Ik weet zeer weinig. En 't smart me zóó,
dat ik waarlyk geloof aanspraak te hebben op meer. En daarom wou ik zo graag
onsterfelyk wezen.
-Juist, zeggen zy, die onsterfelykgeleerdheid maken tot 'n
beroep, juist dat verlangen is 'n bewys voor uw onsterfelykheid...
-Ei, ik heb vurig verlangd naar véél zaken die toch...
-Misschien waren ze niet goed voor u.
-Dat is mogelyk. Als ik nu maar zeker was dat de onsterfelykheid
goed voor me wezen zou.
Die wensch komt me nu kinderachtig voor. Zie 149,
150, 151, 152,
157.