide laatste jaren weder klimmende was.’
Het is moeielyk by zulke mededeeling
niet bitter te worden. Men vraagt zich wat de overhand heeft by die
heeren Gedeputeerde Staten, de domheid, de onverschilligheid, of de
wreedheid? [129]
Of zou er ironie
liggen in dat verblyden over 't verruilen van versch vleesch
tegen oud smeer? Zou 't een geestigheid wezen?
Laat ons 't zachtste
oordeel kiezen en dus de zaak houden voor domheid. We kunnen daarvoor
de minder domme opinie teruggeven - niet als verblydend verschynsel,
helaas! - dat 'n vlucht uilen ‘zoo by-uitnemendheid geschikt wezen
zou... om H.H. Gedeputeerde Staten van Friesland te vervangen.
Als ik wilde toegeven
in den lust om zeer veel voorbeelden van dien aard aantehalen, was er
geen eind aan. Beter zou 't gezegd zyn: als ik den walg kon
overwinnen, die my dat aanhalen veroorzaakt. In 't groote en kleine,
in stads-, provincie- en landsbestuur, overal dezelfde onbekwaamheid,
dezelfde inertie. Datzelfde berusten in de straffeloosheid van
een onverantwoordelyk: niet-alleen gedaan.
[130] Partant... overal 't
zelfde gebrek aan geweten.
In Januari 1862 haalde
ik in m'n Vry-arbeid
Shakespeare's
woorden aan: er is verrotting in den Staat. Weinig tyds daarna
herhaalden vele dagbladen van verschillende richting dat woord, en
niemand sprak het tegen. Kort daarop erkende de minister
Thorbecke - let wel, toen hy optrad, en dus al
't gewicht van de beschuldiging kon werpen op z'n voorgangers - ‘dat
er een contagium heerschte in den Staat.’
[131]
Besmetting dus. Het
ware nu, na twee jaren thorbeckery, voor 'n afgevaardigde de moeite
waard dien minister de vraag voorteleggen: wat hy gedurende zyn
bestuur verricht heeft, om die besmetting tegentegaan? En 't ware te
wenschen, dat er een aannemelyk antwoord kon worden gegeven op die
vraag. Maar 't schynt dat de ‘besmetting’ terstond is geweken by 't
optreden van den heer Thorbecke zelf, en dat
er niets noodig was dan 't vertoonen van zyn ziektewerend gelaat aan
de ministeriëele tafel, om gezond te maken wat ziek was, om armoede te
verkeeren in rykdom, en ellende in zaligheid.
We zullen zoo vry zyn
niet te gelooven aan dien omkeer, zoo lang het volk blyft lyden
zoo-als het lydt.
Weer moet ik hier
terugkomen op de leugen der Vertegenwoordiging. Al was er niet zooveel
geknoei in 't kiezen door de weinigen die 't recht hebben zich daarmeê
te bemoeien, of die van dat recht gebruik maken, dan nog zou die heele
zaak leugen zyn want... het hongerlydend gedeelte der Natie
spreekt niet mede. De niet-etende werkman heeft evenmin stem by de
behandeling zyner zaken, als de koeien zelf, die hy ziet
wegvoeren naar Engeland. Het is niet waar dat deze of gene
vertegenwoordiger is gekozen door 't Nederlandsche Volk.
[132] Kleine
stedelyke of provinciale cliques vaardigen in hun belang
dezen of genen af naar den Haag. Een paar overigens onbeduidende
couranten, òf in soldy van 't bewind, òf in hoop op soldy van 't
volgend bewind - want oppositie is meestal hofmakery aan de toekomst -
zoo 'n paar kranten verheffen deze of gene nulliteit tot 'n orakel.
Een man van wien vroeger niemand iets wist, wordt op eenmaal
voorgesteld als 't non plus ultra van welsprekendheid, kennis,
onbaatzuchtigheid, vaderlandsliefde...
Neen, vaderlandsliefde
niet. Dit moet men die kranten als certificaat van bêtise
nageven, dat ze meestal by-voorkeur de districts-liefde pryzen
van hun candidaat, als om een belachelyk zegel te zetten - huns ondanks
natuurlyk, en uit domheid - op de treurige waarheid dat m'nheer die
of die van plan is, z'n stadje en omliggende dorpen te
vertegenwoordigen, en niet het Volk van Nederland. Aldus blykt de
leugen onzer verkiezingen uit de naïve bekentenis zelve, dergenen
die den mond vol hebben van onze onschatbare grondwet, van
constitutioneele ontwikkeling, en dusdanige woorden meer.
Eens was ik in
Friesland, buiten myn weten, candidaat gesteld voor de Kamer. Ik las
in de Provinciale Friesche Courant, dat men my onder anderen ook
dáárom aanbeval ‘wyl ik een Fries was.’ Ik haastte my die dwaling te
releveeren, en werd niet gekozen, natuurlyk. Nu, dit zou misschien
toch niet geschied zyn, maar de aanbevelingen in de friesche couranten
hielden terstond op.
De oorzaken die tot
verkiezing leiden, zyn allerzonderlingst, en - met het oog op de
gevolgen - meer dan zonderling. Het grenst aan misdaad. Ja 't is
misdaad. Onlangs in Deventer, waren er personen die aan
Duymaer van Twist de
kandidatuur wilden opdragen. De man bedankte met wysheid, zelfkennis
en rustliefde. Als-i de onbeschaamdheid had gehad het aantenemen, zou
ik my vernederd hebben tot concurrentie, om eens te weten hoe
ver die onbeschaamdheid gaan zou. [133] Te-gelykertyd hadden de winkeliers
en leveranciers eener andere stad, een districtslievend persoon
ontdekt in een gewezen bataviaschen tokohouder, die waarlyk niet
in-staat is een redelyken brief te schryven. De man had met
thee-laten-maken en rystleveren, - och die ryst wordt den kinderlyken
Javaan afgekocht voor weinig geld, meestal op 't veld nog... drie
maanden later is er hongersnood! - op die wys had de man rykdom
verzameld en hy wist dien rykdom te doen aanzien voor bekwaamheid,
voor kennis van Indie! ‘Die man was zoo byzonder knap in
indische zaken’ zeiden de eenige kiezers welke hem aanprezen op
'n manier die Hoff
beschaamd maakt. Men zeide dat hyzelf die ronflante artikelen schreef.
Dit was laster. De man is er niet toe in-staat. Toch scheelde 't
weinig of hy was Lid van den Kamer geworden.
*
Over 't geheel
openbaart zich de ‘besmetting’ 't duidelykst in de schatting van
personen. Ten-allen-tyde was rykdom een middel tot bedervenden invloed. Maar
ik geloof dat zelden die invloed zich zoo onbeschaamd deed gelden als
tegenwoordig. Welke aanspraken had de heer
Fransen van de Putte, om gekozen te
worden tot volksvertegenwoordiger, tot minister? Wat had hy verricht?
Waaruit was gebleken dat hy bekwaamheden bezat, groot genoeg om die
verheffing te billyken? [134] Als de heer Fransen van de
Putte, bekwaam was voor z'n betrekking - eene onmogelykheid,
die wel door hemzelf zal erkend worden - zou 't een bloot toeval
wezen. Noch zyne opleiding, noch z'n levensloop leidden daartoe. En al
hadde hy zich geoefend in kennis, wetenschap, studie der publieke
zaak, dan nog is zyne verheffing onverantwoordelyk, wyl in dat geval
die oefening zoo in 't geheim zou geschied zyn, dat niemand daarvan
ooit iets gewaar werd. Het Nederlandsche Volk wist van den heer
Van de Putte dit alleen, dat hy in Indië nog
spoediger was ryk geworden dan vele anderen, en ik zou juist hierin
een reden vinden om byvoorkeur hèm uittesluiten van allen invloed. Ook
op den Javaan maakt het een slechten indruk, dat er in Nederland
premiën worden gesteld op snellen geldöogst. Ik weet wel dat men
hier-te-lande rykdom verwart met verdienste, maar 't zou goed wezen
dit niet zoo duidelyk te toonen, want de Javaan zal daardoor allen
moed verliezen tot openbaring zyner krachten. Immers, hy moet nu gaan
denken, dat het minste verzet tegen heeredienst of levering van
koelies, de minste weifeling in 't zoo bitter-nadeelig discompteeren
van z'n oogst, hem later zal worden betaald gezet, wanneer de persoon
waarmeê hy dacht te-doen te hebben als speculant, aan 't hoofd
van het bestuur komt te-staan! Wanneer de handelaar, contractant of
vry-arbeider, juist dóór 't aldus gewonnen geld, zal zyn opgeklommen
tot gezag! We zyn immoreel, laag en gemeen, maar
eilieve, laat ons dit niet yken als maatstaf. 't Zou goed zyn den
Javaan in de meening te laten dat uitzuigen en afpersen en snel
ryk-worden private liefhebberyen zyn, en geen officiëele
deugden.
Ik geloof dat de heer
Van de Putte bekwamer is dan over 't algemeen
kan verwacht worden van lieden die zoo byzonder bedreven zyn in
geldverdienen. Of liever, ik houd hem voor vlug en handig genoeg, om
onze Tweede Kamer bezigtehouden met ‘duitenplatery.’ Ce
n'est pas jurer gros. Zie de grappige uitweiding over 't kadaster
op Java, waarvoor alle wezenlyke belangen die aan de orde van
den dag behoorden te zyn, worden ter-zy gesteld. Doch al ware de heer
Van de Putte inderdaad bekwaam, al had
hy kennis van indische zaken, dan immers nog is 't een ongerymdheid,
in tyden van kwestie over Vry-Arbeid en kultuurcontracten, iemand aan
't hoofd van Koloniën te plaatsen, die juist met en door die dingen fortuin heeft
gemaakt, en hoogstwaarschynlyk nog altyd belang heeft by de
wyze van exploitatie der Javanen.
Hoewel ik me
persoonlyk heb te beklagen over den heer Van de Putte,
die van z'n zonderling verblyf op den ministerzetel gebruik heeft
willen maken, om my voor gek te houden, en onedelen spot te dryven met
myn eervollen armoed - zoo-als troetelkinderen van stom geluk gewoon
zyn - gaat toch deze uitval niet hèm aan. Myn opmerkingen betreffen de
inrichting van den Staat, die zulke zotte benoemingen mogelyk
maakt, en zelfs frequent, of - erger nog - die ze onmisbaar
tengevolge hebben moet.
In-verband met de
Kamerknoeiery, had de heer Thorbecke - na 't
aftreden van den inderdaad bekwamen, zeer intègren, zeer met de
indische huishouding bekenden minister Uhlenbeck
- iemand noodig die paste in 't lystje dat onze regeeringskarikatuur
omvat. De vraag schynt niet geweest te zyn: Wie is bekwaam? Wie
toonde op de hoogte der zaken te zyn? Van wien kan men yver,
kunde en goede trouw met grond verwachten?
[135]
De vraag was deze:
welke persoon kan geacht worden, kameraden genoeg te
hebben onder de septuaginta, om z'n begrootingen te doen
doorgaan?
Daar nu de heer
Van de Putte een joviaal mensch is, aangenaam
in den omgang - och, dat is zoo makkelyk als men niet wordt
neergedrukt door zorg. Ik kan ook zoo vroolyk wezen, als m'n kinderen
schoenen hebben! - daar hy zich ‘goed voordoet’ en de gaaf heeft om
onkunde te verbergen onder woorden - juist anders-om als
Uhlenbeck, die uit
gebrek aan woorden, z'n kunde niet kon toonen - zie, dáárom
moest de heer Van de Putte minister zyn. Hy is
dit, niet in 't belang der zaken alzoo, maar opdat
Thorbecke minister blyven zou.
Dit zyn de eischen van
ons Regeeringsstelsel. Ik tast geen personen aan. Ik tast het
stelsel aan, dat zùlke personen noodig heeft, om zich overeind te
houden. [136]
Ik vraag niet of 't
billyk is dat Van de Putte minister is, terwyl
ik moeite heb 't papier te betalen, waarop ik m'n
Ideen schryf! [137] Ik vraag niet of 't billyk is, dat we
ternauwernood de kans ontliepen een gewezen
rystopkooper-tokohouder-theelatenmaker in de Kamer te zien - een man
die niet behoorlyk schryven kan, en 't in de rekenkunde nooit verder
bracht, dan nu reeds m'n kleine Max - terwyl
ik myn gezin niet kan onderhouden, omdat men my 't arbeiden onmogelyk
maakt? Ik vraag niet: of 't billyk is, dat Havelaar
wordt bespat door den modder van Slymeringen en Droogstoppels? Ik
vraag: of 't Stelsel goed wezen kan,
dat zùlke toestanden gedoogt en zelfs teweegbrengt?
[138]
Ik vraag wat er moet gedacht worden
van de wyze waarop andere belangen worden
behandeld, als zùlke voorbeelden van schandelyk onrecht mogelyk zyn?
Ik vraag, hoe zich de
arme, de werkman, recht zal verschaffen, als 't my niet gelukte
tot-nog-toe, my, dien men toch altyd eenigszins ontziet ‘omdat ik zoo
mooi schryf.’ Want zie, eenmaal toch zal ik 't zoo ver brengen dat ik
een plaatsje vind om rustig te werken, en dan begrypt men toch dat ik
de macht hebben zal rekenschap te vragen op andere wys, dan door ‘mooi
schryven’ alleen.
Hoe zal de mishandelde
arme zich doen hooren?
Dáárvoor zal ik
optreden. En dit schryven is een begin.
*
De arme wordt niet
vertegenwoordigd? Welnu, van heden af, ben ik de
vertegenwoordiger van dien arme. De Regeering draagt geen kennis van
de behoeften des Volks? Ik zal haar die behoeften doen kennen.
En als de tyd dáár is,
zal ik haar bericht doen van de eischen des Volks.
De arme die stom
was, zal voortaan spreken. De hongerlydende bevolking van
Nederland zal niet langer zwygend hongerlyden.
[139]
- Wy willen eten, waarlyk leven,
genieten. Wy willen gelukkig zyn.
Ziedaar de eerste,
zeer onparlementaire, redevoering, die ik namens den arme, den werkman
en de grootste helft der burgerklasse, richt tot de Regeering van
Nederland.
Wat aangaat de andere
redevoeringen, gehouden door de officiëele vertegenwoordigers, ze zyn
leugen. Leugen tegen de meening dat die sprekers bekwaam zouden
zyn om goed te spreken. Leugen tegen het standpunt
waarop ze zich lieten plaatsen als mannen van talent, van studie, van
belangstelling in 't lot des Volks. Leugen tegen hun mandaat.
Die heeren waren niet
afgezonden naar den Haag, om te redekavelen over stelsels, meeningen
en parlementaire spitsvondigheden. Het Volk eischt welvaart,
bien-être, genot, geluk, en 't is de plicht van wie een mandaat
aannam, dien eisch te doen hooren, dáárover te spreken, en de
Regeering te noopen - des-noods te dwingen - zich dáármede te
bemoeien.
De leugens
moeten ophouden. Het Volk eet z'n droog brood en z'n aardappelen, met
of zonder vet dan, in waarheid. Het heeft dus ook recht
op waarheid in 't noemen van die zaken.
De verslagen van
gemeenten en provinciën zyn leugenachtig. De rapporten der beambten
moeten kloppen met den geest van de clique die op 't
kussen zit. De mededeelingen uit Indië zyn leugenachtig.
Ter-zelfder-tyd als men publiceert dat daarginder alles rustig en
tevreden is, moet men ter beteugeling van opstand en oproer, z'n
verdedigers zoeken tot in Altona en Afrika toe. De troonrede die de
ministers laten uitspreken, is een jaarlyks terugkeerende leugen. En
't antwoord daarop insgelyks. Nooit laat men den Koning zeggen:
‘Heeren, 't Volk lydt gebrek.’ Nooit antwoordt men: ‘Sire, 't Volk
heeft honger.’ En zoo toch zou er moeten gesproken worden, als er naar
waarheid gestreefd werd.
Hoe kan men haar ook
verwachten, die waarheid, van personen die 't recht van spreken alleen
te danken hebben aan een zoo leugenachtige fictie als onze Kieswet?
Zou niet byna ieder lid van de tegenwoordige vergadering, als-i
aandrong op waarheid, in zekeren zin een zelfmoord begaan? Zou hy niet
vóór alles de bekentenis moeten afleggen: geen vertegenwoordiger van
't Volk te wezen?
Het belang dat de
vertegenwoordiging schynt te stellen in de ‘kleur’ van 't kabinet is,
met het oog op haar mandaat, al weêr een leugen. De principaal -
het Volk - droeg zynen gemachtigde niet op, strydtevoeren tegen
dezen of genen minister. Het Volk verlangt welvaart, loon voor
geleverd werk, levensgenot, voedsel.
En nu zegge men niet, dat de ‘kleur’
van 't kabinet in-verband staat met deze wenschen des Volks.
Geenszins. O, 't ware inderdaad de moeite waard, een staatsdienaar te
verwyderen, die 't volk deed hongeren, om hem te doen vervangen door
'n ander, onder wien 't behoorlyk zou worden gevoed. Maar dit
geschiedt niet. Het Volk lydt gebrek, èn onder zoogenaamde
behouders, èn onder zoogenaamde liberalen, en zóó ver gaat de gewoonte
van 't wegdringen der waarheid, dat men zich zelfs de moeite niet
geeft, de eenige wezenlyk ernstige partyleus: 's Volks welvaart,
te gebruiken tot uithangbord. Hierin staan onze regeerders nog
beneden een ouwerwetschen kroeghouder die door 'n gekroond
‘Landswelvaren’ tracht z'n jenever in en aan den man te brengen. De
welstand van 't Volk ‘ligt niet op den weg der Regeering.’
Vry-arbeid, nog liever
Kadaster - ik denk dat de minister jufvrouw Zipperman
gesproken heeft, of 'r schoonzoon... ‘waar 't so tochtte’ - vry-arbeid
in Indië, staatsspoorwegen, doorgravingen, afschaffing van tiendrecht,
tariefsherziening, alle deze meer of min belangryke onderwerpen worden
met half of kwart talent gebruikt als banier om iets te schynen, om te
poseeren als man van ‘principe,’ van ‘opinie,’ van ‘kleur,’
maar voor de heel eenvoudige zaak van voeding komt niemand op.
't Ware te wenschen - zonder scherts, ik spreek in treurigen ernst -
dat er in de Kamer een vleesch-party opstond. Hierin lag
misschien een behoedmiddel tegen ‘opstaan’ op andere wyze,
‘opstaan’ eener andere party, en buiten de Kamer
ditmaal, eener party die - god-bewaar-ons! - later in de Geschiedenis
den naam zal dragen van kaas- en broodvolk. Zoo-als we dat meer
zagen gebeuren, en zullen zien gebeuren, omdat het ligt in den
almachtigen aard der dingen.
Een vleeschparty in de
Kamer! O, zeker zou die party wèl zoo belangryk wezen als nu de
côteriën van liberalen, van behouders, van juste milieu
richting, van kakelaars over christelyk-historische standpunten, of
der halfwyze vereerders van een goddelyk recht...
Er is een
goddelyk recht. Dat is 't recht des Volks om brood te eischen voor
arbeid. Het recht om niet te sterven van honger, of in leven te blyven
met moeite, in een land dat ruimschoots 't noodige opbrengt, maar
welks voedende kracht door wanbestuur ten deele wordt weggeleid naar
't buitenland, ten deele misbruikt om eenige weinigen te overladen met
gunst. [140]
De spitsvondige,
schynbaar diepzinnige redeneeringen over tarieven en vryhandel worden
niet gevoerd met het plan om te geraken tot waarheid. Deze is - het
kan niet te dikwyls gezegd worden - eenvoudig, als altoos.
Vryhandel? Zeker! Vrye Handel,
geen belemmering van uitvoer, geen bescherming, die traag
maakt, en vadsig en onbekwaam, maar... ook geen bescherming van den
vreemdeling.
Ik zal die zeer
makkelyke kwestie afzonderlyk behandelen in m'n Ideen,
en spreek daarover nu alleen om ze optenemen onder de dingen waarmeê
men in den Haag zich bezighoudt, als 't Volk gelooft dat er gesproken
wordt over wezenlyke vraagstukken. De zaak is belangryk,
maar 't gekibbel daarover hoort thuis in den malade
imaginaire van Molière,
waar twee geleerden zich in vuur zetten over de vraag, of men zeggen
moet: la figure of la forme d'un chapeau.
De hoofdoorzaak van de
ellende des Volks ligt in zulke ‘duitenplatery.’ Als men 't byblad
leest en na elke redevoering de vraag doet: ‘geacht lid, heeft uw
lastgever u opgedragen aldus, of dáárover, te spreken?’ Of: ‘meent gy
te zyn afgevaardigd met de bedoeling dat ge zoo, of dáárover
spreken zoudt?’ Zeker, dan zou 't antwoord altyd neen wezen.
Maar er was
tot-nog-toe niemand om die vraag te doen, op 'n wyze die dwingen zou
tot antwoord en beterschap. Dit zou anders wezen, als de leugen
van de verkiezingen had opgehouden, als er in de raadzalen der
Regeering mannen zaten, die inderdaad door 't Volk waren
daarheen gezonden. Door 't Volk, dat dan letten zou opde
handelingen en redevoeringen van z'n lasthebbers. Het Volk, dat
eindelyk zou ophouden eerbied te koesteren voor diepzinnigheid, waar
ze niet te-pas komt, en leeren zou de dingen die 't aangaan, te
begrypen.
Ik ben tegen 't
parlementair stelsel. Maar als men dit nu eenmaal houden wil, behoort
het in oprechtheid te worden toegepast, en niet met de huichelary van
een bespottelyken census. [141]
Vrye en algemeene
verkiezingen, dàt is - nu we eenmaal meêvaren in 't schuitje van
de eeuw - 't eenige middel om dat vaartuig te doen aanlanden in goede
haven, en vooral om te beletten dat reizigers en bemanning
àl te erg worden uitgezogen.
De lyders der
constitutiekoorts willen dat het Volk meêspreke. Welnu: dàt dan ook
't Volk meêspreke! 't Is valsch en schandelyk, het in den waan te
brengen dat er gezorgd wordt voor z'n belangen, als dit inderdaad
niet geschiedt.
Vrye en algemeene verkiezingen,
ja... maar om die verkiezingen vry te doen zyn, moet de invloed der
holloway-dagbladen worden gefnuikt, die juist omdat het eigenlyke Volk
niet leest - waar blyft de zegelwet, o ministerie? - dagbladen die
juist dáárom, en alléén daarom, invloed hebben zooveel als noodig is
om een kieskollegie te doen triumfeeren met 'n onbeduidenden candidaat,
tegen de candidatuur van 'n andere onbeduidendheid.
[142]
Algemeene verkiezingen, Ja!
Men zou wel gedwongen zyn te letten op de publieke zaak, als 't Volk
daarin meêsprak. De scherpte van den toon, welken de honger geeft, zou
ook anderen wakker maken, die nu hun recht tot kiezen niet waardeeren
‘omdat het toch niet helpt.’
Er zou beweging komen
in ons politiek leven, en al ware soms die beweging onördelyk, al
raakte ze aan den grens waar roering begint, of zelfs schandaal...
welnu, dit alles ware te verkiezen boven den tegenwoordigen doodslaap.
We zouden mannen in de
Kamer krygen die, om te voldoen aan de opdracht van den lastgever,
zich wel moesten onthouden van voorgewend-ingewikkelde kwestiën,
op-straffe van 't verliezen der goede meening hunner principalen, die
hen hebbende afgevaardigd om iets te doen, geen genoegen zouden
nemen met onbegrepen gepraat. Niet liberale of
behoudende beginselen zouden op den voorgrond staan by 't
beoordeelen van candidaten, men zou zich afvragen: wat heeft die man
verricht? Wat geeft ons de hoop dat hy iets ten algemeenen
nutte verrichten zal?
Het Volk is eenvoudig
in z'n eischen en begrippen. Het heeft voedsel en levensgeluk noodig,
en zou dus verlangen dat het aanschaffen van voedsel en levensgeluk
mogelyk werd, tegen pryzen die 't betalen kan. In-allen-geval zou 't
vorderen dat men zich de vraag stelde: of er aan den algemeenen
toestand niets valt te verbeteren, in-plaats van zoo-als nu, brutaal,
insolent, wreed en lui, zich van alles aftemaken, met het praatje:
dat is geen Regeeringszaak!
Thans, zoo-als 't
nu gaat met de verkiezingen, zyn er van de zeventig heeren in den
Haag hoogstens drie of vier bekend by 't Volk. En dit is natuurlyk.
[143] De
eigenschappen die 'r noodig waren om in 'n provinciaal of stedelyk
clubje te worden aangezien voor zoo ‘byzonder achtenswaardig,’ zyn
geheel iets anders, dan wat er vereischt wordt om een volksman te
vormen, en onze heele kiezery is gelyke dwaasheid als er liggen zou in
de benoeming tot admiraal, van iemand dien men zoo aardig bad zien
spelevaren in 'n sloot.
*
Waar zyn de admiralen,
vraagt ge? Die zullen verschynen, zoodra er naar admiralen wordt
uitgezien, zoodra er by algemeene verkiezingen, algemeene
hoedanigheden zullen noodig wezen. Tot zoolang is 't degradeerend en
vervelend, te concurreeren met dorpsrenomméen.
De heer
Van Hall is bekend.
De heer Rochussen is
bekend. De heeren Groen,
Van Hoëvell,
Thorbecke, en nog 'n
paar anderen, zyn bekend. Overigens bestaat ons parlement - met ap- en dependentie van ‘ex-leden,
rentrée leden in spe, in-lang-niet-vertoond-leden en dergelyken -
uit coqs de village.
En al ware er niemand
by 't Volk bekend als publiek persoon van eenig belang, les hommes
ne manquent jamais aux circonstances. (Zie eerste brochure over
Vry-arbeid, blz. 22, uitg. 1866.) Er zullen mannen opstaan,
zoodra er vraag naar mannen is. [144] 't Gaat daarmeê als met fosfer, die
vroeger duur en zeldzaam was, en later, toen de behoefte aangroeide,
goedkoop werd en overvloedig. De huishouding van Staat had tot-nog-toe
geen lichtstof noodig, en daarom is de sociale fosfer op dit
oogenblik zoo duur. Ze zal te-geef worden, als er vraag naar is.
Algemeene
verkiezingen dus. Afschaffing van den census, die bespottelyk
is, èn in principe èn in toepassing. [145]
In principe.
Zooveel vooronderstelde welvaart geeft recht om invloed uitteoefenen
òp de welvaart. Dus de arme drommel die juist zoo hoognoodig had om
tot welvaart te geraken, wordt uitgesloten. Hebben schipbreukelingen
die aan-boord zyn van 't zinkend wrak, minder recht op hulp-roepen,
dan wie half of heel gered zyn? Mag iemand die meer honger
heeft dan 'n ander niet meêroepen om voedsel?
In toepassing.
Heeft de beschaafde man die zich intellectueel ontwikkelde, maar juist
dáárom misschien op geldverdienen zich niet toelegde, minder recht van
bemoeienis met de publieke zaak, dan de kastelein van een
meisjeswinkel? Staat de eerlyke arme - arm misschien omdat-i-eerlyk
was - boven den gelukkigen gauwdief, boven den woekeraar? Moet 'n
dokter in de letteren, een wysgeer, de man van studie, lager staan dan
de schacheraar? Is 't voorts billyk, dat menig kleinhandelaartje op 't
platteland mag meêstemmen, en de met hem gelykstaande winkelier in 'n
stad niet, omdat er voor de woonplaats van den laatsten een hooger
census is voorgeschreven?
En eindelyk: waarom
kiezen de vrouwen niet meê? [146] Als de ministers 't geld van de natie
wegsmyten, zoodat de belastingen hoog blyven, lyden zy toch ook
onder dien druk. Alswe door slecht bestuur oproer krygen, of oorlog,
of watersnood, lyden zy toch ook onder die rampen.
De zotterny der
bepalingen op 't kiezen, springt overigens terstond in 't oog, door
dit enkel staaltje: dat er minder wordt vereischt om lid van de
Kamer te wezen, dan om kiezer te zyn.
Dit alleen is
voldoende om de diepte te peilen van de inzichten der heeren -
Thorbecke bovenaan - die Nederland zoo
grootmoedig met de kieswet doteerden.
By algemeene
verkiezingen zou men niet telkens nulliteiten - of erger - zien
verheffen op den ministerstoel, want het beter gehalte der Kamer zou andere
tegenspraak vereischen, of andere toelichting, dan er nu meestal wordt
gegeven van de groene tafel. [147]
Zou een
Betz, minister van
financien - van financien! - hebben durven terugkomen, na flink
te zyn uitgelachen over z'n onkunde? Zou
Torbeckekunnen volstaan met z'n
ambiguïteiten, als er tegenover hem mannen stonden, die de puntjes
wisten te zetten op de i's. Zou 'n Kamer die wat beduidde, zich
laten afleiden van de behandeling der toestanden in Indië - die
voorziening vereischen! - door langgerekte verhalen over 't
kadaster waarnaar niemand vraagde, welke met dien toestand niet in
't minst verband staan, en over 't geheel pure nonsens zyn?
De verkiezingen
zoo-als ze thans geschieden, waarborgen byna altyd de zegepraal van
middelmatigheid. En middelmatigheid is misdaad in mannen die in
rang, geld, aanzien en gezag, betaald worden voor wat anders, en méér.
[148]
Non omnibus licet... zich aantestellen als 'n Boeotier.
Hoe overigens de
verkiezingen zouden moeten geregeld worden, om ze te maken tot waarlyk
vry en algemeen, hoort thuis in een nieuwe Kieswet die
'k nu niet schryf. Thans is ze ellendig! En deze opmerking is
ten-slotte voldoende voor 't doel van dezen brief.
Onder voorbehoud om
later op veel punten terugtekomen, en bepaaldelyk op de middelen ter
verbetering, resumeer ik:
I. Het volk verkeert
stoffelyk, zedelyk en verstandelyk, in een ellendigen
toestand.
II. Dit is voornamelyk te wyten
aan de inrichting van den Staat, wyl niemand zich
aansprakelyk houdt voor die ellende.
De Koning niet, omdat-i volgens de grondwet,
onschendbaar is, en daardoor met den besten wil, onmachtig.
De ministers niet, wyl ze - bon an, mal an - om de
twee, drie jaar aftreden, en zich dan niet bekommeren over de
latere gevolgen van de wyze waarop zy bestuurden.
III. Die toestanden zyn 't
onvermydelyk gevolg:
Voor een deel van 't Parlementair Stelsel in het algemeen.
Voor een ander deel - en voornamelyk! - van de wyze waarop
dat stelsel in Nederland is voorgeschreven door de Wet, en wordt
toegepast in de daad.
Ik eindig voor ditmaal met den
catonischen uitroep: Ik voor my, ik blyf er by, dat de ellende des
Volks moet worden uitgeroeid! [149]
Zorg dat ge welvaart, laat uw kleinen
jongen zich vooral toeleggen op 't fransch
*
en tot-ziens.
‘Myn volkje thuis is
wel, en kleine Max heeft 'n prix
d'excellence gekregen. Sakkerloot... als-i een ‘knap kind’ wordt,
onterf ik hem. Dat zou 'n plaag wezen. Myn ouders waren heel
gezegend op dat punt. [150] Adieu!
*) Slechts
zeven jaar zyn er sedert deze dagteekening verloopen, en reeds komt
my dit stuk verouderd voor. Er had eene groote verandering plaats.
De toestand des Volks is geenszins verbeterd, maar 't publiek leven
is in zooverre ontwaakt, dat men alom op zulke verbetering begint
aantedringen. Wat voor zeven jaar de zwartgallige meening scheen van
den pessimist, werd in korten tyd erkende waarheid, en weldra
gemeenplaats. Eerlang zal 't, met behulp van allerlei schreeuwertjes
en schryvertjes, eene vervelende scie zyn,een afgezaagde
deun. Men heeft me in Kamer en kroeg zoo herhaaldelyk nagepraat (51)
dat ik by de correctie van m'n eigen werk, gedurig den indruk voel,
alsof ik de couranten van gister en eergister gekopieërd had.
Nageslacht, dit is zoo niet! Aan u die 't zult ondervonden
hebben dat ik waarheid sprak, aan u verklaar ik dat er in 1864 moed
noodig was, om 't eerst en alleen staande, te zeggen wat nu in
ieders mond is.
Ik verwys overigens, wat myne beoordeeling van den toestand des
Nederlandschen Volks aangaat, naar m'n Een en
ander over Pruisen en Nederland, en de beide brochures
overVryen-Arbeid, daar ik my
overtuigd houde dat myne beschouwingen over dit onderwerp, eenmaal
aan geschiedvorschers bronnen zullen leveren, by 't nasporen der
oorzaken van Hollands val.
Het is dan ook voornamelyk hierom dat ik de lezing van 't nu volgend
stuk - in nauw verband met
452
- nog altyd durf aanbevelen, onder opmerking evenwel dat ik 't nu
anders schryven zou. By alle kwalen die bestaan bleven, heeft
zich eene nieuwe ramp gevoegd: het gekakel der politiseerende
demokraatjes. Arm volk dat gered moet worden door zulke advokaten!
We hadden: liberalismus, Thorbeckery, behoud, halfheid,
traagheid, karakterloosheid, vervalschte levensmiddelen,
specialiteiten, kiezery, Kamerspeeches, verrotte politieke atmosfeer...
dit alles was niet genoeg! De clubziekte ontbrak nog. De heeren
democraat-byeenkomers zien niet in, dat ze nu reeds - 't is wat
vroeg! - al de fouten overnemen van de nog niet verslagen
tegenstanders. (7)
Het aantal Volkstoestandverbeterende vergaderingen is legio, en
allen kopiëeren de Tweede-Kamer - 'n ongelukkig model! - met
belachelyke nauwkeurigheid. In-plaats van praten, had men
moeten begînnen te leeren lezen, en zich te oefenen in
denken. Wat er nu voor den dag komt, is onbekookt.
De toekomst is zorgwekkend, of liever - want zorg veronderstelt
mogelykheid van redding - de toekomst is veroordeeld.
George Dandin heeft het gewild!
Ook in de Volksvertegenwoordiging begint men my natepraten. Men
herhaalt myne opmerkingen, men bezigt myne uitdrukkingen... altyd
zonder my te noemen, natuurlyk. Ééne zaak slaat men gewoonlyk over:
myn aandringen op recht! Het is dan ook dit gebrek aan
eerlykheid, waardoor alle herstel onmogelyk wordt gemaakt. (1872)
*) Op deze incorrecte uitdrukking
kom ik by 't behandelen der kromschryvery van Mr.Thorbecke
terug. (1872)
†)
Algemeene toejuiching
is zelfs schadelyk in een klein land. Nooit heeft de ellendigste
droogstoppelary zich vaster op 't kussen gezet, dan na 't ‘mooi
vinden’ van den Havelaar. Wat de behouders deden met schroom en
matig, doet een huichelend liberalisme met grenzelooze
onbeschaamdheid. Men is immers zoo zeker van de stemmen!
Voor-en-na worden de indische residenten gepensioneerd, en trekken
naar Driebergen. De Vry-arbeid regeert in den Haag.
Duymaer van Twist rust op z'n
buiten. De bloedige oorlog op Borneo rust niet. Groote
spoorweg-concessiën hebben de kleine kultuur-kontrakten vervangen.
Voor nog geen jaar zyn in 't Buitenzorgsche, dus in de
onmiddelyke nabyheid van den gouverneur-generaal, Javanen van
honger gestorven, precies als in den Havelaar. Men kan 't nalezen
in 't Bataviaasch Handelsblad. De Nederlandsche couranten hebben
't overgenomen zonder commentaar, en even droog alsof 't de
verplaatsing gold van een brigadier der marechaussees. In de Kamer
worden sans vergogne vervalschte stukken overgelegd in de
zaak van den Heer Stieltjes.
Niemand klaagde er over. 't Schynt zoo te behooren.
Wat heeft Publiek gedaan om iets te veranderen in dien
toestand? Niets! Ja toch, men heeft den man die, niet met een
pedant praatje, als Thorbecke,
maar met opoffering van zyn duurst belang, aantoonde: ‘dat er
verrotting in den staat was’ gehoond, gelasterd, en trachten te
smoren door hem 't leven moeielyk te maken.
Een der eerste daden van ons liberaal ministerie was - onder
andere dergelyke - den Heer
Cornets de Groot, die nooit wat byzonders
uitrichtte, Dertien duizend gulden 's
jaars te bezorgen! En Havelaar's kinderen lyden gebrek.
Ik zou er niet over spreken, als 't my maar niet belette te
werken. Dáárover klaag ik, en men zal begrypen, waarom ik Publiek,
met of zonder z'n toejuichen of ‘mooi-vinden’ veracht. Ik doe
niets om mooi of leelyk te worden gevonden. Dat is 't werk van
publieke vrouwen en van mannen die daarmee gelykstaan. (1864)
*) Ieder kan uit de voorafgaande en
straks volgende regels van den tekst, beoordeelen hoe ik denk over
de wyze waarop zeker gedeelte des volks zich op de kermis vermaakt.
In-weerwil daarvan of juist daarom, verklaar ik 't afschaffen der
kermissen voor wreed en dom. Er bestaat een
rationeeler middel om 't misbruiken van de kermis te fnuiken.
Men behoeft ze slechts permanent te verklaren. Van zulken
maatregel ware goede vruchten te wachten. Van belemmering of
afschaffing nooit! Ex-pellas furcâ enz.
Men had behooren intezien dat de uitspatting een gevolg is van
pénurie aan vermaak. De arme lieden die 364/365e
deel van 't jaar hun kommerlyk leven doorkniezen, zyn dòl zoodra zy
zich op dien éénen overigen dag opdringen ‘pleizier’ te moeten
hebben. En dit zou dan ook, in zulke omstandigheden, zonder den
vervloekten jenever niet gelukken. Zeer kort nadat de niet heel
aanlokkelyke kermisvermaken op-den-duur werden toegelaten - waarom
niet, als er liefhebbers zijn? - zou de nieuwsgierigheid naar
tweekoppige kalveren en dikke dames verstompen, en dan ware de tyd
gekomen om zorg te dragen voor uitspanning van beter soort. Dàn ook
zou die poging slagen, en wel door den veranderden smaak van 't Volk
zelf. En... men voorkwam den wrevel die thans het zeer natuurlyk
gevolg is van 't verbod.
Zoo-als men nu deze zaak behandelt, is er geer verbetering denkbaar.
Eerst de menschen krankzinnig te maken door onthouding, en dan door
nog meer, of zelfs volslagen, onthouding hen te willen terugbrengen
tot rede... 't is àl te dwaas!
Zulke maatregelen zouden dan ook in niemands hersenen opkomen,
indien niet de geloovery de hand in 't spel had: ‘God’ wil niet dat
men zich vermaakt.
Ik bezweer dat er geen vreugdhatende goden of gemeentebesturen
noodig zyn, om den arme te behoeden tegen weelderigheid. Men behoeft
waarlyk deze aarde niet kunstmatig tot 'n jammerdal te maken, om 't
verlangen naar den hemel levendig te houden. Met die taak belast
zich voor 99/100e deel onzer natuurgenooten,
de nypende zorg voor 't dageyksch brood, de vreeselyke Streit ums
Dasein. (1872)
*) Ik bedoel hiermede niet, dat de
inhoud van een lied juist altyd iets als weerklank geven zou van wat
er in 't gemoed des zangers omgaat. Dit is eene algemeen verspreide
dwaling. Hoogstens kan men daaruit eenigszins - en nog volstrekt
niet altyd - besluiten tot z'n smaak, en daarby speelt de melodie,
't wysjen, een hoofdrol. Het invoeren of opdringen van zoogenaamde
Volksliederen is onmogelyk. Zoo zyn er ook verzemakers die meenen
dat men legenden maken kan. En er worden kindergedichtjes
gefabriceerd... altemaal onzin. Die dingen hebben wortels noodig,
waaruit zy groeien. Ze moeten ontstaan, en kunnen niet op
kommando vervaardigd worden. Ik hoop gelegenheid te vinden, op dit
onderwerp terugtekomen. (1872)
*) Uittering. Zoo schryven de hh.
D.V. & T.W. De bedoeling is uitteering. Zóó namelyk behoort
't woord geschreven te worden, en wel niet alleen om redenen van
praktyk - iets waarmee die heeren zich liefst niet inlaten -
doch ditmaal ook op gronden die in hun eigen schoolmeestery te huis
behooren. (1872)
*) Dat een niet bemiddeld persoon
gelden tracht byeentebrengen voor eene zaak die z'n eigen
financiëele krachten te-boven gaat, en by zulke gelegenheid
buitengewone voordeelen toezegt, kan zeer wel overeen te brengen zyn
met goede trouw. Doch het aanpryzen van winstgevende ondernemingen
door vermogende personen of ‘soliede huizen’ is altyd
zwendelary. Het antwoord dat ik in den tekst geven laat aan een
bedrogen geldschieter, wyst dit uit.
Zoodra immers de voorgespiegelde winst hooger is dan de huurprys van
't geld by disconto, wisselprolongatie, beleening of hypotheek, ligt
het in de rede, dat het ‘soliede huis’ of de vermogende persoon, de
gelegenheid niet zou laten ontsnappen om zelf de winst te
behalen, die hy nu - al te grootmoedig waarlyk! - ten-beste geeft
aan Publiek. Slechts éénmaal is my eene negotiatie voorgekomen
waarop deze bedenking niet van toepassing was. Het was by
gelegenheid der pogingen om kapitaal byeen te brengen tot het bergen
der lading van een schip - de Lutine- dat
voor omstreeks honderd jaren is gezonken, en millioenen schats aan
boord had. De oproepers erkenden dat de zaak een dobbelspel was, en
dat er mogelykheid bestond de gestorte gelden te verliezen.
Tegen-over die kans stond natuurlyk groote winst. De nemers van
actiën wisten dus waaraan zy zich blootstelden. Ik herhaal, dat dit
de geheel éénige negotiatie van dien aard is, tegen welke ik myne
beschuldiging van zwendelary niet staande houd.
In 't voorbygaan noteer ik hier, dat ook de onlangs door 't Fransch
Gouvernement gesloten leening, alweder een der infamiën is, die we
dagelyks ongestraft zien plegen door de dieven die zich
fatsoenshalve financiers noemen. De winst die er door de fransche
Regeeringsmannen ten-koste van la chère patrie - het
uitgemergeld Frankryk! - op die zedelooze manoeuvre behaald wordt,
zou voldoende zyn om 'n termyn der oorlogschatting aan de Pruissen
te betalen. Ze bedraagt waarschynlyk een vyfde of een
zesde der geheele Leening. De brave
Thiers teekende openlyk voor
een millioen franken, d.i. hy maakte zich door 't storten van
ca vier tonnen gouds tot schuldeischer van den Staat voor byna
vijf ton. Van 't gestorte geld trekt hy, tegen vyf procent over
't nominale kapitaal, ruim zes procent rente, en alzoo
anderhalf maal de marktwaarde. Hy kan des-verkiezende elk oogenblik
zyne actiën met twaalf procent winst van de hand zetten. Toch liet
hy in de couranten zyn deelneming aan die schelmery uitkryten als 'n
blyk van patriotismus! Te Parys beweert men dat hy deze zonderlinge
vaderlandsliefde, in 't geheim nog veel verder gedreven heeft. En de
schatryke minister Pouyer!
Ook deze heeft zich in zake ‘vaderlandsliefde’ niet onbetuigd
gelaten.
Die Pouyer-Quertier wordt voor 'n bekwaam
financier gehouden. Hy gaat door voor de fransche
Van Bosse. Sans comparaison
met dezen - dien ik voor gewoon-onbekwaam houd, als de meeste
specialiteiten. Zie z'n becyferingen over de zoekgeraakte
honderd-en-vyftien miljoen - beweer ik, dat de Fransche minister
crimineel behoorde te worden terecht gesteld. De uitslag der door
hem uitgeschreven Leening waarin hy aandeel nam, bewyst dat-i
zyn arm vaderland schandelyker plundert, dan... van de onnoozele
Communards beweerd wordt. Wie zal Frankryk redden van z'n
redders?
Wat overigens de Leeningen aangaat, 't is altyd knoeiwerk.
Het leveren van geld aan den Staat, moet uitbesteed worden aan den
minstvorderende. Wat daarbuiten gaat, is uit den booze. Ik neem deze
gelegenheid waar, om te voorzeggen dat zeer vele leeningen nooit
zullen worden afgelost. Het voorwendsel tot afschaffing der
staatsschulden zal ter-zyner-tyd gevonden worden in den woeker
waarmeê ze werden aangegaan. Daarvoor zyn echter ook redenen,
die alle voorwendsels overbodig maken. Een dier redenen heet:
force majeure.
Dit alles nu gaat op dit oogenblik Nederland nog niet aan. Het kan
evenwel by de behandeling van Nederlandsche toestanden z'n
nut hebben, op zulke zaken acht te geven. Ook ten-onzent bearbeiden
de Langrand-Dumonceau's een al te vruchtbaar
veld. (1872)
Onder de correctie dezer noot verneem ik, dat het manneke
Thiers eerlang eene nieuwe leening zal
uitschryven. De couranten verhalen - wat al te naïf, vind ik! - dat
hy deze aangelegenheid besproken heeft met z'n vriend, den ryken
Pouyer. Dus zal 't wel goed zyn, meenen ze.
Eilieve, wie 't proces van den prefect Janvier de
la Motte gevolgd heeft, en acht sloeg op de zonderlinge rol
die de Minister van Financiën Pouyer
daarin speelde, zal 't eenigszins vreemd vinden, dat men de
ruggespraak met dien man aanvoert als blyk van zorgvuldige
behartiging der belangen van het Land.
Na 't proces van Janvier, was dan ook de
financier Pouyer een onmogelyk personage
geworden als minister. 't Was al te grof.
Doch... als vriend van Thiers, en als
bevoegd tot het beoordeelen van particuliere
finantie-belangen schynt hy nog altyd bruikbaar te zyn. En dit
ontken ik niet. De minister viel, maar de beursspeculant bleef
staande, en is, na en door Frankryks ellende, ryker dan ooit. Niet
mínder dan vroeger, blyft-i alzoo geschikt tot complice van nieuwe
schelmery.
Frankryk kon en wilde de nog aan Duitschland te
betalen drie duizend millioenen, door vrywillige giften by-een
brengen. De geestdrift was algemeen. Wie heeft dit plan
tegengewerkt? Wie heeft die geestdrift gesmoord? Wie heeft zelfs 't
beproeven belet, waarmee toch niets gewaagd werd?
Dit deed het presidentje Thiers, die met z'n
makker Pouyer op-nieuw wat verdienen wilde
aan 't schacheren met 'n leening!
Dat die leening, met de nodige mise en scène van
Regeeringswege, terstond zal volgeteekend worden, is buiten twyfel.
Maar... afgelost wordt ze Nooit!
Thiers, Pouyer en de
medeplichtige bankiers - daaronder is ook 'n Banque des Pays-Bas!
- zullen wel zorgen, de aanstaande non-valeurs van de hand te
zetten, vóór de uitbarsting van de algemeene Europeesche bankbreuk.
Ikzelf heb daar in 'n prullekast, 'n paar honderd duizend franken
liggen, in assignaten van een der vorige knoei-republieken. Wie wil,
kan ze komen zien. En zelfs ben ik bereid ze op aanvrage ter
bezichtiging te zenden. Zal 't volk dan nooit wys worden?
Na achttien eeuwen goddienery, na vier à vyf eeuwen ridderschap en
adel, nu ten-laatste in de handen van bankiers te vallen...
onze verlichting is van zonderlingen aard! (Juli 1872)
*) Als er nog bewys noodig
ware. Men lette eens op de geheel verschillende wyzen waarop
de couranten 't compte-rendu geven van eene Kamerzitting,
van eene redevoering, van 't verhandelde by andere gelegenheden.
Wordt niet alles op de meest onbeschaamde wyze verwrongen,
verknoeid, verdraaid, vervalscht naar den eisch der party waartoe
het blad behoort? Is dit niet, als de rest trouwens, in hooge mate
onzedelyk? (1872)
†) In den Haag namelyk, waar het
‘Dagblad’ van den heer Lion
z'n tegenstander met huid en haar opslokte. (1872)
*) Dit is op zichzelf reeds erg
genoeg, maar de zaak blykt nog treuriger, als men bedenkt dat de
aldus verkregen welstand de sporten levert, waarlangs men de
Volkstribune en den ministerzetel beklimt. Vooral met betrekking tot
Indische zaken is 't ergerlyk, juist zulke personen 't hoogste woord
te hooren voeren, die op 't bankje der beschuldigden behoorden
geplaatst te worden. Men zie hierover o.a. de laatste bladzyden van
Een-en-ander over Pr. en Ned. en
blz. 379, IIe bundel, octavo uitgaaf. (1872)
*) De middelstand vooral maakt zich
ten-onzent schuldig aan eene karakterloosheid die alle begrip
te-boven gaat. Ik zou meermalen genoodzaakt zyn de hulp van notaris
en getuigen interoepen, om de voorbeelden die ik hiervan kan
aanhalen, geloofbaar te maken voor m'n Vlaamsche lezers.
Een paar uit zeer velen. Een gezaghebber van 'n koopvaardyschip
wenschte z'n zoontjen op zekere school te doen. Toevallig verneemt
hy dat zich onder de leerlingen dier school een zoon bevindt van den
boekhouder zyner reedery, die tevens mede-eigenaar was van 't door
onzen zeeman gevoerd schip. Dit standpunt kwam dezen - de man was
overigens een achtenswaardig persoon, en behoorde zelf door afkomst,
familie en relatiën, tot den zoogenaamd deftigen stand - zoo
verheven voor, dat hy z'n kind niet naar de school zond, zonder
daartoe heel ootmoedig verlof te hebben gevraagd. De aanraking der
beide kinderen ‘mocht misschien den heer patroon niet aangenaam zyn!’
De heer patroon stond de zaak genadig toe.
In zekeren restaurant te Amsterdam maakte een beschonken jongmensch
spektakel. Na vruchtelooze vermaningen, gaf de eigenaar dier
inrichting aan de bedienden last den levenmaker buiten de deur te
zetten. Ik heb dien maatregel door eenige gasten hooren afkeuren,
niet omdat het gedrag van den beschonkene te verontschuldigen was,
maar: ‘de restaurateur W. had toch moeten bedenken dat hy - de
verwyderde kwaêjongen - op de Keizersgracht woonde!’
Een derde voorbeeld. Zeker makelaar te Amsterdam, verklaarde my
eens, in het heetst van den zomer, dat hy zoo gaarne een lichten
strooîen hoed zou dragen, doch dat die vrypostigheid hem zeer kwalyk
zou worden genomen door heeren patroons. De man durfde het niet
doen. Zoo'n verregaande emancipatie zou hem zyn te staan gekomen op
't verlies van z'n broodwinning!
Niet waar, vlaamsche lezers, dit alles komt u als 'n sprookje
voor?
Ik heb in al deze voorbeelden, die ik met honderden zou kunnen
vermeerderen, de zuivere waarheid gezegd. De velen die dit zouden
kunnen getuigen, hebben misschien oorzaak myne geloofwaardigheid te
doen betwyfelen. Daarom wensch ik nog 'n paar bewyzen aantevoeren
van andere soort, gedrukte, onloochenbare.
Het eerste ontleen ik, voor de hand weggrypende, aan het ‘Nieuws van
den dag.’ Het is eene advertentie:
De ondergeteekende in zijne zaken en
omgeving last hebbende van eenige lasterlijke geruchten ten zijnen
opzigte in omloop, oordeelt, dat hij ter zijner regtvaardiging
niet beter kan doen dan deze advertentie te doen plaatsen,
verklarende degenen die deze geruchten verspreid hebben, voorgemeene,
vuige lasteraars.
Omstreeks de maand Februarij 1872 werd ik lid der Smidsvereeniging
Regt voor Allen, op verzoek van den gezel
J. Schoenmaker. Ik kwam op eene vergadering, maar
kon daarniet blijven zonder lid te zijn. Uit een zekeren
trots als zoon van een Smidsbaas, meende ik dan liever Donateur te
moeten worden, dan mij als eenvoudig lid onder de gezellen te
mengen. Deze hoogmoed kostte mij Drie Gulden per jaar, waarvan ik
betaalde Een Gulden, en aldus nog Twee Gulden schuldig bleef.
Daar hoorde ik dingen die mij niet zeer bevielen, en sprak daar
niet, zoo als sommige lasteraars mij naar het hoofd werpen. Ik
oordeelde dus niet meer ter vergadering te moeten komen, en ben
daar niet meer geweest, zooals onderstaande handteekeningen
getuigen, beiden van gezellen die echter juist dachten zoo als ik,
dat de daar gehoudene speeches tegen de bestaande orde van zaken
streden, en ook uit genoemde vereeniging gegaan zijn.
Nu geloof ik, daar de wet meldt dat men binnen drie maanden niet
betaald hebbende geroijeerd zal worden, niet Internationaal te
zijn, te meer daar juist op de Vergadering waar ik verscheen,
de aansluiting aan de Internationale aangenomen werd.
JEAN, RICHARD, DE GRAAF.’
De kinderachtige kibbelary die in dit stukje behandeld wordt, hebben
wy gelukkig noch te begrypen, noch te beoordeelen. Ik gaf het in z'n
geheel, om de meening te voorkomen, dat misschien het weggelatene
iets als vergoelyking bevatten kon van de zinsnede die ik aanvul.
Wat dunkt u, liberale Vlaminger, van 't manneke dat zich tegenover
z'n medewerklieden zoo plomp durft beroepen op z'n ‘trots als zoon
van een smids... baas?’
Beeft Montmorency, Egmont,
Tremoille, Brederode,Habsburg,
Wassenaar en Bourbon...
beeft, en borgt wat zotten geslachtswaan van den jonker uit de
smedery!
En meent ge, dat de vazallen van onzen blaasbalg-dynast
protesteerden tegen dien toon? Neen! Hierin ligt juist de
bewyskracht van het door my gekozen voorbeeld. Met verlangen zag ik
naar de volgende nummers der courant uit. En zie, twee, drie, dagen
later, werd me voor den honderdsten keer 't verwacht blyk geleverd,
hoe zot het is in Nederland van liberalismus te spreken. De
kameraden van onzen hertog zetten den twist heel kranterig en met de
gebruikelyke hevigheid - ‘logen, laster’ enz. - voort. Maar zelfs
uit hun wrevel putten die ‘democraten’ het besef niet, aan welke
incongruïteit zich die prins van den smidsbloede schuldig maakte,
uit 'n democratisch oogpunt. Nog-eens, wat dunkt u hiervan,
myne vrienden van 't Grombrugghe's
Genootschap?
Democratie in ware beteekenis, bestaat in Holland niet!
En hierop doelde, in de noot op blz. 3l, myn uitval tegen al de
democratische vereenigingen die sedert 'n paar jaren als
paddestoelen uit den grond schieten. In-steê van de zeden te
verbeteren, zoekt men alles in verandering van den vorm der
Regeering. (190,
191,
192)
Het ware republicanisme heeft met dien vorm niets te maken. Geen
land was ooit zoo bespottelyk aristocratisch, als de oude
Republiek der vereenigde Nederlanden, en dit verandert niet by 'n
Wet.
Als ware het om deze bewering te staven, komt my onder de correctie
een N. Rotterdamsche Courant in handen, waarin wy de volgende
opmerkelyke mededeeling vinden.
Rotterdam, 30 Juni. In het Handelsblad
komt een ingezonden stuk voor, waarin de geest van uitsluiting
wordt afgekeurd, die bij de samenstelling der Amsterdamsche
Thorbecke-commissie geheerscht heeft. O.a. wordt daar gezegd:
‘In deze negatieve eigenschap, in dit voorbijgaan, was de
candidatenlijst, door de meerderheid opgemaakt, onberispelijk. Met
onverbiddelijke volharding keurde zij in den voorhof des tempels
hen, die in hare schatting het heiligdom niet mochten
binnentreden. De teergevoelige goudschaal der maatschappelijke
preutschheid werd ter hand genomen en niet ter zijde gelegd, eer
het gehalte tot zelfs van den laatste proefhoudend was bevonden.
Aan alle eischen, die het begrip van stand in den waan van
sommigen stelt, werd goedgunstig voldaan. Het kenmerk der
voordracht was: stelselmatige uitsluiting, van den breeden zoom
van ingezetenen, wier maatschappelijke stelling, hoe onberispelijk
overigens ook, den denkbeeldigen ridderslag van het aanmatigend
publiek niet ontvangen zou.
‘Consequent was die opvatting. Bedenkelijk is zij tevens. Aan dit
veldteeken heeft Thorbecke voorwaar zijne volgelingen niet gewend.
Nu de maarschalksstaf aan zijne handen is ontvallen, worde hij
niet tot richtsnoer genomen. De voorbereiding eener zaak, die zijn
naam tot middelpunt heeft, mag niet alleen een type vertoonen,
achtenswaardig op zich zelve, doch geenszins uitsluitend
achtenswaardig. Ook in andere rijen der stedelijke bevolking, ook
in den kleinhandel, ook onder des arbeiders kiel leeft het
nationaal bewustzijn, klopt het Neêrlandsche hart, stelt menig
ontvankelijk gemoed de zegeningen der zelfregeering, uit
Thorbecke's hand ontvangen, op prijs.’
Ik noemde deze mededeeling opmerkelyk. Geenszins om den
inhoud - dat standverschil, en die uitsluiting van ondeftigheid, is
de bekendste zaak der wereld - maar om de moeite dien de inzender
zich geeft, dit alles te brandmerken als iets nieuws. Meende hy dan,
dat Thorbecke en
thorbeckery iets te maken hadden met waar liberalismus? 't Is
waarlyk al te onnoozel. Thorbecke was een
der minst liberale personen die men ooit op publiek terrein te zien
kreeg. Tot liberalismus is voor alles: hart noodig, en hoe 't
hiermee by dat afgodje gesteld was, blykt o.a. uit z'n onsmakelyke
geschriften. Ditzelfde geldt ten-aanzien zyner vereerders. Wat
brachten ze voort?
De Amsterdamsche voorgangers die by deze gelegenheid hunne liefde
voor de ‘liberale party’ wilden te luchten hangen, waren door 't
buitensluiten van blouses, petten en vereelte handen,
volkomen trouw ên aan hun fetisch - zie z'n kieswet! - en aan
hun party. Dat Thorbecke z'n ‘volgelingen
niet zou gewend hebben aan 't veldteeken’ van zulke bekrompenheid,
isonwaar. Z'n heele zoogenaamd-staatkundige bemoeienis - het
afschynsel van z'n dorre persoonlykheid - had de strekking om de
kleingeestigheid onzer zeden te yken tot 'n stelsel.
Ik betwyfel zeer of armen en geringen zullen uitgesloten worden van
'n byeenkomst ter vereering der nagedachtenis van den
ultra-behoudenden, anti-revolutionnairen, orthodoxen heer
Groen van Prinsterer. Ook te Rome worden de
armen toegelaten by den Paus. Maar 'n paus van 't nederlandsch
liberalismus... nu ja, dat is 'n wezen van veel fatsoenlyker
gehalte!
Het doet me genoegen, door dat ingezonden stuk de onliberale
strekking van de thorbeckery zoo in flagranti te kunnen
betrappen. En... pour la bonne bouche de opmerking hoe de
zeer thorbeckiaansche schryver zelf, de zwakheid van z'n
eigen liberalismus verraadt, door ‘achtenswaardigheid’ te stellen
tegenover ‘de andere ryen der bevolking, kleinhandel en
arbeiders-kiel.’ Dit is karakteristiek.
Wáár liberalismus bestaat in Nederland niet! En juist hierom zyn de
door Thorbecke, uit andere landen, met
onoordeelkundige verminking overgenomene stukken en brokken grond-
kies- en gemeentewet, prulwerk voor òns Land. Hy stond niet boven
z'n tyd niet alleen, wat van iemand op zyn standpunt te vorderen
ware - doch zelfs beneden de gewone dagelyksche praktyk, die dan
toch voorschryft dat men te-rade ga met terrein en omstandigheden.
Zielkunde, kennis van 't Volk, was den uitgedroogden wettenfabrikant
een gesloten boek. Waar iets te doen viel, stonden z'n handen
verkeerd. Zie o.a. de door hem zoo yverig beschermde veepest, en de
nooit praktisch bestreden watersnood. Daarvan stond niets in de
boekjes die hy van-buiten kende. (1872)
*) Wie gelykheid predikt, en
tegelykertyd anderen van schelmery en domheid beschuldigt, geeft
zichzelf een certificaat van laagheid. Het besef van eigenwaarde
behoort optewekken tot aandringen op òngelykheid. Ik ben zoo vry.
Naar myne meening behoort de leus van den waren volksvriend niet te
zyn: ieder 'tzelfde maar ieder het zyne. En by de
beoordeeling der vraag: wàt ieders het zyne is, moet men van
hooger standpunt uitgaan dan politiseerende clubmannen gewoon zyn.
Het is niet waar, dat 'n huurkoetsier of karrevrachtryder
dezelfde aanspraken heeft als byv. een schrynwerker. 't Is niet
waar, dat deze zou gelykstaan met 'n teekenaar van modellen... enz.
En ook in een ander opzicht is gelykheid onzin. De straffen die de
Wet uitspreekt, werken zeer ongelyk door 't verschil van positie,
graad van ontwikkeling en karakter der veroordeelden. Wat de een
voorkomt als 'n kleinigheid, zou den ander vervoeren tot wanhoop.
(1872)
*) Reeds
Horatius maakte de opmerking hoe de
woorden van beteekenis veranderen, en ook ik doelde daarop in
489.
Uit 'n oogpunt van taalstudie is dit verschynsel niet onbelangryk,
doch 't blyve hoofdzaak te letten op de fysiologische aanleiding
daartoe. De vraag kan byv. gedaan worden, waarom de woorden
gemeenlyk dalen in rang, en zelden of nooit in aanzien
klimmen? De laatste zinsnede in den tekst geeft daarvan eene
gedeeltelyke opheldering, doch er is meer. Behalve zekere
fatsoenlykheid die telkens iets laags of onteerends meent te vinden
in 'tgeen vroeger voor behoorlyk doorging, lydt onze maatschappy aan
zekere armoede van geest, die zich achter hooggegrepen woorden
tracht te verbergen. 't Gevolg is dat zoo'n klank - want meer dan
klank is 't gewoonlyk in dit geval niet - weldra viâ
kollegiekamer, krantengeschryf, salon, societeit, kroeg en bordeel,
vry gehavend in de keuken en op straat terechtkomt. Ik doelde daarop
meermalen, en o.a. in myne Specialiteiten.
De professers die 't eerst schermden met ob- en subjectief,
met concreet en intens, hebben reden tot verbazing
over den weg dien hunne kraftausdrücke in korten tyd
aflegden.
Is dit 'n blyk van beschaving? Neen, neen, neen!
Het bewyst alleen dat het praat- en schryfplebs zich aan een
academischen klank tracht optehyschen. En dit gelukt niet. Zonder de
minste verheffing van eigen peil, halen zy 't opgevangen jargon
uit hooger sfeer naar beneden, dat dan ook den consument kleedt als
'n gestolen jas.
De schuld licht grootendeels aan de Voorgangers. Indien zy
denkbeelden onder 't Volk brachten (281)
zouden hunne terminologische nouveauté's - lood om oud yzer
gewoonlyk! - zooveel aftrek niet vinden. Thans echter moet men zich
by mangel aan gedachten, wel vergenoegen met 'n woord -
geenszinsin den zin van een mot, een bon mot als
bedoeld wordt in
88
- met de eenigszins anders klinkende benaming voor zaken of
begrippen die men te voren minstens even goed wist te omschryven,
aanteduiden of uittedrukken.
En al ware dit laatste zoo niet, al bestond er in ‘de wetenschap’
inderdaad behoefte aan eene nieuwe uitdrukking, men wane niet dat
deze, afdalende onder de gemeente, hare waarde behoudt. Noch ook dat
zy ‘de wetenschap’ zelve populariseert. Zoolang vakmannen niet
zullen geleerd hebben hunne meerdere kennis op verstaanbare wyze te
uiten, kunnen zy verzekerd zyn niet de minste eer inteleggen met hun
frazen. Ik heb - om 't voorbeeld by de bewering te voegen - de ‘intieme
fictie’ dat menigen professer in Staathuishoudkunde, in
de Rechten, in Bespiegelende wysbegeerte, de haren
zouden te-berge ryzen, als hy getuige was van de mishandelingen
waaraan de troetelkinderen zyner bespiegelende welsprekendheid by
zekere gelegenheden zyn blootgesteld. (1872)
*) Wat de cretiniseerende werking
van den godsdienst aangaat, beroep ik my alweder op den kommentaar
van 't stuk overVrye-Studie in den IIIn bundel.
(1872)
*) Het gebrek aan oorspronkelykheid
(337)
is een der gevolgen van 't schoolgaan. De karakters gaan verloren,
en: géén karakter, slecht karakter:
Le mauvais caractère est de n'en point
avoir.
Maar dit schoolgaan is nu eenmaal een
treurige noodzakelykheid. We moeten dus door de richting van 't
onderwys deze kwaal zooveel mogelyk neutraliseeren. Gepaste
onthouding behoort hierin een voorname rol te spelen. In den
kommentaar op Vrye-Studie heb ik
gewezen op de gewone hoofdfout: opdringery van een beetje
zoogenaamde wetenschap, waardoor 't zelfstandig denken wordt
belemmerd, en dat de vatbaarheid tot leeren na 't verlaten van de
school, verstompt. (1872)
*) Ik ontwaar dat de dagbladen
tegenwoordig vry wel met my eens zyn, dat de Volksvertegenwoordiging
beneden kritiek is. De wyze waarop byv. de N. Rotterdammer verslag
geeft van de zittingen, is - met uitzondering natuurlyk van het
oordeel over den heer aandeelhouder Fransen
van de Putte, wiens redevoeringen altyd uitstekend zyn -
geheel in overeenstemming met wat ik sedert jaren over onze
Tweede-Kamer schreef. Welnu, ik begryp die overeenstemming niet, in
een blad dat tot de liberale party behoort. Die party heeft ons met
de Kieswet gedoteerd waarvan de Tweede-Kamer een uitvloeisel is. Hoe
kan men dan toestemmen dat het met die vergadering zoo ellendig
geschapen staat? Ze moest volgens de Kieswetmannen uitstekend zyn.
(1872)
*) Precies dus als de beslissing by
meerderheid van stemmen. (7)
Maar zeer aangenaam voor 'n veroordeelde of iemand die een civiel
proces verliest, is deze opvatting der plichten van een Rechter
niet! (1872)
*) Men kan als vry zeker stellen
dat de benoeming tot zoo'n ‘byzonder knap jurist’ een wanhopende
poging is om iemand in de hoogte te steken, van wien niets
uitstekends te zeggen valt. (1872)
*) Later bleek my ook dat Prof.
Donders
inderdaad beroemd is in 't Buitenland. Ik onderstreep dit
‘inderdaad’ omdat velen er den slag van hebben door opdracht van
boeken - die in zoo'n geval niet gelezen worden - of door relatie
met het personeel der gezantschappen, reclames te plaatsen.
(1872)
*) In-plaats van beroemd te worden,
is Kern op dit oogenblik hoogleeraar te
Leiden. De tyd zal leeren of die twee zaken zich verdragen. (1872)
*) Ik geef daarvan een voorbeeld
op blz. 153, III, en breng daar de hebbelykheid om genoegen te
nemen met zinledige en dus zinnelooze praat, in-verband met
verkeerd lezen en gebrekkig schryven. Ook hier geldt: dis-moi
comment tu t'amuses: je te dirai qui tu es. Mag men zoo boos
worden over laffe crinolienliedjes, als de zeer fatsoenlyke firma
Spoorzager & Zaagspoor zich vermaakt met
even zouteloos gebabbel, waaraan nog bovendien de zangdeun
ontbreekt? (1872)
†) Zie: Nog-eens Vrye-Arbeid,
blz. 54. (1872)
*) Ik houd over 't algemeen
liefdadigheid - 't is een uitvloeisel van den godsdienst -
voor eene fout. In een goed georganiseerden Staat komt ze niet
te-pas. Zonder thans deze stelling toetelichten, wil ik even
opmerkzaam maken op de ongerymdheid der internationale
liefdadighedens. Chicago brandt af... Holland komt te-hulp. Straks
ligt Holland onder water - 't wordt tyd dat de zotte rivierdyken
eens weêr doorbreken - Amerika moet bystaan. Eilieve, is dit niet
'n roekeloos wegsmyten van dubbele onkosten der remise? De
oproepingen by zulke gelegenheden zyn komiek, en leveren stof...
Neen, genoeg daarvan voor heden. Liefdadigheid verdient een
monografietje dat ik H. Ed. by dezen plechtiglyk toezeg. (1872)
*) Een allerbelangrykst
desideratum! Ik hoop het te behandelen naar aanleiding van 't
Engelsche werk dat ik vermeldde in de noot op
202.
Het gewoon wanbegrip om elke ryzing van 't Bevolkingscyfer
voetstoots als gunstig verschynsel te beschouwen, moest nu hebben
uitgediend. Dat byna immer betrekkelyke of stellige achteruitgang,
een ongunstig kenteeken is, geef ik toe, doch de waarheid van het
tegendeel dezer stelling is afhankelyk van zéér veel bykomende
omstandigheden die nauwkeurig moeten geanalyseerd worden, voor men
't recht heeft zich zoo te verheugen, als officiëele verslaggevers
gewoon zyn. (1872)
*) Het doet my leed dat ik my
niet meer herinner over welk jaar deze opgaaf loopt. 't Zal '62 of
'63 geweest zyn. (1872.)
*) Dat de slaverny in
Nederlandsch Oost-Indie geheel-en-al zou afgeschaft zyn, geloof
ik niet. Zonder hiervan berichten ontvangen te hebben, kan ik
berekenen dat er nog altyd op zeer vele plaatsen - byv. op de
eilanden-groepen benoorden Celebes - slaven zyn, onder de benaming
van orang beroetang, d.i. schuldpandelingen. Of de
afschaffing daarvan wenschelyk, oorbaar, of zelfs mogelyk
is, zou ik niet kunnen beslissen.
Maar wel durf ik beweren, dat het loskoopen van Niasser
gevangenen, onder verplichting van schuld-inverdienen, eene
wenschelyke zaak blyft. Nias namelyk - een eiland even benoorden
de linie, ten westen van Sumatra gelegen - is zeer bevolkt. De
stammen in 't binnenland, waar wy weinig of geen invloed hebben,
zyn voortdurend met elkander in oorlog, en vermoorden hunne
gevangenen, wanneer niet de Nederlandsche Gezaghebber op 't
kust-etablissement Goenoeng-Setoli die ongelukkigen vrykoopt. In
myn tyd zond men de alzoo gelosten - pandelingen heetten ze dan -
naar Padang, de hoofdplaats van Sumatra's Westkust, waar zy door
eenige jaren arbeids in dienst van particulieren of van de
Regeering, hunne schuld aflosten. Gedurende dien tyd werden zy
behoorlyk gevoed, gehuisvest en gekleed. Of dit alles nog zoo is,
weet ik niet. Ik spreek van dertig jaren geleden.
De ethnologische oorsprong dier Niassers ligt, naar ik meen, nog
altyd in het duister. 't Is zelfs de vraag of ze, toch zoo naby 't
maleische Sumatra gelegen, van maleisch ras zyn? Zy
hebben iets in neus en oogen, dat aan mongoolsche afkomst doet
denken, en hunne gelaatskleur is geeler dan van den Sumatraan. De
spoed waarmee de lieden, kort te-voren nog in nagenoeg wilden
staat in de bosschen levende, betrekkelyk beschaafd worden, grenst
aan 't wonderbare. In een ommezien tyds vormen zy zich tot handige
ambachtslieden, en zelfs, als de meester dit verkiest, tot...
muzikanten. Ook als huisbedienden zyn zy zeer gezocht. (1872)
*) Ik beveel de lezing aan van
het werkje: Is Neerlands
moed Jenevermoed, dan vivat de Jenever, voor
20 Centen te bekomen by
K. Ris, buiten de Utrechtsche
Barrière, Noorder-Zaagpad YY 141, te Amsterdam. Het
is een hartig stukjen, en geschreven door een werkman.
Zoo'n stem uit het Volk is veel belangryker dan de
gemeenplaatsen van de zede-preekende afschaffers. Ikzelf ben
zeer tégen sterke drank, maar... ik ben vóór vleesch,
vóór welstand. De beste afschaffer is: biefstuk.
Men zal zich die geringe uitgaaf niet beklagen, en door 't
boekje in grooten getale te bestellen en te verspreiden, tevens
een goed werk doen. (1864)
†) Voor m'n Vlaamsche lezers hier de opmerking dat
dit ‘schoonmaken’ een hollandismus is voor reinigen (kuischen)
poetsen, schrobben, schuren, dwylen, boenen, met water morsen.
't Gebruik in dezen zin van 't woord ‘schoon’ is karakteristiek.
Ook is 't eigenaardig dat zoo'n vrouw werkster, werkvrouw
genoemd wordt, omdat naar burgerlyk-huishoudelyk begrip, het
‘werken’ by-uitnemendheid bestaat in 't plassen met water. En
ten derde: zoo'n werkster of schoonmaakster heet in de taal van:
Burgerstand, III, 7, a, b1, b2,
(Pp) een ‘mensch.’
Ziedaar de beteekenis die door zekeren stand in zeker landje
gehecht wordt aan de begrippen:schoon, arbeiden en
mensch zyn. Dat verraderlyk spraakgebruik! (1872)
*) Ditzelfde vraag ik nu
weder, en met te meer aandrang, omdat thans ieder wel erkennen
moet dat deze vraag in 1864 met grond gedaan werd. Niemand byv.
durft party trekken voor den toestand waarin Leger en Vloot zich
bevinden. Toch zyn daaraan ook sedert dat jaar alweder groote
sommen ten-koste gelegd. Het organismus van ons bestuur is
hetzelfde gebleven. De ministers zyn by-voortduring onschendbaar,
daar zy zich telkens door 'n eenvoudig verzoek om ontslag aan alle
verantwoordelykheid onttrekken. De Tweede-Kamer werkt belemmerend,
als altoos. Wat zou er sedert '64 kunnen verbeterd zyn? Zoolang wy
het kinderachtig stelseltje van een zóó begrepen
parlementarismus niet laten varen, is alle herstel onmogelyk.
(1872)
*) Ja wèl treurig was die
twist! Is de in 1830 geslagen wond nog te genezen? Kan de zoo
baldadig gespleten Nederlandsche stam weder tot één krachtig
geheel worden vereenigd?
Zeer dikwyls heb ik my ernstig met dit vraagstuk bezig gehouden,
en ook anderen dachten daaraan. Zelfs werden er - vóór 1866! -
pogingen aangewend om te geraken tot 'n begin van uitvoering. Ze
stuitten af op... overmaat van gewoonheid in personen welker
standpunt andere hoedanigheden vorderde. De geschiedenis der
jaren '66 en '70 zou waarschynlyk een anderen loop hebben
genomen, indien...
't Kan nòg! Vlamingen, 't kan nòg!
Maar... aan beide zyden moet men een-en-ander leeren, en...
afleeren. Als dit geschiedde, zouden we ons om 't Buitenland
niet hoeven te bekommeren. - Elke natie - en wy, Nederlanders
zyn een natie, wat men van veel politieke agglomeratien niet
zeggen kan - elke natie is sterker dan 't grootste leger. (1872)
†) Deze uitdrukking is in
zooverre onjuist, dat de ministers veel te afhankelyk zyn van de
eischen hunner halfslachtige positie: en dus in dit opzicht niet
willekeurig kunnen te-werk gaan niet alleen, maar zelf veel te
weinig onafhankelykheid bezitten. Doch de belemmering in hunne
machtsoefening vloeit niet voort uit het besef der
verantwoordelykheid, noch voor de rechtbank van 't geweten, noch
voor de vierschaar der publieke meening. Zy behoeven slechts hof
te maken aan de meerderheid der Kamer. Hierin slagende,
achten zy zich van alle verdere aansprakelykheid voor de gevolgen
van hun wanbestuur ontheven. En ook wanneer die meerderheid zich
tegen hen verklaart, zyn zy oogenblikkelyk door 't aftreden tegen
alle veroordeeling gedekt. Dit is inderdaad àl te gemakkelyk! De
fout ten deze wordt aagewezen in
334.
(1872)
*) Ik neem deze gelegenheid waar
om voortestellen, het geheel debiet van frankeerzegels aan de
postkantoren, afteschaffen. Het neemt veel tyd weg, en stremt den
toegang tot de guichets. De administratie behoorde de
zegels in het groot en tegen rabat verkrygbaar te stellen,
in welk geval ze weldra inalle kleine winkels zouden gedebiteerd
worden. Dit is thans uitzondering, omdat de winkelier beschroomd
is opcenten te vorderen, dat dan ook op de zeer kleine
zegeltjes niet zou kunnen geschieden. En toch kan men van den
kleinhandelaar niet verlangen dat hy zich met deze transactie
belast zonder winst. Door den voorgestelden maatregel zoude tevens
het bezwaar uit den weg geruimd zyn, dat men des avonds, of op
zekere uren van den Zondag een brief niet frankeeren kan, wanneer
men verzuimd heeft zich in-tyds van een zegeltje te voorzien.
Wat het te verleenen rabat aangaat, het zou minder bedragen
dan de geldswaarde van den tyd die thans verloren gaat aan 't
afleveren der stempeltjes, gewoonlyk juist op oogenblikken kort
voor 't vertrek der post, en dus zeer ten-nadeele van de andere
werkzaamheden die groote nauwkeurigheid vereischen. (1872)
*) Later werd hij dit inderdaad,
en hy is het nog! Dagelyks spreekt hy sans vergogne meê
over indische toestanden, bescherming van den Javaan,
Nederlandsche en andere plichten, en wat er al zoo verder by die
zaken behoort. En de Kamer luistert naar dat gepraat! En de
Ministers antwoorden op de vragen van dien man! En de couranten
geven verslag van zyn speeches! En... het Volk meent
vertegenwoordigd te zyn. 't Is ergerlyk. (1872)
*) Met terugzicht op de noten
onder blzz. 31 en 49, moet ik hier erkennen dat de wyze waarop men
zich sedert 'n paar jaren in zekere schryvende en sprekende
kringen heeft meester gemaakt van quasi-staathuishoudkundige
klanken, my in 't toebrengen der aangevangen taak zeer
belemmert. De werkman wil maar niet inzien dat zyn goddelyk
recht gegrond is op z'n waarde als arbeider, en dat hy
dit recht verliest, zoodra hy zich tot prater verlaagt. Wat
zouden wy gewonnen hebben by 't wegjagen of verbeteren onzer
ellendige Kamers, als werklieden 't métier van
parlementeeren gaan voortzetten? Babbelen en frazenmaken brachten
de ellende des Volks voort. Meent men die nu te genezen door
frazen en gebabbel?
Zoodra mogelyk hoop ik de ‘sociale kwestie’ monografisch te
behandelen. Daartoe echter is meer loisir noodig, dan my
gewoonlyk door de omstandigheden gegund wordt. Ook vrees ik dat
het uur eener onbloedige oplossing verstreken is. Indien men in
1864 naar mijne woorden had willen luisteren, ware dit - voor
Nederland altans - nog mogelyk geweest. Ik heb gedaan wat in myn
vermogen was. In de laatste maanden des jaars 1867 - kort voor het
aftreden van 't ministerie
Heemskerk, van
Zuylen,
Schimmelpenninck,
Wintgens,
Hasselman - stond ik op het punt
een doel te bereiken, dat waarschynlyk aan den stand der zaken een
geheel ander aanzien zou gegeven hebben. Het verhaal der wyze
waarop myne pogingen mislukten, zou mij te ver leiden. Ook mag ik
daarover niet uitweiden, omdat het openbaren van de meeste daartoe
behoorende byzonderheden my niet vrystaat. Indien de zaak myzelf
alleen aanging, had ik ze terstond publiek gemaakt. Mocht zich
eene gelegenheid ter verandering in den geest die ons regeert,
weder voordoen - het is mogelyk! - dan zal ik nog-eens beproeven,
al zy dan de kans op goeden uitslag niet verbeterd sedert dien
tijd. (1872)
*) Vgl. de geschiedenis van
jonker Frits in de specialiteiten.
*) Na de gebeurtenissen van '70
schynt de studie in het duitsch de voorkeur te verdienen.
(1872)