Idee 399.                                       


Ja, wèl was ze donker, die achterkamer! En ware zy maar alleen donker geweest, doch ze was bovendien vuil, bekrompen, en gevuld met al de dampen die de dagelyksche atmosfeer uitmaken van III, 7, b1 (Pp).

Als 'n looden domper drukt zoo'n verblyf iemand op 't hart, en ik mag niet toegeven, aan wat misschien m'n plicht was, aan de begeerte tot nauwkeurige beschryving van zoo'n hol, om niet oorzaak te wezen van de misselykheid die auteur en lezer bevangen zou by zulke beschryving.

Ja, m'n plicht misschien! Want wie met de pen spreekt tot het Volk, heeft 'n roeping te vervullen, 'n roeping te heiliger omdat ze niet als sommige andere roepingen mag worden gemaakt tot 'n beroep. [1]

Wat toch beweegt my, u te verhalen van onder-voorjuffrouwen, en Pennewip's pruik? Van zingende molens en bakers oudje? Van vuile achterkamers en de hysterische godsdolheid der Lapsen? Van Stoffel's vrouwelyke werkwoorden en Wouter's koninkschap.

Wat beweegt my daartoe? [2]

Is 't me om eer te doen?

Fraaie eer, de kopiïst te wezen van de schimmelige portretten die onder, naast, boven, en achter ons rondwandelen, en te bekyken zyn op elke noordermarkt, om-niet.

Dank?

Ge hebt my niet te danken, Publiek. Ik schryf wat ik verkies, onverschillig of 't u aanstaat. En als ik let op de dingen die u wèl aanstaan, als ik de voddery onderzoek, weeg en schat, waarvoor gy uw handen roodklapt... zie, dan hoop ik dat ge u te-bersten fluit over myn werk.   [3]

Meent ge inderdaad dat 'n schryver wiens schryven middel is, en geen doel... een schryver die ‘wat te zeggen heeft’ iemand die zich opgewekt voelde iets tot-stand te brengen dat verre ligt buiten 't bereik van de ambachtslui der litteratuur... meent ge waarlyk dat zoo-iemand gesteld is op uw goedkeuring, en dat hy uw: ‘macte animo, m'n jongetje’ opvangt in z'n muts, als 'n welkome aalmoes van den goedgeluimden rentenier aan 't genie? [4]

Meent ge dat?

Ha, ha, gy die alles uit Parys ontvangt, of uit Neurenberg... en gy anderen die niets wezen zoudt, als ge niet tot iets waart gemaakt in de koninklyke voorkamer, of in 't kabinet van 'n minister die meestal zelf moeite heeft iets te blyven... meent gy allen inderdaad wat te beduiden omdat ge in voordeeligen handel met granen, speelgoed, slaapmutsen of bestuursluim, de weinige stuivers hebt gewonnen die noodig zyn om myn werk - dat is: 't papier en den arbeid des zetters - te betalen?

Scheurt eens 'n blaadjen uit uw kopyboek, gy kooplui, en teekent eens 'n denkbeeld uit op dat blaadje, dan zullen we zien hoe 't eerste ding er uitziet dat ge niet hebt gekregen uit vreemde fabriek!

Trekt eens los die zyden linten van uw portefeuille dien ge zoo pronkerig draagt onder den arm, o ministers, alsof 't Volk niet wist dat die vodden sedert jaren het distinktief zyn der prachtuitgaven van onbeduidendheid! Trekt eens los die linten... open... open! Laat eens zien wat ge hebt, wat ge zyt, wat ge inderdaad wezen zoudt als Mensch, indien ge niet door 'n bovendryvend kliekje Kamerleden waart opgeheven tot schynbare vertegenwoordigers der denkbeelden die zyzelf niet hebben! [5]

Wat me tot schryven beweegt, nogeens?

Geld... betaling?

Ontvangt het schaap betaling voor z'n wol, de koe voor haar melk?

Die betaling is voor de lakenkoopers en voor de kaashandelaars, die geen melk of wol zelf maken. Wat veel fatsoenlyker is, zooals we gezien hebben.

Doch schapen en koeien worden gevoed ten-minste, zy 't dan ook niet ter belooning van wat ze gaven, dan toch opdat ze gevende blyven zouden.

Maar schryvers, dichters, kunstenaars...

Ja, ook die koeien en schapen worden nu-en-dan gevoed. Maar 't is niet in de ruime frissche wei. Men bewaart ze in muffe dompige boven-achterdoosjes... en dan klaagt men nog dat ze er niet voordeelig uitzien, en schrale wol geven, of blauwe melk...

Foei!

Betaling? *) 

*)  Amen, dat zy zoo! [6]
Tot dezen hartelyk gemeenden wensch, voel ik my onder de korrektie meer dan ooit gedrongen, door al wat ik dezer dagen (Juni '72) over den onlangs gestorven Thorbecke te lezen kreeg. By alle andere, my onbekend gebleven ‘eminente’ eigenschappen van dien fetisch, verneem ik nu ook: dat-i zoo uitmuntte als... Schryver!
Aan het ophemelen van dien ‘Staatsman’ - een der meest doorslaande blyken en oorzaken onzer dekadentie! - was ik gewoon. Maar dat men hem nu ook als auteur verheft, is me eenigszins nieuw. De man schreef allergebrekkigst, en levert in z'n kreupele werken (
452) een getrouwe afspiegeling van z'n bekrompen geestvermogens. Hy was een der kleinste mannen die ooit 'n rolletje speelden op publiek terrein. Arm Nederland!
Wat my betreft, ik schaam my opgang te maken in 'n land dat zich sedert twintig jaren liet gebruiken tot voetstuk van zooveel walgelyke geestesarmoed, als die dorre droge kommiezige ideënlooze bureau-kunstenmaker by voortduring ten-toon spreidde, en houd me aan den wensch in m'n tekst: om-godswil, fluit my uit! Ik zou anders genoodzaakt zyn de pen neerteleggen. [7]

(1879) Nederlandsche ambachts- of kooplieden, enz. laten zich niet afschepen met minder loon dan hun kollegaas in 't buitenland ten-deel valt, maar 'n hollandsche schrijver - die N.B. te wedyveren heeft met de vernunften van heel de beschaafde wereld! - moet zich tevreden stellen met 'n bespottelyk geringe betaling. Dit is even oneerlyk als dom van de Natie. [8] En vraagt men of in ons land deze onhebbelyke fout wordt goedgemaakt door hartelyker hulde, dieper verering, meer invloed, hooger aanzien, verhevener standpunt? Geenzins! Om nu van de waan der geldmannen niet te spreken, het voddigst ministertje van den dag, die zoo-even door 'n haagsch knoeierytjen op 't kussen kwamen wiens naam straks vergeten zal zyn, acht zich verheven boven den man die zonder de minste hulp van anderen, uit eigen brein of hart, door eigen arbeid en vaak ten-koste van bittere levenservaring, duizenden sticht, leert of vermaakt. Een deel van Publiek, dom als altoos, neemt met die koddig-treurige rangverwarring genoegen, zonder zelf te weten hoe uilig het zich aanstelt. Een ander deel tracht door smaak aantevullen wat er aan betaling ontbreekt. En dat Publiek maakt nog aanspraken! Dat eischt nog mooischryvery van z'n auteurs! Dat wil 'n "nederlandsch toneel" hebben! Dat spreekt van Nationaliteit! Allons donc.


[1] "Want wie met de pen spreekt tot het Volk, heeft 'n roeping te vervullen, 'n roeping te heiliger omdat ze niet als sommige andere roepingen mag worden gemaakt tot 'n beroep."

Slechts héél weinigen die "met de pen" spreken "tot het Volk" vatten dit werkelijk zo op, hoe vaak ze dit ook pretenderen, en zèlfs M. begreep zichzelf als broodschrijver - schrijver om den brode - vanaf 1872.

Ook zijn er maar héél weinig schrijvers die uit roeping schrijven, al geven de meeste schrijvers graag hoog op van hun roeping en niet graag van hun geldnood.
 


[2] "Wat toch beweegt my, u te verhalen van onder-voorjuffrouwen, en Pennewip's pruik? Van zingende molens en bakers oudje? Van vuile achterkamers en de hysterische godsdolheid der Lapsen? Van Stoffel's vrouwelyke werkwoorden en Wouter's koninkschap.

Wat beweegt my daartoe?"

Hier begint Multatuli zelf met het beantwoorden van een vraag die nogal wat mensen gesteld hebben: "Wat beweegt my". Hij licht dit op verschillende plaatsen toe, bijvoorbeeld in de conceptie van de Ideen en de inleiding, maar hij was daar nooit volledig over.
 


[3] "Is 't me om eer te doen?

Fraaie eer, de kopiïst te wezen van de schimmelige portretten die onder, naast, boven, en achter ons rondwandelen, en te bekyken zyn op elke noordermarkt, om-niet.

Dank?

Ik schryf wat ik verkies, onverschillig of 't u aanstaat. En als ik let op de dingen die u wèl aanstaan, als ik de voddery onderzoek, weeg en schat, waarvoor gy uw handen roodklapt... zie, dan hoop ik dat ge u te-bersten fluit over myn werk."

M. schreef dus niet vanwege de "eer " noch was het hem om "dank" te doen, en het is inderdaad waar dat "Ik schryf wat ik verkies, onverschillig of 't u aanstaat."

Geheel waar lijk me de eerste twee beweringen niet, want M. had een sterk eergevoel, zocht eerherstel voor het gebeurde in Lebak, en vond dat men hem bewondering en dank schuldig was voor z'n moedig optreden. 


[4] "Meent ge inderdaad dat 'n schryver wiens schryven middel is, en geen doel... een schryver die ‘wat te zeggen heeft’ iemand die zich opgewekt voelde iets tot-stand te brengen dat verre ligt buiten 't bereik van de ambachtslui der litteratuur... meent ge waarlyk dat zoo-iemand gesteld is op uw goedkeuring, en dat hy uw: ‘macte animo, m'n jongetje’ opvangt in z'n muts, als 'n welkome aalmoes van den goedgeluimden rentenier aan 't genie?"

Het is ongetwijfeld waar dat M. meende dat hij "iets tot-stand" kon "brengen dat verre ligt buiten 't bereik van de ambachtslui der litteratuur" en dat zijn "schryven middel is, en geen doel" en daar gelijk in had - maar óók waar dat hij al z'n werkelijke doelen nooit helder verwoord heeft, al kwam dit ongetwijfeld voor een aanzienlijk deel door tegenwerking, armoede en gebrek aan zinnig weerwoord.
 


[5] "Laat eens zien wat ge hebt, wat ge zyt, wat ge inderdaad wezen zoudt als Mensch"

Zie 136 en 276.


[6]" Betaling?
    
Amen, dat zy zoo!"

Toen M. dit schreef - juli 1872 - had hij kort geleden besloten te proberen door schrijven aan de kost te komen, en niet door eigen eerherstel of als maatschappelijk hervormer. Zie VW 14 en 15. In feite heeft hij gedurende de periode van z'n bewust broodschrijverschap alléén Ideen 4 t/m 7 geschreven, die voor een aanzienlijk deel aan het toneelstuk Vorstenschool en Woutertje Pieterse zijn gewijd, en aan wat hem weerhield van schrijven, en stopte Multatuli ca. 1877 voorgoed met schrijven voor het publiek, afgezien van correcties en noten bij nieuwe edities van eerder uitgegeven werk.
 


[7] "Wat my betreft, ik schaam my opgang te maken in 'n land dat zich sedert twintig jaren liet gebruiken tot voetstuk van zooveel walgelyke geestesarmoed, als die dorre droge kommiezige ideënlooze bureau-kunstenmaker by voortduring ten-toon spreidde, en houd me aan den wensch in m'n tekst: om-godswil, fluit my uit! Ik zou anders genoodzaakt zyn de pen neerteleggen."

Om het in de vorige noot gestelde kort te vervolgen: In feite hield Multatuli rond 1877 overwegend op met schrijven, naar men aanneemt vooral vanwege een persoonlijke aanval op hem door z'n voormalige medestander dr. van Vloten, in het boek "Onkruid onder de tarwe". (Dit slaat op het motto van de Ideen.)

Dit is mogelijk, maar zelfs als dit de aanleiding was dan ligt een groot deel van de oorzaak bij de algemene reacties op Multatuli in Nederland tussen 1860 en 1875, en M.'s bijzonder moeilijke leven tussen 1860 en 1872, met zeer vele tegenslagen en teleurstellingen, en een moeilijk en arm bestaan. Ook was M.'s eerste vrouw in 1874 overleden, wat waarschijnlijk ook een rol speelde, omdat het zijn eigen positie in het leven veranderde, en omdat veel van wat hij geschreven had, zoals de "Max Havelaar" en "Minnebrieven" ook over z'n eerste vrouw handelden.

Maar zoveel is duidelijk: Vanaf ca. 1875 was M. over het geheel genomen te teleurgesteld en te gedesillusioneerd door Nederland en Nederlanders om voor of tegen ze te willen schrijven in het publiek.

Hij schreef feitelijk nog vrij veel, getuige de desbetreffende VW-delen, maar dit waren vrijwel alleen particuliere brieven, die zeer vaak handelden over allerlei dat hem weerhield voor 't Neerlands publiek te schrijven, en die trouwens vaak fraai geschreven zijn, hoewel M. in particuliere brieven daar zelden speciale moeite voor deed.

Hij schreef en publiceerde nog wel korte noten bij heruitgaven van z'n werk en gaf een drietal tournees van publieke voordrachten, ook weer om geld te verdienen, en niet meer omdat hij de hoop of illusie had veel te kunnen veranderen in de Nederlandse maatschappelijke verhoudingen of de opvattingen of manieren van schrijven en spreken van zijn tijd.

Een andere belangrijke reden voor 12 jaar overwegende publieke stilte - Multatuli stierf in 1887 - na 15 jaar tamelijk intensief hoewel periodiek en door veel tegenslagen gehinderd publiek schrijven zal, naast z'n toenemende leeftijd en vele teleurstellingen en voortdurende betrekkelijke armoede, zijn geweest dat hij problemen met z'n gezondheid kreeg van astmatische aard.

Maar de algemene grond dat Multatuli overwegend ophield met schrijven voor publicatie na 1875 is dat hij z'n geloof verloren had het Nederlands publiek te kunnen bereiken en hem te doen begrijpen.
 


[8] "maar 'n hollandsche schrijver - die N.B. te wedyveren heeft met de vernunften van heel de beschaafde wereld! - moet zich tevreden stellen met 'n bespottelyk geringe betaling. Dit is even oneerlyk als dom van de Natie."

Dit is niet meer zo, sinds recent. Er zijn althans redelijk wat Nederlandse auteurs die wèlvoorzien zijn van oplagen en prijzengelden. Wat niet veranderd is in al die tijd - ik spreek hier voor mijzelf - is de gebruikelijke onleesbaarheid van Nederlandstalig proza en dichtwerk.

Idee 399.