Welcome to the Multatuli  pages of Maarten Maartensz. See:  Help + Map + Tour + Tips + Notes + News + Home


 

Brief 9 april 1856                                      


De nu volgende lange brief van Eduard Douwes Dekker aan de Gouverneur-Generaal Duijmaer van Twist van Nederlands-Indi dateert van 9 april 1856 en is een aanvulling bij de zelfbeschrijving uit de "Max Havelaar" en bij de hele tekst van "Max Havelaar" - kennis waarvan voor goed begrip van wat volgt wenselijk maar niet nodig is.

De brief is in diverse opzichten helderder en feller dan de "Max Havelaar" en is meer dan drie jaar eerder geschreven dan dat boek, waar het overigens heel duidelijk, soms zelfs woordelijk, op vooruitgrijpt.

Waarschijnlijk vanwege de felheid is de brief nooit verzonden. Het origineel is in handen van de familie Douwes Dekker. Er staat een kopie in VW IX p. 604-617, die hieronder gevolgd wordt afgezien van een weglating die M. bedoelde weg te laten. Ook alineer ik door een lege regel, anders dan in de VW.

Wanneer de brief voor het eerst gepubliceerd is kan niet opgemaakt worden uit de VW en kon ik ook niet vinden in K. ter Laan's Multatuli-Encyclopedie, maar ik neem aan: Lang na M.'s dood.

Deze brief van 9 april 1856 kan beschouwd worden als een concept van een antwoord op de officile brief van Duijmaer van Twist d.d. 29 maart 1856, waarin Dekker werd berispt, o.a. in de termen "In Uwe bedoelde handelingen worden evenzeer gemist bezadigd overleg, beleid en voorzigtigheid, zo zeer vereischt in een' ambtenaar met uitvoering van gezag in de binnenlanden bekleed, als begrippen van ondergeschiktheid aan Uwen onmiddellijken superieur."

Op dezelfde dag als hij deze berisping ontving had Dekker ontslag genomen, met alleen de regels

"rekest
Ik heb de eer gehad te ontvangen het besluit van Uwe Excellentie dd 23 maart Jl N 34 en de Kabinetsmissive van dien datum no. 54.
Ik antwoord op die beide stukken zie ik mij genoodzaakt Uwe Excellentie te verzoeken mij te verleenen eervol ontslag uit 'slands  dienst.                                                           DD
"

Dit ontslag was hem verleend op 4 april van het jaar 1856. De nu volgende brief is van 5 dagen later, en werd nooit verzonden. Wat volgt is kennelijk het eerste en enige concept voor een brief.


R: Betoeng 9 april 1856
Aan Z:E: den Heere Duijmaer van Twist
Grootkruis, G:G:, etc. [1]

Excellentie!

Ik verzoek Uwe Excellentie dezen brief te lezen met al de aandacht die een belangrijke zaak verdient.

Ik verzoek Uwe Excellentie elk woord van mijn schrijven de volle waarde toetekennen; ik bedoel niet meer, ik bedoel vooral niet minder dan ik zeg.

Voor alles wat ik zeg ben ik verantwoordelijk - elke zinsnede is gewogen.

Ik zal schrijven zonder hartstogt maar ook zonder verschooning, - zonder studie maar zonder schroom - zonder jagt op effect maar ook zonder vrees voor effect.

Ik zal scherp zijn waar de waarheid scherp is, en waar ze triviaal is zal ik triviaal durven wezen.

Ik durf en kan en wil dit alles omdat ik mij sterk gevoel.

Ja, sterk, Excellentie; - belast met de zorg voor vrouw en kind, - zonder middel van bestaan, zonder vrienden. Zonder uitzigten, zonder geld zonder sympathie om mij heen, - zonder dat alles voel ik mij sterk. [2]

Want, Excellentie, ik ben bezield met de kracht van een eerlijk man die een zaak voorstaat.

Want ik heb mij zelven leeren kennen als waardig daarvan de held, of althans de martelaar te wezen.

Ik heb veel geleden. Ik geloof dat ik bestemd ben veel te handelen. Ik geloof dat ik eene roeping heb. Ik heb lust en moed die roeping te volgen, ik geloof dat God mij de kracht geven zal die te volbrengen. [3]

Ik vang aan met het schrijven van deze brief.

Ik geloof dat Uwe Excellentie, eenen hoogeren titel heeft dan van Gouverneur Generaal, ik geloof dat Uwe Excellentie eerlijk man is. [4]

Dat ben ik ook. Het is in die waardigheid dat ik mij wend tot Uwe Excellentie.

Het besluit en de Kabinetsmissive van Uwe Excellentie van 23 Maart JL No 34 & 54 zijn Uwer Excellentie onwaardig.

De gronden die men Uwe Excellentie mag hebben voorgelegd om die stukken te doen afgaan, zijn logenachtig.

Men heeft Uwe Excellentie misleid, zoo als dikwijls.

Zelfs weet ik waarom men Uwe Excellentie misleid heeft.

Ik wist vooruit dat men dit trachten zoude, en meer om Uwe Excellentie dan mij zelven te vrijwaren voor de gevolgen van dit bedrog bood ik afschrift aan der missive waarin ik verzocht "dat men mij zoude roepen ter verantwoording voor het geval dat men iets op mij zoude hebben aantemerken."

Wl bevreemdt het mij dat het bedrog is kunnen doorgaan!

Want, Excellentie, is niet Uwe aandacht gevallen op mijn stijl die den stempel draagt der waarheid? [5]

Heeft Uwe Excellentie niet in mijn schrijven gezien dat ik niet was een gewoon ambtenaar als de verslagschrijvers die ten toon worden gesteld (maar niet genoeg ten toon worden gesteld) in Uwer Excellentie's Kabinetsmissive van 26 Septr. 1853 No. 216?

Dragen niet mijne brieven van 24 & 25 en 28 februarij de kenmerken van beradenheid, van vastheid, van koele doorzetting? [6]

En drukte op dat alles niet het zegel van mijn rekest van den 29n Maart?

En bleek het Uwer Excellentie niet dat ik geen warhoofd was, geen windmaker, geen kwakzalver, geen "Indisch ambtenaar" toen ik na de ontvangst van Uwer Excellentie's beschikkingen van 23 maart niet reclameerde, niet pleitte, niet morde, maar eenvoudig deed wat ik op 28 februarij gezegd had?

Trof U niet de eenheid in mijn schrijven, het verband, de schakel, de consequentie?

Dacht Uwe Excellentie bij dat alles niet aan het Justum ac tenacem? Ik dacht er aan toen ik schreef.

O, misschien had Uwe Excellentie er aan gedacht, welligt hadde het U getroffen, als de Resident van Bantam overgelegd had een particulier briefje dat mijn schrijven van 25 februarij vergezelde en waarin ik kortelijk meedeelde "dat het al te erg was, dat het niet langer kon" en, volgt er: "wat mij betreft ik zal UWEDG. dwingen mij te achten. Ik zeg als Luther: hier sta ik, God helpe mij, ik kan niet anders!"

Want in dat briefje had Uwe Excellentie mij en neglig gezien, zonder de knelling van het misvormd keurslijf der ambtenaars-correspondentie. [7]

Doch na dat alle de bewijzen van waarheid en integriteit die uit mijn schrijven zelf te putten waren, voor de oogen van Uwe Excellentie waren weggegoocheld, hoe heeft men het aangelegd om Uwe Excellentie die een beroemd regtsgeleerde is te doen vergeten dat ook de "altera pars" had gehoord te worden?

De Kabinets missive van Uwe Excellentie bevat berispingen, betuiging van hooge ontevredenheid.

Die berisping is meer dan een gewone afkeuring - Uwe Excellentie wist - want ik had het gezegd - dat Uwe ontevredenheid een vonnis was dat mij en de mijnen aan broodsgebrek prijs gaf. [8]

Die berisping was eene waarschuwing tegen wie meenen zou zijn pligt te moeten doen.

Die berisping was eene sanctie der knevelarij. [9]

Bovendien, had ik - ten overvloede - naar ik meende - gevraagd om te worden gehoord - -

En toch, -toch heeft Uwe Excellentie die Kabinetsmissive en dat besluit kunnen teekenen.

Ik heb vele fouten, Excellentie, - ik heb een vurig gestel dat mij dikwerf ten booze drijft, ik heb vele inwendige vijanden die ik niet altijd overwon, - maar Excellentie, hoe laag ik zedelijk mij zelven stel, die Kabinetsmissive en dat besluit zou mijn geweten niet kunnen dragen.

Nog eens, men heeft Uwe Excellentie misleid. De berigten waarop Uw oordeel gegrond schijnt, zijn logenachtig. Ik kan dit bewijzen.

Ik kan bewijzen dat ik vriendelijk, zachtmoedig, hulpvaardig voor den regent geweest ben, zooals trouwens mijn aard is.

Ik kan bewijzen dat de Regent van Lebak op de vraag van den Resident van Bantam "of hij iets tegen mij had, of ik hem iets misdaan had" geantwoord heeft: "neen, volstrekt niet, Dat bezweer ik!".

Ik kan bewijzen dat de Resident van Bantam dien Regent weinige uren na het ontvangen van mijn brief van 25 februarij geld heeft gegeven.

Dat heeft een groote betekenis, - dat zweemt naar medepligtigheid!

Doch niet nu zal ik dit alles bewijzen. Ik schrijf geen pleidooi voor mij. Dit zal ik doen waar het later noodig blijken mogt. [10]

Ik heb Uwe Excellentie gezegd dat ik met het schrijven van deze brief aanvang de roeping te vervullen waaraan ik mij toewijd. Die roeping is: de millioenen mensen die gebukt gaan onder uitzuiging, afpersing, knevelarij, roof en moord, daarvan te verlossen. [11]

Ik zal die roeping volgen met of zonder Uwe Excellentie, met of zonder de volksvertegenwoordiging, met of zonder de Hollandsche natie of den Koning.

Wie mij daarin steunt reik ik de hand; wie mij daarin tegenwerkt is mijn vijand, zij hij Raad van Indi, Gouverneur Generaal, zij hij mijn broeder.

Ik houd Uwe Excellentie voor een braaf mensch - Ik bied Uwe Excellentie de hand aan.

In den regel wordt de Gouverneur Generaal die zonder ambtenaars ancienneteit, spontaan boven de Raden van Indi plaats neemt, door hen gehaat.

In den regel stellen zij den Hollandsche nieuweling guet apens. Dat deden zij in deze zaak.

En de plaatselijke besturen?

Een gedeelte van de gezagvoerders weet niets, ziet niets, begrijpt niets, denkt niets. Dat zijn welligt de besten. Hunne verantwoordelijkheid rust op wie ze benoemd heeft.

Een gedeelte weet wat er omgaat - maar -- men offert de rust en het geluk van duizenden op aan de begeerte van eigen gemak, en eigen rust; - men rekent uit wanneer de blijde termijn zal aanbreken die het pensioencijfer tot de gewenste rondheid zal vlmaken, - men droomt van rust voor zich in Nederland en loochent de onrust der arme bevolking in Indie - men zorgt voor periodieke staatjes en opgaven en schrijft leugenachtige verslagen van welvaart en tevredenheid, - men tourneert met min of meer redactie talent elke phrase om den G:G: niet te kwetsen, - men vermijdt als de pest elk initatief van verbetering dat niet van Z:E: is uitgegaan, - men "vreest het Gouvernement te bemoeijelijken",- men "schippert", men "houdt den boel gaande",- men schermt met een "geest van 't Gouvernement" die nergens beschreven staat, die uitgevonden is als panacee tegen elke verkeerdheid, elk misbruik; die elke lauwheid, elke veerkrachteloosheid wettigt; - die fermeteit en pligtsvervulling en vasthouden aan gezworen eeden tot een hors d'oeuvre maakt, en die aprs tout niet anders is dan der Heeren eigene geest van onzedelijke misdadige zelfzucht. [12]

De resident van Bantam durfde zich in een brief beklagen dat ik hem stoorde in zijn drokke bezigheden toen ik zijne hulp inriep en den regent aanklaagde.

Het zou belagchelijk wezen als het niet zo treurig was.

En eene derde cathegorie Excellentie? - Het is verschrikkelijk - maar ik heb mij beloofd de waarheid te zullen zeggen ook waar ze triviaal wordt - er zijn er die me knevelen die me stelen.

Zoo is het, Excellentie, dat zullen Uwe Raden van Indie noch Uwe Residenten U gezegd hebben maar dat kan, dat mag, dat moet ik U zeggen, ik die begon mij als offer te stellen voor de waarheid.

Niemand zal mij Indische ondervinding ontzeggen, noch die door lezen, behandeling van zaken, en nadenken verkregen wordt noch door de meer practische die een gevolg is van lijden, tobben, reizen en wrijving met de werkelijkheid, noch hoop ik de eenige ware die het resultaat is van dat alles bij n.

Welnu Excellentie, ik zeg het U, alm wordt schandelijk misbruik gemaakt van de bevolking, overal wordt ze gekneveld, uitgezogen, verdrukt en mishandeld. Overal gebeuren gruwelen. [13]

En het zijn Kabinetsmissives en besluiten als die van 23 maart die den eerlijken man moedeloos maken tenzij hij iets hoogers kenne dan de geodkeuring Uwer Excellentie.

En het is de politie met rotting en gevangenis, en het is de politiek met oorlogschepen, kruit, lood, brand en onnoodige heldendaden die den knevelaar steunen, terwijl de slagtoffers van ongepatenteerde zeeroof door het Gouvernement worden aanbevolen in de publieke liefdadigheid.

Dat schreit ten Hemel!

Van Houtman af tot Uwe Excellentie toe heeft het Nederlandsch bestuur in Indie zich gekenmerkt door lafhartigheid jegens sterken geweldenarij jegens zwakken door laagheid, hebzucht, trouwbreuk jegens allen! [14]

Wie 't betwijfelt leze de geschiedenis, hij bestudeere de oorzaken, de leiding, den uitslag onzer talrijke oorlogen en expedities. Hij leze Valentijn die de gruwelen vertelt en er naif de platen bijgeeft, hij beschouwe de schets waar een Hollandsch legerhoofd een' dapper doch verwonnen vijand den lans in den mond drukt met sarrende toespraak, - hoe hij hem de ledematen laat afkappen om hem langzaam te doen sterven, en vooral hij leze erbij hoe de Dienaar des Evangelies de vrome Valentijn op het verhaal dier gebeurtenissen volgen laat: dit was het al te zacht uiteinde van den man die der edele Compagnie zoo veel werks had verschaft. [15]

Wie 't betwijfelt, hij vrage waar de Bandanezen zijn gebleven?

Onze bondgenooten toen wij zwak waren, onze slaven toe wij sterk werden. Pizarro, Cortez en hunne opvolgers hebben Indianen overgelaten in Zuid Amerika, maar wat heeft Nederland met de Bandanezen gedaan? Er zijn geen Bandanezen meer. [16]

Wie 't betwijfelt hij onderzoeke de redenen van den laatsten opstand in Bantam hij telle de arme vooropgestuwde onnoozelen die neergesabeld zijn door hollandsch staal en neergeschoten met Hollaandsch lood.

Maar hij onderzoeke dan niet in de Archieven van Uwe Excellentie!

Wie 't betwijfelt hij ga naar de Molukken, en vrage wat er is geworden van de rijke streken wier specerijen zwaarder wogen in de schaal des oorlogs tegen Spanje dan het Perusche goud. Hij vrage wat er is geworden van de goedgemeende maar op lauwheid, onwil & ambtenaarsgeest verongelukte publicaties van den G.G. van der Cappellen in 1825.

Wie 't betwijfelt, hij denke na, hij vrage, hij onderzoeke hoe de Javasche oorlog ontstond, hoe ze gevoerd werd, ten wiens behoeve ze gevoerd werd, en hoe ze eindigde?

Of is 't niet door trouwbreuk dat Diepo Negoro is gevangen genomen? Was hem niet een vrijgeleide gegeven?

En nog onlangs - was niet het gevangen nemen van Ferdanie Mantrie te Palembang een verraad? [17]

Is voorts niet onder allen die den inlander anders kennen dan van papier, eene uitgemaakte daadzaak dat hij niet opstaat dan na lang te zijn gekneveld en mishandeld; hierop zijn geene uitzonderingen; waar opstand is, werd gekneveld, en wat kleur er moge worden gegeven aan de zaak, en hoe men - zij het dan voor Holland, zij het voor Europa, - zij het uit zedelijke schaamte voor zichzelven, - die bewimpele - wr blijft het dat er gekneveld was waar opstand is.

Eene expeditie naar Celebes ter beteugeling der oproerige onderdanen van Ternate - men noeme dat eene Bonische politiek - het is niet anders dan ondersteuning verleenen aan een knevelaar.

Men kent in den Molukschen archipel den Sultan van Ternate niet.

Die arme lieden weten op verre kusten niets van Ternate - Zij zijn verwonderd van eenen afgezant te hooren dat zij onderdanen zijn van Zijne Hoogheid wiens naam zij niet weten, van Zijne Hoogheid die zich niet anders openbaart dan door Zendelingen om geld en goed aftepersen, zich daarbij beroepende op versleten Documenten, waarin evenwel niets schijnt te staan van verschuldigde bescherming aan zulke problematieke onderdanen. Men betaalt en geeft zoolang men kan. En als men eindelijk weigert en mort dan wordt het regt des Sultans bewezen met Hollandsche expeditien, zijn roof wordt gedekt met de hollandsche vlag, - zijne hebzucht wordt bezegeld met Hollandsch bloed, - zijne schande wordt betaald met Hollands eer!

Zoo is het, Excellentie, waarachtig zoo is het.

Zoo is het met al die expeditien waar het heet "een wettigen Souverein te herstellen in zijn miskend gezag!" Die wettige Souvereinen zijn roovers.

Het is onwaar, - het is een ambtenarenpraatje dat de politiek eischen zoude zulk een quasi vorstelijken knevelaar te steunen.

Begrijpt Uwe Excellentie niet hoe bijv: een resident van Ternate zich meent te verheffen als hij het gewigt van hem ondergeschikte vorstjes op den voorgrond stelt? Ik heb een resident van Ternate met kinderachtige vreugde hooren uitroepen: "Als dat mijne moeder eens geweten had, dat ik twee Sultans zou bevelen!"

Begrijpt Uwe Excellentie niet dat kleine menschen zoo iets aardig vinden, zich daarbij groot achten, als het kind dat op de tafel klom? [18]

Begrijpt Uwe Excellentie niet dat die quasi magt van Inlandsche hoofden, die quasi invloed op de bevolking telkens aan U voor de oogen wordt gedraaid waar men Uwe aandacht wil afleiden van meer onaangename erkende waarheden?

En al ware het dat die roovers en menschenplagers magt hadden en invloed, - dan blijft nog de vraag of niet eene meer hooge, meer edele politiek de politiek van het regt wezen zou!

Maar het is zoo niet. Het is niet waar dat de bevolking bevreesd is of ontzag heeft voor den knevelaar. Het arme volk is bevreesd voor de bajonetten die het Gouvernement den knevelaar ter hulpe zendt.

Wie 't wer betwijfelt? Men verwijdere den regent en andere hoofden van Lebak, men doe rondgaan eene Circulaire dat het Gouvernement bij wijze van uitzondering in dit speciaal geval regt zal doen, dat men de klager niet straffen noch overleveren zal aan de bloedige rancune zijner verdrukkers, men bezegele dat, men bezwere dat, men

Doch neen, nog zou de bevolking niet klagen, ze zou zwijgen... want ze zou die belofte, dat zegel dien eed niet vertrouwen, - maar ze zou vragen of ik Dekker haar ditmaal instond voor de intgriteit des Gouvernements. [19]

En als ik dat doen durfde --

Dan zou ze opstaan als n man, en men zou zien wat er waar was van den invloed dier hoofden, verwant of niet verwant aan aanzienlijke geslachten van knevelaars als zij. Of meer nog. Men late die hoofden waar ze zijn, men verwijdere alle militaire magt men geve mij de bevoegdheid om uit mijn naam niet uit de gecompromitteerden naam van uwe Excellentie te verkondigen, dat er eindelijk regt zal geschieden, en men wachte af, of niet de ongelukkige gesarde bevolking ze verscheuren zal als schadelijk gedierte die invloedrijke hoofden.

De inlander is regtvaardig, Excellentie! De inlander verzet zich niet, zonder regt te hebben, uit mijne ondervinding zou ik voorbeelden kunnen aanhalen hoe ik opstanden dempte ongewapend, alleen met een korte toespraak, waar de Generaal Michiels met bajonetten op weg was. Hij kwam te laat en beet op de lip, omdat ik hem een paar armzalige heldendaden had weggegrist.

Ik zou kunnen verhalen [20] hoe ik onverwachts in nachtkleed verscheen temidden eener troep boeginezen, die verbitterd waren tegen de bevolking en oprukten om den plaats uit te moorden, en ze met een oppasser gevangen nam en ongebonden naar de gevangenis zond, - hoe ik de aanvoerder, die van bloed droop, terugriep en hem gelastte uit de slokkan mijn schoen terug te zoeken, dien ik in de haast verloren had, en hoe hij het terstond deed op mijn gezegde: "want is het niet onregtvaardig dat ik mijn schoenen moet verliezen, omdat gij goedvindt ongeregeldheden te plegen buiten kantoortijd?"

Ik zou kunnen aanvoeren hoe ik een Sumatraan die meende ten onregte door mij gestraft te zijn en mij daarom wilde vermoorden, ongewapend tegen trad en hem berispte dat hij niet eerst zijn grieve had blootgelegd, hoe ik hem uitlegde dat hij onregt deed, hoe hij zijn klewang weg wierp, aan mijn voeten viel en mij later als staljongen getrouw diende -

Ik zou kunnen verhalen hoe trouw mij inlanders aankleefden toen ik op Padang hongerde [21] - hoe zij mij voeden wilden van hunnen arbeid hoe ze mee wilden sterven als ik hunnen hulp weigerde, en hoe ze de kracht hadden slechts weinige dagen korter te hongeren dan ik - En hoe bij eene schopbreuk, toen ik in de branding op een klip stond met inlandsche volgelingen, eene bezwijkende vrouw haren man toeriep Eerst uw heer, Castor, eerst uw heer, en dan de kinderen!

Ziet Uwe Excellentie het in dat er een ander Indi bestaat dan op de papieren der Secretarie die men ook in den Haag of in het geheel niet zou kunnen lezen zonder schade voor wetenschap wijsheid of waarheid?

Gevoelt Uwe Excellentie dat ik hoogere regten heb dan op ambt of een kruis, dat ik regt heb de apostel dier armen van geest te zijn? [22]

Beseft Uwe Excellentie dat mijn rekest om ontslag was een rekest om promotie, en dat mijne vrouw gelijk had toen ze mij om den hals viel bij het lezen van uw ontslag besluit en uitriep: "goddank, dat ge eindelijk u zelf wilt zijn!" [23]

En toch grijnst haar de honger aan, en ze weet niet hoe ze haar afgebeden kind voeden zal als de weinige guldens die mij resteren, zullen verteerd zijn. [24]

O, ik bid u,  laat het geen bede schijnen om hulp wat ik schrijf, - 't is een uitroep van trots. Ik vraag Uwe Excellentie niets voor mij. Ik vraag geregtigheid voor de vertrapte menschheid! [25]

En dat zal ik blijven vragen zoo lang ik adem heb, - ik zal het uitroepen aan de hoeken der straten, ik zal het den Koning zeggen als ik hem wijs op de juwelen zijner kroon en aan Holland als ik wijs op zijne kapitalen: die juwelen zijn gestolen, die kapitalen zijn geroofd, uwe welvaart is een diefstal en uw batig slot is een boom die zijn wortels heeft in een moeras van ongeregtigheid! [26]

En als het niet baat?

Ik zal alle talen van Europa leren om het in vers te brengen, opdat de moeders voorzingen aan hunne kinderen: daar ligt een roofstaat aan zee tussschen oostfriesland en de schelde. [27]

En ik zal mij beroepen op wat er edelsch is in de mensheid, en ik zal een kruistogt prediken tegen de gewapende kooplieden die onder aanroeping van God, zich vetmesten met bloed! [28]

En als ik bezwijk, dan laat ik een zoon na!

En na of met hem de kinderen mijns broeders.

Die zijn van mijn geslacht.

Dat zullen de machabeen zijn.

Maar ik zal niet bezwijken. God wil, dat ik leve. Hij zal mij toelaten Peter van Amiens te zijn of Coriolanus of Gracchus of O C of Spartacus Tyntacus of Demostenes of Jeremia de boetgezant, al naar wat hij noodig oordeelt. [29]

Maar liever dan alles wenschte ik te blijven wat ik ben een eenvoudig mensch die zich en de zijnen voedt met het brood zijns bescheiden deels.

Overal wordt de knevelarij gesteund. Tegen de individuen handhaaft hem de politie en waar en bloc wordt gekneveld en geplunderd leent het Gouvernement zijne schepen, zijn vlag, zijn soldaten en matrozen. [30]

Die expeditie van Celebes ten behoeve des Sultans van Ternate, of ten behoeve eener kleine, bekrompen politiek, is onregtvaardig. De Sultan van Ternate is een knevelaar!

Die expeditie in Bantam is onregtvaardig. De bevolking was ten einde raad door de verdrukking. Men heeft Uwe Excellentie de ware reden niet opgegeven. De rapporten daarover zijn leugenachtig.

En dat ze niet klaagde?

O, Excellentie, - nu en dan durft een enkele klagen, schoorvoetende en ongezien, als ware het een misdaad, - de klager voelt dat hij "excentriek" is, dat hij buiten den regel gaat, - hij vraagt verschooning - hij kust de voeten van het gezag - hij noemt zich een slecht, verworpen mens en waarom, waarom -

Hij heeft geen vertrouwen op het Gouvernement, gerepresenteerd als het is door gezaghebbers als ik beschreef.

Want hij wist het, de klager, dat hij gevaar loopt en niet de knevelaar - En hij heeft regt tot die meening, - ook ik zoude als inlander geen buffel durven wervragen die mij ontnomen was door mijn kamponghoofd, door mijn regent, en de gevolgen hebben zelf geleerd dat ik onwetend een heldendaad deed toen ik mijn brief schreef van 24 februarij!

En dit is nu mijn trots, mijn roem, Excellentie, dat men aan mij heeft durven klagen. Ik was aangedaan toen men mij zeide "het was wel altijd zoo, maar wij zwegen uit vrees. Thans spreken wij omdat wij gelooven dat gij den wil en den moed hebt regvaardig te zijn". Die betuiging is mijn adelbrief, dat is Grootkruis Excellentie!

En ik zou dat vertrouwen beschaamd hebben? En ik zou die menschen nog vr mijn vertrekt van hier hebben overgeleverd, verraden? [31]

Laat mij gelooven dat Uwe Excellentie niet wist wat ze deed toen Zij daartoe last gaf!

Zag Uwe Excellentie ooit lijken de rivier afdrijven, blaauw, gezwollen, afzigtelijk ontzettend; - dat zijn de boodschappen die het binnenland naar de kusten zendt - dat is de correspondentie tusschen de haaijen in de bosschen met de haaijen in de zee. Dat zijn de klagers, lijken der klagers, Excellentie!

In staat bewijzen te leveren? - want er is iets als twijfel in de phrase die mij verraad voorschrijft - duizenden, Excellentie, meer bewijzen, meer getuigen dan ooit in eene zaak gehoord zijn, meer dan een regter hooren, meer dan een griffier beschrijven kan: de geheele bevolking van de afdeeling Lebak.

Bewijzen, getuigen indedaad ik geloof niet dat het uE. aangenaam wezen zoude ze te horen en te zien, gewapend, bij duizenden, in het park van uw paleis.

En het is elders niet beter! Mijn voorganger, die met bekrompen vermogens het goede wilde, had den laatste dag van 1855 bepaald als het tijdstip waarop hij doen wilde wat ik den 24 februarij 1856 gedaan heb. Hij had met den heer Brest van Kempen geconfereerd en overlegd en is niet geslaagd op die wijs.

Tot ultimo van het jaar was zijn ultimatum van schipperen.

Onverwacht werd hij ziek en stierf. - Hij is vergeven!

En al zou geen geneesheer een spoor vinden van dat vergif in het opgegraven lijk, ik zeg dat hij vergeven is.

En al verklaarde de faculteit dat hij bezweek aan de geleerdste ziekte die ooit een grieksche naam droeg - ik zeg dat hij vergeven is. [32]

Dat is usance!

Dat wist Uwe Excellentie niet en meer van wat ik schreef; misschien zou ik als Ronge moeten zeggen: "dat had Uwe Excellentie moeten weten" maar thans nu Uwe Excellentie het weet, nu er een man is opgestaan die iets anders beoogt dan een ambt of eene plaats in de Haagsche oppositie, nu iemand de moed heeft als Nathan tot David te gaan en te zeggen "gij zijt die man onder wiens bestuur dit alles plaats had, gij zijt daarvoor verantwoordelijk" zal Uwe Excellentie voortgaan te steunen op de berigten Uwer Residenten? Zal Uwe Excellentie blijven berusten in de gekunstelde "Kommiesnota's van toelichting" Uwer Secretarie, in de adviezen van Uwen Raad van Indie?

Zal Uwe Excellentie eerlang rusten gaan als ware de arbeid getrouwelijk volbracht?

Zal Uwe Excellentie in Nederland met zelfvoldoening nerzien op den doorlopen werkkring in Indie, en meenen voldaan te hebben aan de hooge roeping die U.E. werd opgelegd toen zij belast werd met de zorg voor het welzijn van millioenen mede-menschen?

Zal Ze ignoreren of ontkennen dat er een traan van wanhoop en bloed kleeft aan elk muntstuk dat overgeleverd werd van Indisch tractement? [33]

Dat alles ware mogelijk vr Uwe Excellentie dezen brief las.

Maar nu - Ik heb Uwe Excellentie de hand geboden.

Het staat aan Uwe Excellentie die aantenemen.

Het staat aan T:E: om veel te herstellen, en althans een treffend bewijs te geven dat waar U:E: vroeger mogt gedwaald te hebben zulks niet Uwe schuld was maar van de ingewortelde ambtenaarsgeest in N.I. waardoor Uwe Excell: vedrogen is.

Wat mij aangaat is het mij om rang, ambt noch geld te doen.

Eene captatio benevolentiae is deze brief niet - ik vraag de gelegenheid om iets goeds te verrigten.

Wijst Uwe Excellentie dat aanbod van de hand ik zal weten wat ik te doen heb.

Niemand heeft dezen brief gelezen. Niemand zal dien lezen, voor het mij blijkt dat hij te vergeefs geschreven is. [34]

Ik heb de eer te zijn van UE.                                             de Dw Dr

DD                                             


[1] "R: Betoeng 9 april 1856
Aan Z:E: den Heere Duijmaer van Twist
Grootkruis, G:G:, etc.
"

De plaats heette voluit "Rangkas Betoeng" en Duijmaer van Twist was geen drager van een "Grootkruis" maar wel van andere Nederlandse ridderordes.


[2] "Ja, sterk, Excellentie; - belast met de zorg voor vrouw en kind, - zonder middel van bestaan, zonder vrienden. Zonder uitzigten, zonder geld zonder sympathie om mij heen, - zonder dat alles voel ik mij sterk."

M. klaagde later vaak op deze wijze, met aanzienlijk meer recht dan op dit moment. Hoe het zij: Het is aannemelijk dat ls M. in Nederlands-Indi was gebleven hij, eventueel met hulp van zijn familie, op termijn en met enig beleid wel een bestaan zou hebben kunnen opbouwen. Maar zo ging het niet, en deze brief maakt m.i. duidelijker dan de "Max Havelaar" - immers een roman! - hoezeer M. verschilde van anderen, zodat het aanleggen van een maat die wel past op nderen niet op hem past.


[3] "Ik heb veel geleden. Ik geloof dat ik bestemd ben veel te handelen. Ik geloof dat ik eene roeping heb. Ik heb lust en moed die roeping te volgen, ik geloof dat God mij de kracht geven zal die te volbrengen."

Merk op dat hier al sprake is van Multatuli's alias, in het Nederlands. De roeping waarvan hij spreekt was die van een Napoleon van zedelijkheid (M.'s eigen term bij gelegenheid), van verlicht despoot: Iemand die door zijn grote kwaliteiten in staat was op te treden als een groot maatschappelijk hervormer. Zie ook [29].


[4] "Ik geloof dat Uwe Excellentie, eenen hoogeren titel heeft dan van Gouverneur Generaal, ik geloof dat Uwe Excellentie eerlijk man is."

De lezer heeft ongetwijfeld al begrepen dat Multatuli's in deze brief gebruikte manier om zijn zaak te bepleiten - als ondertussen, weliswaar eervol, ontslagen ambtenaar! - eigenlijk alleen geschikt was om een ndere Multatuli te overtuigen, en dat Gouverneur-Generaal Duijmaer van Twist niet zo iemand was, en in zijn positie ook niet kon zijn.

Ik zal opmerkingen als deze - waarvan er nogal wat te maken zouden zijn - verder overlaten aan de lezer, maar wil deze niet in het ongewisse laten over mijn eigen inschatting van "de zaak Lebak", in de context waarvan de hier geciteerde concept- brief geschreven is.

Over de zaak Lebak moet ik oordelen op basis van het overleverde materiaal, dat anno 2003 voornamelijk bestaat uit de in de delen 8 t/m 25 van de VW bijeengebrachte documentatie; de "Max Havelaar" inclusief Multatuli's eigen aantekeningen daarbij uit 1875; literatuur over Multatuli (waarvan W.F. Hermans' biografie mij het zinnigst voorkomt) en zonder enige bijzondere relevante kennis van Nederlands-Indi of Indonesi mijnerszijds, want ik ben daar nooit geweest en las er buiten materiaal samenhangend met M. weinig over.

Met die voor- en nadelen is mijn oordeel dat Multatuli zich als ambtenaar overwegend vergiste in de zaak Lebak. Hij had weliswaar groot gelijk als mens over de knevelarij en uitbuiting van de inlander en over zijn morele en juridische plicht daartegen op te treden - maar de weg die hij koos kon niet getolereerd kon worden van een Nederlands ambtenaar door zijn superieuren. Anders gezegd: Hij probeerde zich als uitstekend mens te gedragen in een functie waar geen plaats was voor uitstekende mensen.

Gezien M.'s eigen meningen, zoals bijzonder duidelijk uiteengezet in de onderhavige brief, en gezien de feitelijke rol van en personen betrokken bij het Nederlands bestuur in Indi, was het dus nauwelijks verbazend dat hij geen gehoor vond bij zijn superieuren en zich gedwongen zag eervol ontslag te vragen. (Zie [31]).

Wat had hij, gezien zijn meningen, dn kunnen doen in zijn positie als assistent-resident?

Nu, het was logisch mogelijk geweest voor Douwes Dekker het nog zo'n 3 jaar uit te zingen als Nederlands koloniaal ambtenaar en dan vanwege 20-jarig dienstverband gepensioneerd te worden. Hij was dan rond de 40 geweest, naar men mag aannemen even geniaal, en was in staat geweest de Nederlandse koloniale misstanden met de pen of anderszins te bestrijden zoals hem doelmatig zou verschijnen, daarin dan gesteund door een uitstekend pensioen, met 20 jaar recht van spreken en schrijven, en zonder in serieus conflict te zijn geraakt met het Nederlands bestuur in Indi.

Maar wat logisch mogelijk is, is lang niet altijd karakterologisch mogelijk. Toch - al is het zinloos napraten - lijkt het mij dat M. zich in de zaak Lebak liet meeslepen door z'n temperament en goede bedoelingen, omdat hij toch al minstens 15 jaar meende als Nederlands ambtenaar werktuig van een verrot uitbuitingssysteem te zijn, dat op zeer grote schaal en sinds zeer lange tijd veel kwaad deed en gedaan had.


[5] "Want, Excellentie, is niet Uwe aandacht gevallen op mijn stijl die den stempel draagt der waarheid?"

Ik betwijfel het zeer - en als M. in ambtelijke of bestuurlijke kringen opviel door z'n proza-stijl dan niet omdat deze "den stempel draagt der waarheid". Wl is het waar dat M. opviel in Nederlands-Indi, niet alleen door z'n stijl van proza, maar als "excentriek", zoals ongetwijfeld ook waar was.


[6] "Dragen niet mijne brieven van 24 & 25 en 28 februarij de kenmerken van beradenheid, van vastheid, van koele doorzetting? "

Niet volgens Gouverneur Generaal Duymaer van Twist. Deze had hem immers 29 maart van dat jaar geschreven: "In Uwe bedoelde handelingen worden evenzeer gemist bezadigd overleg, beleid en voorzigtigheid, zo zeer vereischt in een' ambtenaar met uitvoering van gezag in de binnenlanden bekleed, als begrippen van ondergeschiktheid aan Uwen onmiddellijken superieur."


[7] "Want in dat briefje had Uwe Excellentie mij en neglig gezien, zonder de knelling van het misvormd keurslijf der ambtenaars-correspondentie."

M. mocht later graag dergelijke bewijzen van z'n eigen of z'n vrouws voortreffelijke menselijkheid geven, dat zou blijken uit spontaan geschreven briefjes. Wat hij hier evident over het hoofd ziet is dat het onder ambtenaren juist als deugd geldt niet af te wijken van de doorsnee en geen bijzonder mens te zijn.


[8] "Die berisping is meer dan een gewone afkeuring - Uwe Excellentie wist - want ik had het gezegd - dat Uwe ontevredenheid een vonnis was dat mij en de mijnen aan broodsgebrek prijs gaf."

Ja, maar daar had Duymaer van Twist weinig mee te maken. Bovendien had hij met recht kunnen tegenwerpen dat het voor een begaafde eervol ontslagen Nederlandse ambtenaar in Indi niet bijzonder moeilijk kon zijn zichzelf zus of zo behoorlijk in 't leven te houden. Tenslotte gingen de meeste Nederlanders naar Indi in de hoop daar snel rijk te worden, en een aanzienlijk percentage slaagde daar ook in.


[9] "Die berisping was eene waarschuwing tegen wie meenen zou zijn pligt te moeten doen.
Die berisping was eene sanctie der knevelarij.
"

Hier is ongetwijfeld iets van waar, omdat de beslissing van Duymaer van Twist zeker niet uitgelegd kon worden als steun aan n van de weinige ambtenaren die zich werkelijk verzette tegen deze knevelarij, bovendien uit naam van de wet en de ambtseed.

De vraag is echter: Welk percentage van de toenmalige Nederlandse ambtenaren in Indi had een standpunt dat ook maar enigermate in de buurt van dat van Dekker lag? Het antwoord moet zijn: Een hl klein percentage. (Zie de rest van de brief en mijn commentaren.)


[10] "Doch niet nu zal ik dit alles bewijzen. Ik schrijf geen pleidooi voor mij. Dit zal ik doen waar het later noodig blijken mogt."

In 1858 schreef M. opnieuw aan Duymaer van Twist, die niet antwoordde. Daarna kwam de "Max Havelaar". Duymaer van Twist stierf in hetzelfde jaar als Multatuli (1887) en heeft vele zeer scherpe zeer goed geformuleerde publieke verwijten van M. gekregen, waartegen hij zich nooit publiek verweerd heeft.


[11] "Ik heb Uwe Excellentie gezegd dat ik met het schrijven van deze brief aanvang de roeping te vervullen waaraan ik mij toewijd. Die roeping is: de millioenen mensen die gebukt gaan onder uitzuiging, afpersing, knevelarij, roof en moord, daarvan te verlossen. "

Dit schijnt M. bewogen te hebben sinds 1843, en de brief van 9 april 1856 is een zeer welsprekend getuigenis dat hij dit bijzonder serieus meende, en lang had nagedacht over zijn rol als Nederlands ambtenaar.


[12] "..en die aprs tout niet anders is dan der Heeren eigene geest van onzedelijke misdadige zelfzucht. "

Ja, ongetwijfeld - maar dat ws "de geest der Indische ambtenaren" en dat ws het motief voor Nederlanders om in Indi te zijn: "zelfzucht", hebzuchtig egosme.


[13] "Welnu Excellentie, ik zeg het U, alm wordt schandelijk misbruik gemaakt van de bevolking, overal wordt ze gekneveld, uitgezogen, verdrukt en mishandeld. Overal gebeuren gruwelen. "

Ja, ongetwijfeld, en sinds eeuwen. Maar opnieuw: Dat ws sinds eeuwen  geheel in "de geest der Indische ambtenaren". En dat - schandelijk misbruik (..) van de bevolking - ws sinds eeuwen HET motief voor Nederlanders om in Indi te willen zijn, hl weinigen uitgezonderd: Fortuinmaken middels deelname in de koloniale exploitatie van de inlandse bevolking. Indi was een Nederlands wingewest, en was dat sinds eeuwen.


[14] "Van Houtman af tot Uwe Excellentie toe heeft het Nederlandsch bestuur in Indie zich gekenmerkt door lafhartigheid jegens sterken geweldenarij jegens zwakken door laagheid, hebzucht, trouwbreuk jegens allen!"

Houtman ontsloot Indi voor de VOC en stierf in 1599. "Van Houtman af" is dus: sinds 1600 - eeuw, na eeuw, na eeuw van Nederlandse "laagheid, hebzucht, trouwbreuk jegens allen" met als doel "schandelijk misbruik" in dienst van geheel Nederlandse "onzedelijke misdadige zelfzucht" met als onvermijdbaar gevolg dat "de bevolking, overal wordt (..) gekneveld, uitgezogen, verdrukt en mishandeld. Overal gebeuren gruwelen."


[15] "Wie 't betwijfelt leze de geschiedenis, hij bestudeere de oorzaken, de leiding, den uitslag onzer talrijke oorlogen en expedities. Hij leze Valentijn die de gruwelen vertelt en er naif de platen bijgeeft, hij beschouwe de schets waar een Hollandsch legerhoofd een' dapper doch verwonnen vijand den lans in den mond drukt met sarrende toespraak, - hoe hij hem de ledematen laat afkappen om hem langzaam te doen sterven, en vooral hij leze erbij hoe de Dienaar des Evangelies de vrome Valentijn op het verhaal dier gebeurtenissen volgen laat: dit was het al te zacht uiteinde van den man die der edele Compagnie zoo veel werks had verschaft."

Dit is een goed voorbeeld waarom er eeuwen lang op de gulden stond wat nu op de Neerlandse Euro staat: "God zij met ons".


[16] "Onze bondgenooten toen wij zwak waren, onze slaven toe wij sterk werden. Pizarro, Cortez en hunne opvolgers hebben Indianen overgelaten in Zuid Amerika, maar wat heeft Nederland met de Bandanezen gedaan? Er zijn geen Bandanezen meer."

Die werden namelijk in 1627 allemaal uitgemoord in opdracht van Jan Pietersz. Coen. (Over wie ik nog op school leerde dat het "een groot man" was, en een bijzonder goed Nederlander.)


[17] "Of is 't niet door trouwbreuk dat Diepo Negoro is gevangen genomen? Was hem niet een vrijgeleide gegeven?
En nog onlangs - was niet het gevangen nemen van Ferdanie Mantrie te Palembang een verraad?
"

Lafhartig verraad lijkt typisch Neerlandse krijgstaktiek, toen, en later rond Srebrenica. (Beloof een "Safe Haven" - en verraad dat onder het gelijktijdig betuigen van je eigen morele voortreffelijkheid n "There are no good guys. There are no bad guys. Mladic is my colleague." Resultaat: 7000 vermoorde burgers, gevlucht naar een als door Nederlandse militairen zogenaamde gegarandeerde "Safe Haven" vermomde val.)


[18] "Begrijpt Uwe Excellentie niet dat kleine menschen zoo iets aardig vinden, zich daarbij groot achten, als het kind dat op de tafel klom?"

Natuurlijk begreep hij dat - en hij begreep vrijwel zeker een stuk bter dan Multatuli dat de zeer grote meerderheid van zijn ondergeschikten zo was.


[19] "Doch neen, nog zou de bevolking niet klagen, ze zou zwijgen... want ze zou die belofte, dat zegel dien eed niet vertrouwen, - maar ze zou vragen of ik Dekker haar ditmaal instond voor de intgriteit des Gouvernements."

Ik betwijfel het zeer. Wat ik wl geloof is dat Dekker opvallend afwijkend genoeg was om sommige leden van de bevolking vertrouwen in te boezemen en om bij hem te klagen snel nadat hij assistent-resident was geworden. En verder behoort de lezer zich hier te realiseren dat Dekker in totaal 87 dagen in Lebak is geweest, dus om te beginnen nauwelijks de tijd had gehad het vertrouwen van "de bevolking" te verdienen.


[20] "Ik zou kunnen verhalen..."

Ik neem aan dat deze verhalen veel meer waar zijn dan niet. En reden voor mijn aanname is dat  (hoewel deze brief nooit verzonden is) M. moest rekenen met mogelijke controle van zijn beweringen. En ongetwijfeld was het bestaan dat hij geleid had als bestuursambtenaar in Nederlands Indi avontuurlijk.


[21] "Ik zou kunnen verhalen hoe trouw mij inlanders aankleefden toen ik op Padang hongerde "

Maar ls er dan zoveel "inlanders" waren die hem "trouw" waren, waarom moest hij dan "hongeren" op "Padang"? Het is waar dat M. in deze tijd grote moeilijkheden had omdat hij zonder behoud van salaris gesuspendeerd was (wegens een kastekort ontstaan onder zijn verantwoordelijkheid) en dat hij samenleefde met een inlandse die hij "Si Oepi Keteh" of "Clio" noemde,  die de dochter van een lokaal dorpshoofd was. Ze komt ook kort maar naamloos voor in "Max Havelaar". Helaas is er erg weinig van haar bekend. (Voor wie zich nu zorgen mocht maken over moraal of zedelijkheid: In Ter Laan's Multatuli Encyclopedie wordt uiteengezet dat het onder Nederlandse ambtenaren, allen voortreffelijk fatsoenlijke vaderlanders, geheel gebruikelijk was inlandse bijzitten te hebben n dat in dt geval dit niet opging: Si Oepi had verkozen met Dekker samen te leven, wat volgens de normen van haar cultuur geheel normaal was.)


[22] "Gevoelt Uwe Excellentie dat ik hoogere regten heb dan op ambt of een kruis, dat ik regt heb de apostel dier armen van geest te zijn? "

M. meende dit ongetwijfeld (zie ook [29]), en ik selecteer het hier niet vanwege M.'s zelfbeleden apostelschap maar vanwege zijn nogal Multatuliaanse grond daarvoor: "apostel dier armen van geest". M. had een hoge dunk van zijn eigen vermogens - wat ik begrijp en waar ik mee instem, behalve dat ikzelf het nogal vreemd vind "armen van geest" de weg te willen wijzen naar grote maatschappelijke en morele hervormingen.


[23] "Beseft Uwe Excellentie dat mijn rekest om ontslag was een rekest om promotie, en dat mijne vrouw gelijk had toen ze mij om den hals viel bij het lezen van uw ontslag besluit en uitriep: "goddank, dat ge eindelijk u zelf wilt zijn!" "

Dit zal ook waar gebeurd zijn. Merk ook op dat M.'s Tine toen en daar kennelijk niet zo bang was voor "broodsgebrek".


[24] "En toch grijnst haar de honger aan, en ze weet niet hoe ze haar afgebeden kind voeden zal als de weinige guldens die mij resteren, zullen verteerd zijn."

Zie [2], [8] en [23]. Bovendien zou Duymaer van Twist hier enig logisch recht hebben gehad tegen te werpen dat wie zichzelf als apostel ziet niet moet klagen over daarvan te wachten broodsgebrek: Dat is toch wel het minste wat een beetje apostel mag verwachten en moet kunnen doorstaan.


[25] "O, ik bid u,  laat het geen bede schijnen om hulp wat ik schrijf, - 't is een uitroep van trots. Ik vraag Uwe Excellentie niets voor mij. Ik vraag geregtigheid voor de vertrapte menschheid! "

Dit was ongetwijfeld nobel n geheel gemeend. Toch is het gerechtvaardigd hier te vragen, bijvoorbeeld in verband met "Van Houtman af tot Uwe Excellentie toe heeft het Nederlandsch bestuur in Indie zich gekenmerkt door lafhartigheid jegens sterken geweldenarij jegens zwakken door laagheid, hebzucht, trouwbreuk jegens allen!" ([14]) waarom deze "vraag" naar "geregtigheid voor de vertrapte menschheid!"  ook maar enigermate kon rekenen op een positief antwoord - en dan bovendien van de man die feitelijk het hoofd was van dat zo lafhartige en gewelddadige, lage, hebzuchtige en trouweloze "Nederlandsch bestuur"?


[26] "En dat zal ik blijven vragen zoo lang ik adem heb, - ik zal het uitroepen aan de hoeken der straten, ik zal het den Koning zeggen als ik hem wijs op de juwelen zijner kroon en aan Holland als ik wijs op zijne kapitalen: die juwelen zijn gestolen, die kapitalen zijn geroofd, uwe welvaart is een diefstal en uw batig slot is een boom die zijn wortels heeft in een moeras van ongeregtigheid! "

Dit deed M. dan ook aan het eind van de "Max Havelaar".


[27] "Ik zal alle talen van Europa leren om het in vers te brengen, opdat de moeders voorzingen aan hunne kinderen: daar ligt een roofstaat aan zee tussschen oostfriesland en de schelde."

De uitroep "daar ligt een roofstaat aan zee tussschen oostfriesland en de schelde" - tegenwoordig: daar ligt een drugsstaat aan zee tussschen oostfriesland en de schelde, waar gruwelijk incompetent bestuur en zwaar corrupte ambtenarij jaarlijks mafiosi vele miljarden helpen verdienen met illegale drugshandel, alles met instemming van de bevolking - dateert dus ook al uit 1856 of eerder.

Overigens gebeurde dat vertalen niet. Bij Multatuli's leven was er welgeteld n behoorlijke vertaling van de "Max Havelaar", namelijk in het Engels, gemaakt door een volgeling van M. Sindsdien is "Max Havelaar" in 25 of meer talen vertaald, maar niet om de misstanden in Nederlandse kolonien aan te vallen, maar vanwege het fraaie proza.


[28] "En ik zal mij beroepen op wat er edelsch is in de mensheid, en ik zal een kruistogt prediken tegen de gewapende kooplieden die onder aanroeping van God, zich vetmesten met bloed!"

Rond 1875 hield M. op met schrijven voor publiek, en had niet veel geloof meer in "wat er edelsch is in de mensheid", althans waar het de grote meerderheid betreft.


[29] "Maar ik zal niet bezwijken. God wil, dat ik leve. Hij zal mij toelaten Peter van Amiens te zijn of Coriolanus of Gracchus of O C of Spartacus Tyntacus of Demostenes of Jeremia de boetgezant, al naar wat hij noodig oordeelt."

Peter van Amins riep op tot de eerste kruistocht; Coriolanus die Rome kon verwoesten deed dat niet uit vaderlandsliefde; Gracchus was een Romeinse volkstribuun; Spartacus de leider van een slavenopstand in het Romeinse Rijk; Demosthenes een democratisch volkstribuun in het oude Griekenland, en Jeremiah staat in het Oude Testament. 

Een interessante verwijzing in dit verband - M.'s zelfbegrip - is naar M.'s brief uit 1851 aan z'n jeugdvriend Kruseman, te vinden in deel IX van de VW.


[30] "Overal wordt de knevelarij gesteund. Tegen de individuen handhaaft hem de politie en waar en bloc wordt gekneveld en geplunderd leent het Gouvernement zijne schepen, zijn vlag, zijn soldaten en matrozen."

Ongetwijfeld - maar dan was van dat "Gouvernement" toch geen rechtvaardigheid te verwachten?


[31] "En dit is nu mijn trots, mijn roem, Excellentie, dat men aan mij heeft durven klagen. Ik was aangedaan toen men mij zeide "het was wel altijd zoo, maar wij zwegen uit vrees. Thans spreken wij omdat wij gelooven dat gij den wil en den moed hebt regvaardig te zijn". Die betuiging is mijn adelbrief, dat is Grootkruis Excellentie!

En ik zou dat vertrouwen beschaamd hebben? En ik zou die menschen nog vr mijn vertrekt van hier hebben overgeleverd, verraden?"

En kennelijke grond voor Dekker om ontslag te vragen was dat Duymaer van Twist hem opgedragen had op 29 maart 1856: "met last om aan den Resident van Bantam als nog al zoodanige openingen en mededelingen te doen, met betrekking tot de door hem beweerde onregtmatige handelingen van het Inlandsch bestuur in Lebak als waartoe hij in staat is".


[32] "En al verklaarde de faculteit dat hij bezweek aan de geleerdste ziekte die ooit een grieksche naam droeg - ik zeg dat hij vergeven is."

Hier betekent "vergeven": vergiftigd. Twee redenen waarom M. dit meende is dat de - inlandse - vrouw van zijn overleden voorganger dat meende, en dat er op Java tal van onbekende vergiften waren.


[33] "Zal Uwe Excellentie eerlang rusten gaan als ware de arbeid getrouwelijk volbracht?

Zal Uwe Excellentie in Nederland met zelfvoldoening nerzien op den doorlopen werkkring in Indie, en meenen voldaan te hebben aan de hooge roeping die U.E. werd opgelegd toen zij belast werd met de zorg voor het welzijn van millioenen mede-menschen?

Zal Ze ignoreren of ontkennen dat er een traan van wanhoop en bloed kleeft aan elk muntstuk dat overgeleverd werd van Indisch tractement?"

Het antwoord is: Ja. Toch schijnt Duymaer van Twist, vergelijkenderwijs, een verlicht Gouverneur Generaal te zijn geweest. Maar zie [25].


[34] "Niemand heeft dezen brief gelezen. Niemand zal dien lezen, voor het mij blijkt dat hij te vergeefs geschreven is."

Ik vind het een fraaie brief, die volstrekt duidelijk maakt dat M. geheel serieus was met de "Max Havelaar" (als daar twijfel over mocht bestaan) - n een nogal wereldvreemde idealist was, althans toen hij de brief schreef. Voor mijn gronden voor het laatste zie [4], [11] - [15] en [25].

 

Brief 9 april 1856                                       

 


Welcome to the Multatuli  pages of Maarten Maartensz. See:  Help + Map + Tour + Tips + Notes + News + Home