Nauwkeurig bericht omtrent den toestand der
hoofdpersonen van deze geschiedenis, na de katastrofe. Malle uitval van
den schryver, zeer geschikt om de genegenheid van
Publiek te winnen, en dat monster overtehalen tot vernieuwing
van z'n abonnement.
Den volgenden dag was
er veel teruggekeerd tot de oude orde van zaken, en om niet den schyn
van lompheid op ons te laden, als bekommerden wy ons niet over de
personen waarmee wy een zoo genoegelyken avend hebben doorgebracht,
zullen we in 't voorbygaan aanstippen dat juffrouw Mabbel weer aan 't
bakken en machenetiseeren was gegaan, en vrouw Stotter aan 't bakeren.
Ze veroordeelde de ongelukkige schepsels die aan hare zorg werden
toevertrouwd tot 'n twee- of driemaandelyksche onbewegelykheid, zeker om
den pasgeborenen 'n prettig denkbeeld inteboezemen van hun nieuwbegonnen
loopbaan, en om ze te straffen voor de brooddronken luidruchtigheid
waaraan ze zich hadden schuldig gemaakt voor hun geboorte.
Meester
Pennewip hield zich als gewoonlyk bezig met het fatsoeneeren onzer
gewezen aanstaande groot-ouwelui, en z'n pruik, nog niet geheel hersteld
van de ondergane aandoeningen, verlangde reikkrullend naar zondag.
Klaasje
van der Gracht had den prys gekregen, met 'n plechtig: ‘ga zoo voort,
myn zoon!’ Dat-i gedaan heeft. Nog dagelyks zie ik gedichten verschynen
die zyn meesterhand verraden door duidelykheid, bondigheid en
geestverheffing, en daar ik verneem dat er kwaadwilligen zyn die beweren
dat de ongevaccineerde Klaasjen overleden is aan de pokken, acht ik me
verplicht hem in bescherming te nemen tegen dien laster. 't Genie sterft
niet, dat spreekt vanzelf, anders zou 't voor 'n genie niet de moeite
waard wezen zich te laten geboren worden. Doch al ware onze Klaas dood
naar den mensch, zyn geest leeft voort in z'n volgelingen, en dit vind
ik 'n schoone onsterfelykheid.
Ook de familie De Wilde is niet uitgestorven, en zal niet sterven. Daar
ben ik zeker van. *)
Juffrouw
Krummel vroeg haar echtgenoot of ze werkelyk 'n zoogdier was, en hy die
veel levenswysheid had opgedaan aan de beurs, antwoordde na eenig
overleg dat-i van zulke praatjes nooit meer geloofde dan de helft. ‘In
dit geval: de laatste’ zeid-i er binnen'smonds by.
Juffrouw
Zipperman kadasterde burgerlyk voort, en was verkouwen. Maar ze had het
er voor over, want ze was 'n ‘schikkelyk mensch.’ Alleen kon ze niet
verdragen dat juffrouw Laps zoo hoog had
opgegeven van haar vader ‘in de granen’ en van haar deugd. De oude Laps,
beweerde zy, was niet in de granen geweest, maar er onder.
Hy had ze namelyk gedragen in 'n zak op z'n hoofd, dat heel anders is
dan granen te verkoopen, want wie wat verkoopt, staat alweer wat hooger
dan wie wat draagt. Dat had alzoo juffrouw Laps niet moeten zeggen. En
wat haar deugd betrof, ieder wist van die historie met den
briefbesteller die zulke zware bakkebaarden had. ‘'t Was niet om 't
mensch te skandeliseren, heere neen! 't Was maar dat men 't wist, en dat
men er van sprak... dàt was 't maar! Die juffrouw Laps mocht dus wel
zwygen van 'r deugd.’ Juffrouw Zipperman wou echter ‘de zegsman
niet wezen, omdat kwaadspreken haar gewoonte niet was, maar de
briefbesteller keek nog altyd naar boven, als-i voorbyging... dat deet-i!’
Truitje
en haar zusters zaten zoo goed mogelyk opgeschikt voor 't venster, en
als er jongelui voorbygingen, trokken ze haar gezichten in 'n plooi
alsof ze nooit iemand godsdienstiglyk hadden ‘terecht-gebracht.’
De
juffrouw van onder-achter vertelde in de komeny dat ze verhuizen wou
‘want 't was 'n schandaal by de Pietersens... 'n wáár schandaal.’ En:
‘er had juist wat onder gestaan!’
Juffrouw
Pieterse beredderde haar huishouden, en zag er uit als 'n ‘mensch.’
Van-tyd tot-tyd ‘deed’ ze haar godsdienst op de kinderen, die, als ze 't
voor 't wenschen hadden gehad, gewis liever waren ter-wereld gekomen by
Alfoeren, Dajaks of andere verblinden die wat minder gevoeligheid
belyden in hun godsdienst.
Juffrouw
Laps had byzonder goed geslapen, dien nacht. Wat my genoegen doet. Ik
zou wel meer van haar kunnen zeggen, maar dit houd ik vóór me omdat ik
nooit m'n onderwerp uitput.
Stoffel
was naar z'n school gegaan, en had daar getracht aan de jeugd verachting
inteboezemen voor rykdommen, naar aanleiding van 'n gedicht dat gemaakt
scheen op 'n vliering, door iemand die vermoedelyk niet veel last had
van z'n rykdom. Maar de jongens waren onöplettend, en schenen maar niet
te vatten welk genoegen 'r in stak geen geld te hebben om knikkers te
koopen. Stoffel schreef die hardheid hunner harten toe aan Wouter's
wangedrag. Ze hadden zeker al gehoord van den aanslag op 't leven van
dien markgraaf, en van dat zonderling logeeren in 'n grot. Daarom
bewezen zy minder eerbied aan Stoffel, dan hem toekwam als derden
ondermeester met 'n verlengd buis.
En
Wouter?
Deze was nog altyd in
afwachting van de straf die hy zoo ruimschoots verdiend had, want z'n
moeder had hem te kennen gegeven dat de ‘terechtstelling’ van den
vorigen avend maar 'n voorloopige godsdienstoefening geweest was, en dat
de eigenlyke bezoldiging zyner zonde uitbetaald worden zou als ze
daarover had gesproken met huisdominee. Wat billyk was. Want, in zaken
van godsdienst, heeft de dominee - huis- of niet - 'n stem. Hy wordt er
voor betaald, en studeert er voor. De menschen die dus beweren dat men
wèl doet de geestelyken uit z'n huis te houden, weten niet wat ze
zeggen.
Maar
intusschen wist Wouter niet wat-i zou aanvangen. Naar school gaan, kon-i
niet. Meester had hem uitdrukkelyk verboden verder meetescheppen uit die
bron van Wetenschap. Wandelen mocht-i niet. ‘God weet wat je weer
uitvoert als ik je-n-uit m'n oogen verlies’ zei de moeder, die voorgaf
bevreesd te zyn dat-i weer zou losgaan op de kloosters, maar eigenlyk
alleen daarom 't verlof tot uitgaan weigerde, omdat Wouter dat verlof
gevraagd had. Want ze meende, als velen, dat het voor ondeugende
kinderen nuttig is, in alles te worden gedwarsboomd.
Als
Wouter sluw ware geweest, had-i misschien voorgewend verliefd te zyn op
die donkere achterkamer, om den trap te worden afgejaagd tot zedelyke
verbetering, en dan had-i 'n bezoek kunnen brengen aan z'n molens.
En de
voorkamer was hem verboden omdat de jonge-juffrouwen ‘hem niet konden
zien.’ Met deze woorden namelyk drukten zy haar afschuw van roovers en
Wouter's verdorvenheid uit.
*) By 't gereedmaken van deze uitgaaf, voelde ik
onder 't korrigeeren der dichtoefeningen van Pennewip's leerlingen,
den lust in my opkomen, die voorbeelden van poëtery op eigenaardige
wyze te vermeerderen. In-plaats namelyk van onzen meester over de
schouders te zien, en Lysje Webbelaar of Tryntje Fop cum sociis
sociabusque rymelend intevoeren, dacht ik er aan wat tekst te
ontleenen aan onzen grootemenschen-Helikon. Maar zie, ik mag 't niet
doen. De stortvloed overstelpt my... waar zou ik eindigen?
Zeer ernstig gesproken, ik zie kans 'n dikken bundel te vullen met
aanhalingen uit de rymlitteratuur van volwassen menschen -
dominees, kiezers, echtgenooten, mannen met 'n baard, gegradueerden,
deftige luî, rechts- of andere Meesters, vaders en grootvaders -
aanhalingen waarover Pennewip's pruik zich verbazen zou!
Versjes-maken is 'n onschuldige liefhebbery. Maar niet onschuldig is
het, daarvan een métier te maken, dat spelletjen uittegeven
voor iets wezenlyks, daarmee 't onnoozel volk te bedriegen, en
het door klinkklank te biologeeren tot onverstand. Het Drutni min
in
564 is 'n
versje!
De zeer weinige inderdaad schoone verzen die er bestaan - ze zyn by
enkele regels te tellen - wegen niet op tegen 't misbruik dat er van
vers-lymery gemaakt wordt. Niet alleen dat de ware poëzie niet
in zulke kunstjes bestaat, maar ze is er wars van. Ik zou 't
beschouwen als 'n blyk van grooten vooruitgang, als volwassen mannen
door de publieke meening veroordeeld werden zich te schamen, als ze
met bundels verzen voor den dag kwamen. De opmerking van Droogstoppel
dat ivoordraaien moeielyker is dan verzenmaken, komt me zoo gek niet
voor.
Dat ook 'n dichter soms verzen maakt, heb ik reeds in
56 erkend. Maar
dit blyft zeldzame uitzondering. In den regel zyn verzenmakers
géén poëten. 't Is 'n kinderachtig handigheidje dat ieder zich kan
eigen maken, en dat voor den denker niet de minste waarde heeft.
Wat ik nu in den aanhef dezer noot bedoelde, is: dat onze verzenmakers
zelfs in dat nietige handigheidje over 't algemeen zeer laag
staan. De Vlamingen zyn ons op dit punt ver vooruit.