Ik zeide in 5
dat de optelling van veel middelmatigheden altyd gelyk blyft aan één
middelmatigheid. Waarschynlyk had ik moeten zeggen: het gemiddelde eener
verzameling van middelmatigheden staat beneden de middelmatigheid.
Neem 'n schaal van 1 0 tot 100 0. De
middelmatigheid dobbert tussen 33 0 en 67 0. Het
meerendeel der mensen staat zóó naby graad 33 - dat is: zoo naby de grens,
waarover onbruikbaarheid begint, of erger - dat de weinigen die zich bewegen
naby 67 0 - in de buurt van uitstekend - niet in staat zyn het
gemiddelde van 't geheel op te voeren tot 51 0.
In cyfers is de zaak aldus:
99x33 (of 34...40)+1 (of 2...5)x63 (of 64...67)
--------------------------------------------- < 51.
100
Daarom zou ik stemmen tegen parlementaire regeeringsvormen, als
ik iets beters kon vinden.
De cyfers zyn te gunstig gesteld. Niet alleen bereikt de waarde eener
Vergadering het middelmatige niet, doch gewoonlyk daalt ze onder het nulpunt.
De fout der cyfer-vergelyking ligt hierin, dat ik me gemakshalve slechts van
positieve grootheden bediende en wie 't gehalte van onze "geachte
leden" onderzoekt, zal inzien dat men veelal te doen heeft met negatieve
waarden, met niet-profeten, 't geen trouwens reeds blykt uit de onteerende
"vaderlandsche geachtheid". Doch al ware dit anders, krachten die
tegen elkaar inwerken, gaan teloor. Zie daarover: Duizend-en-eenige
hoofdstukken over SPECIALITEITEN.
Het begin van
deze stelling heeft meer met pessimisme over doorsnee menselijke vermogens dan met
wiskunde of statistiek te maken: het gemiddelde - niet: "de som": zie
5 - van alleen
middelmatigheden kan niet anders dan middelmatig zijn (en niet
minderwaardiger dan middelmatig).
Pessimisme over
de gemiddelde menselijke vermogens is niet populair onder gemiddelde mensen,
hoewel het toch in beginsel de aanvang van een waarachtige en ongesuikerde
verklaring voor de menselijke beschavings-geschiedenis is, die gebaseerd is
op de gruwelen verricht door het kortzichtig egoïsme en de lafheid van zeer velen,
en de kennis en cultuur gevonden door de verziendheid en moed van zeer
weinigen.
Het gestelde (of
bedoelde) lijkt mij daarom inderdaad waarachtiger dan niet:
Ceteris paribus
is de kans op het treffen van een goed, verstandig of begaafd mens kleiner
dan de kans op het treffen van een slecht, dom of middelmatig mens. (119 en 120)
Wie dit anders
ziet is gezegend met een aanzienlijke blindheid voor menselijk onvermogen en
een grote onwetendheid van geschiedenis, en mag zich gelukkig prijzen voor
z'n een doorsnee-gelukkig leven garanderende doorsnee-aanleg. (107)
Wat de laatste
bewering van M. betreft: Op mijn HBS werd ik doodgegooid met Churchill's
uitspraak over democratie, die zo bijzonder kenmerkend voor 's mans
intelligentie en inzicht zou zijn. Nu, Multatuli's "Daarom zou ik stemmen tegen parlementaire regeringsvormen,
als ik iets beters vinden kon" dateert van lang voor
Churchill. Op
dezelfde HBS werd ik gewaarschuwd tegen het lezen van Multatuli, "die nu
toch wel verouderd is: lees eens iets interessants moderns, zoals van
Schierbeek!".
Wie
geïnteresseerd is in de studie van academische onbegaafdheid bestudere een
verzameling Nederlandse letterkundigen.
Nu, als de "cyfers zyn te gunstig gesteld"
dan had M. ze anders kunnen stellen. Dat vergaderingen het niveau van de
deelnemers nog aanzienlijk lager maakt dan het buiten vergaderingen is, lijkt
mij één van de vele zoogdierlijke waarheden over mensen die mensen zo slecht
tolereren over zichzelf, en zo makkelijk accepteren over - schapen en ezels,
bijvoorbeeld.
(Opmerking over:
"Neem 'n schaal van 1 0
tot 100 0": De kleine " 0 " wordt als
"graad" of "graden" gelezen.)