In Samojedie - ik weet
niet of 't land zoo heet, maar dat is 'n leemte in de taal, die we
moeten aanvullen - in Samojedie is het de gewoonte zich van-top tot
teen te besmeren met ranzige traan. Een jonge Samojeed verzuimde dit.
Hy besmeerde zich volstrekt niet, noch met traan, noch met wat anders.
- Ge volgt de zeden
niet, zei 'n samojedisch wysgeer... ge hèbt geen zeden... ge zyt zedeloos.
Dit was heel juist
gezegd.
't Spreekt vanzelf dat
de jonge zedelooze Samojeed mishandeld werd. Hy ving meer robben dan
elk ander, maar 't baatte hem niet. Men nam 'm z'n robben af, gaf ze
aan Samojeden die behoorly naar traan stonken, en hèm liet men honger
lyden.
Maar 't wordt nog
erger.
De jonge Samojeed, na
eenigen tyd te hebben voortgeleefd in onbesmeerden staat, begon
eindelyk zich te wassen met eau-de-cologne. Die welriekendheid
was niet uit te staan in Samojedie!
- Hy handelt tegen de
zeden, sprak de wysgeer van den dag, hy is onzedig! Komt, we zullen
voortgaan hem de robben aftenemen die hy vangt, en bovendien slaan...
- Dit geschiedde.
Maar wyl men te
Samojedie geen laster had, geen kopyhandel, geen verdachtmaking, geen
domme orthodoxie, noch valsch liberalismus, noch bedorven politiek,
noch bedervende ministers, noch verrotte Tweede Kamer... sloeg men den
patient met de afgekloven beenderen van de robben die hy zelf gevangen
had.
Aan m'n overige lezers
myn hartelyke groet!
Dit is 't laatste IDEE van
Bundel 1.
Voor meer over de
mores die men leerde in 't land dat elders Samojedië, Euro-Patagonië,
of Neerlanderthalië genoemd werd - "Er ligt een drugsstaat tussen
Oost-Friesland en de Schelde..." (zie 278)
- en dat dan vooral vanwege de intellectuele diepgang
van de doorsnee der bewoners verwijs ik naar 107,
136, 220,
276,
423 en de anthropologische studie van Dr.
Lemuel Gulliver.