- Wie 't snelste
draait? Wel... me dunkt... neen... gelyk beginnen... zóó! Neen, de
Arend was vóór! Nogeens... nu! Och, weer verkeerd!
Wie nu
't eerst boven is... neen, dat gaat niet... nogeens... van die wolk af.
Morgenstond, pas-op... mis weer! Ik kan 'r geen oog op houden...
wat 'n gedraai!
Zoo, ben
je moê? 'k Wil 't wel gelooven!
Als ik
eens op zoo'n wiek zat... ik zou me goed vasthouden... wat zou de
molenaar gek kyken!
Waarom
heetje Morgenstond? Hebje wat in den mond? En... Arend...
kunje vliegen? Wilje my meenemen? Ik zou wel willen... wat 'n
ruimte daarboven... en geen school!
Hoe is
toch de eerste school begonnen? Wat was er 't eerst... 'n school of 'n
meester?
Maar die
eerste meester moet toch op-school geweest zyn... en die eerste school
moet toch 'n meester gehad hebben...
Of zou
de eerste meester vanzelf... [1]
Vanzelf?
Neen, dat kan niet. Kunje draaien vanzelf? Door den wind? Kunje omkeeren,
andersom-draaien vanzelf? Doe 't eens, Arend... toe! Kryg de
Morgenstond... gauw, gauw... pak 'm beet... mooi!
Nu weer
alléén, laat los... los... goed zoo!
Nu weer
samen... karre, karre, kra, kra... steek-uit je armen... neem me
mee... wilje niet? Goed, Arend! Zet je hoed op... wat fladderen
die linten... hoe heetje? Warre, warre, warre, wou... ik kon 't
niet helpen... 't was die eend. Zeg, hoe heetje? Fanne, Fanne, fan,
fan... heetje Fan? En jy, Morgenstond, hoe is je naam?
Sine, sine, sine, si... wat is dat voor 'n naam, si? Nu
tegelyk, komaan... samen... zingt 'n liedje samen:
- Fanne, fanne,
fan, fan...
- Sine, sine, si,
si...
- Fanne, sine,
fanne, sine,
- Fanne sine...
Fan... cy...
Fancy... wat
meenje daarmee? Heetje Fancy? En... wat is dàt... hebje vleugels?
Ja, ‘d'
Morgenstond’ en ‘den Arend’ waren ineengesmolten, hadden
vleugels, en heeten Fancy.
Fancy nam Wouter op, en voerde hem mee.
Toen ze
hem weer neerzette op de brug, was 't al lang donker. Wouter schudde
zich af als iemand die nat is, wreef zich de oogen uit, en ging
naar-huis. We zullen later zien wat hem daar wachtte, doch moeten
daartoe 'n paar uren teruggaan, en ik hoop dat de lezer niet te
collet monté is tot het aannemen van m'n uitnoodiging op de saliemelk
van juffrouw Pieterse. Men bedenke dat haar man niets zelf maakte, en
alles van Parys kreeg. [2]
In 't
voorbygaan echter, wenschte ik 'n kort bezoek te brengen by meester
Pennewip.
[1] "Hoe is
toch de eerste school begonnen? Wat was er 't eerst... 'n school of 'n
meester?
Maar die
eerste meester moet toch op-school geweest zyn... en die eerste school
moet toch 'n meester gehad hebben...
Of zou
de eerste meester vanzelf..."
Multatuli was heel goed in paradoxen.
Hier stelt hij een vorm van het kip-ei probleem dat ook een rol speelt in
het godsdienstige. Maar de problemen laten zich hier met enig logisch
verstand redelijk makkelijk verhelderen: Er zijn eieren zonder kippen,
maar geen kippen zonder eieren; er zijn geen onderwezenen zonder
onderwijzers, en wel onderwijzers zonder leerlingen; en er is een natuur (of
feitelijke werkelijkheid waar ieder mens regelmatig keihard door gevloerd wordt
en over veel eigenschappen waarvan hij 't wetenschappelijk eens kan worden met
bekwame anderen, ondanks hun verdere onwetenschappelijke geloof in
politiek of religieus opzicht) die heel goed verklaard kan worden zónder
een bovenwerkelijkheid of god aan te nemen.
[2] De rechtgeaarde Neerlander begrijpt
dat dit - dat haar
man niets zelf maakte, en alles van Parys kreeg
- juffrouw Pieterse's hoge mate van
fatsoen ondubbelzinnig aantoont.