R: Betoeng 9 april 1856
Aan Z:E: den Heere Duijmaer van Twist
Grootkruis, G:G:, etc. [1]
Excellentie!
Ik verzoek Uwe Excellentie dezen brief te
lezen met al de aandacht die een belangrijke zaak verdient.
Ik verzoek Uwe Excellentie elk woord van mijn
schrijven de volle waarde toetekennen; ik bedoel niet meer, ik bedoel vooral
niet minder dan ik zeg.
Voor alles wat ik zeg ben ik verantwoordelijk
- elke zinsnede is gewogen.
Ik zal schrijven zonder hartstogt maar ook
zonder verschooning, - zonder studie maar zonder schroom - zonder jagt op
effect maar ook zonder vrees voor effect.
Ik zal scherp zijn waar de waarheid scherp is,
en waar ze triviaal is zal ik triviaal durven wezen.
Ik durf en kan en wil dit alles omdat ik mij
sterk gevoel.
Ja, sterk, Excellentie; - belast met de zorg
voor vrouw en kind, - zonder middel van bestaan, zonder vrienden. Zonder
uitzigten, zonder geld zonder sympathie om mij heen, - zonder dat alles voel
ik mij sterk. [2]
Want, Excellentie, ik ben bezield met de
kracht van een eerlijk man die een zaak voorstaat.
Want ik heb mij zelven leeren kennen als
waardig daarvan de held, of althans de martelaar te wezen.
Ik heb veel geleden. Ik geloof dat ik bestemd
ben veel te handelen. Ik geloof dat ik eene roeping heb. Ik heb lust en moed
die roeping te volgen, ik geloof dat God mij de kracht geven zal die te
volbrengen. [3]
Ik vang aan met het schrijven van deze brief.
Ik geloof dat Uwe Excellentie, eenen hoogeren
titel heeft dan van Gouverneur Generaal, ik geloof dat Uwe Excellentie eerlijk
man is. [4]
Dat ben ik ook. Het is in die waardigheid dat
ik mij wend tot Uwe Excellentie.
Het besluit en de Kabinetsmissive van Uwe
Excellentie van 23 Maart JL No 34 & 54 zijn Uwer Excellentie onwaardig.
De gronden die men Uwe Excellentie mag hebben
voorgelegd om die stukken te doen afgaan, zijn logenachtig.
Men heeft Uwe Excellentie misleid, zoo als
dikwijls.
Zelfs weet ik waarom men Uwe Excellentie
misleid heeft.
Ik wist vooruit dat men dit trachten zoude, en
meer om Uwe Excellentie dan mij zelven te vrijwaren voor de gevolgen van dit
bedrog bood ik afschrift aan der missive waarin ik verzocht "dat men mij zoude
roepen ter verantwoording voor het geval dat men iets op mij zoude hebben
aantemerken."
Wél bevreemdt het mij dat het bedrog is kunnen
doorgaan!
Want, Excellentie, is niet Uwe aandacht
gevallen op mijn stijl die den stempel draagt der waarheid? [5]
Heeft Uwe Excellentie niet in mijn schrijven
gezien dat ik niet was een gewoon ambtenaar als de verslagschrijvers die ten
toon worden gesteld (maar niet genoeg ten toon worden gesteld) in Uwer
Excellentie's Kabinetsmissive van 26 Septr. 1853 No. 216?
Dragen niet mijne brieven van 24 & 25 en 28
februarij de kenmerken van beradenheid, van vastheid, van koele doorzetting?
[6]
En drukte op dat alles niet het zegel van mijn
rekest van den 29n Maart?
En bleek het Uwer Excellentie niet dat ik geen
warhoofd was, geen windmaker, geen kwakzalver, geen "Indisch ambtenaar" toen
ik na de ontvangst van Uwer Excellentie's beschikkingen van 23 maart niet
reclameerde, niet pleitte, niet morde, maar eenvoudig deed wat ik op 28
februarij gezegd had?
Trof U niet de eenheid in mijn schrijven, het
verband, de schakel, de consequentie?
Dacht Uwe Excellentie bij dat alles niet aan
het Justum ac tenacem? Ik dacht er aan toen ik schreef.
O, misschien had Uwe Excellentie er aan
gedacht, welligt hadde het U getroffen, als de Resident van Bantam overgelegd
had een particulier briefje dat mijn schrijven van 25 februarij vergezelde en
waarin ik kortelijk meedeelde "dat het al te erg was, dat het niet
langer kon" en, volgt er: "wat mij betreft ik zal UWEDG. dwingen mij te
achten. Ik zeg als Luther: hier sta ik, God helpe mij, ik kan niet anders!"
Want in dat briefje had Uwe Excellentie mij en
negligé gezien, zonder de knelling van het misvormd keurslijf der
ambtenaars-correspondentie. [7]
Doch na dat alle de bewijzen van waarheid en
integriteit die uit mijn schrijven zelf te putten waren, voor de oogen van Uwe
Excellentie waren weggegoocheld, hoe heeft men het aangelegd om Uwe
Excellentie die een beroemd regtsgeleerde is te doen vergeten dat ook de
"altera pars" had gehoord te worden?
De Kabinets missive van Uwe Excellentie bevat
berispingen, betuiging van hooge ontevredenheid.
Die berisping is meer dan een gewone afkeuring
- Uwe Excellentie wist - want ik had het gezegd - dat Uwe ontevredenheid een
vonnis was dat mij en de mijnen aan broodsgebrek prijs gaf. [8]
Die berisping was eene waarschuwing tegen wie
meenen zou zijn pligt te moeten doen.
Die berisping was eene sanctie der knevelarij.
[9]
Bovendien, had ik - ten overvloede - naar ik
meende - gevraagd om te worden gehoord - -
En toch, -toch heeft Uwe Excellentie die
Kabinetsmissive en dat besluit kunnen teekenen.
Ik heb vele fouten, Excellentie, - ik heb een
vurig gestel dat mij dikwerf ten booze drijft, ik heb vele inwendige vijanden
die ik niet altijd overwon, - maar Excellentie, hoe laag ik zedelijk mij
zelven stel, die Kabinetsmissive en dat besluit zou mijn geweten niet kunnen
dragen.
Nog eens, men heeft Uwe Excellentie misleid.
De berigten waarop Uw oordeel gegrond schijnt, zijn logenachtig. Ik kan dit
bewijzen.
Ik kan bewijzen dat ik vriendelijk,
zachtmoedig, hulpvaardig voor den regent geweest ben, zooals trouwens mijn
aard is.
Ik kan bewijzen dat de Regent van Lebak op de
vraag van den Resident van Bantam "of hij iets tegen mij had, of ik hem iets
misdaan had" geantwoord heeft: "neen, volstrekt niet, Dat bezweer ik!".
Ik kan bewijzen dat de Resident van Bantam
dien Regent weinige uren na het ontvangen van mijn brief van 25 februarij geld
heeft gegeven.
Dat heeft een groote betekenis, - dat zweemt
naar medepligtigheid!
Doch niet nu zal ik dit alles bewijzen. Ik
schrijf geen pleidooi voor mij. Dit zal ik doen waar het later noodig
blijken mogt. [10]
Ik heb Uwe Excellentie gezegd dat ik met het
schrijven van deze brief aanvang de roeping te vervullen waaraan ik mij
toewijd. Die roeping is: de millioenen mensen die gebukt gaan onder
uitzuiging, afpersing, knevelarij, roof en moord, daarvan te
verlossen. [11]
Ik zal die roeping volgen met of zonder Uwe
Excellentie, met of zonder de volksvertegenwoordiging, met of zonder de
Hollandsche natie of den Koning.
Wie mij daarin steunt reik ik de hand; wie mij
daarin tegenwerkt is mijn vijand, zij hij Raad van Indië, Gouverneur Generaal,
zij hij mijn broeder.
Ik houd Uwe Excellentie voor een braaf mensch
- Ik bied Uwe Excellentie de hand aan.
In den regel wordt de Gouverneur Generaal die
zonder ambtenaars ancienneteit, spontaan boven de Raden van Indië plaats
neemt, door hen gehaat.
In den regel stellen zij den Hollandsche
nieuweling guet apens. Dat deden zij in deze zaak.
En de plaatselijke besturen?
Een gedeelte van de gezagvoerders weet niets,
ziet niets, begrijpt niets, denkt niets. Dat zijn welligt de besten. Hunne
verantwoordelijkheid rust op wie ze benoemd heeft.
Een gedeelte weet wat er omgaat - maar -- men
offert de rust en het geluk van duizenden op aan de begeerte van eigen gemak,
en eigen rust; - men rekent uit wanneer de blijde termijn zal aanbreken die
het pensioencijfer tot de gewenste rondheid zal vólmaken, - men droomt van
rust voor zich in Nederland en loochent de onrust der arme bevolking in Indie
- men zorgt voor periodieke staatjes en opgaven en schrijft leugenachtige
verslagen van welvaart en tevredenheid, - men tourneert met min of meer
redactie talent elke phrase om den G:G: niet te kwetsen, - men vermijdt als de
pest elk initatief van verbetering dat niet van Z:E: is uitgegaan, - men
"vreest het Gouvernement te bemoeijelijken",- men "schippert", men "houdt den
boel gaande",- men schermt met een "geest van 't Gouvernement" die nergens
beschreven staat, die uitgevonden is als panacee tegen elke verkeerdheid, elk
misbruik; die elke lauwheid, elke veerkrachteloosheid wettigt; - die fermeteit
en pligtsvervulling en vasthouden aan gezworen eeden tot een hors d'oeuvre
maakt, en die après tout niet anders is dan der Heeren eigene geest van
onzedelijke misdadige zelfzucht. [12]
De resident van Bantam durfde zich in een
brief beklagen dat ik hem stoorde in zijn drokke bezigheden toen ik zijne hulp
inriep en den regent aanklaagde.
Het zou belagchelijk wezen als het niet zo
treurig was.
En eene derde cathegorie Excellentie? - Het is
verschrikkelijk - maar ik heb mij beloofd de waarheid te zullen zeggen ook
waar ze triviaal wordt - er zijn er die meê knevelen die meê stelen.
Zoo is het, Excellentie, dat zullen Uwe Raden
van Indie noch Uwe Residenten U gezegd hebben maar dat kan, dat mag, dat moet
ik U zeggen, ik die begon mij als offer te stellen voor de waarheid.
Niemand zal mij Indische ondervinding
ontzeggen, noch die door lezen, behandeling van zaken, en nadenken verkregen
wordt noch door de meer practische die een gevolg is van lijden, tobben,
reizen en wrijving met de werkelijkheid, noch hoop ik de eenige ware die het
resultaat is van dat alles bij één.
Welnu Excellentie, ik zeg het U, alöm wordt
schandelijk misbruik gemaakt van de bevolking, overal wordt ze gekneveld,
uitgezogen, verdrukt en mishandeld. Overal gebeuren gruwelen.
[13]
En het zijn Kabinetsmissives en besluiten als
die van 23 maart die den eerlijken man moedeloos maken tenzij hij iets hoogers
kenne dan de geodkeuring Uwer Excellentie.
En het is de politie met rotting en
gevangenis, en het is de politiek met oorlogschepen, kruit, lood, brand en
onnoodige heldendaden die den knevelaar steunen, terwijl de slagtoffers van
ongepatenteerde zeeroof door het Gouvernement worden aanbevolen in de publieke
liefdadigheid.
Dat schreit ten Hemel!
Van Houtman af tot Uwe Excellentie toe heeft
het Nederlandsch bestuur in Indie zich gekenmerkt door lafhartigheid jegens
sterken geweldenarij jegens zwakken door laagheid, hebzucht, trouwbreuk jegens
allen! [14]
Wie 't betwijfelt leze de geschiedenis, hij
bestudeere de oorzaken, de leiding, den uitslag onzer talrijke oorlogen en
expedities. Hij leze Valentijn die de gruwelen vertelt en er naif de platen
bijgeeft, hij beschouwe de schets waar een Hollandsch legerhoofd een' dapper
doch verwonnen vijand den lans in den mond drukt met sarrende toespraak, - hoe
hij hem de ledematen laat afkappen om hem langzaam te doen sterven, en vooral
hij leze erbij hoe de Dienaar des Evangelies de vrome Valentijn op het verhaal
dier gebeurtenissen volgen laat: dit was het al te zacht uiteinde van den man
die der edele Compagnie zoo veel werks had verschaft. [15]
Wie 't betwijfelt, hij vrage waar de
Bandanezen zijn gebleven?
Onze bondgenooten toen wij zwak waren, onze
slaven toe wij sterk werden. Pizarro, Cortez en hunne opvolgers hebben
Indianen overgelaten in Zuid Amerika, maar wat heeft Nederland met de
Bandanezen gedaan? Er zijn geen Bandanezen meer. [16]
Wie 't betwijfelt hij onderzoeke de redenen
van den laatsten opstand in Bantam hij telle de arme vooropgestuwde onnoozelen
die neergesabeld zijn door hollandsch staal en neergeschoten met Hollaandsch
lood.
Maar hij onderzoeke dan niet in de Archieven
van Uwe Excellentie!
Wie 't betwijfelt hij ga naar de Molukken, en
vrage wat er is geworden van de rijke streken wier specerijen zwaarder wogen
in de schaal des oorlogs tegen Spanje dan het Perusche goud. Hij vrage wat er
is geworden van de goedgemeende maar op lauwheid, onwil & ambtenaarsgeest
verongelukte publicaties van den G.G. van der Cappellen in 1825.
Wie 't betwijfelt, hij denke na, hij vrage,
hij onderzoeke hoe de Javasche oorlog ontstond, hoe ze gevoerd werd, ten
wiens behoeve ze gevoerd werd, en hoe ze eindigde?
Of is 't niet door trouwbreuk dat Diepo Negoro
is gevangen genomen? Was hem niet een vrijgeleide gegeven?
En nog onlangs - was niet het gevangen nemen
van Ferdanie Mantrie te Palembang een verraad? [17]
Is voorts niet onder allen die den inlander
anders kennen dan van papier, eene uitgemaakte daadzaak dat hij niet opstaat
dan na lang te zijn gekneveld en mishandeld; hierop zijn geene uitzonderingen;
waar opstand is, werd gekneveld, en wat kleur er moge worden gegeven aan de
zaak, en hoe men - zij het dan voor Holland, zij het voor Europa, - zij het
uit zedelijke schaamte voor zichzelven, - die bewimpele - wáár blijft het dat
er gekneveld was waar opstand is.
Eene expeditie naar Celebes ter beteugeling
der oproerige onderdanen van Ternate - men noeme dat eene Bonische politiek -
het is niet anders dan ondersteuning verleenen aan een knevelaar.
Men kent in den Molukschen archipel den Sultan
van Ternate niet.
Die arme lieden weten op verre kusten niets
van Ternate - Zij zijn verwonderd van eenen afgezant te hooren dat zij
onderdanen zijn van Zijne Hoogheid wiens naam zij niet weten, van Zijne
Hoogheid die zich niet anders openbaart dan door Zendelingen om geld en goed
aftepersen, zich daarbij beroepende op versleten Documenten, waarin evenwel
niets schijnt te staan van verschuldigde bescherming aan zulke problematieke
onderdanen. Men betaalt en geeft zoolang men kan. En als men eindelijk weigert
en mort dan wordt het regt des Sultans bewezen met Hollandsche expeditien,
zijn roof wordt gedekt met de hollandsche vlag, - zijne hebzucht wordt
bezegeld met Hollandsch bloed, - zijne schande wordt betaald met Hollands eer!
Zoo is het, Excellentie, waarachtig zoo is
het.
Zoo is het met al die expeditien waar het heet
"een wettigen Souverein te herstellen in zijn miskend gezag!" Die wettige
Souvereinen zijn roovers.
Het is onwaar, - het is een ambtenarenpraatje
dat de politiek eischen zoude zulk een quasi vorstelijken knevelaar te
steunen.
Begrijpt Uwe Excellentie niet hoe bijv: een
resident van Ternate zich meent te verheffen als hij het gewigt van hem
ondergeschikte vorstjes op den voorgrond stelt? Ik heb een resident van
Ternate met kinderachtige vreugde hooren uitroepen: "Als dat mijne moeder eens
geweten had, dat ik twee Sultans zou bevelen!"
Begrijpt Uwe Excellentie niet dat kleine
menschen zoo iets aardig vinden, zich daarbij groot achten, als het kind dat
op de tafel klom? [18]
Begrijpt Uwe Excellentie niet dat die quasi
magt van Inlandsche hoofden, die quasi invloed op de bevolking telkens aan U
voor de oogen wordt gedraaid waar men Uwe aandacht wil afleiden van meer
onaangename erkende waarheden?
En al ware het dat die roovers en
menschenplagers magt hadden en invloed, - dan blijft nog de vraag of niet eene
meer hooge, meer edele politiek de politiek van het regt wezen zou!
Maar het is zoo niet. Het is niet
waar dat de bevolking bevreesd is of ontzag heeft voor den knevelaar. Het
arme volk is bevreesd voor de bajonetten die het Gouvernement den knevelaar
ter hulpe zendt.
Wie 't weêr betwijfelt? Men verwijdere den
regent en andere hoofden van Lebak, men doe rondgaan eene Circulaire dat het
Gouvernement bij wijze van uitzondering in dit speciaal geval regt zal doen,
dat men de klager niet straffen noch overleveren zal aan de bloedige rancune
zijner verdrukkers, men bezegele dat, men bezwere dat, men
Doch neen, nog zou de bevolking niet klagen,
ze zou zwijgen... want ze zou die belofte, dat zegel dien eed niet vertrouwen,
- maar ze zou vragen of ik Dekker haar ditmaal instond voor de intégriteit des
Gouvernements. [19]
En als ik dat doen durfde --
Dan zou ze opstaan als één man, en men zou
zien wat er waar was van den invloed dier hoofden, verwant of niet verwant aan
aanzienlijke geslachten van knevelaars als zij. Of meer nog. Men late die
hoofden waar ze zijn, men verwijdere alle militaire magt men geve mij de
bevoegdheid om uit mijn naam niet uit de gecompromitteerden naam van uwe
Excellentie te verkondigen, dat er eindelijk regt zal geschieden, en men
wachte af, of niet de ongelukkige gesarde bevolking ze verscheuren zal als
schadelijk gedierte die invloedrijke hoofden.
De inlander is regtvaardig, Excellentie! De
inlander verzet zich niet, zonder regt te hebben, uit mijne ondervinding zou
ik voorbeelden kunnen aanhalen hoe ik opstanden dempte ongewapend, alleen met
een korte toespraak, waar de Generaal Michiels met bajonetten op weg was. Hij
kwam te laat en beet op de lip, omdat ik hem een paar armzalige heldendaden
had weggegrist.
Ik zou kunnen verhalen [20] hoe ik onverwachts in
nachtkleed verscheen temidden eener troep boeginezen, die verbitterd waren
tegen de bevolking en oprukten om den plaats uit te moorden, en ze met een
oppasser gevangen nam en ongebonden naar de gevangenis zond, - hoe ik de
aanvoerder, die van bloed droop, terugriep en hem gelastte uit de slokkan mijn
schoen terug te zoeken, dien ik in de haast verloren had, en hoe hij het
terstond deed op mijn gezegde: "want is het niet onregtvaardig dat ik
mijn schoenen moet verliezen, omdat gij goedvindt ongeregeldheden te plegen
buiten kantoortijd?"
Ik zou kunnen aanvoeren hoe ik een Sumatraan
die meende ten onregte door mij gestraft te zijn en mij daarom wilde
vermoorden, ongewapend tegen trad en hem berispte dat hij niet eerst zijn
grieve had blootgelegd, hoe ik hem uitlegde dat hij onregt deed, hoe hij zijn
klewang weg wierp, aan mijn voeten viel en mij later als staljongen getrouw
diende -
Ik zou kunnen verhalen hoe trouw mij inlanders
aankleefden toen ik op Padang hongerde [21] - hoe zij mij voeden wilden van hunnen
arbeid hoe ze mee wilden sterven als ik hunnen hulp weigerde, en hoe ze de
kracht hadden slechts weinige dagen korter te hongeren dan ik - En hoe bij
eene schopbreuk, toen ik in de branding op een klip stond met inlandsche
volgelingen, eene bezwijkende vrouw haren man toeriep Eerst uw heer, Castor,
eerst uw heer, en dan de kinderen!
Ziet Uwe Excellentie het in dat er een ander
Indië bestaat dan op de papieren der Secretarie die men ook in den Haag of in
het geheel niet zou kunnen lezen zonder schade voor wetenschap wijsheid of
waarheid?
Gevoelt Uwe Excellentie dat ik hoogere regten
heb dan op ambt of een kruis, dat ik regt heb de apostel dier armen van geest
te zijn? [22]
Beseft Uwe Excellentie dat mijn rekest om
ontslag was een rekest om promotie, en dat mijne vrouw gelijk had toen ze mij
om den hals viel bij het lezen van uw ontslag besluit en uitriep: "goddank,
dat ge eindelijk u zelf wilt zijn!" [23]
En toch grijnst haar de honger aan, en ze weet
niet hoe ze haar afgebeden kind voeden zal als de weinige guldens die mij
resteren, zullen verteerd zijn. [24]
O, ik bid u, laat het geen bede schijnen
om hulp wat ik schrijf, - 't is een uitroep van trots. Ik vraag Uwe
Excellentie niets voor mij. Ik vraag geregtigheid voor de vertrapte
menschheid! [25]
En dat zal ik blijven vragen zoo lang ik adem
heb, - ik zal het uitroepen aan de hoeken der straten, ik zal het den Koning
zeggen als ik hem wijs op de juwelen zijner kroon en aan Holland als ik wijs
op zijne kapitalen: die juwelen zijn gestolen, die kapitalen zijn geroofd, uwe
welvaart is een diefstal en uw batig slot is een boom die zijn wortels heeft
in een moeras van ongeregtigheid! [26]
En als het niet baat?
Ik zal alle talen van Europa leren om het in
vers te brengen, opdat de moeders voorzingen aan hunne kinderen: daar ligt een
roofstaat aan zee tussschen oostfriesland en de schelde. [27]
En ik zal mij beroepen op wat er edelsch is in
de mensheid, en ik zal een kruistogt prediken tegen de gewapende kooplieden
die onder aanroeping van God, zich vetmesten met bloed! [28]
En als ik bezwijk, dan laat ik een zoon na!
En na of met hem de kinderen mijns broeders.
Die zijn van mijn geslacht.
Dat zullen de machabeeën zijn.
Maar ik zal niet bezwijken. God wil, dat ik
leve. Hij zal mij toelaten Peter van Amiens te zijn of Coriolanus of Gracchus
of O C of Spartacus Tyntacus of Demostenes of Jeremia de boetgezant, al naar
wat hij noodig oordeelt. [29]
Maar liever dan alles wenschte ik te blijven
wat ik ben een eenvoudig mensch die zich en de zijnen voedt met het brood
zijns bescheiden deels.
Overal wordt de knevelarij gesteund. Tegen de
individuen handhaaft hem de politie en waar en bloc wordt gekneveld en
geplunderd leent het Gouvernement zijne schepen, zijn vlag, zijn soldaten en
matrozen. [30]
Die expeditie van Celebes ten behoeve des
Sultans van Ternate, of ten behoeve eener kleine, bekrompen politiek, is
onregtvaardig. De Sultan van Ternate is een knevelaar!
Die expeditie in Bantam is onregtvaardig. De
bevolking was ten einde raad door de verdrukking. Men heeft Uwe Excellentie de
ware reden niet opgegeven. De rapporten daarover zijn leugenachtig.
En dat ze niet klaagde?
O, Excellentie, - nu en dan durft een enkele
klagen, schoorvoetende en ongezien, als ware het een misdaad, - de klager
voelt dat hij "excentriek" is, dat hij buiten den regel gaat, - hij vraagt
verschooning - hij kust de voeten van het gezag - hij noemt zich een slecht,
verworpen mens en waarom, waarom -
Hij heeft geen vertrouwen op het Gouvernement,
gerepresenteerd als het is door gezaghebbers als ik beschreef.
Want hij wist het, de klager, dat hij gevaar
loopt en niet de knevelaar - En hij heeft regt tot die meening, - ook ik zoude
als inlander geen buffel durven weêrvragen die mij ontnomen was door mijn
kamponghoofd, door mijn regent, en de gevolgen hebben zelf geleerd dat ik
onwetend een heldendaad deed toen ik mijn brief schreef van 24 februarij!
En dit is nu mijn trots, mijn roem,
Excellentie, dat men aan mij heeft durven klagen. Ik was aangedaan toen men
mij zeide "het was wel altijd zoo, maar wij zwegen uit vrees. Thans spreken
wij omdat wij gelooven dat gij den wil en den moed hebt regvaardig te zijn".
Die betuiging is mijn adelbrief, dat is Grootkruis Excellentie!
En ik zou dat vertrouwen
beschaamd hebben? En ik zou die menschen nog vóór mijn vertrekt van hier
hebben overgeleverd, verraden?
[31]
Laat mij gelooven dat Uwe Excellentie niet
wist wat ze deed toen Zij daartoe last gaf!
Zag Uwe Excellentie ooit lijken de rivier
afdrijven, blaauw, gezwollen, afzigtelijk ontzettend; - dat zijn de
boodschappen die het binnenland naar de kusten zendt - dat is de
correspondentie tusschen de haaijen in de bosschen met de haaijen in de zee.
Dat zijn de klagers, lijken der klagers, Excellentie!
In staat bewijzen te leveren? - want er is
iets als twijfel in de phrase die mij verraad voorschrijft - duizenden,
Excellentie, meer bewijzen, meer getuigen dan ooit in eene zaak gehoord zijn,
meer dan een regter hooren, meer dan een griffier beschrijven kan: de geheele
bevolking van de afdeeling Lebak.
Bewijzen, getuigen indedaad ik geloof niet dat
het uE. aangenaam wezen zoude ze te horen en te zien, gewapend, bij duizenden,
in het park van uw paleis.
En het is elders niet beter! Mijn voorganger,
die met bekrompen vermogens het goede wilde, had den laatste dag van 1855
bepaald als het tijdstip waarop hij doen wilde wat ik den 24 februarij 1856
gedaan heb. Hij had met den heer Brest van Kempen geconfereerd en overlegd en
is niet geslaagd op die wijs.
Tot ultimo van het jaar was zijn ultimatum van
schipperen.
Onverwacht werd hij ziek en stierf. - Hij is
vergeven!
En al zou geen geneesheer een spoor vinden van
dat vergif in het opgegraven lijk, ik zeg dat hij vergeven is.
En al verklaarde de faculteit dat hij bezweek
aan de geleerdste ziekte die ooit een grieksche naam droeg - ik zeg dat hij
vergeven is. [32]
Dat is usance!
Dat wist Uwe Excellentie niet en meer van wat
ik schreef; misschien zou ik als Ronge moeten zeggen: "dat had Uwe Excellentie
moeten weten" maar thans nu Uwe Excellentie het weet, nu er een man is
opgestaan die iets anders beoogt dan een ambt of eene plaats in de Haagsche
oppositie, nu iemand de moed heeft als Nathan tot David te gaan en te zeggen
"gij zijt die man onder wiens bestuur dit alles plaats had, gij zijt daarvoor
verantwoordelijk" zal Uwe Excellentie voortgaan te steunen op de berigten Uwer
Residenten? Zal Uwe Excellentie blijven berusten in de gekunstelde
"Kommiesnota's van toelichting" Uwer Secretarie, in de adviezen van Uwen Raad
van Indie?
Zal Uwe Excellentie eerlang rusten gaan als
ware de arbeid getrouwelijk volbracht?
Zal Uwe Excellentie in Nederland met
zelfvoldoening neêrzien op den doorlopen werkkring in Indie, en meenen voldaan
te hebben aan de hooge roeping die U.E. werd opgelegd toen zij belast werd met
de zorg voor het welzijn van millioenen mede-menschen?
Zal Ze ignoreren of ontkennen dat er een traan
van wanhoop en bloed kleeft aan elk muntstuk dat overgeleverd werd van Indisch
tractement? [33]
Dat alles ware mogelijk vóór Uwe Excellentie
dezen brief las.
Maar nu - Ik heb Uwe Excellentie de hand
geboden.
Het staat aan Uwe Excellentie die aantenemen.
Het staat aan T:E: om veel te herstellen, en
althans een treffend bewijs te geven dat waar U:E: vroeger mogt gedwaald te
hebben zulks niet Uwe schuld was maar van de ingewortelde ambtenaarsgeest in
N.I. waardoor Uwe Excell: vedrogen is.
Wat mij aangaat is het mij om rang, ambt noch
geld te doen.
Eene captatio benevolentiae is deze brief niet
- ik vraag de gelegenheid om iets goeds te verrigten.
Wijst Uwe Excellentie dat aanbod van de hand
ik zal weten wat ik te doen heb.
Niemand heeft dezen brief gelezen. Niemand zal
dien lezen, voor het mij blijkt dat hij te vergeefs geschreven is.
[34]
Ik heb de eer te zijn van UE.
de Dw Dr
DD
[1] "R: Betoeng 9 april 1856
Aan Z:E: den Heere Duijmaer van Twist
Grootkruis, G:G:, etc."
De plaats heette voluit "Rangkas Betoeng" en Duijmaer van Twist was geen
drager van een "Grootkruis" maar wel van
andere Nederlandse ridderordes.
[2] "Ja, sterk, Excellentie; - belast met de zorg
voor vrouw en kind, - zonder middel van bestaan, zonder vrienden. Zonder
uitzigten, zonder geld zonder sympathie om mij heen, - zonder dat alles voel
ik mij sterk."
M. klaagde later vaak op deze wijze, met aanzienlijk meer recht dan op
dit moment. Hoe het zij: Het is aannemelijk dat àls M. in Nederlands-Indië was
gebleven hij, eventueel met hulp van zijn familie, op termijn en met enig
beleid wel een bestaan zou hebben kunnen opbouwen. Maar zo ging het niet, en
deze brief maakt m.i. duidelijker dan de "Max Havelaar" - immers een roman! -
hoezeer M. verschilde van anderen, zodat het aanleggen van een maat die wel past
op ànderen niet op hem past.
[3] "Ik heb veel geleden. Ik geloof dat ik bestemd
ben veel te handelen. Ik geloof dat ik eene roeping heb. Ik heb lust en moed
die roeping te volgen, ik geloof dat God mij de kracht geven zal die te
volbrengen."
Merk op dat hier al sprake is van Multatuli's alias, in het Nederlands. De
roeping waarvan hij spreekt was die van een Napoleon van zedelijkheid (M.'s
eigen term bij gelegenheid), van verlicht despoot: Iemand
die door zijn grote kwaliteiten in staat was op te treden als een groot
maatschappelijk hervormer. Zie ook [29].
[4] "Ik geloof dat Uwe Excellentie, eenen hoogeren
titel heeft dan van Gouverneur Generaal, ik geloof dat Uwe Excellentie eerlijk
man is."
De lezer heeft ongetwijfeld al begrepen dat Multatuli's in deze brief
gebruikte manier om zijn zaak te bepleiten - als ondertussen, weliswaar
eervol, ontslagen ambtenaar! - eigenlijk alleen geschikt was om een àndere
Multatuli te overtuigen, en dat Gouverneur-Generaal Duijmaer van Twist niet zo
iemand was, en in zijn positie ook niet kon zijn.
Ik zal opmerkingen als deze - waarvan er nogal wat te maken zouden zijn -
verder overlaten aan de lezer, maar wil deze niet in het ongewisse laten over
mijn eigen inschatting van "de zaak Lebak", in de context waarvan de
hier geciteerde concept- brief geschreven is.
Over de zaak Lebak moet ik oordelen op basis van het overleverde materiaal,
dat anno 2003 voornamelijk bestaat uit de in de delen 8 t/m 25 van de VW
bijeengebrachte documentatie; de "Max Havelaar" inclusief Multatuli's eigen
aantekeningen daarbij uit 1875; literatuur over Multatuli (waarvan W.F.
Hermans' biografie mij het zinnigst voorkomt) en zonder enige bijzondere
relevante kennis van Nederlands-Indië of Indonesië mijnerszijds, want ik ben
daar nooit geweest en las er buiten materiaal samenhangend met M. weinig over.
Met die voor- en nadelen is mijn oordeel dat Multatuli zich als ambtenaar
overwegend vergiste in de zaak Lebak. Hij had weliswaar groot gelijk als mens
over de knevelarij en uitbuiting van de inlander en over zijn morele en
juridische plicht daartegen op te treden - maar de weg die hij koos kon niet
getolereerd kon worden van een Nederlands ambtenaar door zijn superieuren.
Anders gezegd: Hij probeerde zich als uitstekend mens te gedragen in een
functie waar geen plaats was voor uitstekende mensen.
Gezien M.'s eigen meningen, zoals bijzonder duidelijk uiteengezet in de
onderhavige brief, en gezien de feitelijke rol van en personen betrokken bij
het Nederlands bestuur in Indië, was het dus nauwelijks verbazend dat hij geen
gehoor vond bij zijn superieuren en zich gedwongen zag eervol ontslag te
vragen. (Zie [31]).
Wat had hij, gezien zijn meningen, dàn kunnen doen in zijn positie als
assistent-resident?
Nu, het was logisch mogelijk geweest voor Douwes Dekker het nog zo'n
3 jaar uit te zingen als Nederlands koloniaal ambtenaar en dan vanwege
20-jarig dienstverband gepensioneerd te worden. Hij was dan rond de 40
geweest, naar men mag aannemen even geniaal, en was in staat geweest de
Nederlandse koloniale misstanden met de pen of anderszins te bestrijden zoals
hem doelmatig zou verschijnen, daarin dan gesteund door een uitstekend
pensioen, met 20 jaar recht van spreken en schrijven, en zonder in serieus
conflict te zijn geraakt met het Nederlands bestuur in Indië.
Maar wat logisch mogelijk is, is lang niet altijd karakterologisch
mogelijk. Toch - al is het zinloos napraten - lijkt het mij dat M. zich in de
zaak Lebak liet meeslepen door z'n temperament en goede bedoelingen,
omdat hij toch al minstens 15 jaar meende als Nederlands ambtenaar werktuig
van een verrot uitbuitingssysteem te zijn, dat op zeer grote schaal en sinds
zeer lange tijd veel kwaad deed en gedaan had.
[5] "Want, Excellentie, is niet Uwe aandacht
gevallen op mijn stijl die den stempel draagt der waarheid?"
Ik betwijfel het zeer - en als M. in ambtelijke of bestuurlijke kringen
opviel door z'n proza-stijl dan niet omdat deze "den
stempel draagt der waarheid". Wèl is het waar dat M. opviel in
Nederlands-Indië, niet alleen door z'n stijl van proza, maar als "excentriek", zoals ongetwijfeld ook waar was.
[6] "Dragen niet mijne brieven van 24 & 25 en 28
februarij de kenmerken van beradenheid, van vastheid, van koele doorzetting?
"
Niet volgens Gouverneur Generaal Duymaer van Twist. Deze had hem immers 29 maart van dat jaar
geschreven: "In Uwe bedoelde handelingen worden evenzeer gemist bezadigd
overleg, beleid en voorzigtigheid, zo zeer vereischt in een' ambtenaar met
uitvoering van gezag in de binnenlanden bekleed, als begrippen van
ondergeschiktheid aan Uwen onmiddellijken superieur."
[7] "Want in dat briefje had Uwe Excellentie mij en
negligé gezien, zonder de knelling van het misvormd keurslijf der
ambtenaars-correspondentie."
M. mocht later graag dergelijke bewijzen van z'n eigen of z'n vrouws
voortreffelijke menselijkheid geven, dat zou blijken uit spontaan geschreven
briefjes. Wat hij hier evident over het hoofd ziet is dat het onder ambtenaren
juist als deugd geldt niet af te wijken van de doorsnee en geen bijzonder mens
te zijn.
[8] "Die berisping is meer dan een gewone afkeuring
- Uwe Excellentie wist - want ik had het gezegd - dat Uwe ontevredenheid een
vonnis was dat mij en de mijnen aan broodsgebrek prijs gaf."
Ja, maar daar had Duymaer van Twist weinig mee te maken. Bovendien had hij
met recht kunnen tegenwerpen dat het voor een begaafde eervol ontslagen
Nederlandse ambtenaar in Indië niet bijzonder moeilijk kon zijn zichzelf zus
of zo behoorlijk in 't leven te houden. Tenslotte gingen de meeste
Nederlanders naar Indië in de hoop daar snel rijk te worden, en een
aanzienlijk percentage slaagde daar ook in.
[9] "Die berisping was eene waarschuwing tegen wie
meenen zou zijn pligt te moeten doen.
Die berisping was eene sanctie der knevelarij."
Hier is ongetwijfeld iets van waar, omdat de beslissing van Duymaer van
Twist zeker niet uitgelegd kon worden als steun aan één van de weinige
ambtenaren die zich werkelijk verzette tegen deze knevelarij, bovendien uit naam van de
wet en de ambtseed.
De vraag is echter: Welk percentage van de toenmalige Nederlandse
ambtenaren in Indië had een standpunt dat ook maar enigermate in de buurt van
dat van Dekker lag? Het antwoord moet zijn: Een héél klein percentage. (Zie de
rest van de brief en mijn commentaren.)
[10] "Doch niet nu zal ik dit alles bewijzen. Ik
schrijf geen pleidooi voor mij. Dit zal ik doen waar het later noodig
blijken mogt."
In 1858 schreef M. opnieuw aan Duymaer van Twist, die niet antwoordde.
Daarna kwam de "Max Havelaar". Duymaer van Twist stierf in hetzelfde jaar als
Multatuli (1887) en heeft vele zeer scherpe zeer goed geformuleerde
publieke verwijten van M. gekregen, waartegen hij zich nooit publiek verweerd
heeft.
[11] "Ik heb Uwe Excellentie gezegd dat ik met het
schrijven van deze brief aanvang de roeping te vervullen waaraan ik mij
toewijd. Die roeping is: de millioenen mensen die gebukt gaan onder
uitzuiging, afpersing, knevelarij, roof en moord, daarvan te
verlossen. "
Dit schijnt M. bewogen te hebben sinds 1843, en de brief van 9 april 1856
is een zeer welsprekend getuigenis dat hij dit bijzonder serieus meende, en
lang had nagedacht over zijn rol als Nederlands ambtenaar.
[12] "..en die après tout
niet anders is dan der Heeren eigene geest van onzedelijke misdadige
zelfzucht. "
Ja, ongetwijfeld - maar dat wàs "de geest der Indische ambtenaren" en dat wàs
het motief voor Nederlanders om in Indië te zijn: "zelfzucht", hebzuchtig egoïsme.
[13] "Welnu Excellentie, ik zeg het U, alöm wordt
schandelijk misbruik gemaakt van de bevolking, overal wordt ze gekneveld,
uitgezogen, verdrukt en mishandeld. Overal gebeuren gruwelen. "
Ja, ongetwijfeld, en sinds eeuwen. Maar opnieuw: Dat wàs sinds eeuwen
geheel in "de
geest der Indische ambtenaren". En dat -
schandelijk misbruik (..) van de bevolking - wàs sinds eeuwen HET motief voor
Nederlanders om in Indië te willen zijn, héél weinigen uitgezonderd:
Fortuinmaken middels deelname in de koloniale exploitatie van de inlandse
bevolking. Indië was een
Nederlands wingewest, en was dat sinds eeuwen.
[14] "Van Houtman af tot Uwe Excellentie toe heeft
het Nederlandsch bestuur in Indie zich gekenmerkt door lafhartigheid jegens
sterken geweldenarij jegens zwakken door laagheid, hebzucht, trouwbreuk jegens
allen!"
Houtman ontsloot Indië voor de VOC en stierf in 1599. "Van
Houtman af" is dus: sinds 1600 - eeuw, na eeuw, na eeuw van Nederlandse
"laagheid, hebzucht, trouwbreuk jegens allen"
met als doel "schandelijk misbruik" in
dienst van geheel Nederlandse "onzedelijke
misdadige zelfzucht" met als onvermijdbaar gevolg dat "de
bevolking, overal wordt (..) gekneveld, uitgezogen, verdrukt en mishandeld.
Overal gebeuren gruwelen."
[15] "Wie 't betwijfelt leze de geschiedenis, hij
bestudeere de oorzaken, de leiding, den uitslag onzer talrijke oorlogen en
expedities. Hij leze Valentijn die de gruwelen vertelt en er naif de platen
bijgeeft, hij beschouwe de schets waar een Hollandsch legerhoofd een' dapper
doch verwonnen vijand den lans in den mond drukt met sarrende toespraak, - hoe
hij hem de ledematen laat afkappen om hem langzaam te doen sterven, en vooral
hij leze erbij hoe de Dienaar des Evangelies de vrome Valentijn op het verhaal
dier gebeurtenissen volgen laat: dit was het al te zacht uiteinde van den man
die der edele Compagnie zoo veel werks had verschaft."
Dit is een goed voorbeeld waarom er eeuwen lang op de gulden stond wat nu
op de Neerlandse Euro staat: "God zij met ons".
[16] "Onze bondgenooten toen wij zwak waren, onze
slaven toe wij sterk werden. Pizarro, Cortez en hunne opvolgers hebben
Indianen overgelaten in Zuid Amerika, maar wat heeft Nederland met de
Bandanezen gedaan? Er zijn geen Bandanezen meer."
Die werden namelijk in 1627 allemaal uitgemoord in opdracht van Jan
Pietersz. Coen. (Over wie ik nog op school leerde dat het "een groot man" was,
en een bijzonder goed Nederlander.)
[17] "Of is 't niet door trouwbreuk dat Diepo Negoro
is gevangen genomen? Was hem niet een vrijgeleide gegeven?
En nog onlangs - was niet het gevangen nemen
van Ferdanie Mantrie te Palembang een verraad?"
Lafhartig verraad lijkt typisch Neerlandse krijgstaktiek, toen, en later
rond Srebrenica. (Beloof een "Safe Haven" - en verraad dat onder het
gelijktijdig betuigen van je eigen morele voortreffelijkheid én "There are no
good guys. There are no bad guys. Mladic is my colleague." Resultaat: 7000
vermoorde burgers, gevlucht naar een als door Nederlandse militairen
zogenaamde gegarandeerde "Safe Haven" vermomde val.)
[18] "Begrijpt Uwe Excellentie niet dat kleine
menschen zoo iets aardig vinden, zich daarbij groot achten, als het kind dat
op de tafel klom?"
Natuurlijk begreep hij dat - en hij begreep vrijwel zeker een stuk béter
dan Multatuli dat de zeer grote meerderheid van zijn ondergeschikten zo was.
[19] "Doch neen, nog zou de bevolking niet klagen,
ze zou zwijgen... want ze zou die belofte, dat zegel dien eed niet vertrouwen,
- maar ze zou vragen of ik Dekker haar ditmaal instond voor de intégriteit des
Gouvernements."
Ik betwijfel het zeer. Wat ik wèl geloof is dat Dekker opvallend afwijkend
genoeg was om sommige leden van de bevolking vertrouwen in te boezemen en om bij hem te klagen snel nadat hij assistent-resident was geworden. En verder
behoort de lezer zich hier te realiseren dat Dekker in totaal 87 dagen in
Lebak is geweest, dus om te beginnen nauwelijks de tijd had gehad het
vertrouwen van "de bevolking" te
verdienen.
[20] "Ik zou kunnen verhalen..."
Ik neem aan dat deze verhalen veel meer waar zijn dan niet. Eén reden voor
mijn aanname is dat (hoewel deze brief nooit verzonden is) M. moest rekenen
met mogelijke controle van zijn beweringen. En ongetwijfeld was het bestaan
dat hij geleid had als bestuursambtenaar in Nederlands Indië avontuurlijk.
[21] "Ik zou kunnen verhalen hoe trouw mij inlanders
aankleefden toen ik op Padang hongerde "
Maar àls er dan zoveel "inlanders"
waren die hem "trouw" waren, waarom moest
hij dan "hongeren" op "Padang"?
Het is waar dat M. in deze tijd grote moeilijkheden had omdat hij zonder
behoud van salaris gesuspendeerd was (wegens een kastekort ontstaan onder zijn
verantwoordelijkheid) en dat hij samenleefde met een inlandse
die hij "Si Oepi Keteh" of "Clio" noemde, die de dochter van een lokaal
dorpshoofd was. Ze komt ook kort maar naamloos voor in "Max Havelaar". Helaas is er erg
weinig van haar bekend. (Voor wie zich nu zorgen mocht maken over moraal of
zedelijkheid: In Ter Laan's Multatuli Encyclopedie wordt uiteengezet dat het
onder Nederlandse ambtenaren, allen voortreffelijk fatsoenlijke vaderlanders,
geheel gebruikelijk was inlandse bijzitten te hebben én dat in dít geval dit
niet opging: Si Oepi had verkozen met Dekker samen te leven, wat volgens de
normen van haar cultuur geheel normaal was.)
[22] "Gevoelt Uwe Excellentie dat ik hoogere regten
heb dan op ambt of een kruis, dat ik regt heb de apostel dier armen van geest
te zijn? "
M. meende dit ongetwijfeld (zie ook [29]), en ik
selecteer het hier niet vanwege M.'s zelfbeleden apostelschap maar vanwege
zijn nogal Multatuliaanse grond daarvoor: "apostel
dier armen van geest". M. had een hoge dunk van zijn eigen vermogens -
wat ik begrijp en waar ik mee instem, behalve dat ikzelf het nogal vreemd vind
"armen van geest" de weg te willen wijzen
naar grote maatschappelijke en morele hervormingen.
[23] "Beseft Uwe Excellentie dat mijn rekest om
ontslag was een rekest om promotie, en dat mijne vrouw gelijk had toen ze mij
om den hals viel bij het lezen van uw ontslag besluit en uitriep: "goddank,
dat ge eindelijk u zelf wilt zijn!" "
Dit zal ook waar gebeurd zijn. Merk ook op dat M.'s Tine toen en daar
kennelijk niet zo bang was voor "broodsgebrek".
[24] "En toch grijnst haar de honger aan, en ze weet
niet hoe ze haar afgebeden kind voeden zal als de weinige guldens die mij
resteren, zullen verteerd zijn."
Zie [2], [8] en [23].
Bovendien zou Duymaer van Twist hier enig logisch recht hebben gehad tegen te
werpen dat wie zichzelf als apostel ziet niet moet klagen over daarvan te
wachten broodsgebrek: Dat is toch wel het minste wat een beetje apostel mag
verwachten en moet kunnen doorstaan.
[25] "O, ik bid u, laat het geen bede schijnen
om hulp wat ik schrijf, - 't is een uitroep van trots. Ik vraag Uwe
Excellentie niets voor mij. Ik vraag geregtigheid voor de vertrapte
menschheid! "
Dit was ongetwijfeld nobel én geheel gemeend. Toch is het gerechtvaardigd
hier te vragen, bijvoorbeeld in verband met "Van Houtman af tot Uwe Excellentie toe heeft
het Nederlandsch bestuur in Indie zich gekenmerkt door lafhartigheid jegens
sterken geweldenarij jegens zwakken door laagheid, hebzucht, trouwbreuk jegens
allen!" ([14]) waarom deze "vraag"
naar "geregtigheid voor de vertrapte menschheid!"
ook maar enigermate kon rekenen op een positief antwoord - en dan bovendien
van de man die feitelijk het hoofd was van dat zo lafhartige en gewelddadige,
lage, hebzuchtige en trouweloze "Nederlandsch
bestuur"?
[26] "En dat zal ik blijven vragen zoo lang ik adem
heb, - ik zal het uitroepen aan de hoeken der straten, ik zal het den Koning
zeggen als ik hem wijs op de juwelen zijner kroon en aan Holland als ik wijs
op zijne kapitalen: die juwelen zijn gestolen, die kapitalen zijn geroofd, uwe
welvaart is een diefstal en uw batig slot is een boom die zijn wortels heeft
in een moeras van ongeregtigheid! "
Dit deed M. dan ook aan het eind van de "Max Havelaar".
[27] "Ik zal alle talen van Europa leren om het in
vers te brengen, opdat de moeders voorzingen aan hunne kinderen: daar ligt een
roofstaat aan zee tussschen oostfriesland en de schelde."
De uitroep "daar ligt een roofstaat aan zee
tussschen oostfriesland en de schelde" - tegenwoordig:
daar ligt een drugsstaat aan zee tussschen oostfriesland en de schelde,
waar gruwelijk incompetent bestuur en zwaar corrupte ambtenarij jaarlijks
mafiosi vele miljarden helpen verdienen met illegale drugshandel, alles
met instemming van de bevolking - dateert dus ook al uit 1856 of eerder.
Overigens gebeurde dat vertalen niet. Bij Multatuli's leven was er
welgeteld één behoorlijke vertaling van de "Max Havelaar", namelijk in het
Engels, gemaakt door een volgeling van M. Sindsdien is "Max Havelaar" in 25 of
meer talen vertaald,
maar niet om de misstanden in Nederlandse kolonieën aan te vallen, maar
vanwege het fraaie proza.
[28] "En ik zal mij beroepen op wat er edelsch is in
de mensheid, en ik zal een kruistogt prediken tegen de gewapende kooplieden
die onder aanroeping van God, zich vetmesten met bloed!"
Rond 1875 hield M. op met schrijven voor publiek, en had niet veel geloof
meer in "wat er edelsch is in de mensheid",
althans waar het de grote meerderheid betreft.
[29] "Maar ik zal niet bezwijken. God wil, dat ik
leve. Hij zal mij toelaten Peter van Amiens te zijn of Coriolanus of Gracchus
of O C of Spartacus Tyntacus of Demostenes of Jeremia de boetgezant, al naar
wat hij noodig oordeelt."
Peter van Amiëns riep op tot de eerste kruistocht; Coriolanus die Rome kon
verwoesten deed dat niet uit vaderlandsliefde; Gracchus was een Romeinse
volkstribuun; Spartacus de leider van een slavenopstand in het Romeinse Rijk;
Demosthenes een democratisch volkstribuun in het oude Griekenland, en Jeremiah
staat in het Oude Testament.
Een interessante verwijzing in dit verband - M.'s zelfbegrip - is naar M.'s
brief uit 1851 aan z'n jeugdvriend Kruseman, te vinden in deel IX van de VW.
[30] "Overal wordt de knevelarij gesteund. Tegen de
individuen handhaaft hem de politie en waar en bloc wordt gekneveld en
geplunderd leent het Gouvernement zijne schepen, zijn vlag, zijn soldaten en
matrozen."
Ongetwijfeld - maar dan was van dat "Gouvernement"
toch geen rechtvaardigheid te verwachten?
[31] "En dit is nu mijn trots, mijn roem,
Excellentie, dat men aan mij heeft durven klagen. Ik was aangedaan toen men
mij zeide "het was wel altijd zoo, maar wij zwegen uit vrees. Thans spreken
wij omdat wij gelooven dat gij den wil en den moed hebt regvaardig te zijn".
Die betuiging is mijn adelbrief, dat is Grootkruis Excellentie!
En ik zou dat vertrouwen
beschaamd hebben? En ik zou die menschen nog vóór mijn vertrekt van hier
hebben overgeleverd, verraden?"
Eén kennelijke grond voor Dekker om ontslag te vragen was dat Duymaer van
Twist hem opgedragen had op 29 maart 1856: "met last om aan den Resident van
Bantam als nog al zoodanige openingen en mededelingen te doen, met betrekking
tot de door hem beweerde onregtmatige handelingen van het Inlandsch bestuur in
Lebak als waartoe hij in staat is".
[32] "En al verklaarde de
faculteit dat hij bezweek aan de geleerdste ziekte die ooit een grieksche naam
droeg - ik zeg dat hij vergeven is."
Hier betekent "vergeven": vergiftigd.
Twee redenen waarom M. dit meende is dat de - inlandse - vrouw van zijn
overleden voorganger dat meende, en dat er op Java tal van onbekende vergiften waren.
[33] "Zal Uwe Excellentie eerlang rusten gaan als
ware de arbeid getrouwelijk volbracht?
Zal Uwe Excellentie in Nederland met
zelfvoldoening neêrzien op den doorlopen werkkring in Indie, en meenen voldaan
te hebben aan de hooge roeping die U.E. werd opgelegd toen zij belast werd met
de zorg voor het welzijn van millioenen mede-menschen?
Zal Ze ignoreren of ontkennen dat er een traan
van wanhoop en bloed kleeft aan elk muntstuk dat overgeleverd werd van Indisch
tractement?"
Het antwoord is: Ja. Toch schijnt Duymaer van Twist, vergelijkenderwijs,
een verlicht Gouverneur Generaal te zijn geweest. Maar zie
[25].
[34] "Niemand heeft dezen brief gelezen. Niemand zal
dien lezen, voor het mij blijkt dat hij te vergeefs geschreven is."
Ik vind het een fraaie brief, die volstrekt duidelijk maakt dat M. geheel
serieus was met de "Max Havelaar" (als daar twijfel over mocht bestaan) -
én
een nogal wereldvreemde idealist was, althans toen hij de brief schreef. Voor
mijn gronden voor het laatste zie [4], [11] -
[15] en [25].