Toen onze held
thuiskwam, verstopte hy den vetten Glorioso achter de latafel van
Leentje, van dezelfde Leentje die na den poortsprong z'n broekje
herstelde dat zoo gaapte aan de knie, zoodat z'n moeder 't nooit geweten
heeft.
Ja, ze
is ten-grave gedaald zonder kennis aan die gescheurde broek! Ik weet
niet of ‘broek’ mannelyk is, en heb geen lust het optezoeken, vooral
omdat ik 't toch niet begrypen zou, al vond ik ‘broek. m.’ in 'n
woordenlystje. Onlangs vond ik géén m. achter natie. Dat
zal 'n scherpe geestigheid van Siegenbeek geweest zyn.
[1]
Of
Wouters broek mannelyk was, weet ik niet, maar Leentje had de scheur
geheeld, dat is de waarheid. Zoo heelde ze meer breuken, en ontving
daarvoor zeven stuivers in de week, en 'savends 'n boterham.
[2]
Lang na
Habakuk, dacht Wouter nog meermalen aan haar deemoedig: ‘goeien avend,
juffrouw. Goeien avend, m'nheer en jonge-juffrouwen. Goeien avond,
Wouter’... en de rest.
Want Wouter's moeder heette ‘juffrouw’ om de schoenmakery. De
jonge-juffrouwen waren z'n zusters, die dansen geleerd hadden. En z'n
broer was ‘m'nheer’ sedert diens benoeming tot derden ondermeester aan
de stads-tusschenschool.
*)
Hy had toen verlengstukken aan z'n buis gekregen
om ontzag inteboezemen aan de schooljeugd, en ‘Stoffel’ paste toen niet
langer,
meende Wouter's moeder. [3] Maar dezen noemde Leentje
eenvoudig Wouter, omdat-i nog maar 'n kleine jongen was. Ook was hy haar
drie stuivers schuldig, of eigenlyk zes-en-twintig duiten, die hy haar
nooit heeft teruggegeven, want toen hy, jaren later, die schuld wilde
afdoen, waren er geen duiten meer, en Leentje was ook dood.
Dit speet hem zeer, want-i had veel van haar gehouden. Ze was
foei-leelyk, nogal vuil, en bovendien wat onrecht van leest. Ook
beweerde Stoffel de schoolmeester, dat ze 'n booze tong voerde. Ze zou
namelyk hebben oververteld dat-i bessen met suiker had gedronken in
de Nederlanden.
**)
Ik wil
dit wel gelooven, maar wat kan men verlangen voor zeven stuivers en 'n
boterham? 'k Heb hertoginnen gekend met ruimer inkomen, en toch niet
aangenaam in den omgang.
Dat Leentje scheef was, kwam van 't aanhoudend naaien. Ze hield het
gansche gezin ‘heel’ en verstond de kunst om een broek, twee buisjes en
'n lakenschen pet te maken uit 'n duffelsche jas, en toch schoten er nog
lappen over voor de sous-pieds ***) die Stoffel noodig had voor z'n examen als
sekondant naar de Kaap. Dat niet lukte, door 'n fout in
Euklides. [4]
Niemand
buiten Wouter was tevreden met Leentje. Ik denk dat men bang was haar te
bederven door te groote zachtzinnigheid. De ‘jonge-juffrouwen’ spraken
gedurig van ‘stand’ en ‘dat ieder op z'n plaats moest blyven.’ Dit gold
háár. Leentje's vader namelyk was 'n schoenmaker geweest die
achterlapte, en de vader van de jonge-juffrouwen had 'n winkel ‘gedaan’
waarin-i schoenen verkocht die uit Parys kwamen. Dit maakt 'n groot
verschil. Want het is deftiger iets te verkoopen dat gemaakt is door 'n
ander, dan zelf wat te maken. [5]
De
moeder meende dat Leentje wel wat zindelyker wezen kon. Dat juist
gemeend was. Maar ik kom weer terug op den prys, en op de moeielykheid
van 't wasschen, voor iemand die geen tyd, geen zeep, geen ruimte en
geen water heeft. Duinwater was er nog niet, en al was 't er geweest,
het zou toch niet doorgedrongen zyn tot Leentje. [6]
*) Die zoogenaamde tusschenscholen zullen nu wel
niet meer bestaan. Het waren inrichtingen van onderwys voor niet zéér
arme kinderen, maar toch voor dezulken wier ouders niet by-machte
waren 't volle schoolgeld te betalen. Of men op zoo'n school nog
minder leerde dan by 'n Msjeu, weet ik niet. [7]
**)
Een herberg met tuin, even buiten de stad.
***)
Dit is met het oog op andere tydaanwyzende
omstandigheden, 'n fout. De sous pieds zyn van eenigszins
lateren datum, en zullen nu wel haast terugkomen. Liever zag ik de
lange broeken afgeschaft, die leelyk staan en zeer ondoelmatig zyn.
[1] "Onlangs
vond ik géén m. achter natie. Dat zal 'n scherpe
geestigheid van Siegenbeek geweest zyn."
Die de Neerlandse natie grammatikaal
voor verwijfd uitmaakten, kennelijk. Daarvan afgezien: Het toekennen van
geslachten aan Nederlandse woorden is belachelijk. Het is kennelijk ooit
door schoolmeesters ontleend aan het Latijn, waar het wel een zekere
functie heeft, en waar er ook regels zijn om het geslacht van de meeste
worden af te leiden uit hun spelling.
[2] Merk de "zeven
stuivers in de week, en 'savends 'n boterham."
op: Een waarachtig slavinnen-bestaan - met dit verschil dat wie salaris
vangt ("zeven
stuivers in de week") ook geen
enkel ander recht meer heeft.
[3] "Want Wouter's moeder heette ‘juffrouw’ om de schoenmakery. De
jonge-juffrouwen waren z'n zusters, die dansen geleerd hadden. En z'n
broer was ‘m'nheer’ sedert diens benoeming tot derden ondermeester aan
de stads-tusschenschool.
*)
Hy had toen verlengstukken aan z'n buis gekregen
om ontzag inteboezemen aan de schooljeugd, en ‘Stoffel’ paste toen niet
langer,
meende Wouter's moeder."
Wat hier vooral
opvalt is de zeer grote zorgvuldigheid waarmee maatschappelijk
onderscheid gemaakt werd op basis van inkomen en positie van de ouders.
Wanneer we aanlanden bij meester Pennewip en zijn klassificatie-woedes
dan krijgen we meer relevante informatie.
[4] "Dat
niet lukte, door 'n fout in Euklides."
Ook het leven van de Stoffels van de
wereld loopt niet over rozen.
[5] "
De ‘jonge-juffrouwen’ spraken gedurig van ‘stand’ en ‘dat ieder op z'n
plaats moest blyven.’"
Dit zijn Neerlandse varianten op "Voor
honden en Chinezen verboden", "Joden geen toegang", "Alleen vir blankes"
en overig fraais. Dit standsbewustzijn is dus verre van typisch
Nederlands, maar menselijk-al-te-menselijk.
[6] Inderdaad was "de
moeielykheid van 't wasschen, voor iemand die geen tyd, geen zeep, geen
ruimte en geen water heeft" nogal
wezenlijk. Het duinwater waar direct hierna sprake van is werd later
in de 19e eeuw in Amsterdam ingevoerd en werd inderdaad gewonnen in de
duinen.
Een interessante vraag is overigens:
Hoe zou het 19e eeuwse Amsterdam geroken hebben? Het lijkt
me moeilijk te zeggen, en er zal geen gebottelde lucht van over zijn,
maar ik gis: Naar een mengsel van verrot grachtenwater, ongewassen
mensenlijven en paarden. Ik neem aan dat - voor tijdsreizigers - vooral
die paardengeur het grote ruikbare verschil tussen toen en nu uitmaakt:
Waar het nu naar benzine en olie ruikt, rook het ooit naar
paardenvijgen.
[7] "Of
men op zoo'n school nog minder leerde dan by 'n Msjeu, weet ik
niet."
Ik ook niet,
maar het lijkt me zeer waarschijnlijk, weer als uiting van
standsverschil. Dit is trouwens ca. een eeuw lang behoorlijk duidelijk
uitgedrukt in de namen voor schooltypes: "ULO" = "Uitgebreid Lager
Onderwijs", en was bedoeld voor de intelligente zoons van lager stand,
die hiermee opgeleid werden "voor kantoor"; "HBS" = "Hogere Burger
School" diende om 't kroost van de hogere stand voor te bereiden op de
universiteit.