Idee 376.                                       


Kort hoofdstuk zonder Ideen . De hollandsche graven in-verband met de pryzen van 't vleesch, en de ongegronde verdenking van Pennewip's eer. Leentje's onzichtbaar talent om kleeren en zielen te herstellen.

Aldus had ieder z'n grieven tegen 't arme Leentje. Maar Wouter hield veel van haar, en was met niemand buiten haar in huis gemeenzaam, misschien wel omdat de anderen niet van hèm hielden, en hy dus veel genoodzaakt was, of genoopt althans, z'n troost te zoeken by haar. Want alle aandoening zoekt 'n uitweg, en er gaat niets verloren, evenmin in de zedelyke als in de stoffelyke wereld. [1] 'k Had hierover Ideen kunnen schryven met afzonderlyke nummers, maar dat wil ik nu niet, omdat er 'n orgelman onder m'n venster staat, die me overlaadt met onnoodige indrukken tot byna-gekwordens toe.

Wouter's moeder noemde hem: ‘die jongen.’ Z'n broers - er waren er meer dan Stoffel - beweerden dat-i valsch en gniepig was, omdat hy weinig sprak en niet van knikkeren hield. Maar àls-i wat zei, verweet men hem 'n geheel onbewezen verwantschap met de kat van koning Salomo. De zusters verklaarden hem voor ‘sleets’ of ‘sleetsch.’ Ik weet niet hoe ze 't spelden, omdat ik het alleen heb van hooren-zeggen. Maar by Leentje kon onze Wouter altyd terecht. Zy troostte hem, en vond het schande dat men niet meer ‘werk maakte van 'n jongen als hy.’ Ze scheen dus te hebben ingezien dat-i niet 'n kind was als 'n ander. En dit vind ik ook. Anders zou ik niet de moeite nemen z'n geschiedenis te vertellen. [2]

Te kort na de expeditie naar ouwenbrug, hartenstraat en aschpoort, was Leentje Wouter's eenige vertrouwde. Haar liet-i de verzen lezen die versmaad waren door lange Ceciel. Haar klaagde hy z'n smart over de onrechtvaardigheid van meester Pennewip, die hèm ‘redelyk’ gaf, en ‘uitmuntend’ met 'n krul, aan 't roodharig Keesje. Aan Keesje, die geen ‘som’ alleen wist te maken en altyd steken bleef in de hollandsche graven.

- Arme jongen, zei Leentje, je hebt wel gelyk. Ze kwamen in 't huis van Beieren... 't is wel schande! En dat om 'n duit op 't pond.

Zy beweerde namelyk dat Pennewip goedkoop vleesch kreeg van Keesje's vader die slachter was, en dat er alzoo knoeiery plaats had met die graven en hun gedurig verhuizen.

Later heeft Wouter haar verdacht van vrome leugen op dat punt, omdat Pennewip, wel beschouwd, er niet uitzag als iemand die misbruik maakt van biefstuk. Maar in die dagen nam hy de ligtvaardige verdenking van 's mans eer gretig aan, als pleister op de zyne die gekrenkt was door Keesje's voorzitterschap. Want waar onze eer in 't spel is, of wat we daarvoor houden, geven we minder om die van 'n ander. [3]

Of, als z'n broers hem plaagden met 'n sarrend ‘professer Wouter’... of, als de zusters op hèm de schuld wierpen van dat ‘mal gekrabbel op 't behangsel’... of, als z'n moeder hem strafte voor dat opsnoepen van de rystebry die gister overschoot, en nog juist zoo goed zou geweest zyn voor morgen... dan was 't altyd Leentje die Wouter's gemoed in evenwicht bracht op dezelfde handige manier als ze den winkelhaak in z'n kleeren onzichtbaar maakte met 'n onnavolgbaar ‘heen-en-weertje.’

O, leelyke vuile scheeve kwaadtongige Leentje, wat heeft Wouter je lief gehad! Wat al troost straalde hem tegen uit je koperen vingerhoed, wat al bemoediging lag er in je maasbal, wat 'n zalving in je liefderyk: 

- Daar heb je-n-'n naald, en 'n draad, en 'n lapje... naai 'n zakje voor je griften, m'n jongen, en vertel me nogeens van al die graven die gedurig overgingen van 't eene huis in 't ander. [4]


[1] "Want alle aandoening zoekt 'n uitweg, en er gaat niets verloren, evenmin in de zedelyke als in de stoffelyke wereld."

Dit klinkt als een soort wet van behoud van energie en ik geloof er niet erg in. Wel lijkt het me een zeer terechte observatie dat "Wouter hield veel van haar, en was met niemand buiten haar in huis gemeenzaam, misschien wel omdat de anderen niet van hèm hielden" want zo gaan die dingen. Maar overigens heeft een mens gewoonlijk zoveel keuzes, mogelijkheden, tendensen, aandriften, wensen en noden dat de meeste aandoeningen opgaan of afgereageerd worden in andere aandoeningen.


[2] "Ze scheen dus te hebben ingezien dat-i niet 'n kind was als 'n ander. En dit vind ik ook. Anders zou ik niet de moeite nemen z'n geschiedenis te vertellen."

Dit is in tegenspraak met een ander idee van M. maar ik ben het met 'm eens dat "Leven en Werken van een Volstrekt Alledaags Mens" neer moet komen op een lange opsomming van verveling en vooroordeel.


[3] "Want waar onze eer in 't spel is, of wat we daarvoor houden, geven we minder om die van 'n ander."

Ja, zo gaat dat. 't Slimme en juiste zit 'm in de toevoeging "
of wat we daarvoor houden": De eer van de grote meerderheid bestaat uit trouw aan de leiders van de eigen groep en conformisme aan de mores van de eigen groep. Dit is zeer fraai en toepasselijk uitgedrukt door "Unsere Ehre heisst Treue!", wat zowel de wapenspreuk zou moeten zijn van iedere waarachtige burocraat, wherever, whenever, als de wapenspreuk was van Hitler's SS.


[4] "O, leelyke vuile scheeve kwaadtongige Leentje, wat heeft Wouter je lief gehad! Wat al troost straalde hem tegen uit je koperen vingerhoed, wat al bemoediging lag er in je maasbal, wat 'n zalving in je liefderyk: 

- Daar heb je-n-'n naald, en 'n draad, en 'n lapje... naai 'n zakje voor je griften, m'n jongen, en vertel me nogeens van al die graven die gedurig overgingen van 't eene huis in 't ander. "

Kortom, Leentje was de enige die Wouter nam zoals hij was, en hem niet behandelde of beschouwde zoals hij zou moeten zijn volgens de normen van z'n opvoeding noch als het voortdurend falend zondaartje waar z'n familie hem kennelijk voor hield. 

Idee 376.