Beschouwingen
over de manier om 'n groot man te worden. Bezoek by m'sieu
Willairre die zoo knap was. Uitstapje naar
Artis. Vervolg en slot van de apenstudie in
214
en 215.
Twee stokpaardjes. De lezer wordt bedreigd met verzen, en
uitgenoodigd tot wat lof over de kunstige wyze waarop de schryver, na
tuchteloos dwalen, hem terugbrengt naar Wouter.
Ik acht me niet
geroepen tot uitspraak in 't geding tusschen Pennewip en Leentje, op 't
stuk van diens partydigheid voor Slachterskeesje. Maar 't vurig gevoel
voor recht dat me plaagde van m'n eerste jeugd af - helaas, sedert jaren
wacht ik te-vergeefs op 'n tweede - en de loffelyke zucht om yverig te
zoeken naar verschooning, al ware er ook misdryf bewezen, dwingen my u
te zeggen dat meester Pennewip's lot gelden kon als verligtende
omstandigheid voor iemand die overtuigd was van acht hoofdzonden tegelyk.
Ik heb
opgemerkt dat veel groote mannen hun loopbaan aanvingen als
varkenshoeder - zie alle biografische woordenboeken - en 't schynt alzoo
dat die betrekking de grondstoffen aanbiedt, welke vereischt worden om
menschen te regeeren of te verlichten. Wat niet hetzelfde is.
Aan de theologen die vitten op m'n verhaal, en dus deze gelegenheid
aangrypen om my te beschuldigen van verregaande onkunde, omdat ik 'n
hoofdzonde méér tel dan hun bekend is, en van laster omdat ik 't
menschelyk geslacht doe voorkomen als 'n varieteit van varkens, antwoord
ik dat er 'n nieuwe kanonieke zonde kan uitgevonden wezen, die zy nog
niet beoefend hebben. Wat hun aangenaam moet zyn, als de griep den
apteker.
Nieuwe behoeften, heeren! (271,
273)
En wat
die vergelyking met de zwynen aangaat, men denke aan de verwantschap van
kool met diamanten, en ieder zal tevreden zyn, zelfs de theologen.
Maar, na
die opmerking over de heerlyke vooruitzichten van iemand die z'n teere
jeugd doorbracht in omgang met de knorrende kooldiamanten uit het
dierenryk, heeft het my meermalen verwonderd dat er in de levens van
groote mannen zoo weinig gewezen schoolmeesters voorkomen, daar toch al
de ingrediënten die 'n varkensweide schynen te maken tot 'n broeiery van
't genie, in zoo ruime mate aanwezig zyn in de schoolkamer.
[1]
't
Omgekeerde heeft dikwyls plaats. Dagelyks ziet men weggejaagde prinsen
onderwys geven aan de leertrage jeugd. Dionys en Lodewyk Philips zyn de
eenige niet, en ikzelf heb beproefd fransch te leeren aan 'n Amerikaan.
Dat onmogelyk was. [2]
Wanneer
de verkiesbare koningschappen eens weer in de mode kwamen, zou 'k gaarne
zien dat de keuze des Volks zich by-voorkeur bepaalde tot personen die
den mensch hadden bestudeerd naar de modellen op 'n zóóveelste van de
ware grootte, zooals men de aardrykskunde leert op draagbare globes of
handatlassen. Alle deugden, neigingen, hartstochten, dwalingen,
misdaden, die punten van noodzakelyke beoefening uitmaken in de
werkelyke maatschappy, vindt men op kleine, beter te overziene schaal,
op de schoolbanken terug, en de hooggeroemde kunsten van menigen
staatsman komen, wel beschouwd, eenvoudig neer op 't ‘beentje-draaien’
dat schering en inslag is by de taktiek der Machiavel's van drie voet
hoog. [3]
Het beroep van schoolmeester is dan ook niet gemakkelyk, en ik heb nooit
begrepen waarom 't zoo karig wordt bezoldigd [4], of,
daar dit nu eenmaal zoo schynt te moeten wezen, hoe men altyd personen
vindt die voor gelyke belooning, niet liever als serjant-instrukteur de
lading in twaalf tempoos onderwyzen *) dat minder
hoofdbreken geeft, en meer vrye lucht met zuurstof.
Ook was
ik liever dominee. Deze toch heeft altyd te-doen met menschen die de
zaak volkomen met hem eens zyn, en naar hem komen luisteren uit vrye
keuze, terwyl de onderwyzer gedurig te kampen heeft met onwil en 'n
hoogst gevaarlyk mededingerschap van tollen, knikkers en papieren
mannetjes, om nu niet eens te spreken van suikergoed, tand-wisselen,
roodvonk en zwakke moeders.
*)
Dit riekt naar de vuursteen-periode. De auteur
is niet met z'n tyd meegegaan.
[1] "Maar, na
die opmerking over de heerlyke vooruitzichten van iemand die z'n teere
jeugd doorbracht in omgang met de knorrende kooldiamanten uit het
dierenryk, heeft het my meermalen verwonderd dat er in de levens van
groote mannen zoo weinig gewezen schoolmeesters voorkomen, daar toch al
de ingrediënten die 'n varkensweide schynen te maken tot 'n broeiery van
't genie, in zoo ruime mate aanwezig zyn in de schoolkamer."
De "biografische
woordenboeken" waarvan M. spreekt
lijken uit de klassieke Oudheid te stammen (Plutarchus?) maar het is
waar dat "er in de
levens van groote mannen zoo weinig gewezen schoolmeesters voorkomen".
Zo ongeveer het enige tegenvoorbeeld dat ik kan bedenken is Alexander de
Grote, die onderwezen werd door Aristoteles.
[2] "Dagelyks
ziet men weggejaagde prinsen onderwys geven aan de leertrage jeugd.
Dionys en Lodewyk Philips zyn de eenige niet, en ikzelf heb beproefd
fransch te leeren aan 'n Amerikaan. Dat onmogelyk was."
Het woord "prins"
is afgeleid van "princeps" dat "eerste" betekent. Het is ongetwijfeld
daarom dat M. zichzelf hier noemt onder "weggejaagde
prinsen".
[3] Ik betwijfel of
M. Machiavelli gelezen
heeft. En voor "Alle
deugden, neigingen, hartstochten, dwalingen, misdaden, die punten van
noodzakelyke beoefening uitmaken in de werkelyke maatschappy, vindt men
op kleine, beter te overziene schaal, op de schoolbanken terug"
valt het e.e.a te zeggen, al is het ook zo dat volwassenen nog
meer verblind zijn door ideologisch fanatisme, wreedheid en sex dan
kinderen mogelijk is.
[4] "Het beroep van schoolmeester is dan ook niet gemakkelyk, en ik heb nooit
begrepen waarom 't zoo karig wordt bezoldigd
"
Twee redenen
waarom schoolmeesters karig worden bezoldigd zijn dat ze ongeorganiseerd
waren en dus tegen elkaar uit konden worden gespeeld en dat een heel
redelijke volwassen opvatting over de meeste schoolmeesters is dat het
mislukte of tienderangs (would be) intellectuelen zijn. Later in de
Ideen geeft M. een voorbeeld hoe karig schoolmeesters in zijn tijd
bezoldigd werden. Zie 829.