In elke levende taal is 'n gedeelte dood.
"Die vrouw heeft 'n vlek op haar neus." Haar neus leeft.
"Waar moet ik die tafel zetten? Zet haar in den hoek."
Haar is dood. *) Zoo is er veel, dat ik wou uitknippen als dorre takken. 't
Geeft ruimte, licht, leven aan de groene.
*) We hebben nu eenmaal
in 't hollandsch geen vrouwelyk geslacht voor levenlooze zaken.
Waartoe dan dit altyd voorgewend in ons schryven? 't Is onwaarheid,
als 'n auteur iemand, van de zon sprekende, zeggen laat: zy
gaat op.
Juist. Toen ikzelf uitvond dat de
Hollandse zelfstandige naamwoorden allemaal een geslacht hebben, dat
zich bovendien vaak uit helemaal niets af laat leiden dan uit daartoe
speciaal geproduceerde handboeken (als het zogeheten "Groene boekje
der Nederlandse taal"), weigerde ik - sindsdien en voorgoed - de
geslachten van zelfstandige naamwoorden van iets anders dan m'n eigen
stemming af te laten hangen.
Toch - als ik dan toch moet kiezen
tussen "hij" en "zij" voor de zon - dunkt mij
"zij" beter.
|