Maar alle
zelfopoffering heeft zyn grenzen. (41)
Wanneer ik al m'n gangen naar de noordermarkt kon aaneenknoopen in één
rigting, ware ik reeds lang aan de pool geweest.
Stoffel
dreunde z'n vrouwelyk werkwoord op, met veel gevoel, en de dames
schaterden van lachen toen-i haar vertelde dat hy beschonken geweest
was, en dat zy 't wezen zouden. Daarop werd de buurt over den hekel
gehaald, en de juffrouw van ‘onder-achter’ kreeg haar deel. Dat spreekt
vanzelf want ze was er niet.
De
godsdienst en 't geloof speelden 'n groote rol, en juffrouw Laps gaf te
kennen dat ze van plan was 'n ‘oefening’ optezetten, omdat de
tegenwoordige dominees wel wat los heenliepen over de zaak en niet goed
in de hoeken veegden.
- Ik zeg
maar, 't staat in de Schrift dat 'n mensch 'n mensch is, riep ze, en
dààr kom ik maar op. Men moet 't niet beter willen weten dan
God-zelf. De zaligheid komt van de genade, en de genade komt door 't
geloof, maar als je niet uitverkoren bent dan heb je de genade niet en
je kunt niet gelooven... en dat is dan de reden dat je verdoemd bent,
zieje? Ik zeg maar: dàt is zeker, zoo goed als twee maal twee, zieje
[1]...
en daarom wou 'k zoo graag 'n eigen oefeningetje houwen... niet om geld
of gewin... heere, neen... maar om 'n zakduitje op kermis en nieuwejaar.
Denk 'r 'ns over juffrouw Mabbel.
Juffrouw
Mabbel zei dat haar man er tegen was, omdat-i graag 's avends uitging en
zy dan op den winkel moest passen. Bovendien: ‘'t kwam zoo slecht uit
met bakken. Niemand kon begrypen wat dat 'n “werkelyk” beroep was.’
- Uwé
dan, juffrouw Zipperman, vindt uwé ook niet dat 't wel gaan zou? Ik zou
koffi-zetten, en de zielen konden daar wat voor neerleggen in de
schoteltjes... want om geld is 't me niet te doen, gut né! We zouden
beginnen met 't ouwe testament... en dan... oefening, weet uwé...
oefening, weet u? [2]
Juffrouw
Zipperman wist 't wel, doch haar schoonzoon van de assurantie - of van
't kadaster - had gezegd dat de dominees voor die zaak betaald werden,
en dat dus alle verdere oefening onnoodige kosten wezen zou.
Die
heeren van 't kadaster - of van de assurantie - zyn zoo gek niet.
- Wat
denkt uwe d'r dan van, juffrouw Krummel? Vindt uwe niet dat zoo'n
oefeningetje...
Juffrouw
Krummel zei dat ze zich oefende met haar man, als-i van de beurs kwam.
Lapsje was nu wel genoodzaakt zich te wenden tot vrouw Stotter, schoon
ze voelde dat er iets derogeerends in lag, zulke aanbiedingen te doen
aan 'n ‘vrouw.’
- Och,
me lieve juffrouw Laps, als je-n-'ns zoolang gebakerd had als ik, zou je
de lust wel vergaan. Daar heb je nou m'nheer Luttelmans van de
Prinsengracht... dien heb ik gebakerd... en die zei altyd... want ik heb
altyd heel in 't fatsoenlyke gebakerd, weetje... 't is 'n huis met 'n
hooge stoep, en in den gang stond zoo'n klok, weetje, van regen en
wind... en die zei altyd: ‘vrouw Stotter, zeit-i, je bent 'n goeie
vrouw, zeit-i, en 'n knappe baker, dat zal ik altyd van je zeggen,
zeit-i, en, zeit-i, m'n heele familie zal je gebruiken, zeit-i, maar
zeit-i, als de mensen je zoowat zeggen, zeit-i, moet je maar net doen of
je 't niet hoort’ - dankie, juffrouw Pieterse, m'n koppie is omgekeerd,
dat zie je wel - en daarom zeg ik maar altyd: ieder moet weten wat-i
doet. [3]
- Maar
zoo'n oefeningetje... vrouw Stotter.
- 't Is
mogelyk, juffrouw Laps, 't is wel mogelyk... maar ik heb al zooveel
ondervinding van die dingen, dat ik maar zoo m'n eigen gang ga, en dat
's dan ook maar 't beste. Want ik ben in 'n kraam geweest by m'nheer De
Witte die 'n oom
heeft aan 't stadhuis, weetje, want ik baker altyd heel in 't
fatsoenlyke, en die zei altyd, omdat-i zoo grappig was, weetje, die zei
altyd: ‘baker, baker, zeit-i, je bent m'n 'n baker!’ Zoodat ik maar
zeggen wil dat 'k heel goed weet wat 'k doe, want ik heb 'r al wat
ingespeld van m'n leven. Daar heb je nou m'nheer... hoe heet-i ook...
ook op de prinsengracht... neen, op de kalkmarkt... och, hoe heet-i...
[4]
De lezer
zal vinden dat vrouw Stotter gedurig afweek van 't punt in kwestie. Maar
dat doen er wel meer.
- En
uwé, juffrouw Pieterse, hoe denkt uwé over 'n oefeningetje?
- Och
mensch, ik heb al zoo'n geoefen met m'n kinderen! Je weet niet wat 't
is, mensch, om 'r zoo negen groot te brengen. En ik doe daar m'n
godsdienst mee, want in de Schrift staat... Trui, geef kleine Kee 'r wat
voor, ik hoor 'r weer.
Truitje
had iets edels in haar houding toen ze naar de achterkamer ging om
kleine Kee er ‘wat vóór te geven.’ Men kon 't haar aanzien dat ze zich
gestreeld voelde door de overdracht der moederlyke waardigheid. Kleine
Kee scheen minder gestreeld.
- Waar
was ik ook weer? Ja, dat is m'n godsdienst, zeg ik maar. 't Is 'n getob
met die kinderen, mensch, je wéét 't niet! En ik vind, als ik ze goed
opbreng... ga jy nu 'ns, Pietje, en breng Simon terecht, die knypt zeker
z'n zussie weer, dat doet-i altyd als 'r volk is.
Simon
werd terechtgebracht.
- Als er
volk is, zyn de kinderen altyd zoo lastig... wat hoor ik daar weer?
Myntje, ga 'ns gauw kyken, en zeg dat ze slapen moeten.
Myntje
ging, en kwam terug met de tyding dat ‘ze wat hadden omgegooid.’
Algemeene strafoefening. Vinnige boodschap van de juffrouw van ‘achter-onder.’
't Is dan ook heel onaangenaam voor de juffrouw van achter-onder, als de
kinderen der juffrouw van boven-voor wat omgooien, achter. Vreeselyke
opschudding.
Eindelyk:
De
kinderen waren ‘terechtgebracht.’ Juffrouw Zipperman zat weer in den
hoek ‘waar 't zoo tochtte’ waaruit men ziet hoe alle aardsche grootheid
'n keerzy heeft, en dat 'n schoonzoon by 't kadaster - of de assurantie
- regelrecht aanspraak geeft op zinkings. Juffrouw Laps was heel
tevreden over de kordate manier waarop de kinderen waren gekastyd. ‘'t
Was juist als in de Schrift stond’ zei ze, en ze haalde een tekst aan
waarin wordt voorgeschreven iemand te slaan. Waar 't staat, weet ik
niet, maar 'k ben zeker dat het èrgens staat. Want in die Schrift staat
alles. Vooral van slaan. [5]
- Kom,
Stoffel, vertel jy nou 'reis wat, zei de vriendelyke gastvrouw, die
toonen wilde dat haar kinderen méér konden dan knypen en omgooien.
- 'k
Weet niks op 't oogenblik, zei Stoffel, zonder de minste sokratische
hovaardy. [6]
- Och
toe, zeg maar 'reis wat je verleden zei... och toe - zoo is-i altyd,
juffrouw Mabbel, hy moet aan den gang geholpen worden, anders gaat 't
niet. Maar dan weet-i 't wel, dat zal uwe zien - toe, Stoffel! - hy zal
moe wezen van z'n school, weet u... 't is 'n gedoe met zoo'n school! Ja,
juffrouw Krummel, daar is 'n heele boel aan vast... zou u dat wel
zeggen, dat alle woorden mannelyk of vrouwelyk zyn. Is 't niet waar,
Stoffel?
- Né,
moeder.
- Niet,
wel nou kom-an... en verleden zei je - 't is maar, weet uwe, juffrouw
Zipperman, om 'm aan 't praten te krygen, maar dat kan zoo in-eens niet,
weet uwé, omdat-i moe is van z'n school - en verleden zei je, dat
alles...
- Né,
moeder. Mannelyk, vrouwelyk of onzydig, heb ik gezegd.
- Nou
hoort uwé 't, juffrouw Mabbel... waar haalt-i 't vandaan! Begryp 'ns
baker, ik ben vrouwelyk, en de tafel ook, en je muts ook - je korrenet,
weetje - en jy ook...
- Né,
moeder, kornet is mannelyk... alle mannelyke bedryven... en baker ook.
Baker
keek heel vreemd. Zy mannelyk... dat had ze nooit geweten.
- Baker
is mannelyk, ging Stoffel voort - nou begint-i! riep z'n moeder - alle
woorden op k.e.r. zyn mannelyk: rakker, makker, bakker... raker, maker,
baker.
- Is 't
mogelyk! riepen de gasten uit één mond. [7]
- Ja
menschen, en nog meer, zei juffrouw Pieterse, je zult verstomd staan als
je 't hoort. Wat denkje wel dat je bent, juffrouw Krummel?
- Ik...
ik? Wat ik bèn?
- Ja,
ja... wat je bent, wat je eigenlyk bent?
- Wèl... ik ben
juffrouw Krummel, zei 't mensch, maar ze zei 't met wat twyfel, want ze
las uit den zegepralenden blik van juffrouw Pieterse, en op de
diepzinnig saamgeknepen lippen van Stoffel, dat ze in 't eind wel heel
wat anders wezen kon dan juffrouw Krummel.
De
spanning was te mooi om die niet te rekken, en daarom, van 'n byzondere
zaak 'n algemeene makende, vroeg Stoffel's moeder, kringsgewys
rondgaande met haar blik:
- En uwé
ook, juffrouw Mabbel, en uwé, juffrouw Laps, en uwé, juffrouw Zipperman,
en jy, vrouw Stotter... wat denk jelui allemaal wel dat je bent?
[8]
Ze
wisten 't geen van allen. Dit nu zal niemand vreemd voorkomen die de
moeielykheid van zelfkennis heeft ingezien, maar zóó meende de
hoogschalke Stoffel 't niet. De zaak zat dieper. Juffrouw Laps
antwoordde het eerst, en riep met verwaande zelfgenoegzaamheid:
- Ik ben
juffrouw Laps!
- Mis...
mis... glad mis!
- Wel
heerem'ntyd, ben ik juffrouw Laps niet?
- J...
a... a... a... je bent wel juffrouw Laps, maar Stoffel heeft niet
gevraagd wie je bent, maar wat je bent... daar zit 'm 't
fyne!
- Wàt ik
ben? Wel... griffermeerd!
- J...
a... a... a... dat ben je wel, m... a... a... r... né, dàt is 't nu
niet. De vraag is... wat je bènt? Stoffel, help m-n-eens...
Stoffel
zei tusschen twee rookwolken in, en dus zoo professoraal mogelyk:
-
Juffrouw Laps, ik wensCHte te weten wat gy zyt uit een dierlyk oogpunt.
- Daar
bemoei ik me niet mee, zei juffrouw Laps, als iemand die op 't punt
staat zich beleedigd te voelen.
- Ik ben
'n baker, zei vrouw Stotter, en daar blyf ik by.
- En ik
ben de juffrouw van den koekbakker, riep de overbuurvrouw, met iets
beslissends in haar toon, die gissen deed dat ze van plan was
vasttehouden aan die meening.
- Goed,
goed, juffrouw Mabbel, maar ik meen uit 'n dierlyk oogpunt...
- Als 't
onfatsoenlyk wordt, ga 'k liever heen, zei juffrouw Laps.
- Ik
ook, voegden de juffrouwen Krummel en Zipperman er by, want we komen
voor ons plezier. [9]
- Menschen, wees
bedaard... 't staat in 'n boek - Stoffel, zeg 't maar - je zult 'r om
lachen, juffrouw Mabbel, en 't mooiste is dat in 'n boek staat... je
kunt er niets tegen zeggen - toe, Stoffel, zeg 't maar!
-
Juffrouw Laps, zei Stoffel plechtig - en er was 'n gewichtig oogenblik
aangebroken in 't avendje van juffrouw Pieterse - juffrouw Laps, je bent
'n zoogdier. [10]
[1] "- Ik zeg
maar, 't staat in de Schrift dat 'n mensch 'n mensch is, riep ze, en
dààr kom ik maar op. Men moet 't niet beter willen weten dan
God-zelf. De zaligheid komt van de genade, en de genade komt door 't
geloof, maar als je niet uitverkoren bent dan heb je de genade niet en
je kunt niet gelooven... en dat is dan de reden dat je verdoemd bent,
zieje? Ik zeg maar: dàt is zeker, zoo goed als twee maal twee, zieje
"
Toch behoort het de scherpzinnige
lezer op te vallen dat in deze alinea nogal wat Multatuli verstopt zit,
in karikatuur: De roeping van de mens is mens te zijn; de
noodzaak als
god; het uitverkoren genie zijn; en het gronden van wat zeker is op 2
maal 2 is 4.
[2] "We
zouden beginnen met 't ouwe testament... en dan... oefening, weet uwé...
oefening, weet u?"
Het woordje "Uwé"
kwam van de afkorting "U.E." dat "Uwe Edele" betekent (die ook Multatuli in z'n
eigen correspondentie bij gelegenheid nog gebruikte als geheel normaal
beleefd, tegen onbekenden van hoge stand) en was kennelijk weer een
populaire burgermans-manier om de adel na te doen en zichzelf te
verheffen.
[3] "-
Och, me lieve juffrouw Laps, als je-n-'ns zoolang gebakerd had als ik,
zou je de lust wel vergaan. Daar heb je nou m'nheer Luttelmans van de
Prinsengracht... dien heb ik gebakerd... en die zei altyd... want ik heb
altyd heel in 't fatsoenlyke gebakerd, weetje... 't is 'n huis met 'n
hooge stoep, en in den gang stond zoo'n klok, weetje, van regen en
wind... en die zei altyd: ‘vrouw Stotter, zeit-i, je bent 'n goeie
vrouw, zeit-i, en 'n knappe baker, dat zal ik altyd van je zeggen,
zeit-i, en, zeit-i, m'n heele familie zal je gebruiken, zeit-i, maar
zeit-i, als de mensen je zoowat zeggen, zeit-i, moet je maar net doen of
je 't niet hoort’ - dankie, juffrouw Pieterse, m'n koppie is omgekeerd,
dat zie je wel - en daarom zeg ik maar altyd: ieder moet weten wat-i
doet."
"m'nheer
Luttelmans van de Prinsengracht"
bevat weer een Multatuliaanse "Seitenhieb" tegen protserige rijkworders
- maar dit soort opmerkingen behóórt de lezer door overmaat aan eigen
scherpzinnigheid makkelijk op eigen kracht te maken.
Dit merk ik hier alleen op om te tonen
dat ook ik niet geheel achterlijk ben, en ik wilde eigenlijk iets
opmerken over het "zeit-i".
Ik ben namelijk opgegroeid in de
Amsterdamse Kinkerbuurt, en ook mij was dit als kind een plaag:
Hordes
volwassen vrouwen die overal van hun ervaringen verhaalden met een
eindeloos "en toen segt suh en toen seg ik, seg ik ... nauw seg ik, ik
seg maor so seg ik dattume allamoal kenne segge wattumuh willuh seg ik
maor, want seg ik, asdat je foor un duppie chubooruh bin seg ik dan
wor-je dus fan se nóóóit nie un kwarretje, wou ik maor segge dus, maor
toen segt sij, seg ik ..." Ectetera ad nauseam.
De oorzaak is verregaande
stompzinnigheid, alleen geëxcuseerd door de onvrijwilligheid ervan, en
zegt - indirect - iets over het nut van het algemeen kiesrecht, "met
name dus" voor politici.
[4] "Daar
heb je nou m'nheer... hoe heet-i ook... ook op de prinsengracht... neen,
op de kalkmarkt... och, hoe heet-i...
"
Wie niet goed op de hoogte is van
Amsterdamse omstandigheden moet weten dat de Prinsengracht en de
Kalkmarkt nog steeds tot de plaatsen horen waar de lokale élite huist.
Plus ça change, plus c'est la même chose.
[5] "Juffrouw
Laps was heel tevreden over de kordate manier waarop de kinderen waren
gekastyd. ‘'t Was juist als in de Schrift stond’ zei ze, en ze haalde
een tekst aan waarin wordt voorgeschreven iemand te slaan. Waar 't
staat, weet ik niet, maar 'k ben zeker dat het èrgens staat. Want in die
Schrift staat alles. Vooral van slaan."
"Wie zijn
kinderen liefheeft kastijdt ze" werd ook in mijn kindertijd nog vaak
door vele ouders met een zeker grimmig genoegen of in wanhoop
aangehaald.
[6] "- 'k
Weet niks op 't oogenblik, zei Stoffel, zonder de minste sokratische
hovaardy."
Voor 't geval dat de lezer 't niet
weet: Socrates maakte zich zó onbemind onder z'n mede-Atheners door
veelvuldig te verkondigen dat hij tenminste wist dat hij niets wist,
anders dan de rest der Atheners (en meer dergelijke zaken) dat ze hem tenslotte tot
de gifbeker veroordeelden.
[7] "- Baker
is mannelyk, ging Stoffel voort - nou begint-i! riep z'n moeder - alle
woorden op k.e.r. zyn mannelyk: rakker, makker, bakker... raker, maker,
baker.
- Is 't
mogelyk! riepen de gasten uit één mond."
Daarmee indirect aantonend dat de
geslachten van Nederlandse woorden een krankzinnige schoolmeesters-uitvinding zijn. Immers: Geen verzameling Fransen, hoe
dom ook, zou een dergelijke verbazing op kunnen brengen met hun taal vol
"la" en "le".
[8] "- En uwé
ook, juffrouw Mabbel, en uwé, juffrouw Laps, en uwé, juffrouw Zipperman,
en jy, vrouw Stotter... wat denk jelui allemaal wel dat je bent?
"
Merk juffrouw Pieterse's subtiele
onderscheid in aanspreekvormen op. Dergelijke subtiele onderscheidingen
bestaan nog steeds in 't Nederlands. Zo ben ik in vrijwel alle winkels
gedreven door Amsterdamse middenstanders ca. 2000 een "u" voordat
ik
betaald heb een "je" na betaling. Dit gaat kennelijk als automatisme, en
toen ik er eenmaal op lette gold dit in mijn geval in minstens 90% van
mijn aankopen bij middenstanders.
[9] "- Als 't
onfatsoenlyk wordt, ga 'k liever heen, zei juffrouw Laps.
- Ik
ook, voegden de juffrouwen Krummel en Zipperman er by, want we komen
voor ons plezier. "
Toch is DE grote aantrekkingskracht
van alle onfatsoen dat 't bestaat omdat het - zus of zo - lekker is.
("Video meliora proboque; deteriora sequor." - het goede zien en
toestemmen en het slechte doen is immers gewoonlijk de makkelijkste,
veiligste, populairste en best betaalde weg.)
[10] "-
Juffrouw Laps, zei Stoffel plechtig - en er was 'n gewichtig oogenblik
aangebroken in 't avendje van juffrouw Pieterse - juffrouw Laps, je bent
'n zoogdier."
Ik vermoed (en
hoop) dat dit - "juffrouw
Laps, je bent 'n zoogdier." de
bekendste zin uit de Nederlandse literatuur is.