Kort hoofdstuk
zonder Ideen . De hollandsche graven
in-verband met de pryzen van 't vleesch, en de ongegronde verdenking van
Pennewip's eer.
Leentje's onzichtbaar talent om kleeren en zielen te
herstellen.
Aldus had ieder z'n
grieven tegen 't arme Leentje. Maar Wouter hield veel van haar, en was
met niemand buiten haar in huis gemeenzaam, misschien wel omdat de
anderen niet van hèm hielden, en hy dus veel genoodzaakt was, of genoopt
althans, z'n troost te zoeken by haar. Want alle aandoening zoekt 'n
uitweg, en er gaat niets verloren, evenmin in de zedelyke als in de
stoffelyke wereld. [1] 'k Had hierover
Ideen kunnen schryven met afzonderlyke nummers,
maar dat wil ik nu niet, omdat er 'n orgelman onder m'n venster staat,
die me overlaadt met onnoodige indrukken tot byna-gekwordens toe.
Wouter's
moeder noemde hem: ‘die jongen.’ Z'n broers - er waren er meer dan
Stoffel - beweerden dat-i valsch en gniepig was, omdat hy weinig sprak
en niet van knikkeren hield. Maar àls-i wat zei, verweet men hem 'n
geheel onbewezen verwantschap met de kat van koning Salomo. De zusters
verklaarden hem voor ‘sleets’ of ‘sleetsch.’ Ik weet niet hoe ze 't
spelden, omdat ik het alleen heb van hooren-zeggen. Maar by Leentje kon
onze Wouter altyd terecht. Zy troostte hem, en vond het schande dat men
niet meer ‘werk maakte van 'n jongen als hy.’ Ze scheen dus te hebben
ingezien dat-i niet 'n kind was als 'n ander. En dit vind ik ook. Anders
zou ik niet de moeite nemen z'n geschiedenis te vertellen.
[2]
Te kort
na de expeditie naar ouwenbrug, hartenstraat en aschpoort, was
Leentje Wouter's eenige vertrouwde. Haar liet-i de verzen lezen die
versmaad waren door lange Ceciel. Haar klaagde hy z'n smart over de
onrechtvaardigheid van meester Pennewip, die hèm ‘redelyk’ gaf, en
‘uitmuntend’ met 'n krul, aan 't roodharig Keesje. Aan Keesje, die geen
‘som’ alleen wist te maken en altyd steken bleef in de hollandsche
graven.
- Arme
jongen, zei Leentje, je hebt wel gelyk. Ze kwamen in 't huis van
Beieren... 't is wel schande! En dat om 'n duit op 't pond.
Zy
beweerde namelyk dat Pennewip goedkoop vleesch kreeg van Keesje's vader
die slachter was, en dat er alzoo knoeiery plaats had met die graven en
hun gedurig verhuizen.
Later
heeft Wouter haar verdacht van vrome leugen op dat punt, omdat Pennewip,
wel beschouwd, er niet uitzag als iemand die misbruik maakt van
biefstuk. Maar in die dagen nam hy de ligtvaardige verdenking van 's
mans eer gretig aan, als pleister op de zyne die gekrenkt was door
Keesje's voorzitterschap. Want waar onze eer in 't spel is, of wat we
daarvoor houden, geven we minder om die van 'n ander. [3]
Of, als
z'n broers hem plaagden met 'n sarrend ‘professer Wouter’... of, als de
zusters op hèm de schuld wierpen van dat ‘mal gekrabbel op 't
behangsel’... of, als z'n moeder hem strafte voor dat opsnoepen van de
rystebry die gister overschoot, en nog juist zoo goed zou geweest zyn
voor morgen... dan was 't altyd Leentje die Wouter's gemoed in evenwicht
bracht op dezelfde handige manier als ze den winkelhaak in z'n kleeren
onzichtbaar maakte met 'n onnavolgbaar ‘heen-en-weertje.’
O,
leelyke vuile scheeve kwaadtongige Leentje, wat heeft Wouter je lief
gehad! Wat al troost straalde hem tegen uit je koperen vingerhoed, wat
al bemoediging lag er in je maasbal, wat 'n zalving in je liefderyk:
- Daar
heb je-n-'n naald, en 'n draad, en 'n lapje... naai 'n zakje voor je
griften, m'n jongen, en vertel me nogeens van al die graven die gedurig
overgingen van 't eene huis in 't ander. [4]
[1] "Want
alle aandoening zoekt 'n uitweg, en er gaat niets verloren, evenmin in
de zedelyke als in de stoffelyke wereld."
Dit klinkt als een soort wet van behoud van energie en ik geloof er niet
erg in. Wel lijkt het me een zeer terechte observatie dat "Wouter
hield veel van haar, en was met niemand buiten haar in huis gemeenzaam,
misschien wel omdat de anderen niet van hèm hielden"
want zo gaan die dingen. Maar overigens heeft een mens gewoonlijk zoveel
keuzes, mogelijkheden, tendensen, aandriften, wensen en noden dat de
meeste aandoeningen opgaan of afgereageerd worden in andere
aandoeningen.
[2] "Ze
scheen dus te hebben ingezien dat-i niet 'n kind was als 'n ander. En
dit vind ik ook. Anders zou ik niet de moeite nemen z'n geschiedenis te
vertellen."
Dit is in tegenspraak met een ander
idee van M. maar ik ben het met 'm eens dat "Leven en Werken van een
Volstrekt Alledaags Mens" neer moet komen op een lange opsomming van
verveling en vooroordeel.
[3] "Want
waar onze eer in 't spel is, of wat we daarvoor houden, geven we minder
om die van 'n ander."
Ja, zo gaat dat. 't Slimme en juiste zit 'm in de toevoeging "of
wat we daarvoor houden": De eer van
de grote meerderheid bestaat uit trouw aan de leiders van de eigen groep
en conformisme aan de mores van de eigen groep. Dit is zeer fraai en
toepasselijk uitgedrukt door "Unsere Ehre heisst Treue!", wat
zowel de wapenspreuk zou moeten zijn van iedere waarachtige burocraat,
wherever, whenever, als de wapenspreuk was van Hitler's SS.
[4] "O,
leelyke vuile scheeve kwaadtongige Leentje, wat heeft Wouter je lief
gehad! Wat al troost straalde hem tegen uit je koperen vingerhoed, wat
al bemoediging lag er in je maasbal, wat 'n zalving in je liefderyk:
- Daar
heb je-n-'n naald, en 'n draad, en 'n lapje... naai 'n zakje voor je
griften, m'n jongen, en vertel me nogeens van al die graven die gedurig
overgingen van 't eene huis in 't ander.
"
Kortom, Leentje
was de enige die Wouter nam zoals hij was, en hem niet behandelde of
beschouwde zoals hij zou moeten zijn volgens de normen van z'n opvoeding
noch als het voortdurend falend zondaartje waar z'n familie hem
kennelijk voor hield.