Over: "Multatuli als ketter bij uitnemendheid"
van F. Domela Nieuwenhuis
Er is behoorlijk veel letterkundige literatuur over Multatuli, maar het
grootste deel daarvan behandelt hem als schrijver, als letterkundige, en
behandelt hem niet
zoals hij zich zelf zag: Als maatschappelijk hervormer, als radikaal filosoof,
als man van ideeën en waarheid, als humanist, als voorstander van wetenschap,
als tegenstander van religie en bijgeloof, en als verlicht denker over tal van
menselijke, maatschappelijke en filosofische vragen.
Eén van de weinigen die Multatuli wèl beschouwde en behandelde (ongeveer)
zoals Multatuli zichzelf zag, en zich trouwens ook publiek presenteerde, was
zijn jongere tijdgenoot F. Domela Nieuwenhuis, die als kind van
welstaande ouders begon als dominée, maar eindigde als anarchist, en Multatuli
en zijn tweede vrouw oppervlakkig persoonlijk gekend heeft en met hem
gecorrespondeerd heeft.
En er blijkt dan ook een uitstekend stuk uit 1908 van Domela's hand te zijn
over Multatuli, dat ik hieronder weergeef. Ik trof het in een uitgave uit het
begin van de 20ste eeuw, uitgegeven door de Multatuliaan en anarchist B. Damme, voor
iets dat zich "De Roode Bibliotheek - Zandvoort" noemde, als afsluitend
stuk van een boek dat de titel "Multatuli Bloemlezing" draagt. Het boek
draagt geen datum, maar stamt kennelijk uit ca. 1925.
Domela's verhandeling neemt daar de paginaas 126 - 160 in beslag, en komt mij
voor als één van de zinnigste appreciaties van Multatuli die ik ken, om welke
reden ik het stuk hier weergeef. Ik neem het stuk, nu vrijwel een eeuw oud,
diplomatiek maar vrijwel ongewijzigd over, met lege regels bij wijze van
alinering, met hier en daar een gissing over niet door afsluitende
aanhalingstekens afgesloten citaten van Multatuli, en met italisering als in "nadruk"
in plaats van spatiëring als in "n a d r u k".
Ik heb redelijk wat hyperlinks geplaatst in Domela's
tekst, en mij overwegend onthouden van noten erbij, maar heb er wel
een
nawoordje bij geschreven. Hier is een reeks links naar de titels van de
opeenvolgende secties van het stuk dat volgt
"Een ketter was hij op
godsdienstig gebied.
Een ketter was hij op politiek gebied.
Een ketter was hij op zedelijk gebied.
Een ketter was hij op maatschappelijk gebied.
Een ketter was hij op onderwijsgebied.
Een ketter was hij op koloniaal gebied.
Een ketter was hij op kunstgebied."
Trouwens, wat betreft het woord
"ketter": Voor Domela Nieuwenhuis had dit een gunstige klank, om een reden die
fraai verwoord is door George Bernard Shaw:
"The reasonable man adapts himself to the
world; the unreasonable one persists in trying to adapt the world to
himself. Therefore, all progress depends on the unreasonable man."
Het zijn de nee-zeggers die de wereld
veranderen, en de conformisten die haar in stand houden zoals ze is.
Multatuli als ketter bij uitnemendheid
Door F. Domela Nieuwenhuis
Het is een stout stuk om een voordracht te houden over
Multatuli. Ik heb er
dan ook altijd tegen opgezien, omdat ik de vrees koesterde te verre beneden mijn
onderwerp te blijven en dus onbevredigd te zijn over mijzelven, maar toch word
ik sterk gedreven door de begeerte om Multatuli den volke bekend te maken, dan
dat ik niet gaarne een nieuwe poging zou willen doen.
Want Multatuli is te veel nog slechts bij naam bekend, terwijl het ons
streven moet zijn hem de ware plaats te doen bekleeden, waarop hij aansprak kan
maken.
Men prijst hem als letterkundige, maar als denker, als
wijsgeer, zo zegt men,
betekent hij niet veel. En toch juist als denker, als wijsgeer moet hij bovenal
gekend en gewaardeerd worden, later pas als letterkundige.
Het was hem niet te doen om "mooi" te schrijven. al zijn er weinigen die door
hun werken zulk een onvergetelijken indruk achterlaten, juist om den eenigen
schoonen vorm waarin hij zijn Ideën wist te gieten.
Toch begint hij vorderingen te maken, want in het boek van Casimir over de
Geschiedenis van het menschelijk denken is hem een plaats toegekend. Dat was
reeds een daad van moed. Hoe? Multatuli in een geschiedenis der wijsbegeerte,
hij die geen leerstoel in de wijsbegeerte bekleedde, die geen wijsgerig stelsel
naliet en toch wie was gedurende zijn leven meer vervuld door zijn zucht naar
weten, naar begrijpen dan hij?
Echter Casimir doet het nog schoorvoetend, want nauwelijks heeft hij hem
genoemd of hij verontschuldigts zich daarover, zeggende: "Multatuli is geen
wijsgeer geweest, maar een letterkundige." Maar waarom hem dan een plaats
gegeven in een boek, dat over wijsbegeerte en niet over letterkunde handelt?
Aan den eenen kant moet vooral niet de gedachte worden gewekt, als zou hij
"in wetenschappelijken zin nieuwe ideeën uitgesproken hebben", maar aan de
andere kant is "het geestesleven der XIXe eeuw zonder Douwes Dekker niet te
verstaan". Ons dunkt dat zoo iets niet van velen getuigd kan worden. En als
straks de namen van de hoogleeraren in de wijsbegeerte aan onze hoogescholen
reeds lang vergeten zijn en alleen nog de wanden der akademische vertrekken zich
tooien met hun portretten, zal Multatuli pas in al zijn grootheid worden erkend
en gehuldigd.
Een zaaier was hij, die op kwistige wijze zijn Ideën rondstrooide in de hoop
en de verwachting dat zij zouden opschieten en vrucht dragen.
Daarin nu moeten wij hem helpen en wel door zijn werken uit elkaar te rukken,
door gedeelten zijner werken over verschillende onderwerpen over te nemen en
onder de menschen te brengen.
Mooi vinden is iets, maar niet veel, als het niet omgezet wordt in mooi doen.
Wie niet meer gaf dan hij ontving is een nul en deed onnut werk met zijn
geboorte.
Voor hem die gevoelde iets te zijn, iets te vermogen, was het
een ellendige gedachte, dat zoovelen, die niet in zijn schaduw konden staan, hem
voorgingen. Zeker was hij hoogmoedig, want hij wist dat de hoogste graad van
moed is ... hoogmoed, maar hij voelde. hij wist dit te mogen zijn. Wij hebben
hem er liever om, dat hij zoo zelfbewust was van zijn grootheid, hij had het
recht dit te zijn, want hij had zich een plaats veroverd door zijn machtigen
geest, al werd hij ook achtergezet bij zoovelen, die omhoog duikelden uit gebrek
aan zwaarte.
Dr. H.C. Muller getuigde dat Nederland drie schrijvers heeft gehad van den
eersten rang: Vondel, Bilderdijk en Multatuli. Onder die drie stelt hij
Multatuli èn als prozaschrijver èn misschien ook als wijsgeerig en dichterlijk
denker het hoogste. Vondel is schitterend verzenschepper, ongeëvenaard schilder,
diepvoelend dichter. Bilderdijk groote geleerde en taalkenner, als lier- en
heldendichter Vondels evenknie. Maar in het proza, vooral in het sarkastisch en
humoristisch proza, overtreft Multatuli beiden. In Ideën minstens hunsgelijke,
misschien hun meerdere.
Multatuli had het ongeluk geboren te zijn in een klein land, welks taal zich
beperkt tot een betrekkelijk klein gebied; ware dit het geval niet, hij zou
beslist nu reeds opgenomen zijn onder de klassieke schrijvers. Toch neemt de
bekendheid met hem ook in het buitenland toe, wat te danken is aan de
bloemlezing uit zijn werken in het Fransch bezorgd door Alexander Cohen en van
een zeer sympathieke inleiding van Anatole France voorzien, alsook door de
voortreffelijke vertaling van al zijn werken in het Duitsch door Wilh. Spohr,
waardoor Multatuli in dat land bijna even goed bekend is als in het onze.
Misschien staan wij nog te dicht bij hem, om hem juist te beoordelen en zal
zijn werk als zoodanig na eeuwen anders en beter worden gewaardeerd, want dat
hij eenmaal als een onzer beste schrijvers, een onzer grootste denkers zal
worden aangemerkt, dat staat voor mij even vast als een paal boven water.
Maar door zijn veelzijdigheid is het zoo moeilijk hem de juiste plaats te
geven, waarop hij recht heeft. Wij zullen echter trachten hem te typeeren naar
den indruk dien hij steeds op ons heeft gemaakt.
Lang hebben we gezocht naar een naam, om zijn geheele werkzaamheid, zijn
optreden te kenschetsen. Onwillekeurig gaat men aan het vergelijken. Met wien
komt hij het meest overeen? Met Heine, Voltaire, Swift, Lasalle, Byron? Van
allen heeft hij iets en toch hoe aanmerkelijk verschilt hij weer van die allen!
Hij neemt een geheel eigen plaats in. Hij is zichzelf en elke vergelijking gaat
hier mank.
Als pionier heeft hij het terrein ontgonnen en wat
Voltaire deed in de XVIIIe eeuw door middel van het machtige wapen van spot, dat
volbracht Multatuli in de XIXe eeuw.
Wanneer ik hem zou teekenen naar het leven, dan weet ik
voor hem geen betere benaming dan ketter.
Ja, een ketter was hij op elk gebied en daarin bestaat
zijn uitstekende verdienste, want vergeten wij nooit dat in de geschiedenis van
de menschheid de grootste stoot voorwaarts is gegeven door de ketters.
Wij hopen dit voldoende toe te lichten en waar te maken.
In 1860 verscheen de Max Havelaar of de Koffie-veilingen
der Nederlandsche Handelmaatschappij, een boek dat "een rilling deed gaan door
het land", zoals Van Hoëvell zei in de Tweede Kamer. Het was een welsprekende
aanklacht tegen het wanbeheer in Indië, zoals de wereld er geen tweede kan
aanwijzen, vol gloeiende haat en aandoenlijke liefde. Tot stand gebracht aan een
waggelend tafeltje van een kroeg te Brussel,.omringd door goedmoedige maar
onaesthetische bierdrinkers, zelf met koortachtige hersenen en een kloppend hart
- ziedaar de wording van dit boek, dat zeker in geen enkel opzicht onder doet
voor de beroemde Negerhut van Oom Tom, geschreven door mevr. Beecher Stowe.
Multatuli, hij "die veel gedragen heeft", neemt aan het
slot de pen op en al roept men hem toe:
"het boek is bont... er is geen geleidelijkheid in...
jacht op effekt... de stijl is slecht... de schrijver is onbedreven... geen
talent... geen methode..."
hij antwoordt op dit alles met zijn vlijmend:
"goed, goed... alles goed! Maar... de Javaan wordt
mishandeld!"
Juist dat was de hoofdstrekking van zijn werk en deze
wordt niet te niet gedaan door allerlei uitvluchten en door allerlei zaken te
bespreken, die naast het onderwerp liggen.
Hij zal zorgen dat het bekend wordt in alle landen, hoe
"daar een roofstaat ligt aan de zee, tussen Oostfriesland en de Schelde."
Hij wil redding en hulp voor de arme Indische martelaren
"op wettelijke weg waar het kan... op wettigen weg van geweld, waar het
moet."
En eindelijk die forsche opdracht:
"aan u draag ik mijn werk op, Willem den derde,
Koning, Groothertog, Prins... meer dan Prins, Groothertog en Koning...
Keizer van het prachtig rijk van Insulinde dat zich daar slingert
om den evenaar, als een gordel van smaragd... Aan u durf ik met vertrouwen
vragen of het uw Keizerlijke wil is:
Dat de Havelaars worden bespot door den modder van Slijmeringen
en Droogstoppels?
en dat daarginds Uwe meer dan dertig millioen onderdanen worden
mishandeld en uitgezogen in Uwen naam?"
Trilt daar niet nog iets in ons na, als wij die opdracht
hooren voorlezen, al verliepen er reeds ongeveer 50 jaar sints zij verscheen?
Waar zou ik moeten beginnen, waar eindigen, als ik de vinger wilde leggen op al
de schoone delen van dit boek: die gloeiend welsprekende en toch zo eenvoudige
en diepgevoelde toespraak tot de Hoofden van Lebak, die aandoenlijke
geschiedenis van Saïdjah, die beschrijving van den Banjir in zijn woesten loop,
ziet ze staan onovertroffen, zo niet ongeëvenaard daar in welke letterkunde ter
wereld ook.
Zijn strijd tegen de bureaukratie, zijn ontslag uit 's
lands dienst, zijn pogingen om den
gouverneur-generaal Duymaer van Twist te spreken te krijgen, zijn vertrek
naar Holland (1857), zijn leven te Brussel bij de gratie van een kroeghouder (in
de Prince Belge) en zijn in 1858 geschreven brief aan Duymaer van Twist
om te vragen weer in Nederlandsch-Indischen dienst gesteld te worden, waarin hij
zei armer te zijn dan de armste daglooner, het papier geborgd te hebben waarop
hij schreef, vrouw en kinderen te hebben moeten overlaten aan zijn broeder en
toch dat waardige, trotsche slot: "maar, excellentie, anders dienen dan ik
diende te Lebak, dat kan ik niet" - het typeert den man van beginsel, van
karakter, die liever honger leed dan zich te buigen voor onrechtvaardige
machthebbers.
Elk zijner werken heeft een karakteristieke
geschiedenis. Hij schreef niet om te schrijven, neen, hij had iets te zeggen tot
zijn medemenschen, iets dat vloeide uit zijn hart, dat hij niet smoren kon, dat
er uit moest om zijn geprangde borst tot bedaren te brengen.
In 1861 verscheen zijn Minnebrieven.
Wat ze zijn?
Zelf schreef hij aan Tine: "zij hebben gelijkenis met
niets. Ik zou moeite hebben om u te zeggen, wat ze zijn. Ze zijn alles! Poëzie,
sarkasme, politiek, wellust, scherpte, logika, godsdienst, alles!" Men zou het
een zieledrama in brieven kunnen noemen, waarvan de helden zijn: Fancy, Max en
Tine.
Daarin vindt men die kostelijke, Sprookjes van het
gezag, die zeer zeker om den prijs zouden dingen, wanneer er een prijsvraag werd
uitgeschreven voor het mooiste stuk in de letterkunde in de gansche wereld.
Ongetwijfeld, zoo'n stuk als aan Fancy in het begin
heeft groote gelijkenis met sommige stukken uit het Oude Testament. Hoort
slechts, hoe melodieus:
"Mijn lief kind, wie zijt ge eigenlijk? Hoe heet gij?
Waar woont ge?
Moet ik u noemen met namen uit het Hooglied, u, de
donkerkleurige Sulamite? Zijt gij de lelie van Saron, of de narcis uit het
dal?
Moet ik uwen hals omvatten met de linker arm, om u te
streelen met m'n rechterhand?
Moet ik poësie scheppen uit uwen blik? Moet ik rijmen
op de kleur uwer haren?
Zal ik u heden zien, of morgen... of wanneer? Zal ik u
zien na mijnen dood voor het eerst?
Zijt gij de glorie? Of de deugd? Of de wellust? Of 't
genie? Zijt gij de onsterfelijkheid? De rust? De geschiedenis? De toekomst?
Een engel? Een daemin, of 'n spook? Progetes, vestale, wichlaarsterm sybille,
Egeria, of Ragels zuster, waar zijt ge, waar woont gij?
Moet ik u zoeken in de wolken, of in de straten eener
stad? Moet ik vragen aan de schildwachten die de poort bewaken: hebt gij
gezien wat mijne ziel lief heeft?
Moet ik 'n tooverspreuk uitvinden om u te doen
neerdalen van omhoog? Om u optezweren uit de diepte?
Woont ge op 'n ster die stof is? Draait en slingert
uwe woning als de mijne, die onder heeft noch boven?
Kunt gij de zon zien, Fancy?
Of, Fancy, zijt gij de zon?
Zijt gij 't middelpunt van de aarde, die alles
aantrekt... Maar, Fancy, dan is elke regendrop een boodschap aan u! Dan is
elke bliksemstraal die wegschiet in den grond, een minnebrief aan u!
Ja, ja, ik zal dezen brief neerwerpen op de straten,
en de voorbijganger zal meenen dat er onderschepping mogelijk is, door 'n
koperstuk te geven voor de bladzij... maar hij zal zich vergissen... de
bliksem zal het niet toelaten....
Schrijf mij, of hij is terecht gekomen! En zend mij 'n
lok uwer haren, Fancy.... wanneer gij jaren hebt als anderen... wat ik niet
hoop!"
En dan dat slot:
"Ik heb het... ik weet het... ik voel het. Mijn hart
is niet meer leeg! Zij zond me...
O God, ik begrijp alles!
Eerst de wil.... nu de kracht en in 't eind de
overwinning!
Tine... Ik zal overwinnen! Ik beloof dat ik overwinnen
zal! Wees gerust!"
Hier spreekt een groote mate van zelfvertrouwen uit en
toch hij wist hoe het publiek was. Immers
"gij die uw profeten laat leven, om ze langer te
martelen! Men lastert u door te zeggen dat ge de Christus zoudt gekruisigd
hebben, als de joden; ge hadt hem loopjongen gemaakt in 'n
kruidenierswinkel.... niet waar? Ge zoudt gewacht hebben tot hij vrouw en kind
had, om die te laten hongeren.... dat hij 't zou aanzien en buigen voor u! Dit
treft zekerder, nietwaar? Ge zoudt den deurwaarder hebben belast met uw
antwoord op zijn: wee u Jeruzalem! opdat-i moedeloos en geknakt, z'n
wee terugnam bij 't veilen van de kleertjes zijner kinderen, dat hard is
te aanschouwen voor 'n vader! Dat treft wisser, dieper, dat pijnigt langer,
niet waar, dan slechts een paar uur sterven!"
Ja, hij wist wat het zeggen wil "veel te dragen", hij
Multatuli!
In 1862 begon hij met zijn Ideën, die nu in zeven
bundels voor ons liggen als een rijke mijn om uit te putten. Hoe veelzijdig! Hoe
pittig en puntig! Geen gebied schier van menschelijk denken of handelen, dat
hier wordt buitengesloten.
En juist uit de Ideën vooral
zullen wij hem teekenen als ketter op zeer verschillend gebied.
Een ketter was hij op godsdienstig
gebied.
Hevig was de strijd dien hij voerde tegen den godsdienst
in al zijn vormen en was de echte onvervalschte godsdienst in al zijn
ongerijmdheid hem liever dan de gefatsoeneerde en gemoderniseerde uit den
nieuwen tijd, die geloof en wetenschap wist verbinden tot een mengsel dat noch
den geloovige noch den man der wetenschap bekoort.
"Er is slechts één mysterie:
het zijn. De rest volgt vanzelf uit de eigenschappen van 't zijn.
Dat is de Logos: er is, dien men vindt in het
evangelie van Johannes, Hoofdstuk I vers 1: In den beginne was de Logos en de
Logos was bij God en God was de Logos."
De godgeleerden hebben dat woord Logos verkeerd vertaald, zij maakten en maken
ervan: het woord, vandaar dat er staat: In den beginne was het woord. Maar dat
is de zin niet.
Het moet luiden: In den beginne was de Rede.
Dat is ook de betekenis van het woord Jehovah in
het Oude Testament. Toen Mozes vroeg welken naam hij moest zeggen dat de God
droeg, dien hij aan de Israëlieten gaf, toen luidde het antwoord: Ij ben die
ik ben of: Ik zal zijn die ik zal zijn! Jehovah - dat is de vervoeging van het
werkwoord zijn. Van de Joa der Feniciërs heeft men den Jehovah van de
Israëlieten gemaakt en dat is onze Gpd geworden tot heden. Wetgevers en
volksleiders (misleiders) verwrongen den zin van het woord zijn tot den naam
eener kinderachtige persoonlijkheid."
Het geloof was voor hem de cellulaire gevangenis van het
verstand en steeds bestreed hij het in zijn huichelarij en halfheid.
Zonder genade ging hij ds.
Zaalberg, een der toenmale woordvoerders der modernen te 's-Gravenhage, te
lijf. om zijn modernen brouwsel "De godsdienst van Jezus en de moderne richting"
te ontleden op een wijze. dat deze man er voor goed onsterfelijk door is
geworden als een man der frase bij uitnemendheid. Geestig is zijn vergelijking
van de verschillende godsdienstige voorgangers bij
pasteibakkers, om dan ds. Zaalberg voor te stellen als een van de laatste
soort, omdat hij in zijn zestien taartjes (oftewel christelijke toespraken)
slaapstroop toediende, maar ditmaal vermengd met rottekruid. Tenslotte, nadat
ds. Zaalberg telkens herhaalt: ben ik geen geloovige, omdat ik niet geloof
dàt... en dàt... en dàt, dondert hij hem in de ooren: neen, gij zijt geen
geloovige, als gij niet gelooft.
Hoe parodieert hij prof.
Muurling! Hoe geeselt hij dr. Meyboom, die de
wonderen langs rationalistischen weg gaat verklaren.
Zijn God is de
Noodzakelijkheid, die niemand zonder troost laat,
die rechtvaardig is tegenover iedereen en zonder aanzien des persoons, die
liefde is en nooit om iemand te plagen 1+1=3 heeft gemaakt. Ja, zoo waar en zoo
eenvoudig is die God, de verbuiging van het werkwoord
zijn: Die is, Die was, Die wezen zal. Eén plus één zal altijd twee zijn.
Waar wij menen dat die wet der noodzakelijkheid ons verraadde, daar lag de
schuld aan ons zelf. Wij hadden niet goed opgelet. Wij maakten fouten in
onze berekening, niet zij. En zelfs waar zij wreed schijnt, ook daar lag
de schuld aan ons.
"Wat is moet zijn.
't Staat aan ons voorzichtig te wezen, op te letten, ons te wachten voor het
kwade...
't Staat aan ons waar te nemen, natedenken,
toetepassen...
't Staat aan ons te willen en te werken...
't Staat aan ons te streven naar ontwikkeling...
't Staat aan ons genot te vinden in dat alles..... dat
is in één woord:
't Staat aan ons deugdzaam te zijn. want
genot - zoo begrepen - is deugd."
En als hij op zulk 'n aanschouwelijke wijze, alsof men
er zelf bij tegenwoordig was, den bekende straatprediker
Esser te 's Gravenhage in zijn naïven en
kinderlijken eenvoud beschrijft, zoals hij daar ten spot aan de baldadigheden en
spotternijen van het publiek "het woord des levens verkondigde" en daarna het
woord neemt, om met ijzingwekkende ernst een aanklacht te slingeren naar het
hoofd van de "welEdele heeren en mevrouwen zondaars en zondaressen", wier geloof
zoo lauw is, dat zij dien straatprediker onbeschermd overlieten aan vuil
straatgrauw, "ziet, die lafhartigen huichelaars willen wel Christus en de
zaligheid met hem deelen, maar die niet durven doen wat zij toch zeker zouden
verrichten als er oprechtheid was in hun geloof, namelijk om de blijde boodschap
der verlossing "of hoe dat ding dan heeten moge", te prediken aan de "hoeken der
straten," dan gevoelen wij al het vlijmend-ware in deze beschuldiging.
Wanneer men hem dan verwijt dat hij den godsdienst
bespot, hij een godslasteraar was, omdat hij in z'n schetsje van die
straatpreekerij wáár durfde zijn, dat hij Jezus smaadde in zijn Kruissprook, dan
roept hij zijn tegenstanders toe: "Christus heeft vergeten te zeggen: "Zoo wie
in mijnen naam anderen uitzendt om te worden opgegeten, is mijns niet
waardig." Ik herstel dit verzuim bij dezen en voegt hun dan nog toe: "ik sta hem
nader dan gij, en zeg u dat gij ellendelingen zijt." En schoon is die wending
als hij hun toeroept zich op hem te wreken: "neen, wreekt u niet. Waarlijk, er
is voor u allen iets beters te doen. Wordt eerlijk, en tracht te leeren lezen."
Dat schoone "Gebed van den
Onwetende", die smartkreet van den twijfelaar die snakte naar een
openbaring, zoodat elke twijfel verstomde en elkeen zeide: ik voel hem, ken
hem en versta hem, is een heerlijke bijdrage, zoo geheel gegrepen uit het
van den mensch, die zich niet weer kan neerleggen bij het oude geloof en
toch het licht van de nieuwe wetenschap nog niet heeft zien opgaan.
Hoe komt hij telkens en telkens op tegen al wat het
denkvermogen bederft en de wilskracht verlamt en ten opzichte van zooveel
verschijnselen van onze tijd. die zich hullen in een mantel van wetenschappelijk
zou hij meermalen geneigd zijn te waarschuwen tegen alle
buitenissigheden en te zeggen:
"een onverschoolde knaap van 10 jaar zou verbaasd
staan over de zotternij die men kan wijs-maken aan menschen van zes voet, met
baard, knevel, maatschappelijken invloed en papa's rang. Hij zou meenen in een
gekkenhuis te zijn verdwaald."
Een ketter was hij op politiek gebied.
De voorname burgerij vierde haar hoogtij
en Thorbecke, de chef van de liberale partij, was
zoo goed als almachtig. Er heerschte overal een rustige rust. Al wat
intellektueel was, behoorde tot de liberalen en wee dengenen, die ook maar één
streep verder ging dan de gebaande weg, hij werd zonder genade uit de synagoge
geworpen. Multatuli bezat den moed den grooten held van het liberalisme, de
"prins der ordinairheid", dien "staatsfeniks die niets, niets, niets
heeft voortgebracht", wiens "dorre persoonlijkheid geen behoefte voelde aan
uitstraling", met al zijn talent te lijf te gaan. Hij toonde aan dat het
liberalism den staat misbruikte om er een privatief jachtgebied van te maken
voor de bevoorrechten, die elkaar de bal steeds toewierpen, meer lettende op het
belang der betreffende personen dan op dat van het land. Steeds tastte hij een
partij aan in haar eminentste vertegenwoordigers en al is hij misschien uit
afkeer voor de bende zijner blinde bewonderaars al te ver gegaan in zijn
afbrekende kritiek, in hoofdzaak is zij waar, want Thorbecke's grootheid
schuilde minder in zijn persoonlijkheid - hij was de type van het benepen, klein
burgerdom, welks horizont al heel beperkt was - dan in de kleinheid zijner
tijdgenoten of om het met zijn woorden uit te drukken in een zijner 107
grafschriften: "Ik had in mijnen tijd, Precies de
maat mijner tijd."
Zo groot toch was Thorbecke, dat het
tegenwoordige geslacht op het hooren van zijn naam dikwijls vraagt: wie is dat?
meenende dat men van iemand spreekt die nog leeft. Hij was het die, die het
liberalisme geeselde om zijn inhoudsloosheid en hij zag in Thorbecke den man,
van wien men het best op zijn graf kon schrijven: "In deze eeuw van slenters,
Begroef men hier den prins der parlementers."
Hoe ongenadig kon hij het
kiesstelsel in zijn onhoudbaarheid uitkleeden, ja
het heele parlementarisme vond in hem een
bestrijder zoo enig en zoo juist, dat men het niet hoeft te verbeteren. Alds hij
daar in zijn Vrije Arbeid redevoeringen fingeert, kostelijk van inkleding en
naar het leven geteekend, en door een der leden zoo juist de opmerking laat
maken: "maar waar blijven wij dan?" om in een persifflage te doen uitkomen dat
de parlementen er zijn om de leden en niet de leden om de parlementen, dan
gevoelt men het treffende zijner kritiek. Maar ook het algemeen kiesrecht
beschouwde hij als een boerenbedrog om daarachter het
recht van de sterkste te verbergen.
Hoe de leden der kamer de
distriktsbelangen boven alles stellen - wee als hij dit verwaarloost, bij een
eventueele herkiezing valt hij als een baksteen - dat teekent hij zoo goed in
die enkele woorden: "Edam stemt voor kaas. Drenthe voor 't veen. Schiedam voor
jenever. Schokland voor kabeljauw. Utrecht voor theerandjes. Dit moge nu dom
zijn, ontaalkundig, onpraktisch en misdadig ... goed! De man heeft het openlijk
beloofd, het wordt verzekerd door al de "eenige kiezers", die z'n reclame
teekenden, d.i.: die ze niet teekenden en wie geen lust heeft in de
redevoeringen van zoo'n lid, kan ze overslaan, zoals 't volk dan ook meestal
doet."
Anarchist was hij in het wezen der zaak,
waar hij geen regering de beste van allen noemt, maar straks is hij aristokraat
en stelt hij den verantwoordelijken tiran vrij wat hooger dan den
konstitutioneelen nietsdoende koning, die door de liberalen gemaakt is tot een
ledepop. Het gevolg van dit optreden was, dat hij zich alle
Thorbecke-vrienden tot vijand maakte en zichzelf
meer en meer alle kans ontnam om ooit een betrekking van de regering te krijgen.
Wat Zaalberg
voor hem was op godsdienstig gebied, was Thorbecke
op staatkundig en daar de liberalen het monopolie bezaten van regeerkunst,
intellekt, enz., daarom was elk die zich daarbij niet onvoorwaardelijk
neerlegde, in de oogen der toonaangevende, bovendrijvende partij een ketter,
tegen wie alle middelen geoorloofd waren, als ze maar de strekking hadden zo
iemand monddood te maken. Nu dit heeft men ook getracht met Multatuli te doen.
Men zweeg hem dood en dit prikkelde hem in hooge mate. Wordt men aangevallen,
beledigd, belasterd, men kan antwoorden, maar welk middel kan gebruikt worden
tegen deze echt-Nederlandse doodzwijgmethode? Intusschen hij bleef strijden
tegen alle middelmatigheden. In zijn
Vorstenschool, dat volgens zoogenaamde kenners niet precies voldoet aan de
eischen der tooneelkunst, maar dat bij elke opvoering steeds opnieuw trekt en
indruk maakt, wel een bewijs voor degelijkheid, want het gewone gaat op den duur
vervelen en het buitengewone wint steeds, hoe dieper men er in doordringt -
hierin bestaat het wezen van het klassieke - zegt hij het zoo juist:
"Wat uitsteekt moet geknot. Wat
blinkt, bevuild.
Wat vlucht neemt, neergeslagen en gekneveld.
Talent geloochend, of gesmoord met ma-a-a-ren,
En daarna doodgezwegen... als het kan."
En hoe geeselt hij de hele
staatsmanskunst, waar hij den staat voor den staatsman teekent als "een
kaatsbaan voor de heeren van het hof, een draaibank voor fortuintjes, een
fabriek van Neurenberger eerzucht-duikelaars", die het volk doet beschouwen als
"'n kweekkast van lakeien", de welvaar als "een paragraaf in een rapport", den
burger als "een artikel te belasting" en een algemeene ramp "de troefkaart op
den heer die uitgespeeld was door de partij".
Telkens treft hij de zaak in den
hartader, maar natuurlijk vergrootte hij steeds den kring zijner vijanden. Men
vreesde zijn scherpe pen, ook al haalde men de schouders voor hem op. Men voelde
zijn superioriteit wel, maar hij was niet wat men noemt bruikbaar, daar hij zich
niet liet spannen in het gareel der gewoonte en zich niet liet kneden in den
gewonen vorm van tegen twaalf in het dozijn. Hij bezat, wat de meesten niet
hadden, hart en daardoor gevoelde hij zoo goed wat er ontbrak aan
de welvaart des volks. En
waar hij met de belangen des volks zag kegelen door eerzuchtigen, daar trad hij
op als de belangelooze pleitbezorger des volks, om al die zoogenaamde
volksvrienden het masker af te rukken en ten toon te stellen in hun ware
gedaante.
Een ketter was hij op zedelijk gebied.
De huisbakken fatsoensbegrippen, die
veel voor zedelijkheid werden uitgegeven, vonden in hem ewen verklaarden vijand.
Hij gevoelt al het drukkende van het keurslijf, dat de zeden den menschen hebben
omgedaan. En hoe juist karakteriseert hij de onzedelijkheid in dit kleine
verhaaltje
"In Samojedie is het de gewoonte zich van-top-tot-teen te besmeren met ransige
traan.
Een jonge Samojeed verzuimde dit. Hij besmeerde
zich volstrekt niet, noch met traan, noch met wat anders.
- Ge volgt de zeden
niet, zei 'n Samojedisch wijsgeer... gij hèbt geen zeden... gij zijt zedeloos.
Dit was heel juist
gezegd.
't Spreekt vanzelf dat
de jonge zedelooze Samojeed mishandeld werd. Hij ving meer robben dan
elk ander, maar 't baatte 'm niet. Men nam hem z'n robben af, gaf die
aan Samojeden en hèm liet men honger
lijden.
Maar 't werd nog
erger.
De jonge Samojeed, na
eenigen tijd te hebben voortgeleefd in onbesmeerden staat, begon
eindelijk zich te wassen met eau-de-cologne...
- Hy handelt tegen de
zeden, sprak nu de wijsgeer van den dag, hij is onzedig, komt, we zullen
voortgaan hem de robben aftenemen die hij vangt, en bovendien slaan...
- Dit geschiedde.
Maar wijl men in
Samojedië geen laster had, geen kopyrecht, geen verdachtmaking, geen
domme orthodoxie, noch valsch liberalismus, noch bedorven politiek,
noch bedervende ministers, noch verrotte Tweede Kamer... sloeg men den
patient met de afgekloven beenderen van de robben die hy zelf gevangen
had."
Hoe heerlijk schoon is zijn
Open Brief aan mevr. de wed. X. te Z., waarin hij
het opneemt voor een vrouw, die een onecht kind ter wereld bracht en een ander
kind - echt dit maal - heeft gestolen, beroofd, verborgen of zoo-iets. De
misdaad dier vrouw, die men gekerkerd had, bestond daarin dat zij haar
moederschap handhaafde en het toppunt bereikt hij waar hij zegt:
"Gij hebt geleden en gstreden... hij
hebt uw hart gesteld boven de domme bijgelooverij der zeden, de liefde van uw
kind boven vrees van familie-dwang, vonnissen, rechters, wetten en
schandaal... i groet u mevrouw, en roep 't u nogmaals luide toe: hoog uw hoofd
in den kerker en voor 't gerecht... wie u zelfvernedering voorpreêkt als
deugd, is 'n bedrieger... want, voorwaar, voorwaar, ik zegge u: de adel en
de eer des menschen wonen boven den navel!"
Telkens doet hij uitkomen dat de wet nog
lang zo erg niet is als de zeden, want "de wet zou 't euvel opnemen als men een
"natuurlijk" kind sloeg... tot blauw wordens toe. Als men het in 't water
gooide... tot verdrinkens toe. Als men 't de keel toekneep... tot smorens toe.
Maar... de zeden! Zij sparen geen marteling, noch veroordelen die."
En als men in aanmerking neemt, dat die
brief geschreven is in 1863, dus 45 jaar geleden, dan kan men begrijpen hoe hoog
de moed geweest moet zijn van den man, die zoo onbarmhartig alle huichelarij
bestreed en niet aarzelde het recht van de vrouw, van de moeder, te verdedigen
op haar kind.
Hoe juist merkt hij op als hij vraagt:
"denkt men er wel eens aan, dat elk
opgevischt lijkje een vader had? Waar zijn die vaders?... Waar was de vader
toen 't gerecht kwam aankloppen met een barsch gelaat? Toen de arme moeder
werd heengeleid naar den kerker? Toen ze, verpletterd onder 't wicht van
schaamte, zich vertoonen moest voor 'n vierschaar van deftige manen - die
nooit zondigden! - om 't walgelijk gehuichel aan te hooren van 'n zondeloos
publiek ministerie, dat - in "een sierlijke rede" altoos - betoogde en bewees,
hoe verkeerd zij deed, hoe zij de maatschappij had beleedigd en hoe ze
strafbaar was, eerst omdat zij deed wat door de Natuur was gevorderd, wn niet
verboden werd door 't hart... daarna wijl ze krankzinnig was geweest van
wanhoop?
Waar was bij dit alles de vader,
mevrouw?
Niet waar, ge stemt mij toe dat de
"braven" zouden wèl doen hun verontwaardiging te bewaren voor zulke vaders?"
Telkens en telkens neemt hij het op voor
de vertrapte rechten van de vrouw, die in vele wetgevingen van zoogenaamde
zedemeesters - zie de mozaïsche - is een zaak, 'n ding, een meubel, eene koe, ja
zelfs volgens de uitspraak van Jezus in Matth. XIX niets, niets, volstrekt
niets.
Hij geeft een
andere lezing van dat hoofdstuk en wil afwachten welk christen den
moed heeft die van Mattheus mooier te vinden.
De geheele
opvoeding der meisjes, die gedwongen worden tot liegen en huichelen, die
niet mogen weten wat zij weten, niet voelen wat zij voelen, niet begeeren wat
zij begeeren, niet wezen wat ze zijn, wordt onbarmhartig onder handen genomen.
En als dan zoo'n arm ingebakerd kind
gelooft, berust, gehoorzaamt... als ze heel onderworpen haar lieven bloeitijd
heeft doorgebracht met snoeien en knotten, met smoren en verkrachten van lust,
geest en gemoed... als ze behoorlijk verdraaid, verkreukt, verknoeid, heel
braaf is gebleven - dat noemen de zeden braaf ! - dan
heeft ze kans dat deze of gene lummel haar 't loon komt aanbieden voor zooveel braafheid,
door 'n aanstelling tot opzichtster over z'n linnenkast, tot
uitsluitend-brevetmachine om zijn eerwaard geslacht aan den gang houden. t Is
wel de moeite waard.
Want wij
"hebben zeden
uitgevonden, we passen die toe, we beweren die te moeten
handhaven... zeden welke in aanhoudende strijd zijn met de hoofdwet
der Natuur.
Wij meenen die Natuur
te moeten tegengaan in haar streven. Wij willen haar dwingen
tot stilstand waar ze beweging eischt. Tot alleenzijn, waar ze haakt
naar verbinding. Tot scheiding, waar ze aandringt op vereeniging. Wij
dringen ons als plicht op, die Natuur te verkrachten.
Deze verkrachting - of
de voortdurende vruchteloze poging daartoe - noemen we deugd.
Onze geheele opvoeding
van de meisjes is 'n moorddadige opstand tegen het goede."
Geen wonder dat zoovelen als
slachtoffers vallen van den Minotaurus onzer zeden,
welks naam is Hysterie, dat meisjes eet, meisjes, altijd meisjes en als
er een Theseus komt, die 't leelijke dier op den kop slaat, noemt men hem een
slechten kerel.
En wij stuiten nog niet zozeer op de
wetten als op de zeden. Want
"geen wet was ooit zo kleingeestig en
barbaarsch als de zeden."
en hij voegt er aan toe:
"De wet drukt nu en dan, de zeden
altijd.
Zoo dom is geen wet, of de zeden zijn dommer.
Zo wreed is geen wet, of er zijn ruwer zeden."
En al zijn we nog lang niet waar we
wezen moeten en komen zullen, toch is er een groote verandering waar te nemen in
de verhouding tusschen man en vrouw, tusschen jongeling en meisje - en tot deze
emancipatie heeft de sport en voornamelijk de fiets meer bijgedragen dan alle
vrouwenagitatie tezamen - wie zou durven beweren dat de stoot daartoe niet is
uitgegaan van Multatuli?
"Ik tart u te beletten, dat over tien
jaren - in 1862 werd dit geschreven - en vroeger reeds, mijn Ideën 't
gebouwtje omwerpen, dat ge met bebloede hand hebt saêmgeknoeid uit de
materialen van uw domme, godslasterlijke, wreede zedelijkheids-begrippen."
Ja, ook op het gebied der zedelijkheid
was hij een baanbreker, een pionier, die het terrein effende, waarop wij later
hebben kunnen opbouwen.
Een ketter was hij op maatschappelijk
gebied.
Hij was het alweer die het opnam voor de
vertrapte rechten van den werkman,
om een welsprekend betoog te leveren dat er veel ontbreekt aan het welzijn des
volks, om dan na elkander uitvoerig te behandelen dat er veel ontbreekt aan den
1o zedelijken, 2o
verstandelijken en 3o
stoffelijken toestand des volks. Dit
stuk is nog ongeveer geheel toepasselijk op onzen tijd en het verdiende bij
duizenden in een afzonderlijke uitgave onder het volk te worden geslingerd.
"Het volk is zedeloos en onzedelijk...
dat is de zaak niet van de Regering.
Het volk is dom... dit is geen
Regeringszaak.
Het volk lijdt honger, 't volk woont
ellendig, 't is uitgeput, moedeloos... geen zaak van de Regering.
Al die dingen liggen niet op de weg
der Regering.
Eilieve, wat ligt er dan wèl op dien
weg? Wat, in 's hemelsnaam. gaat dan de regeering wel aan?
Of gaat haar niets aan, ligt er
niets op haar weg, dan 't kibbelen over 'n plaatsje voor dezen of genen
staatsman? Waarlijk, de hele Regeering lijkt op 'n spoorwegmaatschappij die
vergeten zou de treinen te doen loopen, om zich alleen bezig te houden met het
benoemen van de conducteurs."
En Multatuli stelt zich kandidaat voor
de Kamer, hij zal optreden voor den mishandelden arme, als vertegenwoordiger van
den arme. Want de regeering draagt geen kennis van de behoeften des volks en als
de tijd dáár is, zal hij de regeering bericht doen van de eischen des
volks. De arme, die nu stom is, zal voortaan spreken. De hongerlijdende
bevolking van Nederland zal niet langer zwijgend hongerlijden.
Zijn eerste, zeer onparlementaire
redevoering zal zijn: wij willen eten, waarlijk leven, genieten, wij
willen gelukkig zijn.
De troonrede, die de minister den Koning
(de Koningin) laten uitspreken, is een jaarlijks terugkeerende leugen. En
het antwoord der kamers daarop insgelijks. Nooit laat men den koning zeggen:
Heeren, 't volk lijdt honger en gebrek. Nooit antwoordt men: Sire, 't volk
heeft honger. En zoo toch moet er gesproken worden, als er naar waarheid
wordt gestreefd. Want er is een goddelijk recht. Dat is 't recht des volks
om brood te eischen voor arbeid. Het recht om niet te sterven van honger, of
in leven te blijven met moeite in een land, dat ruimschoots het noodige
opbrengt, maar welks voedende kracht door wanbestuur ten deele wordt
weggeleid naar 't buitenland, ten deele wordt weggeleid naar 't buitenland,
ten deele misbruikt om eenige weinigen te overladen met gunst."
Volgens hem zijn vele der verkeerdheden
waaronder 't volk gebukt gaat, toe te schrijven aan ons staatsbestuur. Uit
vrees voor tirannie heeft men alles zo ingericht, dat het lijdende volk zich
op niemand kan beroepen. Een grondwetkoning is zogenaamd onschendbaar, dus:
niet aansprakelijk. Zoo'n Koning, wil hij zijn beroep goed waarnemen, moet
niets zijn, hij is gedoemd tot niets doen. De ministerieele
verantwoordelijkheid is een leugen. Zij heeten zedelijk verantwoordelijk te
zijn, maar trekken zich daar niets van aan, in de daad zijn ze ook
onschendbaar. Noch de afkeuring der geschiedenis, noch de vloek van den
tijdgenoot is hun deel, want wat bekommert men zich om de namen der
onbeduidendheden, die elkaar opvolgdenaan de groene tafel. Sedert 12 of 14
jaar hebben wij bijna honderd van die heeren versleten, zodat het in
Nederland een onderscheiding is geworden, geen minister te zijn geweest.
De heele inrichting van ons bestuur berust
op leugen. Het is treurig om "na 18 eeuwen goddienerij, na 4 à 5 eeuwen
ridderschap en adel, nu ten laatste te vallen in handen van de bankiers ...
onze vooruitgang is van zonderlingen aard." En dat te meer omdat "er
Jacqueriën voor de deur staan, die veel bloed en tranen zullen kosten en het
te vreezen is dat de weg naar nieuwe en betere beschaving. door 'n poel van
jammeren zal leiden. De ontwaakte volkeren zullen woedend zijn, en wraak
nemen over 't gepleegde bedrog."
Steeds zouden zijn redevoeringen eindigen
met hetzelfde refrein: "buitendien blijf ik erbok, dat de ellende des Volks
moet worden uitgeroeid" en telkens en telkens zou hij de regeering en de
kamerleden toeroepen: ik wilde dat het volk brood had... brood, vleesch
en levenslust.
Iedereen erkende dat er vetrroting
heerschte in de politiek van den staat - Thorbecke noemde het, na Multatuli,
contagium ofwel besmetting, maar zoodanig was men verleugend, dat men
het rondborstig erkende en intusschen niets deed om het kwaad te stuiten.
"Ziek-zijn is niet schandelijk.
Ziekte daarstellen, bevorderen, in
bescherming nemen, perpetueeren (doen voortduren) is wel schandelijk.
En zich te beroemen op die schande, is 't
ergst van al."
Zoo schreef hij in een manifest Aan het
Volk van Nederland bij zijn kandidaatstelsel.
Niet dat hij het volk vleide of in de
hoogte stak, o neen hij was heelemaal geen demagoog, maar als wijsgeer, als
denker trachtte hij een verklaring te geven van den lagen toestand, waarin
het volk zich bevond en zoo te zoeken naar de middelen ten einde het op te
heffen uit zijn ellende op stoffelijk zowel als geestelijk gebied. Zijn
werken zijn een heel arsenaal, waaruit het volk in den strijd tegen zijn
verdrukkers ammunitie te vinden, bruikbaar tot een aanval zoowel als ter
verdediging.
Een ketter was hij op
onderwijsgebied.
De voortreffelijkheid van de openbare
neutrale school was het dogma, waabij elk rechtgeaard liberaal zwoer als het
toppunt van alle wijsheid. Wee dengenen, die dit heilige huisje durfde
aantasten! Hij werd spoedig uitgemaakt voor een domper.
En daar durft me die Multatuli dat
troetelkind der liberale wijsheid te lijf te gaan en aan te toonen dat van
al die mooiïgheid op onderwijsgebied al heel weinig deugt.
Wat weet die man van onderwijszaken af!
Heeft hij ooit voor de klas gestaan? Zoo riep men hem toe uit het kamp der
onderwijzers, meest allen trouwe liberalen, op het platteland zelfs de
voornaamste propagandamakers, met de moderne dominees, van de
alleenzaligmakende liberale dogma's. Hoe kan nu iemand, die nooit in de
praktijk is geweest, over zulke dingen oordelen? Wij en wij alleen hebben
het monopolie op onderwijszaken, en dat geliefhebber in zaken, waarvan men
geen verstand heeft, brengt altijd schade te weeg.
Alweer, Multatuli maakte zich veel vijanden
onder onderwijzers.
Maar hij bekommerde zich daar zeer weinig
om en sprak openlijk uit: "ik verwacht niet anders dan dat de meeste
onderwijzers van beroep mij ongelijk geven".
Toch waren de vragen die hij stelde
rationeel.
Wordt het doel bereikt dat we met het
onderwijs beoogen?
Zoo neen, welke fouten staan ons daartoe in
den weg?
Moet het onderwijs zijn
intensief, extensief of gemengd?
Waar is in 't geval de grens?
Behoort het Onderwijs tot de bemoeienis
van de Staat?
Zietdaar allemaal verstandige vragen.
Als de Mecklenburgse methode gevolgd wordt,
die daarin bestaat, dat "de jongens onderdanig moeten zijn, meneer de
schoolmeester, leer ze dat", dan zal toch heel anders gehandeld moeten
worden, dan als men de school dienstbaar wil maken aan de ontwikkeling van
het denkvermogen.
Dat is toch zeer duidelijk.
Onze huidige onderwijsmethode kan
samengevat worden in deze enkele woorden: "we zeggen veredeling,
beschaving enz. te bedoelen en verwachten afgerichtheid tot zeker
beroep. Het "jostverdienen staat op de voorgrond."
Hij liep ook hier weer tegen den stroom in,
want hij durfde zeggen tegenover alle schoolspecialiteiten en liberale
regeerders in, dat het onderwijs niet deugt, dat de inmenging van den staat
geen ander gevolg kan hebben dan de verlichting binnen zeer enge grenzen te
beperken, niet anders kan werken dan smorend op de ontwikkeling, gekneld als
zij altijd is in de uniform der eeuw.
"Onze professortjes, onze meestertjes
zijn produkten uit dezelfde fabriek waarin zij zelf geroepen worden tot
het voortbrengen van nieuwe produkten. Zoo gieten zij alles in één vorm en
deze vorm is... officieel slecht. Het bewaren onzer oorspronkelijkheid -
het uitzet toch dat aan ieder wordt meegegeven bij z'n entree in 't
leven, wordt hoe langer hoe zeldzamer en wie zich daaraan schuldig maakt -
daar hoort moed toe! - is 't mikpunt van al de kleine mannetjes die 't
onderwijs knipten naar 't mikroskopisch modelletje van hun geest."
En elders:
"ons onderwijs is juist voldoende tot het
vernietigen van de natuurgaven van den wilde en belet tevens de
ontwikkeling die te verwachten ware uit de boezem des volks zelf, indien
men die gaven niet had verkracht. Wij hebben het gemaakt tot 'n monopolie
der halfheid, dat zich verzet tegen de wording van elk geheel. Tot 'n
alleenhandel in 't gebrekkige die de mogelijkheid van vervolmaking
uitsluit."
En alle vrije begrippen, die nu zelfs door
onderwijzers in meerdere of mindere mate worden toegepast, waar zij zulks
kunnen doen, zijn feitelijk terug te voeren op Multatuli.
Hij was het die het onderwijs als minimum
oplegde, dat het denken niet tegenwerkte.
"Wat en hoeveel men op de school leert,
zou er minder toedoen, indien wij slechts het leeren niet afleerden."
Hij ziet in de
"scholen inrichtingen die per se
'n goed onderwijs in den weg staan. Geheele afschaffing zou misschien
beter vrucht dragen dan pogingen tot verandering."
En vraagt men hem middelen ter verbetering,
hij antwoordt dat ook hij te veel en tevens te weinig heeft geleerd om zich
te ontdoen van al den onverteerbaren ballast die zijn werkvermogen bezwaart
en het aanwijzen van de bestaande fouten, of van 'n deel daarvan, kostte hem
reeds inspanning genoeg.
Men kan ook niet zeggen dat wij met ons
eeuwenlang geschoolmeester reden hebben tevreden te zijn met de resultaten,
want de markt des geestes wordt bij de meerderheid al even schaarsch
voorzien als die der stoffelijke behoeften. "Genie en biefstuk zijn even
schaars" - zegt Multatuli op z'n eigenaardige en puntige wijze.
En nu zou dit nog betrekkelijker wijze
niets zijn, als wij het denken maar niet afleeren juist in en door school.
Hoeveel waarheid schuilt er niet in dat ééne gezegde: "één bestudeerd
grasscheutje is meer waard dan 'n heel zoodje onverteerde volksverhuizingen
en Uniën van Utrecht." Immers hier wordt de aanschouwingsmethode aanbevolen,
waartoe men meer en meer komt en de impompingsmethode als schadelijk aan de
kant gezet. Als het waar is dat de mensch een denkdier is, dan hebben
wij het recht van de opleiders der jeugd te vorderen dat zij het denken
oefenen en althans die oefening, die zich even natuurlijk bij het kind
openbaart als het ademhalen, niet tegenwerkt.
Evenmin als wij volgens Multatuli het
geloof aan een persoonlijken God mogen nalaten aan onze kinderen - "twee
maal twee is vier en 'n persoonlijke God is 'n ongerijmdheid" - want zij
hebben recht op waarheidm de "legitieme portie van elk jonger geslacht",
evenmin als wij onze overtuiging mogev vervreemden aan Kerken, Kloosters en
Lieve Heeren ... die "verderfelijke doodehand van menschenwaarde,
ontwikkeling, vooruitgang, geluk en deugd"; evenmin mogen wij onze kinderen
"ter verstandsverkrachting overgeven aan magnetiseurs, theologen, bidders,
godvruchtige schoolmeesters, heksenbezweerders, wichlaars, dominéés,
spookverdrijvers, duivelbanners, priesters."
Men begrijpt dat al degenen die in deze
termen vallen of die gevoelen aan dat soort van dingen verwant zijn, zich
met alle kracht verzetten tegen den onverlaat, die zoo stout durft te
schrijven. En toch gevoelen wij zelven hoe waar het is, dat "zoolang we niet
genezen zijn van de kanker van 't geloof, verbetering van onderwijs -
d.i. het geschikt maken tot studie der wetten van het zijn, 'n
onmoghelijkheid is".
Maar de staat heeft het onderwijs gemaakt
tot 'n regeermiddeltje en als men hem het onderscheid vraagt tusschen het
het christelijk en het staatsonderwijs, dan antwoordt hij alweer puntig en
geestig: "het christelijk onderwijs wordt bedorven uit de Hemel, het
staatsonderwijs uit Den Haag."
Het onderwijs is een soort van biologeeren
der kinderen en "wie de geschiedenis bestudeert, zal weldra begrijpen dat we
geen biologische séances behoeven bij te wonen, noch proeven te nemen
met oude vrouwtjes op de markten, om te weten hoe zekere lieden het
aanleggen om denkvermogen te bederven en wilskracht te verlammen. Om dit
gekkenhuis" - bedoeld is de menschenmaatschappij - "voor een vergadering van
verstandigen aan te zien moet men onderwijs genoten hebben, dat is:
men moet zelf gebiologeerd zijn".
Hij was het die inzag dat goed onderwijs
ook materieel 'n onmogelijkheid blijft zoolang één persoon belast
wordt met het onderwijzen van 'n groot aantal kinderen. "Tien of twaalf
leerlingen hebben de toewijding noodig van al den tijd en àl de gaven van 'n
bekwaam en welwillend onderwijzer. Met den besten wil reiken de krachten van
één persoon niet toe, om te voldoen aan 't geestelijk opzuigingsvermogen van
dertig, veertig kinderen. De geplaagde meester is wel genoodzaakt 'n
onkritisch watersoepje van dorre feiten voor te zetten aan zooveel hongerige
magen en ik mag 't den man niet kwalijk nemen dat hij zich zo bruusk van de
zaak afmaakt. Alle waar is voor z'n geld. "Absolvo".
Voor mij staat als ik een keuze moest doen
- ik beken dat die keuze heel bezwaarlijk is - den derden bundel Ideën
bovenaan. Die prachtige onovertroffen voordracht over Vrije Studie, door hem
kort en toch volledig bepaald als "het onbelemmerd streven naar waarheid",
bevat alleen zulk een schat van waarheden en waarnemingen, dat men jarenlang
genoeg aan heeft en dat men telkens bij 'n hernieuwde lezing steeds weer
getroffen wordt door iets anders, iets nieuws. Ook deze verdient
afzonderlijk te worden uitgegeven, al is voorzien van de noodige noten of
opmerkingen, opdat de inhoud ervan doordringe in den wijdsten kring van
menschen.
"Studie der
Natuur, als hulpmiddel tot vrijheid van studie? Ja. Het
zijn liegt niet. Wie de wetten van het zijn nagaat - ik gebruik
hier het woord wetten bij-benadering: er is geen: opdat,
alles is: omdat! - zeilt den stroom der vooroordelen dood.
Het voortdurend opsporen van de oorzaak
der dingen - het rerum cognoscere causas 1), waarin de latijnsche
dichter het geluk zocht - maakt ons van lieverlede toegankelijk voor
préconceptiën 2) der would-be geleerde fakulteiten, en geeft ons
weldra zekere hebbelijkheid om te onderscheiden wat inderdaad is,
geweest is en blijven zal, en wat in de termen valt van
gelegenheidswaarheid, volksvooroordeel, modegeloof en biologie."
We willen niet zeggen, dat deze denkbeelden
van Multatuli zooals men zegt, "een spekje voor ieders bekje", neen men moet
er zich inwerken, men moet er in groeien, maar heeft men eenmaal zoover
gebracht, dat zal men niet zoo gemakkelijk wezen om terug te vallen in de
gelooverij en allerlei vooroordelen en dat zal de schoonste beloning zijn
voor zijn werken.
Een ketter was hij op
koloniaal gebied.
Ja, op dit gebied bovenal. Als Indisch
ambtenaar kwam hij het eerst in zijn jonge jaren in aanraking met de
Indische maatschappij. En wat hij daar zag en ondervond van de zijde der
Nederlanders tegenover een zacntzinnige bevolking, dat vervulde hem met
afkeer en walging. Voor hem is en blijft de hoofdzaak dat men de Javaan niet
bestele, niet uitzuige, niet vermoorde. De heele kwestie over Vrijen arbeid
of Kultuurstelsel, waarover geheele boekdelen vol geleerdheid zijn
geschreven, was voor hem geen kwestie.
Alweer begint hij met de zoo menschkundige
opmerking, dat "de geschiedenis ons leert dat overal waar groote bewegingen
voor de deur stonden, de leiders der algemeene belangen zich beijverden
bijzaken voor-op te schuiven, om de aandacht der Natiën af te trekken van de
hoofdzaak. Dit noemen kleine bestuursmannen: Kunst van regeeren."
Voor hem is de ware vraag van den dag:
Wordt de Javaan mishandeld?
Zal hij dit voortdurend verdragen?
Wat moet er gedaan worden om een eind te
maken aan die mishandeling?
En daarmee hebben allerlei stelsels en
principes niets te maken.
Multatuli heeft in Indië gruwelen gezien
onder Gouverneur-Generaals van allerlei kleur, gruwelen waarmee het
Kultuurstelsel niets had uit te staan.
De behouder heeft den liberaal te dien
opzichte al evenmin iets te verwijten als de liberaal den behoudsman. Immers
het is in één woord diefje en diefjes maat.
Altijd wordt er geklaagd over de luiheid
der Javanen.
Terecht zegt Multatuli: de Europeaan
beginne met hem niet te bestelen, niet uit te zuigen, niet te vermoorden en
dan zal na eenigen tijd blijken of de Javaan vrijwillig wil arbeiden.
Eigenlijk is ook de zoogenaamd vrije arbeid
een leugen, onzin of wie zal durven beweren dat in Europa vrije arbeid
bestaat voor duizenden produktieve arbeiders, die alles voortbrengen wat er
voortgebracht wordt?
Met leugen wordt de Staat geregeerd en "zoo
waarlijk ik veel gedragen heb (Multatuli), zegge ik u, daar is verrotting in
den Staat, en de naam van die verrotting is leugen!"
Het ligt 'm niet in de wetten, het stelsel,
maar in de toepassing ervan, die zooveel te wenschen overlaat. Men maakt van
alles kwestiën, politieke kwestiën in Nederland en dan persiffleert hij dit
op kostelijke wijze door het verhaal van den heiligen Dionysius. Er ontstond
namelijk in zeker land een geduchte agitatie, waardoor vaders haatten en hun
zoons onterfden, waardoor vrouwen haar echtgenoten verlieten, waardoor
winkeliers hun toonbank en geldlâ... verlieten, neen zo erg was het nog
niet.
De grote strijdvraag liep hierover: òf
de heilige Dionysius na z'n dood gewandeld heeft met z'n hoofd onder den
rechterarm of onder den linkerarm, totdat er eindelijk een eenvoudig man
optstond in 't land, die persoonlijk niet geacht was en deze zei tot het
volk, dat Dionysius na z'n dood helemaal niet gewandeld had, dus z'n hoofd
niet had genomen onder den arm, noch onder den linker- noch onder den
rechter-arm. Maar het volk gooide dien man met vuil, allen deden daaraan
mede, tot zelfs de winkeliers, die ditmaal geldlâ en toonbank verlieten.
Maar toen hij een stoel nam en het volk zei, dat Dionysius hem in den droom
was verschenen en allen groette en zelfs hem gezegd had, dat hij ter
voorkoming van na-ijver tusschen z'n beide armen, na z'n onthoofding z'n
lichaam genomen had tusschen de tanden en zóó is voortgewandeld, toen werd
hij toegejuichd en bekranst en elkeen was tevreden, behalve sommigen, die in
gewicht en aanzien en persoonlijke geachtheid ietwat verloren hadden.
Indedaad daar zijn heel wat
rechter-linkerkwesties in+ de wereld, die zoogenaamd opgelost worden door
iets wat bijna nog ongerijmder, in elk geval even dwaas is.
Maar Nederland heeft behoefte aan geheel
andere zaken dan politieke kwestiën en een oorlog met Atjeh. En is het
alweer niet treffend dat toen niemand onzer nog het bestaan kende van
Atjeh, Multatuli de man was die het volk
waarschuwde dat Nederland bezig was oorlog te stoken tegen dat rijk onder
voorwendsel dat het zich schuldig maakte aan zeeroof? Alsof ons hele
Indische bezit uit iets anders bestond dan in roof!
Van hem is dat gevleugelde woord: Van Atjeh
begint de nederlaag! en als men weet hoe dat dappere kleine volk nu al meer
dan een dertig-jarigen oorlog voert tegen Nederland, dan zou men tot de
meening overhellen dat deze profetie alle kans heeft bewaarheid te worden.
Ondanks alle zegepralen en pacifikaties blijft de toestand vrij wel
dezelfde. Waarschuwend liet hij zijn stem horen in zijn
Brief aan den Koning.
Maar de liberalen waren voor vrijen arbeid
en nu werd Multatuli ingedeeld bij de behoudslieden, omdat hij niet door dik
en dun met hen meeging. Toch was dit niet het geval. Hij echter, die zich
niet liet indeelen bij eenige partij, maar vrij man wilde blijven, hij
beweerde dat de bepalingen zoo slecht niet zouden wezen, als ze maar
gehandhaafd werden. Dit gebeurde niet en daarom was de Havelaars-zaak geen
strijd tegen de wet, maar 'n strijd tegen het verkrachten van
de wet.
Niet te erg - zoo luidde het van alle
kanten en men wilde blijven mishandelen, mits het niet te erg was.
Geen wonder, roept Multatuli, als men het
te erg deed, was het gauw gedaan met de koffie.
Het gezagstelsel wordt beschouwd als een
noodzakelijk kwaad, maar om te laten bestaan, moest er getemperd worden door
allerlei maatregelen van voorzorg: niet te erg!
En nadat hij de volgende stelling had
neergeschreven:
"vrijwillige arbeid is wenschelijk, het
is ongerijmd vrijen wil te dekreteren bij de wet, het is even ongerijmd te
redeneeren, te diskussieeren, te parlementeeren over - onverschillig, vóór
of tegen zulk een wet,"
laat hij die allergeestigste persifflage
volgen op het parlementarisme, gelijk men deze aantreft in de brochure Over
Vrijen Arbeid in Nederlandsch Indië, blz. 59 en vlg.
Verpletterender requisitoir tegen dat
stelsel kan moeilijk worden opgemaakt, maar tegelijkertijd hoe geestig gaat
hij hierbij te werk, zoodat zelfs een kind schier het totaal onvoldoende,
het ongerijmde en belachelijke ervan kan inzien. Niettemin weet de
deskundige dat het hier geen charge is maar de zuivere waarheid weergeeft.
Een ketter was hij op
kunstgebied.
Ook op dit gebied, waarop zoo bizonder
geliefhebberd wordt heeft hij meedogenloos kritiek uitgeoefend op zoveel
laag-bij-den-gronds, dat mooi wordt gevonden, op zooveel misvorming, die met
alle geweld als kunst wordt ondergeschoven.
"Ik ben geen kunstenaar", zegt hij elders
en wij begrijpen dat gezegde, als wij nagaan wie al niet als zoodanig worden
geprezen en gehuldigd. Juist omdat hij kunstenaar was in alle vezels van
zijn wezen, juist daarom kon hij dat geknutsel niet verdragen en was hij
bevreesd in het gild van zulke kunstbroeders te worden opgenomen.
"Kunst is een godin en de éénige" - zegt
hij elders. Wel een bewijs hoe hoog hij tegen haar opzag. Vosmaer getuigde
dan ook van hem "hij is kunstenaar, maar dat woord betekent niet akrobaat op
de gespannen frase, noch kwakzalver met valsche verf, noch hofraad met
conventioneel gebaar, noch sybariet met de pen."
Hoe nam hij Thorbecke in de maling, omdat
deze eens in de Kamer beweerde dat "Kunst geen regeeringszaak was". Wel,
antwoordde hij, als dat waar is wordt 't regeeren gemaakt tot 'n kunstje.
Want "geen kunst - dat noem ik: niet kunnen; geen wetenschap - dat
noem ik: niet weten; geen wijsbegeerte - dat noem ik: niet willen
weten; geen poiesis - dat noem ik niet maken, niet scheppen, niet
voortbrengen, dat noem ik onvruchtbaar zijn."
Maar hij maakte een groot onderscheid
tusschen Kunst en Kunst en terwijl hij den beoefenaar van de eene soort een
kunstenaar zou noemen, noemt hij dien van de andere kant niet met hetzelfde
woord - hij zou dit zelfs dan een ontheiliging achten - maar met het woord
kunstemaker.
En ja, van dat soort zijn er zoovelen,
terwijl de ware kunstenaars dun gezaaid zijn. Voor hem is artist, dichter,
wijsgeer in zeer hooge opvatting alles één. O, hoe zou hij den geesel der
satire zwaaien tegen al die hedendaagsche woordknutselaars, die zich
woordkunstenaars wanen en door zichzelven en hun vriendjes op een voetstuk
gezet worden, als voerde men nogmaals het stuk van Scribe op, waarin deze de
wederschzijdse bewondering de kunstenaarskliek naar behooren geeselt! Ziet
dat zijn menschen die niets te zeggen hebben, veelal omdat er niets in zit
en die toch maar boeken regenen laten. Gelukkig dat zij even spoedig
verdwijnen als zij verschijnen, ware ééndagsvliegen, die het papier niet
waard zijn waarop ze gedrukt worden. En dezilken hebben bovendien nog den
moed om met zekere genadig-neerdalende goedheid, met medelijdende genade
Multatuli te behandelen. Daar is wel wat moois in - zoo heet het dan,
maar... en dan komt er een stortvloed van woorden, die eigenlijk ten doel
heeft dat mooie nog zooveel mogelijk af te kammen. Toch durven wij
verzekeren, dat als zij allen reeds lang verdwenen en vergeten zijn, als hun
romans en verzen en toneelstukken gebruikt worden als scheurpapier of
vergaan tot pulver - gelukkig dat het papier zo slecht is, dat dit proces
zelfs zonder kinstmiddelen voltrokken kan worden - Multatuli zal schitteren
als een zon aan den letterkundige hemel, die verlichtend en verwarmend zijn
stralen uitschiet over de geheele wereld, ja zoolang er een menschenwereld
bestaat, zal zijn naam worden opgegeven in de rij der geestesheroën, wier
waarde steeds zal stijgen naarmate men zich de moeite geeft dieper door te
dringen in zijn geest.
Men neme de proef slechts.
Eens gebeurde het mij dat ik, bij
uitzondering, tweemalen in één week den schouwburg bezocht. De eerste maal
was het de opvoering van een der hedendaagsche stukken, soms aardig in
elkaar gezet maar zonder veel inhoud, die een indruk achterlaat, en de
tweede maal gold het
Vorstenschool van Multatuli, die weer eens werd opgevoerd.
Ziet, toen gevoelden wij het diepgaande
onderscheid, want ofschoon meermalen een opvoering gezien hebbende, trof zij
mij - was het misschien juist door de tegenstelling? - zoo sterk,dat ik bij
mijzelven zeide:dat is toch heel wat anders, het is 't onderscheid tusschen
voedzamen kost en allerlei zoete toespijzen.
Juist omdat Multatuli zulk een hooge
opvatting had van de kunst en in het lied van Albert in de Vorstenschool
noemt "een kracht, uit hooger kracht gesproten", een "gloed die alles kleurt
en 't laagste hoog maakt", juist daarom had hij wel een afkeer van al dat
kunstmatig gedoe, dat zich wel tooit met den naam van kunst, maar niettemin
niets daarmede gemeen heeft dan hoogstens den naam.
En klonken zijn denkbeelden dan ook als
zoovele ketterijen op dit gebied, ook nu zal blijken, hoe de reiniging van
den Augiasstal door dezen Herkules begonnen is met al de kracht, waarover
hij beschikte. Alweer daardoor maakte hij zich vele vijanden evenals hij dit
deed op ander gebied, want allen die voordeel trokken ut het bestaande en
dus hun belangen aangetast zagen, zij vereenigden zich om gezamenlijk dien
nieuwigheidskramer, dien afbreker ten onder te brengen. Dit gelukte tot op
zekere hoogte, maar evenals de Phoenix op nieuw uit zijn asch verrees,
evenzoo ging het Multatuli, die na gedood en onmogelijk gemaakt te zijn weer
opstond, om zijn licht te doen schijnen over de menschheid.
Ja, de Ketter zal leven, als de
Kettermeesters reeds lang van het tooneel verdwenen zijn en de namen van al
de grootheden reeds lang zijn vergeten, die het hunne deden om hem het leven
zooveel mogelijk te verbitteren en te vergallen.
Een ketter was Multatuli gedurende zijn
leven, maar een geestesheros zal hij zijn in latere tijden. De plaats door
hem ingenomen is zoo enig dat men niet weet waar hem te zetten. Toen zijn
broeder den toenmaligen minister van koloniën Rochussen dringend verzocht
Multatuli weer als ambtenaar naar Indië te willen zenden, toen luidde het
antwoord van den minister, dat "Multatuli alleen geschikt zou wezen voor de
betrekking van Inspekteur van misbruiken en verkeerdheden in de kolonie" en
daar die betrekking niet bestond, kon de mbister hem niet gebruiken.
Als grap bedoeld schuilde in dat gezegde
een diepe ernst en tevens een hoogschatting van den persoon, wiens
onkreukbaarheid en rechtvaardigheid in zijn oogen zoo vast stonden, dat hij
voor zooiets bruikbaar was. Multatuli kon met dit oordeel tevreden zijn,
alleen kon hij er niet van leven.
Zelf noemde hij zich
een zaaier en inderdaad die naam was goed
gekozen, want onvermoeid en zonder ophouden heeft hij gezaaid en nog na zijn
dood is hij daarmee voortgegaan.
Toen ik eens las, dat wij eigenlijk over
Multatuli heen zijn, dat hij eigenlijk is verouderd, toen kon ik een
glimlach niet onderdrukken, want het wil mij voorkomen dat wij pas aan
Multatuli toe zijn, dat hij pas langzamerhand zich bezig is een plaats te
veroveren in de harten en hoofden der menschen.
Indeelen bij een partij kan men hem niet.
Hij was een zoogenaamd "wilde" in den rechten zin des woords. Hij was te
groot om partijman te kunnen zijn, hij behoort tot de soort van
"Uebermenschen", van wie Nietzsche spreekt. Als men hem den gewonen maatstaf
aanlegt dan is men onbillijk tegenover hem en zoo dikwijls als men hem
vergeeft wat men in anderen afkeurt, is men geneigd te zeggen: maar dit
geldt niet van menschen als Multatuli. In zijn ziel was hij een aristokraat
naar den geest. Aan het beste, het hoogste wilde hij de heerschappij
verzekeren en tevens was hij anarchist, hij die opkwam tegen alle gezag, ja
hij was anarchist juist omdat hij aristokraat van den geest was.
Hij hield niet van
het middelmatige, het gewone en van nature
gevoelde hij, tot het naïve toe, hoe hij een heerser was. Eens kwam dit zoo
aardig uit. Men noodigde hem uit tot een demokratisch kongres te Antwerpen.
Zijn antwoord luidde: "ik kan geen andere positie innemen dan die van een
diktator. Na de uitoefening zou ik mij terugtrekken in mijn kluis, want
eerzucht in den gewonen zijn heb ik niet. Daarvoor heb ik genoeg van de
wereld, van de zoogenaamd demokratische niet minder dan van de overige."
Verbeeldt u hoe zoo'n antwoord gewerkt moet
hebben op partijmenschen!
Het socialisme stond hem tegen en toch wie
staat bij de socialisten hooger aangeschreven dan hij? Maar dat komt omdat
hij het dwaalbegrip koesterde, als wilde het socialisme gelijkmakerij, die
hij in strijd achttte met de natuur, welke ongelijk is. Dikwijls heb ik mij
afgevraagd: hoe is het mogelijk dat een man, zoo scherp van ontleding en
denken zulk een vreemde voorstelling had van het socialisme, en ik kan
hiervoor alleen deze verklaring vinden, dat hij het socialisme alleen kende
in den vorm der sociaal-democratie en deze met al haar reglementeer en
wettenkraam stond hem tegen, hij de "tuchtelooze" bij uitnemendheid, hij kom
moeilijk vrede hebben met een stelsel, waarin de tucht (discipline) schering
en inslag was. Onze Nederlandsche soc.-demokratie is nooit zoo dogmatisch
geweest, zoo bekrompen, zoo tuchtvol als die in andere landen, maar dat
onderscheid kende hij niet, die zijn latere leven geheel in Duitschland
doorbracht. Bij zijn eerste bezoek aan mij liet hij, mij niet treffende, een
visitekaartje achter, waarop hij o.a. schreef: "geheel en al sta ik niet op
uw standpunt. Ja toch wel in oprechtheid. Dat is hoofdzaak."
Ik gevoel nu dat Multatuli en ik thans
nader bij elkander staan dan toen, want ofschoon wij elkander hoog
waardeerden en steeds in vriendschap leefden onze ideën liepen ten opzichte
van het socialisme uit elkander.
In de niet lang geleden uitgegeven
korrespondentie tusschen Multatuli en Roorda van Eysinga lees ik het
volgende:
"Ik heb medelijden met Domela
Nieuwenhuis, niet ondat-i in de cel moet, maar omdat hij in een droevige
positie is geraakt. Zijn aanhangers? Wie zijn dat? Ik heb er een hoogst
ongunstig oordeel van. Ze hebben hem aan een ketting en hij is niet de man
om zich vrij te maken. 'n Mazaniello moet eelt in de handen en op z'n hart
hebben. "En wordt toch uit den weg geruimd" zegt ge? Ja: "doorschoten als
een hond". Goed! D.N. zal niet doorschoten worden, maar ... met drek
gegooid. 't Voordeeligst voor hem is: niet te slagen. Wee hem als zijn
partij macht kreeg en er dan iets ontbrak aan 'n hemel op aarde. Als dan
de champagne niet in de riolen vloeit, zullen ze hem uitmaken voor 'n
bedrieger. Ja, die staatsalmacht van de socialisten. 't Is bespottelijk".
Hier ziet men dat het staatsalmacht is,
waaruit zijn afkeer van het socialisme voortsproot.
En als ik nu naga de behandeling waaraan ik
bloot sta van de zijde der sociaal-demokraten, dan denk ik dikwijls aan
hetgeen Multatuli mij voorspelde, n.l. dat ik door mijn zoogenaamde
aanhangers het meest met drek zou worden gegooid.
Maar dit alles neemt niet weg dat Multatuli
de man is op wiens schouder wij staan en al behoorde hij in den engeren zin
des woords niet tot ons, wij gevoelen wel bij hem te hooren, van hem af te
stammen. Zouden wij zoo spoedig ingang hebben gevonden, als hij het terrein
niet vooraf had geëffend en toebereid?
Hij was het die geen volgelingen, geen
napraters wenschte, maar bovenal zelfstandig denkende en handelende
menschen. Hij die in Pythagoras zoo afkeurde,
dat hij zijn discipelen het zweren bij den woorden van den meester niet
tegenging, hij wil allerminst dat men zweren zal bij zijn woorden. Maar wij
gevoelen aan den anderen kant, dat in veel wat wij zeggen en denken, zijn
geest voorzit en ademt.
Hoe juist drukt hij dat uit in zijn
Inleiding op de Ideën, dat heerlijke stuk
proza dat onvergetelijk blijft, wanneer men het eenmaal heeft gelezen.
Een kemelhuid om de lendenen is geen bewijs
voor de waarheid van hetgeen men zegt, maar toch mag men vorderen dat het
een aansporing moet zijn om te overdenken wat iemand gezegd heeft. Offer
wordt toch geschat boven gebrek aan offer en inspanning mag genomen worden
tot maatstaf om 't slagen te meten.
Hij die boven alles streefde
zich-zelf te zijn, hij kan ook moeilijk
wenschen dat anderen hun zelfheid zullen opgeven om naloopers en napraters
te worden en men heeft hem dan ook zeer slecht begrepen dat men dit gaat
doen.
Als een reus staat hij daar voor ons
temidden van dwergen en daar de gezichtskring
van dwergen veel kleiner is, daarom konden ze hem in al zijn grootheid niet
zien of omvatten, niet zozeer omdat zij zo bizonder klein, maar omdat hij
zoo verbazend groot was.
En als die dwergen nu op zijn schouders
staan en zegevierend uitroepen dat zij zooveel verder zien, dan komt dat
juist omdat zij op hem staan.
Ik herinner mij levendig de eerste maal dat
ik hem zou bezoeken in Nieder-Ingelheim. Niet zonder heiligen schroom
naderde ik die woning boven op den berg, vanwaar men den heerlijke Rheingau
geheel kan overzien, en toen ik daar aanschelde, klopte mijn hart bepaald
sneller. Maar de ontvangst was direkt zo echt vriendschappelijk en
hartelijk, wij voelden van beide zijden dat wij ondanks alles strijders
waren voor dezelfde zaak, strijders voor waarheid en recht.
Een kenschetsende gebeurtenis zal ik nooit
vergeten. Juist voor zijn huis aan den anderen kant van den weg stond een
zuil, waaop een prefekt had laten graveeren: "Weg van Karel den Groote,
opgericht onder de regeering van Z.M. Napoleon."
Daar zat hij bij voorkeur en ook wij zetten
ons daar neder om over allerlei zaken te spreken.
Karel de Groote - Napoleon - Multatuli!
Ik vond die kombinatie altijd treffend en
dat een put, die Karel de Groote had laten graven, volgens het zeggen hem nu
toebehoorde, dat beviel hem erg.
Nooit is de kombinatie van dit drietal mij
uit 't hoofd gegaan. Ja, Multatuli voelde dat er iets van den machtige Karel
den Groote, iets van Napoleon in hem woonde en wij aarzelen niet volmondig
te erkennen dat in onze schattting Multatuli niet de minste was van de drie,
immers hij was een Napoleon in het rijk der gedachten en zoover als dit
reikt boven elk ander gebied, zoover staat hij als held des geestes, zegen
en goeds verspreidend boven de anderen, die zoveel verderf en verwoesting
veroorzaakten.
Weet ge waarop Multatuli geleek?
Op een elektrische batterij, volop geladen
en als zoovele vonken spatten zijn Ideën tegen ons aan met een overstelpende
hoeveelheid en kracht.
Was hij niet ziek, geen zenuwlijder?
Ongetwijfeld was hij een neurasthenicus,
maar wat bewijst dit? Vermindert dit eenigszins de waarde van zijn werken?
Is tweemaal twee soms geen vier, als een zenuwlijder het zegt?
Dwaze poging om te knagen aan zijn
grootheid!
Wij denken dan aan hetgeen Quack eens zo
schoon getuigde van zijn leermeester, prof. Martinus des Amorie van der
Hoeven, die ook voor een gek werd gehouden: "De dwaasheid van dezre mensch
heeft ons meer gesterkt en goed gedaan dan de wijsheid van zoovele anderen."
Daarom, Multatuli... uw naam blijft leven
en als ik iets goeds heb verricht in mijn leven, dan dank ik dat voor een
groot deel aan den man, die als mijn tweeden opvoeder mijn leermeester en
gids is geweest op den weg naar recht en waarheid. En zoolang ik leef, zal
ik nooit in gebreke blijven de roem en den lof te verkondigen van den man,
die ondanks fouten en tekortkomingen in zijn leven getracht heeft tot
waarheid te maken het woord:
De roeping van de mensch is mensch te zijn.
Noten in 't origineel:
1) Het kennen
van de oorzaken der dingen.
2) Vooropgevatte of gestelde, aprioristische meeningen.
Nawoord:
F. Domela Nieuwenhuis begon als dominée en
eindigde als leidende Nederlandse anarchist. Hij is tegenwoordig vrijwel
vergeten, al staat er een redelijk fraai en redelijk groot standbeeld van
hem in Amsterdam.
Het hierboven weergegeven stuk van zijn
hand uit 1908, indertijd verkrijgbaar voor 10 cent, heb ik overgenomen voor
het Multatuli-deel van
mijn site omdat ik het een heel behoorlijk stuk vind
dat, anders dan vrijwel alle letterkunde die ik over Multatuli heb gelezen,
ingaat op Multatuli zoals deze zich zelf zag: Als maatschappelijk hervormer,
als radikaal filosoof, als man van ideeën en waarheid, als humanist, als
voorstander van wetenschap, als tegenstander van religie en bijgeloof, en
als verlicht denker over tal van maatschappelijke, menselijke en
filosofische vragen - en niet als Nederlands Literator, alleen
belangrijk omdat hij Nederlandse Literatuur schreef die tot de verplichte
kost behoort in het VWO (of ooit behoorde - immers:
het onderwijs is de
afgelopen 40 jaar in Nederland buitengewoon verslechterd over àlle linies)
en voornamelijk als voertuig en materiaal dient voor scripties en promoties
van neerlandistieke letterkundigen, op weg naar inkomens, bekendheid en
aanstellingen.
Ik geloof niet dat het veel zin heeft
Domela's stuk uitgebreid te annoteren of becommentariëren, maar ik wil wel
een paar aantekeningen en opmerkingen maken.
Om te beginnen is het de moeite waard
indien de lezer, het stuk gelezen hebbende, en overwegende dat het
feitelijk van de hand van een Nederlands politicus stamt, al was het ook een
anarchist, zich afvraagt of hij uit de laatste honderd jaar enige
publicaties van politici kent die een enigermate ingewikkeld onderwerp, dat
enige studie vergt, zo goed behandelden, in leesbaar en helder Nederlands.
Ikzelf zou niet weten van welk Nederlands politicus van de laatste 100 jaar
dit gezegd kan worden, al hebben enkelingen daaronder zich wel eens in een
eigenhandig geschriftje of boekje tot het publiek gewend.
Vervolgens: Domela is behoorlijk genereus,
en geeft tegelijkertijd aan waarom Multatuli zo hoog geacht werd door nogal
wat van zijn tijdgenoten, ook indien ze het regelmatig niet met Multatuli
eens waren. Immers: Hij schreef zo goed; hij zette zovelen aan het denken;
en hij behandelde zo véél problemen, vraagstukken, opvattingen en
onrechtvaardigheden, alles alweer niet met het doel een gevierd Neerlands
Literator te worden, maar met het doel Nederland en Nederlandsch-Indië te
hervormen.
En omdat Multatuli uitgebreid schreef over
godsdienst, politiek, de zeden, de maatschappij, het onderwijs, de
kolonieën, en kunst is het prettig eens een niet-letterkundige te hebben
gevonden die zelf ook iets voorstelde, zowel als persoon als
maatschappelijk, en die althans ingaat op vele onderwerpen die
Multatuli publiek en gewoonlijk in schitterend levend Nederlands aan de orde
stelde - in plaats van overwegend, als een Nederlandse letterkundige, waar
van Multatuli sprake is alléén de Max Havelaar te behandelen en wat
letterkundige of persoonlijke kritiek op Multatuli te vermelden, met
voorbijgaan aan de grote meerderheid van zijn inderdaad vaak ketterse ideeën
over allerlei onderwerpen die alle denkende Nederlanders aangaan, en geen
Nederlander in zulk fraai Nederlands behandeld heeft.
Misschien is het echter wel dienstig iets
te zeggen over enkele misvattingen van Domela, en wel vooral over die uit de
laatste sectie van z'n stuk, voorafgegaan door een opmerking over de citaten
die Domela gaf.
Ik heb links geplaatst bij redelijk wat
citaten die Domela gaf, en wie ze nakijkt zal zien dat in het stuk zoals ik
het vond veel citaten onnauwkeurig zijn, en trouwens ook dat Domela herhaaldelijk iets presenteert dat het midden houdt tussen citaat en
samenvatting.
Domela noemt terecht Nietzsche, ook een
filosofisch schrijver met een zeer fraaie stijl, en noemt ook het begrip
"Uebermenschen", dat zo een bijzonder slechte roep kreeg nadat het gestolen
was door de Duitse nationaal-socialisten - die zelf toch veel meer, ook
volgens Nietzsche en Multatuli, hadden ze ervan geweten, tot het tegendeel
van "Uebermenschen" behoorden. Maar Domela schreef in 1908, en kon niet
weten welk misbruik er van Nietzsche en het begrip "Uebermenschen" gemaakt
zou gaan worden.
Ook noemt hij Multatuli een "anarchist", en
probeert hem op deze manier naar zichzelf toe te trekken, en sympathieker te
maken voor z'n eigen volgelingen. Maar dit is toch echt een misvatting of
misrepresentatie, want Multatuli was nooit een anarchist in enige
gebruikelijke zin van dat woord.
Het is overigens interessant om te zien dat
Multatuli scherper het voornaamste gevaar van het
socialisme onderkende dan
Domela, namelijk de staatsalmacht van een socialistische staat, en de daar
vrijwel zeker mee samengaande dictatuur, al is het waar dat Domela zelf ook
een tegenstander was van een dergelijke socialistisch staatsalmacht, en
onder andere daarom anarchist was.
Dan een opmerking over Multatuli's zo
genoemde "neurasthenie", waar iets voor te zeggen valt, en waar een verhaal
achter steekt.
Het verhaal is dit. Rond 1862 had Multatuli
een flinke tijd een verhouding met zijn veel jongere nichtje Sietske
Abrahamsz. De verhouding gaf mede aanleiding tot "Minnebrieven",
veroorzaakte overigens een behoorlijk schandaal, en maakte Multatuli's
maatschappelijke positie veel moeilijker. Sietske had een jongere broer,
Theo, die het rond 1862 goed kon vinden met Multatuli, maar in 1888
ondertussen medicijnen had gestudeerd, carrière had gemaakt, en het zijne
over Multatuli wilde zeggen, na diens dood in 1887, en daar een boekje over
open deed getiteld "Eduard Douwes Dekker (Multatuli) Eene
Ziektegeschiedenis".
De medische oordelen van deze dokter
("neurasthenie" e.d.) kunnen gevoegelijk onbehandeld blijven, ingegeven als
ze waren door familie-twist en reeds lang verouderde medische ideeën, maar
het is ongetwijfeld wáár dat Multatuli - afgezien van wat hem verder medisch
scheelde, zoals kennelijke manische depressiviteit en asthma - een bijzonder
zenuwachtig man geweest moet zijn. Dit wordt ook door diverse van zijn
vrienden en bewonderaars opgemerkt die hem persoonlijk meemaakten, en wordt
mijns inziens niet voldoende behandeld in de biografieën van Multatuli die
ik las, zoals van Hermans en Van der Meulen.
Omdat het boekje van Multatuli's neef nogal
wat stof had doen opwaaien 20 jaar eerder, en veel gebruikt werd om
Multatuli af te breken - op de toon van: "Kijk wie het zei - een
zenuwlijder!" - is het redelijk dat Domela er op in gaat aan het eind
van zijn stuk, en wat hij in dit verband zegt lijkt me overwegend terecht.
Overigens lijkt me Multatuli's
zenuwachtigheid (hij was zeer bewegelijk, met veel nerveuze gebaren, sprak
snel, en was opvliegend, onder andere) meer van belang voor zijn eigen
toenmalige maatschappelijke kansen dan voor het tegenwoordige of latere
oordeel over hem, dat zich vooral moet baseren op wat hij schreef.
Maar Domela's appreciatie van Multatuli
lijkt me overwegend terecht, en inderdaad was Multatuli een "ketter bij
uitnemendheid": Een nee-zegger, een zelfstandig denker en beoordeler, een
maatschappelijk hervormer, een radikaal filosoof, een man van ideeën en van
waarheid, een humanist, een voorstander van wetenschap, een tegenstander van
religie en bijgeloof, een verlicht en begaafd denker over tal van
maatschappelijke, menselijke en filosofische vragen, en overigens ook nog
wat hem in Nederland al ruim 140 jaar bekend houdt, een heel groot
schrijver.
Tenslotte zijn er twee andere redenen om in
Multatuli geïnteresseerd te zijn, ook als men het met veel van zijn ideeën
en idealen niet eens is, die bijvoorbeeld voor mijzelf gelden.
Eén reden is dat Multatuli het beste
voorbeeld is van een genie in Nederland waar ik weet van heb. Wat ik daar
mee bedoel heb ik kort toegelicht in mijn commentaren bij de ideën
75 en 77, en
een commentaar bij Vorstenschool.
Er zijn maar héél weinig van dergelijke mensen, en hun bestaan is zeer
omstreden onder de miljoenen die Nederlander en géén genie zijn, maar het is
vanwege dergelijke individuen dat een maatschappij, wetenschap, religie of
moraal radikaal kan veranderen in korte tijd.
De tweede reden hangt met de eerste samen:
Omdat Multatuli door zovelen terecht voor iets bijzonders is gehouden
gedurende lange tijd, is er ondertussen meer van hem bekend en over hem
gedocumenteerd dan over ieder of vrijwel ieder ander 19e-eeuwse Nederlander,
zodat wie een studie wil maken van Nederland in de 19e eeuw of van
Nederlanders of de Nederlandse cultuur of literatuur in de 19e eeuw, in
Multatuli en het materiaal over hem (vooral maar niet alleen in de delen
VIII-XXV van de VW uitgegeven door Van Oorschot) de beste ingang daarvoor
heeft.
Maarten Maartensz
Amsterdam
4-5 juni 2006