CV 

van

drs. Maarten Maartensz

hiertoe verplicht door
B&W van Amsterdam

Zie ook:

Filosofisch - Logisch -  Medisch - Politics - Nedernieuws - Nederlog

Philosophical Dictionary

Overzicht

Site: http://www.maartensz.org


Secties van CV

De bovenstaande c.q. volgende link - Secties van CV - geeft een overzicht van de secties van dit CV, met specifieke links. De link Overzicht betreft ME in Amsterdam als geheel, inclusief CV.

De lezer kan ook direkt beginnen met ME in Amsterdam : .

Wat hieronder volgt is het eerste deel van mijn CV, dat overwegend als inleiding, achtergrond en context kan worden beschouwd voor ME in Amsterdam : .

NB: Er staan veel links met evenzovele dwarsverbanden in ME in Amsterdam, dus om alles te kunnen lezen moeten u ofwel on line zijn ofwel anders alles uit ME in Amsterdam neerladen:

  • Zipversie ME in Amsterdam

Dit geeft in het daarin bijgesloten AALEESMIJ.TXT een installatie-handleiding, en een copyright claim.

 

 



CV
van
drs. Maarten Maartensz
hiertoe verplicht door
B&W van Amsterdam 
 

Motto

"Ah me! alas, pain, pain ever, forever!

No change, no pause, no hope! Yet I endure.
I ask the Earth, have not the mountains felt?
I ask yon Heaven, the all-beholding Sun,
Has it not seen? The Sea, in storm or calm,
Heaven's ever-changing Shadow, spread below,
Have its deaf waves not heard my agony?
Ah me! alas, pain, pain ever, forever!
"

                                  (Shelley, "Prometheus Unbound")



 

 

----

+ site, Multatuli etc.
+ Pampus

Check journaal en MEinAdam.

Enkele konklusies


Ik ben geboren in 1950, en sla de eerste vijfentwintig jaar van mijn leven over, in dit CV, als dat mag van B&W - van Amsterdam, mij geheel niet genegen, vanwege mijn "uitgesproken ideeën", zoals de lezer uit kan vinden in ME in Amsterdam.

Ik begint dus maar hier, in het vijfentwintigste jaar van mijn leven, mens sano, corpore sano, en tamelijk romantisch, maar niet in Nederland:

1975 Noorwegen 
  Sinds 1 januari 1975 woon ik in Noorwegen, met een Noorse vriendin, eerst in een blokhut in Dovre, en later in een fraai huis in Lom. Zij werkt als onderwijzeres en journaliste, ik als boerenknecht en chauffeur.

Noorwegen is een schitterend land, en wij wonen en verblijven er zeer aangenaam, maar ik wil studeren, als het kan filosofie, psychologie en wiskunde, omdat ik vooral geïnteresseerd ben in menselijk redeneren en alles wat daarmee samenhangt, en daarover sinds mijn 17e zeer veel gelezen en geschreven heb - overigens zonder te publiceren (al had ik wel wat interviews gepubliceerd in 1971).

 

1975 Staatsexamen 1
  Ik was van de HBS gewerkt al had ik wel een diploma 3-jarige HBS, had een paar jaar avond-gymnasium bèta gedaan, dat gestrand was in de eind zestiger jaren commoties en tijdsgebrek, want ik werkte ook hele dagen, en had besloten een staatsexamen VWO te doen, als snelste weg om de universiteit te mogen beginnen.

Een en ander was al eind 1974 geregeld, maar ik was verhuisd naar Noorwegen, werkte als boerenknecht, en moest invallen in de tijd van het staatsexamen, wat ik tijdig liet weten met een aangetekende brief, en rekende op snel antwoord, en een examen ergens in de zomer, want die mogelijkheid bestond.

Ruim drie weken later, na het verloop van de datum van het staatsexamen, kreeg ik een onaangetekend flodderbriefje namens de coördinator ervan:

"Als u niet aanwezig was, bent u gezakt."

Ik wist het nog niet, maar dit bleek het begin van een uniforme behandeling van mij door Nederlandse ambtenaren in de komende meer dan dertig jaren.

 

1976 Staatsexamen 2 en Studiefinanciering
  In 1976 probeerde ik het noodgedwongen dus weer - en NB dat dit geld (inschrijvings-kosten, reis- en verblijfskosten) en tijd kostte, ook in 1975) - en deed staatsexamen, schriftelijk in Amsterdam, in de lente, en, omdat dit niet aansluitend mocht, opnieuw met diverse duizenden kilometers reizen, mondeling in Den Haag, in de zomer.

Daarom bevond ik me hartje zomer voor de tweede keer in een paar maanden - na diverse dure duizenden kilometers reizen - voor een paar uur mondelinge examens in Den Haag, in een oud schoolgebouw, met redelijk veel andere examen-kandidaten in dezelfde positie, maar zonder zo lang en zo duur te moeten reizen.

Ik stond feitelijk te wachten in een hal met tientallen anderen, tegenover een jonge vrouw die duidelijk op was van de examen-zenuwen - wit gezicht, gebijt op de lippen, gefriemel met de handen, diep zuchten - toen er een paar meter verder een deur openging waaruit een grote dikkige ca. zestigjarige man kwam die zodra hij haar zag tegen haar uitviel op boze toon dat ze zich niet zo moest aanstellen, zich moest gedragen, en niet moest denken dat geposeer haar voordeel bood bij het examen.

Ik hoorde dat aan, tikte meneer op de schouder - ik ben 1.95 en was in blakende fysieke gezondheid - en vertelde hem dat als hij niet onmiddellijk doorliep en z' mond hield ik hem de hal zou uittrappen om hem manieren te leren.

Hij deed dat, na mijn gestalte bemeten te hebben, en bleek een paar uur later één van mijn twee gecommiteerden voor Engels te zijn. De ander was een veel jongere Hagenees, die een soort Engels met zwaar Haags accent à la Jan Pronk en Ruud Lubbers te spreken:

"Wie hef spoken toe dem ent nauw duh bal lijs in der korner"

De oudere gecommiteerde sprak beter Engels en had de leiding, maar kon mij op geen enkele fout betrappen, want mijn Engels was veel beter dan het zijne (wat niet zo vreemd is wat ik sprak op dat moment al vijf jaar nauwelijks anders, en had in Engeland gewoond).

Mijn schriftelijk Engels moet een 10 gehad hebben, want het was voor mij kinderlijk eenvoudig. Mijn eindcijfer voor Engels bleek een 8, zodat ik voor mijn mondeling een 4 of 6 moet hebben gekregen.

Ook liet men mij wachten tot de allerlaatste kandidaat zijn diploma was uitgereikt - viereneenhalf uur verder - om mij uiteindelijk te vertellen

"Ook u, muhneer, moeten wij een diploma uitreiken"

Wat ik toen niet doorhad was dat een en ander een 100-karaats voorbeeld was van hoe het in ambtelijk Nederland toegaat.

 

1977 JordbruksavlØysar
  Tot mijn aanzienlijke verbazing - want ik ging er tot dan vanuit dat ik een typisch theoretisch mens was - vond ik het boeren-bestaan prettig, al was het werk zwaar, en de nood om 's ochtends voor vier uur onder de koe te zitten voor het melken voor een avondmens als ik vermoeiend.

Maar ik kon het fysiek goed aan, was overigens ook zeer fit, en in staat tot lange ski-lauf avonturen en bergbeklimmingen, en mijn vriendin en ik dachten erover een boerderij te beginnen, met geiten, dat interessanter dieren dan koeien zijn.

In 1977 haalde ik het diploma Middelbare Landbouwschool, dat mij formeel kwalificeerde als Jordbruksavloysar, zegge veeboeren-aflosser: het vervangen van een boer die ziek is of met vakantie wil. Dit betekende dat je in staat moest zijn op zelfstandig een veeboerderij draaiende te houden, met 15 à 25 koeien.

Mijn vriendin en ik hadden dergelijk werk ook gedaan, met geiten en met koeien, het laatste o.a. in 1975, op een zogeheten saeter of zomerboerderij, op 1600 meter hoogte boven Dombas, en het halen van het diploma viel me niet moeilijk, omdat ik het werk praktisch al deed en kon, en het theoretisch niet moeilijk was, en overigens - over veevoeding en veeziektes - interessant.

 

1977 Studentenhuisvesting
  Maar ik wilde aan de universiteit studeren, en hield mijzelf toen al voor een logisch filosoof, die in de eerste plaats in menselijk redeneren was geïnteresseerd, en in logica, neuro-wetenschappen, psychologie en wiskunde.

Mijn Noorse vriendin had gestudeerd - sociologie en Nederlands - en was afgestudeerd. Ik had een heel goede mogelijkheid in Oslo te kunnen studeren, maar kende daar niemand, terwijl het vooral in de winter een sombere stad is, waar mijn vriendin liever niet woonde.

Ik had dus, ruim op tijd, schriftelijk vanuit Noorwegen, met de Stichting Studentenhuisvesting van de UvA, als remigrant een studentenwoning geregeld, op papier.

Eenmaal gearriveerd in Nederland bleek de Stichting Studentenhuisvesting - SSh - haar woord niet te hebben gehouden: Er was geen studentenwoning; ik moest intrekken bij mijn ouders; en mijn vriendin bleef in Noorwegen.

 

1977 Studiefinanciering
  Ik had, feitelijk al in 1975, hernieuwd in 1976, studiefinanciering aangevraagd, en toegekend gekregen.

Maar in 1976 werd mij de kans staatsexamen te kunnen doen ontnomen, zodat ik het opnieuw moest aanvragen voor 1977.

Dit werd mij toegekend, maar toen ik eind juli 1977 in Nederland arriveerde was er geen studiefinanciering, en die kwam in augustus ook niet. Ik deed eerst wat uitzendwerk, maar moest toen beginnen met studeren als eerstejaars, en vroeg dus bijstand aan omdat ik ergens van moest leven. Aangezien de Amsterdamse ambtenarij dat ook kon inzien kreeg ik bijstand totdat mijn studiefinanciering rond zou zijn.

Dat duurde tot november, toen ik eerst drie maanden studiefinanciering uitgekeerd kreeg; toen een brief dat dit alles geen beurs was, maar 100% lening,

"omdat u 27 bent en te oud bent voor een beurs"

en vervolgens een brief dat mijn studiefinanciering ingetrokken werd,

"omdat u bijstand ontvangt"

(wat geheel onwaar was: ik heb onmiddellijk mijn bijstand, die per week werd uitgekeerd, opgezegd toen ik geld van Studie-financiering kreeg, half november).

Excuses of verklaringen voor een en ander kreeg ik nooit, niet van Studiefinanciering en niet van de bijstand.

Feitelijk was al het geld dat ik uitgekeerd kreeg tijdens mijn studie - minder dan de bijstand die junken ontvingen voor niets doen en zich volspuiten - een lening, en geen beurs.

 

1978 Moet studie beëindigen
  Ik kreeg ook in december een deurwaardersbedreiging dat ik de studiefinanciering met onmiddellijke ingang moest terug betalen, en moest vanaf januari 1978 mijn studie filosofie die ik begin september 1977 begonnen was stoppen, en gaan werken om te mogen overleven in Nederland.

 

1978 Kohnstamm-instituut
  Ik vond snel werk als uitzendkracht bij het Kohnstamm-instituut, gevestigd in een Amsterdams grachtenpand, en gewijd aan Wetenschappelijk Empirisch Psychologisch Onderzoek het Onderwijs betreffend.

Dit

"Empirisch Psychologisch Onderzoek"

nam de vorm van zeer vele zeer dure, door regerings-subsidies betaalde, vragenlijsten aan leerlingetjes van het lager onderwijs, waarin de Wetenschappelijke Onderzoekers, onderzochten hoe de dominantie- en interactie-karakteristieken waren, in de Neerlandse lagere schoolklasjes.

Ik mocht dat en dergelijk onderzoek prepareren voor de computer. Dit was vrijwel mijn eerste feitelijke blootstelling aan De Wetenschap der Psychologie, in de empirische praktijk, maar ik wist al redelijk wat van statistiek, methodologie en wetenschapsfilosofie, naast psychologie-boeken, en wat me onder ogen kwam aan het Kohnstamm-instituut kwam me voor als kwasi-wetenschap.

De strijdkreet van de wetenschappelijk medewerkers van het instituut, die kennelijk ongeveer even veel van statistiek begrepen als ik van Chinees was

"We gooien er gewoon een chi-kwadraatje over!"

(dan kwam er gewoonlijk wel iets uit dat "significant op alfa-niveau .95" verklaard kon worden, ganz und gar wissenschaftlich-mathematisch), en dat was dan dat.

Maar het betaalde de wetenschappelijk medewerkers heel goed, en mij minimalistisch maar wettelijk voldoende om van in leven te blijven.

 

1978 Herbegin studie filosofie, begin studie psychologie
  Mijn Noorse vriendin en ik besloten uit elkaar te gaan, en ik vond snel een aantrekkelijke Nederlandse vriendin, die psychologisch assistente was bij de Jellinek-kliniek, en zich daar nogal verveelde met het afnemen van psychologische testen, en wel eens wilde weten waar die op gebaseerd waren.

We besloten te gaan samenwonen en in september 1978 beide  aan de studie psychologie te beginnen.

 

1978 Studiefinanciering: 20 jaar lang deurwaardersbedreigingen
  Aldus gebeurde, en ik begon ook weer met filosofie. Ook kreeg in weer een Studielening, want ik had het voorgaande jaar in de eerste drie maanden wel een jaar studiepunten aan examens gedaan.

Maar zowel in mijn geval als dat van mijn vriendin ging e.e.a. natuurlijk niet zonder problemen met Studiefinanciering te Groningen, veel papieren rompslomp, en vrijwel totale ambtelijke telefonische onbereikbaarheid, en niet beantwoorden van brieven.

We kregen vanaf dat moment allebei - in mijn geval zeker - twintig jaar lang vrijwel maandelijks wel een deurwaarders- bedreiging van de Studiefinanciering, die met onmiddellijke ingang tienduizenden guldens terugeiste, en met gerechtelijke stappen dreigde.

Kennelijk vanwege de vele verzendingen van dergelijke briefjes was het altijd een half velletje voorgedrukt A4.

Aanvankelijk was dit weinig rustgevend - wie weet staat er volgende week een deurwaarder in je huis om beslag op de huisraad en de boeken te leggen, "vanwege uw studieschuld" - maar het bleek in de praktijk gewoonlijk loos alarm, al moest je vaak wel een papieren brief schrijven i.v.m. gedreigde processen.

De ambtenaren van Studiefinanciering waren vrijwel niet telefonisch te bereiken (in Groningen bovendien, tegen duur tarief uit Amsterdam, voor een student met een lening geringer dan een bijstandsinkomen), en wie het grote geluk was zo een Personage telefonisch te mogen spreken kreeg onveranderlijk iemand die "het niet kan vinden in de administratie".

 

1978 Cogito
  Ik was weer met filosofie begonnen; viel op door mijn ongebruikelijke conversatie; en werd gevraagd voor de studenten-vereniging van filosofie-studenten, en te schrijven voor hun blad Cogito.

De studenten-vereniging bleek vol te zitten met Asva-activisten, feministen, CPN-leden en overige Revolutionaire Studenten - Karin Vintges, Truus Mom, René Boomkens, Heleen Pot, Rudi te Velde, allen sindsdien succesvol "academisch filosoof" (Te Velde overigens als closet-Thomist en uitvinder van de frase "Schijnheiligheid is ook een vorm van heiligheid") - en zeer gelukkig met de recente universitaire ontwikkelingen, die effectief de meeste macht in de UvA aan de Asva en de fractie Progressief Personeel (wetenschappelijke staf) gaf, allen Grote Revolutionairen.

Het onderwijs dat mij ondertussen deelachtig was geworden in filosofie was gruwelijk slecht, en bovendien voor een groot deel gepolitiseerd, met Marx, Marx, Marx, en Harmsen of Feminisme à la Meulenbelt, en overigens Foucault en verdere treurnis, ellende, stompzinnigheid en post-moderne misère - Liotard! Kristéva! Lacan! Het Denken Van Heidegger!- en ik besloot daarover het e.e.a. te schrijven in "Cogito".

Ik deed dat onder eigen naam, en kreeg prompt problemen met de staf vanwege mijn uitgesproken meningen over hun slechte onderwijs.

 

1979 Ziek
  Op 1 januari 1979 besloten mijn vriendin en ik te gaan fietsen.

We woonden samen in een studentenflat in Diemen, we studeerden samen psychologie als eerstejaars, en ik ook filosofie als tweedejaars, we waren gelukkig en gezond, het was mooi weer en de zon scheen, en buiten lag sneeuw en vroor het hevig, wat mij aan Noorwegen deed denken.

We fietsten dus de polder achter Diemen in om het besneeuwde landschap en de bevroren Vecht te bewonderen.

Gedurende die tocht voelde ik mij zieker en zieker worden. Omdat er overal sneeuw lag en het zwaar vroor zei ik mijn vriendin dat ik zou proberen zo snel mogelijk naar huis te fietsen omdat ik er niet in de polder kon gaan bijliggen in de hoop wat bij te komen, en dat zij rustiger achter mij aan moest fietsen.

Zo gezegd, zo gedaan. Het lukte me thuis te komen, al leek onderweg alsof de wolken bruin waren en de lucht brak als in een gebroken spiegel en ik viel in bed, en was drie dagen ziek als een hond, met kennelijke behoorlijke griep, een flinke temperatuur, veel zweten, maar overigens weinig bijzonders behalve spierpijn.

We besloten dat het gewoon griep was en wel over zou gaan.

Tien dagen later werd mijn vriendin ziek, terwijl ik enigszins hersteld was, kennelijk met hetzelfde als ik, met als extra diarrhee voor haar.

Zij ging na twee dagen naar de huisarts te Diemen (nieuw voor haar en mij), die Pfeiffer diagnosticeerde c.q. mononucleose of ook wel "kissing disease", vanwege een gebruikelijke vorm van overbrenging ervan.

Dit kan wel drie maanden duren, en dit is was de huisarts ook zei.

We konden niet behoorlijk uitzieken, omdat we allebei eerstejaars studenten waren, met allerlei verplichte colleges, maar sukkelden door met de studie, terwijl de ziekte ook in haar geval na een paar dagen minder intens werd, maar niet wegging, zodat we allebei voortdurend moe waren, en vooral ik zeer veel zweette 's nachts, en zodra ik me enigszins teveel inspande, wat zeer snel was.

Na een half jaar was het nog niet over.

Mijn vriendin ging weer naar de huisarts, die ze voor de 2e of 3e keer zag (W. James, Diemen), die prompt diagnosticeerde dat

 "het wel psychies zal zijn"

- wat, naar we later zouden leren, het standaard medische antwoord is wanneer een medicus iets niet kan verklaren.

 

1980 Medische onderzoeken
  Aangezien we allebei psychologie studeerden, afgezien van onze ziekte gelukkig waren en deden wat we wilden (al kregen we niet het onderwijs van de kwaliteit die we wensten), en ons voortdurend hondsmoe en spierpijnerig bleven voelen, met variërende andere klachten, zochten we medische hulp.

Eind 1979 en 1980 zijn mijn vriendin en ik heel wat keren onderzocht door medische specialisten (meestal internisten), kennelijk mede - ondanks dat het "wel psychies zal zijn" - omdat we allebei een verstandige indruk maakten, en geen enkel WAO- of verzekerings-belang hadden ziekte te pretenderen (zoals in de WAO-tijd 1 miljoen Nederlanders per jaar).

Er werd nooit wat gevonden, hoewel behoorlijk veel onderzocht werd, noch bij mij, noch bij mijn vriendin.

Een ander gebruikelijk medisch antwoord dat we in die tijd leerden waarderen (vooral ik, die in Noorwegen topfit was geweest) was

"u zou wat meer aan sport moeten doen".

Wie dat zei had ofwel niet naar ons geluisterd, ofwel ons niet begrepen, ofwel niet geloofd.

 

1980 Polak en Koster
  Omdat mijn vriendin en ik geheel niet geholpen werden - er werd niets gevonden, en we kregen geen enkele hulp

"want u mankeert niets"

terwijl we wel ziek bleven en grote moeite hadden om, wonende in Diemen, verplichte colleges en practica in Amsterdam te volgen - besloten we speciale medische hulp te zoeken en te proberen naar Amsterdam te verhuizen.

Voor de speciale medische hulp wendde ik mij tot prof.dr. Ben Polak, hoogleraar huisartsengeneeskunde, en met zowel mijn vader als mijn moeder bevriend geweest in de tijd dat hij nog CPN-lid was, zoals mijn ouders toen nog steeds waren.

Mijn vader regelde een afspraak met Polak, en deze onderzocht zowel mij als mijn vriendin vriendelijk, beleefd, en grondig, en vond niets.

Hij geloofde ons wel, en besloot ons door te verwijzen voor verder specialistisch medisch onderzoek naar "een hele briljante man, Maarten", prof.dr. Koster, ook werkzaam aan de UvA.

Prof.dr. Koster bleek een heel briljant rekeningen-schrijver: Hij liet ons beide komen op één spreekuur, sprak met mij, en zond dan zowel mijn vriendin als mij een rekening voor een persoonlijk consult - waar wij ondertussen, studenten-verzekerd als wij waren, gedeeltelijk zelf voor opdraaiden, zoals hij wist.

Omdat ook hij niets had kunnen vinden vroeg ik hem dan een sportfysiologisch onderzoek te organiseren, op basis van het argument dat sportfysiologen meer moesten weten van energie dan gewone artsen.

Dit leek Koster een goed idee; hij liet weten "ik zal zien wat ik voor u kan doen"; en enkele weken later werd ik opgeroepen voor dat onderzoek, weer op het W.G. terrein, als eerder.

Feitelijk bleek dat ik op een rollenbank gezet werd door een allochtone arts in opleiding, die zich Kola noemde, waarbij ik hard moest lopen, en "dokter" Kola zou gaan uitvinden... hoe het met mijn hart zat.

In de praktijk rende ik hard, sproeide al doende zeer veel zweet om me heen, dat mijn ook zieke vriendin, die meegekomen was om te zien wat ook haar te wachten stond, zeer aan het schrikken maakte, en mij voor weken ziek daarna.

Mijn hart bleek in orde, o verbazing - en na een paar maanden bevond ik twee dingen:

1. Er was, twintig meter verder, maar niet in Koster en Kola's praktijk, een volledig uitstekend geoutilleerd sportfysiologisch centrum op het W.G.-terrein
2. Mijn ex en ik werden weer met rekeningen bestookt vanaf de briljante prof.dr. Koster's aangename vrijstaande huis aan de Apollolaan.

Mij kwam het voor dat de briljante professor mij en mijn vriendin opgelicht had, zoals ik hem ook schreef na het bevinden van het bovenstaande, en dat hij zijn verdere rekeningen via de rechter kon innen.

De rekeningen bleven nog ca. twee jaar komen, maar Koster ondernam overigens niets, kennelijk vanwege de kans op reputatie-schade.

 

1980 Vader overlijdt aan kanker
  In 1979 was mijn vader tijdens een vakantie plotseling onwel geworden en omgevallen. In het ziekenhuis bleek dat hij uitgezaaide prostaat- en bot-kanker had, met een zeer beroerde prognose.

Mijn vader vocht ertegen, o.a. middels een Moerman-dieet, maar het mocht niet baten.

Ruim een maand voor z'n dood, in een rolstoel, werd hij geridderd tot Ridder van Oranje-Nassau op het stadhuis van Amsterdam, op voorspraak van Hans Teengs Gerritsen en Prins Bernhard, vanwege zijn werk dat resulteerde in de Nationale Verzets-tentoonstelling.

Sindsdien is mijn vader geheel weggeschreven uit de Nederlandse geschiedenis door dr. Jolanda Withuis van het Niod, die beweert en gepubliceerd heeft dat niet mijn vader dit deed, maar twee daarvoor nooit geridderde PvdA-ers.

Dit gebeurde in 2005, kennelijk vanwege mijn site.

 

1980 Kandidaats filosofie
  Het was me ondertussen ook gelukt het kandidaats-examen filosofie, dat begroot was op drie jaar, in drie jaar te halen, ondanks anderhalf jaar ziekte en één jaar verwijdering, en wel met een gemiddelde van een 8.

Vanwege mijn kritiek op de faculteit voor wijsbegeerte, die mij volgens vele studenten en enige stafleden stempelden tot evidente "fascist", kreeg ik dit officiele diploma, op geschept papier, met handtekenin van de rector magnificus, door de Revolutionaire Marxistiese studentendekaan drs. Theodoor Bolten toegeworpen met de woorden

"Hier, we moeten er jou ook één geven!"

 

1981 Nasa
  Ik vond het onderwijs aan de UvA, zowel bij filosofie als psychologie, inderdaad wanhopig slecht, zowel als wat betreft wetenschappelijk onderwijs, als wat betreft de gruwelijke, gewoonlijk zeer ongeïnteresseerde of zwaar gepolitiseerde vorm waarin het gegeven werd, als wat betreft de organisatie en verzorging, die bijzonder slecht waren.

En ik was de enige niet die dit vond, al was ik in een kleine minderheid. In 1981 vond ik wat medestanders, zoals de student archeologie Hans Curvers en de student arabistiek Ferdinand Smit (jaren later vermoord in het verre Oosten), en we besloten een studenten-vereniging op te richten, en te proberen in de Universiteits-Raad gekozen te worden, met het doel het onderwijs te hervormen en verbeteren.

We richten een studentenvereniging op die we op mijn voorstel de Nasa - Nieuwe Amsterdamse Studenten Associatie - noemden, met een programma voornamelijk door mij geschreven; we werden geïnterviewd in het universitaire blad Folia Civitatis; en we werden met 1 zetel gekozen in de UR, die ingenomen werd door Hans Curvers, vooral omdat ik te ziek was om te kunnen garanderen altijd aanwezig te zijn in het Maagdenhuis, waar veel vergaderd werd.

 

 

1981 "Experimenteel Praktikum Psychologie"
  Wie psycholoog wilde worden was verplicht in het kandidaats een drie maanden durend praktikum te doen dat "Experimenteel Praktikum" - kortweg EP - genoemd werd, waar de ontbloezemende wetenschapper geleerd werd wetenschappelijk onderzoek te doen, in de praktijk.

Aanwezigheid was verplicht, drie maanden lang, vrijwel dagelijks, wat mijn vriendin en mij zeer moeilijk viel vanwege onze ziekte en het algehele gebrek aan hulp daarbij.

We waren er wel ondertussen in geslaagd naar Amsterdam te verhuizen, vanwege onze ziekte, en woonden in een studenten-flat op de Nieuwe Keizersgracht, niet ver van zogeheten "Psychologisch Lab", a.k.a. "De Glazen Doodskist", waar de faculteit voor psychologie gevestigd was.

Ik had een aanzienlijk deel van de voorgaande tien jaar zelfstandig besteed aan wetenschapsfilosofie, methodologie, logica en statistiek, en ik vond het EP pure oplichterij, bedrog, en waanzin:

Het enige dat ik er geleerd heb in drie maanden is dat Togo, waar de top van de Asva jaarlijks vakantie hield op uitnodiging van de regering van Togo, een waarachtig marxisties paradijs was, waar de hele samenleving voorbeeldig georganiseerd was.

Aldus Wetenschappelijk Onderzoek dat de studenten van het EP wetenschappelijk moesten bestuderen, becommentariëren en analyseren, om zich te bekwamen als Wetenschappelijk Onderzoeker.

Ik deed dat, schriftelijk, en werd als dank het EP uitgezet, en toegewezen aan prof.dr. Johan Hoogstraten, de wereldwijd bekende schrijver van het prachtwerk "De machteloze onderzoeker" (ook verplicht EP-voer, en Hoogstraten's neven-inkomen).

Voor hem deed ik wat zelfstandig onderzoek, dat zelfs gepubliceerd werd in een universitaire reeks als "Publiceren in de Psychologie", waarin o.a. aangetoond werd dat iedere Nederlandse psycholoog om het even wat gepubliceerd kon krijgen in een zogeheten Nederlands Wetenschappelijk Psychologisch Vaktijdschrift - maar dat desalniettemin heel weinig universitair geëmployeerde psychologen dat deden, omdat ze immers toch allemaal een wetenschappelijke ambtelijke functie hadden, waar ze niet uit konden ontslagen worden (zonder de vakgroeps-secretaresse aan te randen of de rector magnificus te beledigen).

Ik kreeg uiteindelijk mijn E.P.-punten met uitstekende cijfers, en de zure opmerkingen van prof.dr. Johan Hoogstraten dat ik "wel erg snel las" en "erg zeker was van mezelf". (Allebei waar, trouwens. Hij geloofde het eerste niet, aanvankelijk, want ik kwam erg snel terug met de mededeling dat ik iets gelezen had, maar betrapte me nooit op een fout.)

Sindsdien heeft prof.dr. Johan Hoogstraten mij altijd met grote argwaan beschouwd, kennelijk als iemand die gevaarlijk intelligent is, en geen talent voor "machteloze onderzoeker" heeft. (Ik heb inderdaad verder nooit in de psychologie gepubliceerd, al ben ik er in afgestudeerd.)

Prof.dr. Johan Hoogstraten heeft vlijtig gepubliceerd en is toch geheel niet wetenschappelijk prominent geworden. Als ik het wel heb geniet hij tegenwoordig van zijn uitstekende ambtelijke pensioen.

 

1981 Terreur Nieuwe Keizersgracht
  Ondertussen woonden mijn vriendin en ik gelijkvloers - wegens loopmoeilijkheden - in een studentenflat van de SSh aan de Nieuwe Keizersgracht.

Als studentenflat was het niet onredelijk, maar naast ons woonde iemand die gek was, na scheiding van z'n vrouw, en die dagelijks 14 uur lang in de gedeelde telefoon op de gang naast ons stond te brullen dat hij "dat kutwijf wel zou krijgen", "die teringteef wel zou naaien", "die tyfushoer wel zou vermoorden" etc.

Toen ik er wat van zei verschoof zijn aandacht naar mijn vriendin en mij, en begon hij ons te terroriseren met bedreigingen, keiharde nachtelijke opera-muziek tussen 1 en 4 uur, het omkeren van vuilnis voor onze deur, en bedreigingen met geweld, of met fysiek geweld, als wij protesteerden.

Hij heeft - bleek achteraf - mijn vriendin een jaar lang opgewacht met de frase

"Ik mag jou wel, maar hem niet, en je moet weten dat ik een echte primitief, een echt beest ben".

De rest van de studentenflat was het eens dat meneer gek en gevaarlijk was, maar hij woonde niet vlak naast hun deur, zodat ze weinig hoefden te doen, vonden ze zelf.

De gemeentepolitiek kwam niet, of kwam in de vorm van twee puisterige Grunninger agenten van ca. 20, die mij, mijn vriendin, de gevaarlijke gek naast ons, en de inwoners van de studentenflat doodleuk zeiden, in 1981

"Wij kom'n pas als de lijk'n al over de vloer'n ligg'n, want alle Amsterdammers benn'n klootzakk'n"

Waarmee ze in hun politiewagen stapten en wegreden. De gevaarlijke gek beschouwde dit als een vrijbrief door te gaan met zijn terreur, want hij genoot daar diep van.

Ik sprak de SSh aan, die getuige het huurkontrakt de plicht had op te treden.

Deze weigerde 2 jaar lang op te treden: We moesten maar verhuizen als het ons niet beviel.

Het GDH weigerde medewerking (en trok een ons aangeboden woning in nadat we een overeenkomst hadden met de eigenaar, kennelijk ten behoeve van een GDH-ambtenaar, want dit was een fraaie woning).

De gemeente weigerde mijn klacht daarover te behandelen.

Ik sprak het College van Bestuur van de UvA aan over de SSh, en kende alle drie heren persoonlijk oppervlakkig uit de UR.

Mr. Cammelbeeck (PvdA) liep gewoon weg, met de kreet

"Ik weiger met u te praten"

(want hij kende mij van de UR, en ik had gevraagd waarom hij geen wettelijk verplichte jaarrekeningen inleverde, wat hij niet deed, en inderdaad verdween er onder zijn bestuur 45 miljoen gulden van die rekeningen, bleek een paar jaar later, en werd gerapporteerd in het universtitetsblad Folia Civitatis, overigens zonder enig gevolg voor Cammelbeeck c.s., want natuurlijk weigerde het volgend CvB van PvdA-ers het vorig CvB van PvdA-kameraden voor problemen te stellen, en is 45 miljoen een lekker bedrag).

Dr. Poppe (PvdA) verwees me naar

"Bob de Hon die dat wel even voor je recht zal zetten".

Drs. de Hon (PvdA) riep mij toe op zeer boze toon, alsof het mijn schuld was

"Muhneer! U denkt toch zeker niet dat ik mijn ambtenaren afval!"

en liep weg, toevoegend dat hij weigerde iets voor mij te doen.

Mijn vriendin en ik weigerden verder de huur te betalen voor een woning waar we niet konden studeren, niet konden slapen, en met geweld bedreigd en bejegend werden door een inpandige gek. We zetten de huur op een rekening, en deelden dit aan de SSh mee.

De SSh stuurde de deurwaarders op ons af, met het doel de huur te verkrijgen én ons op straat te zetten wegens

"onbehoorlijk huurderschap".

 

1982 Kandidaats psychologie
  Ondertussen waren mijn vriendin en ik naar vermogen bezig met doorstuderen, want we moesten jaarlijks een minimum aantal punten halen voor onze beurs of lening.

In 1982 behaalde ik mijn kandidaats psychologie, met uitstekende cijfers, en mijn vriendin bereikte iets later hetzelfde.

Ik had op dat moment ca. zeven jaar studiepunten (filosofie en psychologie), feitelijk vergaard in ca. twee jaar effectieve "studie", eigenlijk door heel snel de verplichte literatuur door te lezen en deze op te kotsen op een tentamen.

Ook was ik in vijf jaar dagelijkse omgang met de UvA niemand tegengekomen die mij intelligent voorkwam, behoudens één enkele zuivere wiskundige, en geheel niemand die mij integer of moreel voorkwam, want iedereen van de wetenschappelijke staf was lid van de CPN, PPR, PSP of PvdA, en/of koketteerde met Linkse Idealen, Marxisme, Feminisme en Postmodernisme, en vrijwel niemand van de wetenschappelijke staf had enige wetenschappelijke bekendheid of status buiten Nederland, of publiceerde regelmatig.

Dat alles hoefde ook allemaal niet, want ze hadden allemaal, vanaf hun ca. 25ste, een levenslang kontrakt als "wetenschappelijk (hoofd-)ambtenaar", in een luxueuze ambtelijke salarisschaal, zonder enige feitelijke verplichtingen behalve aanwezigheid of werkcolleges, of begeleiding van de uiterlijk knappere studentes naar snelle en goede studieresultaten.

 

1983 Vlucht naar Engeland
  In 1982 en 1983 sliep ik heel weinig vanwege de nachtelijke overlast, en werd steeds zieker. Uiteindelijk, bij gebrek aan iedere hulp, en vanwege gigantisch slaapgebrek, besloot ik naar Engeland te vluchten, waar ik in het begin van de zeventiger jaren had gewoond, en vrienden had, na weer een moorddreiging van de gevaarlijke gek naast ons in de studentenflat, om althans eens een tijd te kunnen slapen.

Mijn vriendin vond dat niet leuk, maar ze sliep beter, en werd door de gek niet fysiek geterroriseerd: Het was vooral ik die in zijn gestoorde ogen niet deugde, ook al vanwege mijn deelname aan de studentenpolitiek.

Maar ik kon niet slapen in Amsterdam, en moest daarom ook mijn studie opgeven, ook al omdat advocaten in mijn zaak allemaal incompetent en lui bleken, en ik gedwongen was de zaak die de UvA tegen mij hadf aangespannen - want feitelijk voerde het College van Bestuur, dat zo'n diepe hekel aan mij had vanwege mijn publieke herhaalde vragen in de UR over hun financiële malversaties met de universitaire rekeningen, het proces, via een immer liegende en bedriegende deurwaarder. (Ik ben vanwege mijn dertig jaar niet-erkende ziekte veel deurwaarders tegengekomen, en ben een drs. in de psychologie. Wel lezer: Ik ben geen deurwaarder tegengekomen die geen sadist was - en inderdaad doe je dergelijk werk niet zonder bijzondere motivatie.)

 

1983 Megavitamines
  In Engeland vind ik, geheel bij toeval en zonder enig a priori geloof of kennis, uit dat mega-doses vitamines, in het bijzonder de B-vitamines, mij althans enigermate helpen, en sindsdien slik ik, op eigen kosten, grote doses vitamines.

Aangezien in 1983 vrijwel niemand in Nederland dat deed wendde ik mij voor informatie tot artsen. Zij vertelde mij o.a. dat

"U kunt wel acidosis krijgen!"

c.q. het omgekeerde

"Nee, een zure urine is juist goed voor u"

en het onverschillige met geamuseerde glimlach en oogtwinkeling gebrachte

"Dat wordt dan een héél dure urine van u, meneer"

Ik ging door met megavitamines slikken, bij gebrek aan enige medische hulp of steun (en zie er tegenwoordig, na 24 jaar slikken, twintig jaar jonger uit dan ik ben - maar ben niet hersteld van M.E.).

Mijn vriendin wilde dat niet, en we gingen in vriendschap uit elkaar, ook vanwege het gebeuren aan de Nieuwe Keizersgracht. Zij was ook nog steeds ziek, maar vond als aantrekkelijke en intelligente vrouw snel een arts in opleiding als vriend (die ook mordicus tegen vitamine-suppletie was

"vanwege het gevaar"

dat hij overigens niet nader wist te omschrijven).

 

1984 Theo van Gogh
  In 1984 leer ik, via een nieuwe vriendin, die in een film van hem acteerde, Theo van Gogh kennen.

Hij maakt eerst ruzie met me, zoals met zovelen, verliest vervolgens herhaaldelijk een publieke discussie met mij in een café te Utrecht, na de première van zijn "Een dagje naar het strand" waarin de vriendin acteerde en mij naar uitnodigde, en giet uit wraak een glas tomatensap over mijn hoofd, wat hem mijn reactie oplevert

"Als ze te dom zijn voor discussie, proberen ze het met geweld"

maar hij excuseert zich later daarvoor (herhaaldelijk, ook schriftelijk), en we kunnen het aanvankelijk redelijk vinden, omdat hij geheel niet dom en niet bang is, en vrolijk en goed kan converseren.

Ook heb ik na die eerste keer nooit last met hem.

Theo vraagt me te schrijven voor "Moviola", een blad over film van hem, maar dat doe ik niet, want ik vind het niet goed genoeg en ben geen filmgek, en we zien elkaar regelmatig, maar niet vaak, want ik vind dat hij te weinig zelf-controle heeft en teveel drinkt, terwijl ikzelf niet drink en geheel niet gezond ben, al is het ook zo dat vanaf 1985 en met grote hoeveelheden eigenhandig betaalde dure vitamines, eerst in Engeland gekocht en later in Nederland, mijn gezondheid langzaam maar gestaag verbetert.

 

1984 Uitkering
  Ondertussen heb ik een redelijke woning in de Tuinstraat, die mijn moeder van tapijt voorziet van haar verzetspensioentje, maar krijg ik geen studiefinanciering meer.

Ik vraag dus een bijstandsuitkering aan bij de gemeente Amsterdam, want ik ben veel te ziek om te werken, en reken er zelf op dat ik in beginsel - ook al omdat ik zelfstandig tien jaar heb gewerkt - recht heb op WAO.

Omdat ik in Amsterdam Centrum woon moet ik mijn bijstand aanvragen bij de zogeheten Sociale Dienst van Amsterdam aan de Vijzelstraat, waar deze in een groot duur kantoor hoek Keizersgracht gevestigd is.

Ik ga daar in het voorjaar van 1984 heen voor mijn aanvraag, overigens - blijkt later - met een teen die ik die ochtend brak bij een val van de trap.

 

1984 Moorddreiging Amsterdamse ambtenaren
  Het blijkt - als eerder, toen ik wegliep wegens de wachttijden - tjokvol te zitten met uitkeringsaanvragers, die breedweg en in termen van grootte in drie groepen uiteenvallen
  • de grootste groep van Marokkaanse en Surinaamse "gastarbeiders", heette het in 1984 wellicht nog
  • een middengroep van junken, gewoonlijk met honden, messen en spuiten bewapend, en spuitend waar je bij zat in de Sociale Dienst (waarschijnlijk om daarmee een uitkering te krijgen)
  • een kleine groep van vers afgestudeerde academici met grote verbazing en angst in de ogen, en ikzelf, als van de universiteit gejaagde invalide.

Een en ander wordt beheerd door twee gemeentelijke portiers, een grote dikke met blubberlippen, en een kleine kale met flaporen, beiden kennelijk vijftigers of langjarige jongere alcoholici, en beiden voorzien van een vet Amsterdams accent.

De heren houden niet van uitkeringsstrekkers, en helemaal niet van Marokkanen en Surinamers, en laten dit publiek weten ook, al valt het op dat ze alle junken - met honden en messen en spuiten - kruiperig behandelen.

Tegen Marokkanen gaat het als volgt

"Hé Agmet, of hoe juh ook mag heetuh, je mot wel juh naom infulluh as juh een uitkerinkie fammuh wil hebbuh. En je mot wel Neejdurlans kennuh sprekuh, want anders helpemuh juh nie. En met twee woorruh spreekuh, begreip juh wel? Of kejje muh niet furstaon?"

Ik zit daar 2 1/2 uur bij, met een gebroken teen, en groeiende irriratie. De rest van de aanwezigen doet alsof ze niets zien of horen en zwijgen, als ze niet lachen.

Na 2 1/2 uur sta ik op en protesteer ik beleefd bij de portiers dat ik van een dergelijke behandeling van anderen niet gediend ben, en een klacht over ze wil indienen, en bij wie ik dat moet doen.

Hier is hun antwoord:

"Fuiluh smeriguh homofieluh gepuhkop! Gore hufter! Smerige klootzak! Kom naor buituh sodattumuh juh kennuh furmoorduh en fursuipuh in de gracht."

Ik word zo boos dat ik ter plekke het woord "Burofascisme" uitvind én definieer voor de heren, wat tot drie a vier keer herhaling van beide van het zojuist geciteerde tot gevolg heeft; mijn naar buiten stappen op de gracht; en vijf minuten van hun verdere gescheld, vooral over mijn vermeende sexuele identiteit, lange haar, en de vermeende broodwinning van mijn moeder.

Als ik naar het gemeentehuis ga is het antwoord daar, namens B&W, dat ik niet het recht heb "burofascist" te zeggen tegen enige Amsterdamse ambtenaar; dat ik

"niets te maken heb met wat uw vader in de oorlog gedaan zou hebben",

en zij al helemáál niet; en dat ze weigeren op te treden tegen

"onze collegaas".

 

1984 "Fraudeur"
  Ik bel met mijn behandelend ambtenaar van de SD, een juffrouw Heemskerk, die mij op mijn protesten doet weten

"U denkt toch zeker niet dat we de rode loper voor u uitleggen? Als u niet langskomt krijgt u geen uitkering. Aan u de keus."

Maar ik krijg in mei een bijstandsuitkering, zij het geen WAO, om redenen die mij nooit verklaard zijn al heb ik daar tientallen malen om gevraagd (want ik had immers 10 jaar gewerkt, en zelfs nooit een beurs gekregen).

In juni wordt de uitkering weer ingetrokken. Nu ben ik, volgens juffrouw Heemskerk en de directie van de SD

"een fraudeur"

want ik zou, volgens opgave van Studiefinanciering uit mei, studiefinanciering ontvangen hebben en ingeschreven staan als student.

In feite heb ik én niet ingeschreven gestaan én niet gestudeerd.

Later blijkt dat de UvA mijn studie-aanvraag voor 1983 in april 1984 alsnog heeft ingediend, zonder mij daarin te kennen, en aan het eind van het akademisch jaar, kennelijk vanwege de 3 x 20.000 gulden die ze daarvoor van het rijk vangen per ingeschreven student (bij filosofie, bij psychologie, bij Noors).

Uiteindelijk, na veel moeite, weet ik dit weer recht te breien, en krijg ik per september 1984 wel een bijstandsuitkering, met strafkorting

"vanwege de u onterecht sinds april verleende bijstand".

Excuses voor het gebeurde krijg ik nooit, in geen enkele vorm, en juffrouw Heemskerk meent dat ik niet te klagen heb

"want u bent toch geen homofiel, toch? Nou dan."

(Voor de niet in de psychologie afgestudeerde leken:

Juffrouw Heemskerk en veel van haar SD-collegaas, zoals de twee portiers, zijn evidente sado-masochisten, die dit soort baantjes aannemen en zoeken vanwege hun perversies. Er zijn ondertussen duizenden van dergelijke ambtenaren in Amsterdam.)

 

1985 Op straat gezet
  Wegens het feitelijk niet ontvangen van studiefinanciering en het feitelijk niet ontvangen van bijstand moet ik van mijn moeder lenen om eten te kopen, kan de huur niet betalen, en wordt prompt door de woningbouwvereniging op straat gezet, die van geen verweer wil horen, van geen ziekte wil horen, geen brieven beantwoordt, en mij door een kaalgeschoren lesbo in een roze tuinbroek - een outfit die zeer populair was in die tijd, onder dames van deze overtuiging - laat zeggen dat

"Als u klachten heeft gaat u maar naar de deurwaarder.
Wij hebben heel menselijke deurwaarders."

Feitelijk zijn het sadisten, die mij zelfs geen dag respijt geven vanwege mijn ziekte; die mijn huisraad gewoon op straat smijten; en die van een deurwaarders-firma zijn die vijf jaar later een misdadige onderneming blljkt, en bij gerechtelijk vonnis wordt gesloten. (Empirische wet van de Nederlandse deurwaarder, gebaseerd op 30 jaren ervaring met dit ras: Wie géén sadist is, is géén deurwaarder.)

 

1985 Win rechtszaak tegen de UvA
  In 1985, na drie jaren procederen, win ik uiteindelijk de rechtszaak tegen de UvA, met een vonnis dat achteraf door advocaten huurrecht als

"mirakuleus"

wordt omschreven, en dat inderdaad geveld is op basis van mijn eigen schriftelijke verweren en van getuige-verhoren door de rechter.

Als ik, na afloop van het proces, de rechter Gerretsen voorbij zie lopen in het gerechtshof spreek ik hem aan, dank hem, en zeg dat een voornaam probleem voor mijn vriendin en mij was dat de gemeentepolitie van Amsterdam niet optrad. Zijn antwoord was iets tussen een verzuching en een uitroep

"Ach meneer, de politie van Amsterdam..."

waarna hij wegliep.

Overigens was dit een heel behoorlijke rechter, kennelijk een verstandig man, en is mijn enige klacht over deze rechtsgang dat het allemaal zo lang duurde: Veel tussenvonnissen, replieken, duplieken, allemaal met maanden ertussen. (En het justitieel proza is verre van goed Nederlands, waarin bovendien vele gewone morele termen een heel eigen bijzondere jurisprudentiële betekenis blijken te hebben).


Er zijn hier wat redelijke vervolgen: