|
----
+ site, Multatuli
etc.
+ Pampus
Check journaal en
MEinAdam.
Enkele konklusies
Ik ben geboren in
1950, en sla de eerste vijfentwintig jaar van
mijn leven over, in dit CV, als dat mag van
B&W - van Amsterdam, mij geheel niet
genegen, vanwege mijn "uitgesproken ideeën",
zoals de lezer uit kan vinden in ME in
Amsterdam.
Ik begint dus maar
hier, in het vijfentwintigste jaar van mijn
leven, mens sano, corpore sano, en tamelijk
romantisch, maar niet in Nederland:
| 1975 |
Noorwegen
|
| |
Sinds
1 januari 1975 woon ik in Noorwegen, met
een Noorse vriendin, eerst in een blokhut
in Dovre, en later in een fraai huis in
Lom. Zij werkt als onderwijzeres en
journaliste, ik als boerenknecht en
chauffeur.
Noorwegen
is een schitterend land, en wij wonen en
verblijven er zeer aangenaam, maar ik
wil studeren, als het kan filosofie,
psychologie
en wiskunde,
omdat ik vooral geïnteresseerd ben in menselijk
redeneren en alles wat daarmee
samenhangt, en daarover sinds mijn 17e
zeer veel gelezen en geschreven heb -
overigens zonder te publiceren (al had
ik wel wat interviews gepubliceerd in
1971).
|
| 1975
|
Staatsexamen 1 |
| |
Ik
was van de HBS gewerkt al had ik wel een
diploma 3-jarige HBS, had een paar jaar
avond-gymnasium bèta gedaan, dat gestrand
was in de eind zestiger jaren commoties en
tijdsgebrek, want ik werkte ook hele
dagen, en had besloten een staatsexamen
VWO te doen, als snelste weg om de
universiteit te mogen beginnen.
Een en
ander was al eind 1974 geregeld, maar ik
was verhuisd naar Noorwegen, werkte als
boerenknecht, en moest invallen in de
tijd van het staatsexamen, wat ik tijdig
liet weten met een aangetekende brief,
en rekende op snel antwoord, en een
examen ergens in de zomer, want die
mogelijkheid bestond.
Ruim drie
weken later, na het verloop van de datum
van het staatsexamen, kreeg ik een
onaangetekend flodderbriefje namens de
coördinator ervan:
"Als u
niet aanwezig was, bent u gezakt."
Ik wist het
nog niet, maar dit bleek het begin van
een uniforme behandeling van mij door
Nederlandse ambtenaren in de komende
meer dan dertig jaren.
|
| 1976 |
Staatsexamen 2 en
Studiefinanciering |
| |
In
1976 probeerde ik het noodgedwongen dus
weer - en NB dat dit geld
(inschrijvings-kosten, reis- en
verblijfskosten) en tijd kostte, ook in
1975) - en deed staatsexamen, schriftelijk
in Amsterdam, in de lente, en, omdat dit
niet aansluitend mocht, opnieuw met
diverse duizenden kilometers reizen,
mondeling in Den Haag, in de zomer.
Daarom
bevond ik me hartje zomer voor de tweede
keer in een paar maanden - na diverse
dure duizenden kilometers reizen - voor
een paar uur mondelinge examens in Den
Haag, in een oud schoolgebouw, met
redelijk veel andere examen-kandidaten
in dezelfde positie, maar zonder zo lang
en zo duur te moeten reizen.
Ik stond
feitelijk te wachten in een hal met
tientallen anderen, tegenover een jonge
vrouw die duidelijk op was van de
examen-zenuwen - wit gezicht, gebijt op
de lippen, gefriemel met de handen, diep
zuchten - toen er een paar meter verder
een deur openging waaruit een grote
dikkige ca. zestigjarige man kwam die
zodra hij haar zag tegen haar uitviel op
boze toon dat ze zich niet zo moest
aanstellen, zich moest gedragen, en niet
moest denken dat geposeer haar voordeel
bood bij het examen.
Ik hoorde
dat aan, tikte meneer op de schouder -
ik ben 1.95 en was in blakende fysieke
gezondheid - en vertelde hem dat als hij
niet onmiddellijk doorliep en z' mond
hield ik hem de hal zou uittrappen om
hem manieren te leren.
Hij deed
dat, na mijn gestalte bemeten te hebben,
en bleek een paar uur later één van mijn
twee gecommiteerden voor Engels te zijn.
De ander was een veel jongere Hagenees,
die een soort Engels met zwaar Haags
accent à la Jan Pronk en Ruud Lubbers te
spreken:
"Wie hef
spoken toe dem ent nauw duh bal lijs
in der korner"
De oudere
gecommiteerde sprak beter Engels en had
de leiding, maar kon mij op geen enkele
fout betrappen, want mijn Engels was
veel beter dan het zijne (wat niet zo
vreemd is wat ik sprak op dat moment al
vijf jaar nauwelijks anders, en had in
Engeland gewoond).
Mijn
schriftelijk Engels moet een 10 gehad
hebben, want het was voor mij kinderlijk
eenvoudig. Mijn eindcijfer voor Engels
bleek een 8, zodat ik voor mijn
mondeling een 4 of 6 moet hebben
gekregen.
Ook liet
men mij wachten tot de allerlaatste
kandidaat zijn diploma was uitgereikt -
viereneenhalf uur verder - om mij
uiteindelijk te vertellen
"Ook u,
muhneer, moeten wij een diploma
uitreiken"
Wat ik toen
niet doorhad was dat een en ander een
100-karaats voorbeeld was van hoe het in
ambtelijk Nederland toegaat.
|
| 1977
|
JordbruksavlØysar |
| |
Tot
mijn aanzienlijke verbazing - want ik ging
er tot dan vanuit dat ik een typisch
theoretisch mens was - vond ik het
boeren-bestaan prettig, al was het werk
zwaar, en de nood om 's ochtends voor vier
uur onder de koe te zitten voor het melken
voor een avondmens als ik vermoeiend.
Maar ik kon
het fysiek goed aan, was overigens ook
zeer fit, en in staat tot lange ski-lauf
avonturen en bergbeklimmingen, en mijn
vriendin en ik dachten erover een
boerderij te beginnen, met geiten, dat
interessanter dieren dan koeien zijn.
In 1977
haalde ik het diploma Middelbare
Landbouwschool, dat mij formeel
kwalificeerde als Jordbruksavloysar,
zegge veeboeren-aflosser: het vervangen
van een boer die ziek is of met vakantie
wil. Dit betekende dat je in staat moest
zijn op zelfstandig een veeboerderij
draaiende te houden, met 15 à 25 koeien.
Mijn
vriendin en ik hadden dergelijk werk ook
gedaan, met geiten en met koeien, het
laatste o.a. in 1975, op een zogeheten saeter
of zomerboerderij, op 1600 meter hoogte
boven Dombas, en het halen van het
diploma viel me niet moeilijk, omdat ik
het werk praktisch al deed en kon, en
het theoretisch niet moeilijk was, en
overigens - over veevoeding en
veeziektes - interessant.
|
| 1977 |
Studentenhuisvesting |
| |
Maar
ik wilde aan de universiteit studeren, en
hield mijzelf toen al voor een logisch
filosoof, die in de eerste plaats in
menselijk redeneren was geïnteresseerd, en
in logica, neuro-wetenschappen,
psychologie en wiskunde.
Mijn
Noorse vriendin had gestudeerd -
sociologie en Nederlands - en was
afgestudeerd. Ik had een heel goede
mogelijkheid in Oslo te kunnen studeren,
maar kende daar niemand, terwijl het
vooral in de winter een sombere stad is,
waar mijn vriendin liever niet woonde.
Ik had dus,
ruim op tijd, schriftelijk vanuit
Noorwegen, met de Stichting
Studentenhuisvesting van de UvA, als
remigrant een studentenwoning geregeld,
op papier.
Eenmaal
gearriveerd in Nederland bleek de
Stichting Studentenhuisvesting - SSh -
haar woord niet te hebben gehouden: Er
was geen studentenwoning; ik moest
intrekken bij mijn ouders; en mijn
vriendin bleef in Noorwegen.
|
| 1977 |
Studiefinanciering |
| |
Ik
had, feitelijk al in 1975, hernieuwd in
1976, studiefinanciering aangevraagd, en
toegekend gekregen.
Maar in
1976 werd mij de kans staatsexamen te
kunnen doen ontnomen, zodat ik het
opnieuw moest aanvragen voor 1977.
Dit werd
mij toegekend, maar toen ik eind juli
1977 in Nederland arriveerde was er geen
studiefinanciering, en die kwam in
augustus ook niet. Ik deed eerst wat
uitzendwerk, maar moest toen beginnen
met studeren als eerstejaars, en vroeg
dus bijstand aan omdat ik ergens van
moest leven. Aangezien de Amsterdamse
ambtenarij dat ook kon inzien kreeg ik
bijstand totdat mijn studiefinanciering
rond zou zijn.
Dat duurde
tot november, toen ik eerst drie maanden
studiefinanciering uitgekeerd kreeg;
toen een brief dat dit alles geen beurs
was, maar 100% lening,
"omdat u
27 bent en te oud bent voor een beurs"
en
vervolgens een brief dat mijn
studiefinanciering ingetrokken werd,
"omdat u
bijstand ontvangt"
(wat geheel
onwaar was: ik heb onmiddellijk mijn
bijstand, die per week werd uitgekeerd,
opgezegd toen ik geld van
Studie-financiering kreeg, half
november).
Excuses of
verklaringen voor een en ander kreeg ik
nooit, niet van Studiefinanciering en
niet van de bijstand.
Feitelijk
was al het geld dat ik uitgekeerd kreeg
tijdens mijn studie - minder dan de
bijstand die junken ontvingen voor niets
doen en zich volspuiten - een lening, en
geen beurs.
|
| 1978 |
Moet
studie beëindigen |
| |
Ik
kreeg ook in december een
deurwaardersbedreiging dat ik de
studiefinanciering met onmiddellijke
ingang moest terug betalen, en moest vanaf
januari 1978 mijn studie filosofie die ik
begin september 1977 begonnen was stoppen,
en gaan werken om te mogen overleven in
Nederland. |
| 1978 |
Kohnstamm-instituut |
| |
Ik
vond snel werk als uitzendkracht bij het
Kohnstamm-instituut, gevestigd in een
Amsterdams grachtenpand, en gewijd aan
Wetenschappelijk Empirisch Psychologisch
Onderzoek het Onderwijs betreffend.
Dit
"Empirisch
Psychologisch Onderzoek"
nam de vorm
van zeer vele zeer dure, door
regerings-subsidies betaalde,
vragenlijsten aan leerlingetjes van het
lager onderwijs, waarin de
Wetenschappelijke Onderzoekers,
onderzochten hoe de dominantie- en
interactie-karakteristieken waren, in de
Neerlandse lagere schoolklasjes.
Ik mocht
dat en dergelijk onderzoek prepareren
voor de computer. Dit was vrijwel mijn
eerste feitelijke blootstelling aan De
Wetenschap der Psychologie, in de
empirische praktijk, maar ik wist al
redelijk wat van statistiek,
methodologie en wetenschapsfilosofie,
naast psychologie-boeken, en wat me
onder ogen kwam aan het
Kohnstamm-instituut kwam me voor als
kwasi-wetenschap.
De
strijdkreet van de wetenschappelijk
medewerkers van het instituut, die
kennelijk ongeveer even veel van
statistiek begrepen als ik van Chinees
was
"We
gooien er gewoon een chi-kwadraatje
over!"
(dan kwam
er gewoonlijk wel iets uit dat
"significant op alfa-niveau .95"
verklaard kon worden, ganz und gar
wissenschaftlich-mathematisch), en dat
was dan dat.
Maar het
betaalde de wetenschappelijk medewerkers
heel goed, en mij minimalistisch maar
wettelijk voldoende om van in leven te
blijven.
|
| 1978 |
Herbegin
studie filosofie, begin studie
psychologie |
| |
Mijn
Noorse vriendin en ik besloten uit elkaar
te gaan, en ik vond snel een
aantrekkelijke Nederlandse vriendin, die
psychologisch assistente was bij de
Jellinek-kliniek, en zich daar nogal
verveelde met het afnemen van
psychologische testen, en wel eens wilde
weten waar die op gebaseerd waren.
We besloten
te gaan samenwonen en in september 1978
beide aan de studie psychologie te
beginnen.
|
| 1978 |
Studiefinanciering:
20 jaar lang deurwaardersbedreigingen |
| |
Aldus
gebeurde, en ik begon ook weer met
filosofie. Ook kreeg in weer een
Studielening, want ik had het voorgaande
jaar in de eerste drie maanden wel een
jaar studiepunten aan examens gedaan.
Maar zowel
in mijn geval als dat van mijn vriendin
ging e.e.a. natuurlijk niet zonder
problemen met Studiefinanciering te
Groningen, veel papieren rompslomp, en
vrijwel totale ambtelijke telefonische
onbereikbaarheid, en niet beantwoorden
van brieven.
We kregen
vanaf dat moment allebei - in mijn geval
zeker - twintig jaar lang vrijwel
maandelijks wel een deurwaarders-
bedreiging van de Studiefinanciering,
die met onmiddellijke ingang
tienduizenden guldens terugeiste, en met
gerechtelijke stappen dreigde.
Kennelijk
vanwege de vele verzendingen van
dergelijke briefjes was het altijd een
half velletje voorgedrukt A4.
Aanvankelijk
was dit weinig rustgevend - wie weet
staat er volgende week een deurwaarder
in je huis om beslag op de huisraad en
de boeken te leggen, "vanwege uw
studieschuld" - maar het bleek in de
praktijk gewoonlijk loos alarm, al moest
je vaak wel een papieren brief schrijven
i.v.m. gedreigde processen.
De
ambtenaren van Studiefinanciering waren
vrijwel niet telefonisch te bereiken (in
Groningen bovendien, tegen duur tarief
uit Amsterdam, voor een student met een
lening geringer dan een
bijstandsinkomen), en wie het grote
geluk was zo een Personage telefonisch
te mogen spreken kreeg onveranderlijk
iemand die "het niet kan vinden in de
administratie".
|
| 1978 |
Cogito |
| |
Ik
was weer met filosofie begonnen; viel op
door mijn ongebruikelijke conversatie; en
werd gevraagd voor de studenten-vereniging
van filosofie-studenten, en te schrijven
voor hun blad Cogito.
De
studenten-vereniging bleek vol te zitten
met Asva-activisten, feministen,
CPN-leden en overige Revolutionaire
Studenten - Karin Vintges, Truus Mom,
René Boomkens, Heleen Pot, Rudi te
Velde, allen sindsdien succesvol
"academisch filosoof" (Te Velde
overigens als closet-Thomist en
uitvinder van de frase "Schijnheiligheid
is ook een vorm van heiligheid") - en
zeer gelukkig met de recente
universitaire ontwikkelingen, die
effectief de meeste macht in de UvA aan
de Asva en de fractie Progressief
Personeel (wetenschappelijke staf) gaf,
allen Grote Revolutionairen.
Het
onderwijs dat mij ondertussen deelachtig
was geworden in filosofie was gruwelijk
slecht, en bovendien voor een groot deel
gepolitiseerd, met Marx, Marx, Marx, en
Harmsen of Feminisme à la Meulenbelt, en
overigens Foucault en verdere treurnis,
ellende, stompzinnigheid en post-moderne
misère - Liotard! Kristéva! Lacan! Het
Denken Van Heidegger!- en ik besloot
daarover het e.e.a. te schrijven in
"Cogito".
Ik deed dat
onder eigen naam, en kreeg prompt
problemen met de staf vanwege mijn
uitgesproken meningen over hun slechte
onderwijs.
|
| 1979 |
Ziek |
| |
Op
1 januari 1979 besloten mijn vriendin en
ik te gaan fietsen.
We woonden
samen in een studentenflat in Diemen, we
studeerden samen psychologie als
eerstejaars, en ik ook filosofie als
tweedejaars, we waren gelukkig en
gezond, het was mooi weer en de zon
scheen, en buiten lag sneeuw en vroor
het hevig, wat mij aan Noorwegen deed
denken.
We fietsten
dus de polder achter Diemen in om het
besneeuwde landschap en de bevroren
Vecht te bewonderen.
Gedurende
die tocht voelde ik mij zieker en zieker
worden. Omdat er overal sneeuw lag en
het zwaar vroor zei ik mijn vriendin dat
ik zou proberen zo snel mogelijk naar
huis te fietsen omdat ik er niet in de
polder kon gaan bijliggen in de hoop wat
bij te komen, en dat zij rustiger achter
mij aan moest fietsen.
Zo gezegd,
zo gedaan. Het lukte me thuis te komen,
al leek onderweg alsof de wolken bruin
waren en de lucht brak als in een
gebroken spiegel en ik viel in bed, en
was drie dagen ziek als een hond, met
kennelijke behoorlijke griep, een flinke
temperatuur, veel zweten, maar overigens
weinig bijzonders behalve spierpijn.
We besloten
dat het gewoon griep was en wel over zou
gaan.
Tien dagen
later werd mijn vriendin ziek, terwijl
ik enigszins hersteld was, kennelijk met
hetzelfde als ik, met als extra diarrhee
voor haar.
Zij ging na
twee dagen naar de huisarts te Diemen
(nieuw voor haar en mij), die Pfeiffer
diagnosticeerde c.q. mononucleose of ook
wel "kissing disease", vanwege een
gebruikelijke vorm van overbrenging
ervan.
Dit kan wel
drie maanden duren, en dit is was de
huisarts ook zei.
We konden
niet behoorlijk uitzieken, omdat we
allebei eerstejaars studenten waren, met
allerlei verplichte colleges, maar
sukkelden door met de studie, terwijl de
ziekte ook in haar geval na een paar
dagen minder intens werd, maar niet
wegging, zodat we allebei voortdurend
moe waren, en vooral ik zeer veel
zweette 's nachts, en zodra ik me
enigszins teveel inspande, wat zeer snel
was.
Na een half
jaar was het nog niet over.
Mijn
vriendin ging weer naar de huisarts, die
ze voor de 2e of 3e keer zag (W. James,
Diemen), die prompt diagnosticeerde dat
"het
wel psychies zal zijn"
- wat, naar
we later zouden leren, het standaard
medische antwoord is wanneer een medicus
iets niet kan verklaren.
|
| 1980 |
Medische
onderzoeken |
| |
Aangezien
we allebei psychologie studeerden,
afgezien van onze ziekte gelukkig waren en
deden wat we wilden (al kregen we niet het
onderwijs van de kwaliteit die we
wensten), en ons voortdurend hondsmoe en
spierpijnerig bleven voelen, met
variërende andere klachten, zochten we
medische hulp.
Eind 1979
en 1980 zijn mijn vriendin en ik heel
wat keren onderzocht door medische
specialisten (meestal internisten),
kennelijk mede - ondanks dat het "wel
psychies zal zijn" - omdat we allebei
een verstandige indruk maakten, en geen
enkel WAO- of verzekerings-belang hadden
ziekte te pretenderen (zoals in de
WAO-tijd 1 miljoen Nederlanders per
jaar).
Er werd
nooit wat gevonden, hoewel behoorlijk
veel onderzocht werd, noch bij mij, noch
bij mijn vriendin.
Een ander
gebruikelijk medisch antwoord dat we in
die tijd leerden waarderen (vooral ik,
die in Noorwegen topfit was geweest) was
"u zou
wat meer aan sport moeten doen".
Wie dat zei
had ofwel niet naar ons geluisterd,
ofwel ons niet begrepen, ofwel niet
geloofd.
|
| 1980 |
Polak en
Koster |
| |
Omdat
mijn vriendin en ik geheel niet geholpen
werden - er werd niets gevonden, en we
kregen geen enkele hulp
"want u
mankeert niets"
terwijl we
wel ziek bleven en grote moeite hadden
om, wonende in Diemen, verplichte
colleges en practica in Amsterdam te
volgen - besloten we speciale medische
hulp te zoeken en te proberen naar
Amsterdam te verhuizen.
Voor de
speciale medische hulp wendde ik mij tot
prof.dr. Ben Polak, hoogleraar
huisartsengeneeskunde, en met zowel mijn
vader als mijn moeder bevriend geweest
in de tijd dat hij nog CPN-lid was,
zoals mijn ouders toen nog steeds waren.
Mijn vader
regelde een afspraak met Polak, en deze
onderzocht zowel mij als mijn vriendin
vriendelijk, beleefd, en grondig, en
vond niets.
Hij
geloofde ons wel, en besloot ons door te
verwijzen voor verder specialistisch
medisch onderzoek naar "een hele
briljante man, Maarten", prof.dr.
Koster, ook werkzaam aan de UvA.
Prof.dr.
Koster bleek een heel briljant
rekeningen-schrijver: Hij liet ons beide
komen op één spreekuur, sprak met mij,
en zond dan zowel mijn vriendin als mij
een rekening voor een persoonlijk
consult - waar wij ondertussen,
studenten-verzekerd als wij waren,
gedeeltelijk zelf voor opdraaiden, zoals
hij wist.
Omdat ook
hij niets had kunnen vinden vroeg ik hem
dan een sportfysiologisch onderzoek te
organiseren, op basis van het argument
dat sportfysiologen meer moesten weten
van energie dan gewone artsen.
Dit leek
Koster een goed idee; hij liet weten "ik
zal zien wat ik voor u kan doen"; en
enkele weken later werd ik opgeroepen
voor dat onderzoek, weer op het W.G.
terrein, als eerder.
Feitelijk
bleek dat ik op een rollenbank gezet
werd door een allochtone arts in
opleiding, die zich Kola noemde, waarbij
ik hard moest lopen, en "dokter" Kola
zou gaan uitvinden... hoe het met mijn
hart zat.
In de
praktijk rende ik hard, sproeide al
doende zeer veel zweet om me heen, dat
mijn ook zieke vriendin, die meegekomen
was om te zien wat ook haar te wachten
stond, zeer aan het schrikken maakte, en
mij voor weken ziek daarna.
Mijn hart
bleek in orde, o verbazing - en na een
paar maanden bevond ik twee dingen:
1.
Er was, twintig meter verder, maar
niet in Koster en Kola's praktijk, een
volledig uitstekend geoutilleerd
sportfysiologisch centrum op het
W.G.-terrein
2. Mijn ex en ik werden weer
met rekeningen bestookt vanaf de
briljante prof.dr. Koster's aangename
vrijstaande huis aan de Apollolaan.
Mij kwam
het voor dat de briljante professor mij
en mijn vriendin opgelicht had, zoals ik
hem ook schreef na het bevinden van het
bovenstaande, en dat hij zijn verdere
rekeningen via de rechter kon innen.
De
rekeningen bleven nog ca. twee jaar
komen, maar Koster ondernam overigens
niets, kennelijk vanwege de kans op
reputatie-schade.
|
| 1980 |
Vader
overlijdt aan kanker |
| |
In
1979 was mijn vader
tijdens een vakantie plotseling onwel
geworden en omgevallen. In het ziekenhuis
bleek dat hij uitgezaaide prostaat- en
bot-kanker had, met een zeer beroerde
prognose.
Mijn vader
vocht ertegen, o.a. middels een
Moerman-dieet, maar het mocht niet
baten.
Ruim een
maand voor z'n dood, in een rolstoel,
werd hij geridderd tot Ridder van
Oranje-Nassau op het stadhuis van
Amsterdam, op voorspraak van Hans Teengs
Gerritsen en Prins Bernhard, vanwege
zijn werk dat resulteerde in de Nationale
Verzets-tentoonstelling.
Sindsdien
is mijn vader geheel weggeschreven uit
de Nederlandse geschiedenis door dr.
Jolanda Withuis van het Niod, die
beweert en gepubliceerd heeft dat niet
mijn vader dit deed, maar twee daarvoor
nooit geridderde PvdA-ers.
Dit
gebeurde in 2005, kennelijk vanwege mijn site.
|
| 1980 |
Kandidaats
filosofie |
| |
Het
was me ondertussen ook gelukt het
kandidaats-examen filosofie, dat begroot
was op drie jaar, in drie jaar te halen,
ondanks anderhalf jaar ziekte en één jaar
verwijdering, en wel met een gemiddelde
van een 8.
Vanwege
mijn kritiek op de faculteit voor
wijsbegeerte, die mij volgens vele
studenten en enige stafleden stempelden
tot evidente "fascist", kreeg ik dit
officiele diploma, op geschept papier,
met handtekenin van de rector
magnificus, door de Revolutionaire
Marxistiese studentendekaan drs.
Theodoor Bolten toegeworpen met
de woorden
"Hier, we
moeten er jou ook één geven!"
|
| 1981 |
Nasa |
| |
Ik
vond het
onderwijs aan de UvA, zowel bij
filosofie als psychologie, inderdaad
wanhopig slecht, zowel als wat betreft
wetenschappelijk onderwijs, als wat
betreft de gruwelijke, gewoonlijk zeer
ongeïnteresseerde of zwaar gepolitiseerde
vorm waarin het gegeven werd, als wat
betreft de organisatie en verzorging, die
bijzonder slecht waren.
En ik was
de enige niet die dit vond, al was ik in
een kleine minderheid. In 1981 vond ik
wat medestanders, zoals de student
archeologie Hans Curvers en de student
arabistiek Ferdinand Smit (jaren later
vermoord in het verre Oosten), en we
besloten een studenten-vereniging op te
richten, en te proberen in de
Universiteits-Raad gekozen te worden, met het doel het
onderwijs te hervormen en verbeteren.
We richten
een studentenvereniging op die we op
mijn voorstel de Nasa - Nieuwe
Amsterdamse Studenten Associatie -
noemden, met een programma voornamelijk
door mij geschreven; we werden
geïnterviewd in het universitaire blad Folia
Civitatis; en we werden met 1
zetel gekozen in de UR, die ingenomen
werd door Hans Curvers, vooral omdat ik
te ziek was om te kunnen garanderen
altijd aanwezig te zijn in het
Maagdenhuis, waar veel vergaderd werd.
|
| 1981 |
"Experimenteel Praktikum
Psychologie" |
| |
Wie
psycholoog wilde worden was verplicht in
het kandidaats een drie maanden durend
praktikum te doen dat "Experimenteel
Praktikum" - kortweg EP - genoemd werd,
waar de ontbloezemende wetenschapper
geleerd werd wetenschappelijk onderzoek te
doen, in de praktijk.
Aanwezigheid
was verplicht, drie maanden lang,
vrijwel dagelijks, wat mijn vriendin en
mij zeer moeilijk viel vanwege onze
ziekte en het algehele gebrek aan hulp
daarbij.
We waren er
wel ondertussen in geslaagd naar
Amsterdam te verhuizen, vanwege onze
ziekte, en woonden in een studenten-flat
op de Nieuwe Keizersgracht, niet ver van
zogeheten "Psychologisch Lab", a.k.a.
"De Glazen Doodskist", waar de faculteit
voor psychologie gevestigd was.
Ik had een
aanzienlijk deel van de voorgaande tien
jaar zelfstandig besteed aan
wetenschapsfilosofie, methodologie,
logica en statistiek, en ik vond het EP
pure oplichterij, bedrog, en waanzin:
Het enige
dat ik er geleerd heb in drie maanden is
dat Togo, waar de top van de Asva
jaarlijks vakantie hield op uitnodiging
van de regering van Togo, een waarachtig
marxisties paradijs was, waar de hele
samenleving voorbeeldig georganiseerd
was.
Aldus
Wetenschappelijk Onderzoek dat de
studenten van het EP wetenschappelijk
moesten bestuderen, becommentariëren en
analyseren, om zich te bekwamen als
Wetenschappelijk Onderzoeker.
Ik deed
dat, schriftelijk, en werd als dank het
EP uitgezet, en toegewezen aan prof.dr.
Johan Hoogstraten, de wereldwijd bekende
schrijver van het prachtwerk "De
machteloze onderzoeker" (ook verplicht
EP-voer, en Hoogstraten's
neven-inkomen).
Voor hem
deed ik wat zelfstandig onderzoek, dat
zelfs gepubliceerd werd in een
universitaire reeks als "Publiceren
in de Psychologie", waarin o.a.
aangetoond werd dat iedere Nederlandse
psycholoog om het even wat gepubliceerd
kon krijgen in een zogeheten Nederlands
Wetenschappelijk Psychologisch
Vaktijdschrift - maar dat desalniettemin
heel weinig universitair geëmployeerde
psychologen dat deden, omdat ze immers
toch allemaal een wetenschappelijke
ambtelijke functie hadden, waar ze niet
uit konden ontslagen worden (zonder de
vakgroeps-secretaresse aan te randen of
de rector magnificus te beledigen).
Ik kreeg
uiteindelijk mijn E.P.-punten met
uitstekende cijfers, en de zure
opmerkingen van prof.dr. Johan
Hoogstraten dat ik "wel erg snel las" en
"erg zeker was van mezelf". (Allebei
waar, trouwens. Hij geloofde het eerste
niet, aanvankelijk, want ik kwam erg
snel terug met de mededeling dat ik iets
gelezen had, maar betrapte me nooit op
een fout.)
Sindsdien
heeft prof.dr. Johan Hoogstraten mij
altijd met grote argwaan beschouwd,
kennelijk als iemand die gevaarlijk
intelligent is, en geen talent voor
"machteloze onderzoeker" heeft. (Ik heb
inderdaad verder nooit in de psychologie
gepubliceerd, al ben ik er in
afgestudeerd.)
Prof.dr.
Johan Hoogstraten heeft vlijtig
gepubliceerd en is toch geheel niet
wetenschappelijk prominent geworden. Als
ik het wel heb geniet hij tegenwoordig
van zijn uitstekende ambtelijke
pensioen.
|
| 1981 |
Terreur
Nieuwe Keizersgracht |
| |
Ondertussen
woonden mijn vriendin en ik gelijkvloers -
wegens loopmoeilijkheden - in een
studentenflat van de SSh aan de Nieuwe
Keizersgracht.
Als
studentenflat was het niet onredelijk,
maar naast ons woonde iemand die gek
was, na scheiding van z'n vrouw, en die
dagelijks 14 uur lang in de gedeelde
telefoon op de gang naast ons stond te
brullen dat hij "dat kutwijf wel zou
krijgen", "die teringteef wel zou
naaien", "die tyfushoer wel zou
vermoorden" etc.
Toen ik er
wat van zei verschoof zijn aandacht naar
mijn vriendin en mij, en begon hij ons
te terroriseren met bedreigingen,
keiharde nachtelijke opera-muziek tussen
1 en 4 uur, het omkeren van vuilnis voor
onze deur, en bedreigingen met geweld,
of met fysiek geweld, als wij
protesteerden.
Hij heeft -
bleek achteraf - mijn vriendin een jaar
lang opgewacht met de frase
"Ik mag
jou wel, maar hem niet, en je moet
weten dat ik een echte primitief, een
echt beest ben".
De rest van
de studentenflat was het eens dat meneer
gek en gevaarlijk was, maar hij woonde
niet vlak naast hun deur, zodat ze
weinig hoefden te doen, vonden ze zelf.
De
gemeentepolitiek kwam niet, of kwam in
de vorm van twee puisterige Grunninger
agenten van ca. 20, die mij, mijn
vriendin, de gevaarlijke gek naast ons,
en de inwoners van de studentenflat
doodleuk zeiden, in 1981
"Wij
kom'n pas als de lijk'n al over de
vloer'n ligg'n, want alle
Amsterdammers benn'n klootzakk'n"
Waarmee ze
in hun politiewagen stapten en wegreden.
De gevaarlijke gek beschouwde dit als
een vrijbrief door te gaan met zijn
terreur, want hij genoot daar diep van.
Ik sprak de
SSh aan, die getuige het huurkontrakt de
plicht had op te treden.
Deze
weigerde 2 jaar lang op te treden: We
moesten maar verhuizen als het ons niet
beviel.
Het GDH
weigerde medewerking (en trok een ons
aangeboden woning in nadat we een
overeenkomst hadden met de eigenaar,
kennelijk ten behoeve van een
GDH-ambtenaar, want dit was een fraaie
woning).
De gemeente
weigerde mijn klacht daarover te
behandelen.
Ik sprak
het College van Bestuur van de UvA aan
over de SSh, en kende alle drie heren
persoonlijk oppervlakkig uit de UR.
Mr.
Cammelbeeck (PvdA) liep gewoon weg, met
de kreet
"Ik
weiger met u te praten"
(want hij
kende mij van de UR, en ik had gevraagd
waarom hij geen wettelijk verplichte
jaarrekeningen inleverde, wat hij niet
deed, en inderdaad verdween er onder
zijn bestuur 45 miljoen gulden van die
rekeningen, bleek een paar jaar later,
en werd gerapporteerd in het
universtitetsblad Folia Civitatis,
overigens zonder enig gevolg voor
Cammelbeeck c.s., want natuurlijk
weigerde het volgend CvB van PvdA-ers
het vorig CvB van PvdA-kameraden voor
problemen te stellen, en is 45 miljoen
een lekker bedrag).
Dr. Poppe
(PvdA) verwees me naar
"Bob de
Hon die dat wel even voor je recht zal
zetten".
Drs. de Hon
(PvdA) riep mij toe op zeer boze toon,
alsof het mijn schuld was
"Muhneer!
U denkt toch zeker niet dat ik mijn
ambtenaren afval!"
en liep
weg, toevoegend dat hij weigerde iets
voor mij te doen.
Mijn
vriendin en ik weigerden verder de huur
te betalen voor een woning waar we niet
konden studeren, niet konden slapen, en
met geweld bedreigd en bejegend werden
door een inpandige gek. We zetten de
huur op een rekening, en deelden dit aan
de SSh mee.
De SSh
stuurde de deurwaarders op ons af, met
het doel de huur te verkrijgen én ons op
straat te zetten wegens
"onbehoorlijk
huurderschap".
|
| 1982 |
Kandidaats
psychologie |
| |
Ondertussen
waren mijn vriendin en ik naar vermogen
bezig met doorstuderen, want we moesten
jaarlijks een minimum aantal punten halen
voor onze beurs of lening.
In 1982
behaalde ik mijn kandidaats psychologie,
met uitstekende cijfers, en mijn
vriendin bereikte iets later hetzelfde.
Ik had op
dat moment ca. zeven jaar studiepunten
(filosofie en psychologie), feitelijk
vergaard in ca. twee jaar effectieve
"studie", eigenlijk door heel snel de
verplichte literatuur door te lezen en
deze op te kotsen op een tentamen.
Ook was ik
in vijf jaar dagelijkse omgang met de
UvA niemand tegengekomen die mij
intelligent voorkwam, behoudens één
enkele zuivere wiskundige, en geheel
niemand die mij integer of moreel
voorkwam, want iedereen van de
wetenschappelijke staf was lid van de
CPN, PPR, PSP of PvdA, en/of koketteerde
met Linkse Idealen, Marxisme, Feminisme
en Postmodernisme, en vrijwel niemand
van de wetenschappelijke staf had enige
wetenschappelijke bekendheid of status
buiten Nederland, of publiceerde
regelmatig.
Dat alles hoefde
ook allemaal niet, want ze hadden
allemaal, vanaf hun ca. 25ste, een
levenslang kontrakt als
"wetenschappelijk (hoofd-)ambtenaar", in
een luxueuze ambtelijke salarisschaal,
zonder enige feitelijke verplichtingen
behalve aanwezigheid of werkcolleges, of
begeleiding van de uiterlijk knappere
studentes naar snelle en goede
studieresultaten.
|
| 1983 |
Vlucht
naar Engeland |
| |
In
1982 en 1983 sliep ik heel weinig vanwege
de nachtelijke overlast, en werd steeds
zieker. Uiteindelijk, bij gebrek aan
iedere hulp, en vanwege gigantisch
slaapgebrek, besloot ik naar Engeland te
vluchten, waar ik in het begin van de
zeventiger jaren had gewoond, en vrienden
had, na weer een moorddreiging van de
gevaarlijke gek naast ons in de
studentenflat, om althans eens een tijd te
kunnen slapen.
Mijn
vriendin vond dat niet leuk, maar ze
sliep beter, en werd door de gek niet
fysiek geterroriseerd: Het was vooral ik
die in zijn gestoorde ogen niet deugde,
ook al vanwege mijn deelname aan de
studentenpolitiek.
Maar ik kon
niet slapen in Amsterdam, en moest
daarom ook mijn studie opgeven, ook al
omdat advocaten in mijn zaak allemaal
incompetent en lui bleken, en ik
gedwongen was de zaak die de UvA tegen
mij hadf aangespannen - want feitelijk
voerde het College van Bestuur, dat zo'n
diepe hekel aan mij had vanwege mijn
publieke herhaalde vragen in de UR over
hun financiële malversaties met de
universitaire rekeningen, het proces,
via een immer liegende en bedriegende
deurwaarder. (Ik ben vanwege mijn dertig
jaar niet-erkende ziekte veel
deurwaarders tegengekomen, en ben een
drs. in de psychologie. Wel lezer: Ik
ben geen deurwaarder tegengekomen die
geen sadist was - en inderdaad doe je
dergelijk werk niet zonder bijzondere
motivatie.)
|
| 1983 |
Megavitamines
|
| |
In
Engeland vind ik, geheel bij toeval en
zonder enig a priori geloof of kennis, uit
dat mega-doses vitamines, in het bijzonder
de B-vitamines, mij althans enigermate
helpen, en sindsdien slik ik, op eigen
kosten, grote doses vitamines.
Aangezien
in 1983 vrijwel niemand in Nederland dat
deed wendde ik mij voor informatie tot
artsen. Zij vertelde mij o.a. dat
"U kunt
wel acidosis krijgen!"
c.q. het
omgekeerde
"Nee, een
zure urine is juist goed voor u"
en het
onverschillige met geamuseerde glimlach
en oogtwinkeling gebrachte
"Dat
wordt dan een héél dure urine van u,
meneer"
Ik ging
door met megavitamines slikken, bij
gebrek aan enige medische hulp of steun
(en zie er tegenwoordig, na 24 jaar
slikken, twintig jaar jonger uit dan ik
ben - maar ben niet hersteld van M.E.).
Mijn
vriendin wilde dat niet, en we gingen in
vriendschap uit elkaar, ook vanwege het
gebeuren aan de Nieuwe Keizersgracht.
Zij was ook nog steeds ziek, maar vond
als aantrekkelijke en intelligente vrouw
snel een arts in opleiding als vriend
(die ook mordicus tegen
vitamine-suppletie was
"vanwege
het gevaar"
dat hij
overigens niet nader wist te
omschrijven).
|
| 1984 |
Theo
van Gogh |
| |
In
1984 leer ik, via een nieuwe vriendin, die
in een film van hem acteerde, Theo
van Gogh kennen.
Hij maakt
eerst ruzie met me, zoals met zovelen,
verliest vervolgens herhaaldelijk een
publieke discussie met mij in een café
te Utrecht, na de première van zijn "Een
dagje naar het strand" waarin de
vriendin acteerde en mij naar
uitnodigde, en giet uit wraak een glas
tomatensap over mijn hoofd, wat hem mijn
reactie oplevert
"Als ze
te dom zijn voor discussie, proberen
ze het met geweld"
maar hij
excuseert zich later daarvoor
(herhaaldelijk, ook schriftelijk), en we
kunnen het aanvankelijk redelijk vinden,
omdat hij geheel niet dom en niet bang
is, en vrolijk en goed kan converseren.
Ook heb ik
na die eerste keer nooit last met hem.
Theo vraagt
me te schrijven voor "Moviola",
een blad over film van hem, maar dat doe
ik niet, want ik vind het niet goed
genoeg en ben geen filmgek, en we zien
elkaar regelmatig, maar niet vaak, want
ik vind dat hij te weinig zelf-controle
heeft en teveel drinkt, terwijl ikzelf
niet drink en geheel niet gezond ben, al
is het ook zo dat vanaf 1985 en met
grote hoeveelheden eigenhandig betaalde
dure vitamines, eerst in Engeland
gekocht en later in Nederland, mijn
gezondheid langzaam maar gestaag
verbetert.
|
| 1984 |
Uitkering |
| |
Ondertussen
heb ik een redelijke woning in de
Tuinstraat, die mijn moeder van tapijt
voorziet van haar verzetspensioentje, maar
krijg ik geen studiefinanciering meer.
Ik vraag
dus een bijstandsuitkering aan bij de
gemeente Amsterdam, want ik ben veel te
ziek om te werken, en reken er zelf op
dat ik in beginsel - ook al omdat ik
zelfstandig tien jaar heb gewerkt -
recht heb op WAO.
Omdat ik in
Amsterdam Centrum woon moet ik mijn
bijstand aanvragen bij de zogeheten Sociale
Dienst van Amsterdam aan de
Vijzelstraat, waar deze in een groot
duur kantoor hoek Keizersgracht
gevestigd is.
Ik ga daar
in het voorjaar van 1984 heen voor mijn
aanvraag, overigens - blijkt later - met
een teen die ik die ochtend brak bij een
val van de trap.
|
| 1984 |
Moorddreiging
Amsterdamse ambtenaren |
| |
Het
blijkt - als eerder, toen ik wegliep
wegens de wachttijden - tjokvol te zitten
met uitkeringsaanvragers, die breedweg en
in termen van grootte in drie groepen
uiteenvallen
- de
grootste groep van Marokkaanse en
Surinaamse "gastarbeiders", heette het
in 1984 wellicht nog
- een
middengroep van junken, gewoonlijk met
honden, messen en spuiten bewapend, en
spuitend waar je bij zat in de Sociale
Dienst (waarschijnlijk om daarmee een
uitkering te krijgen)
- een
kleine groep van vers afgestudeerde
academici met grote verbazing en angst
in de ogen, en ikzelf, als van de
universiteit gejaagde invalide.
Een en
ander wordt beheerd door twee
gemeentelijke portiers, een grote dikke
met blubberlippen, en een kleine kale
met flaporen, beiden kennelijk
vijftigers of langjarige jongere
alcoholici, en beiden voorzien van een
vet Amsterdams accent.
De heren
houden niet van uitkeringsstrekkers, en
helemaal niet van Marokkanen en
Surinamers, en laten dit publiek weten
ook, al valt het op dat ze alle junken -
met honden en messen en spuiten -
kruiperig behandelen.
Tegen
Marokkanen gaat het als volgt
"Hé
Agmet, of hoe juh ook mag heetuh, je
mot wel juh naom infulluh as juh een
uitkerinkie fammuh wil hebbuh. En je
mot wel Neejdurlans kennuh sprekuh,
want anders helpemuh juh nie. En met
twee woorruh spreekuh, begreip juh
wel? Of kejje muh niet furstaon?"
Ik zit daar
2 1/2 uur bij, met een gebroken teen, en
groeiende irriratie. De rest van de
aanwezigen doet alsof ze niets zien of
horen en zwijgen, als ze niet lachen.
Na 2 1/2
uur sta ik op en protesteer ik beleefd
bij de portiers dat ik van een
dergelijke behandeling van anderen niet
gediend ben, en een klacht over ze wil
indienen, en bij wie ik dat moet doen.
Hier is hun
antwoord:
"Fuiluh
smeriguh homofieluh gepuhkop! Gore
hufter! Smerige klootzak! Kom naor
buituh sodattumuh juh kennuh
furmoorduh en fursuipuh in de gracht."
Ik word zo
boos dat ik ter plekke het woord "Burofascisme"
uitvind én definieer voor de heren, wat
tot drie a vier keer herhaling van beide
van het zojuist geciteerde tot gevolg
heeft; mijn naar buiten stappen op de
gracht; en vijf minuten van hun verdere
gescheld, vooral over mijn vermeende
sexuele identiteit, lange haar, en de
vermeende broodwinning van mijn moeder.
Als ik naar
het gemeentehuis ga is het antwoord
daar, namens B&W, dat ik niet het
recht heb "burofascist"
te zeggen tegen enige Amsterdamse
ambtenaar; dat ik
"niets te
maken heb met wat uw vader in de
oorlog gedaan zou hebben",
en zij
al helemáál niet; en dat ze weigeren op
te treden tegen
"onze collegaas".
|
| 1984 |
"Fraudeur" |
| |
Ik
bel met mijn behandelend ambtenaar van de
SD, een juffrouw Heemskerk, die mij op
mijn protesten doet weten
"U denkt
toch zeker niet dat we de rode loper
voor u uitleggen? Als u niet langskomt
krijgt u geen uitkering. Aan u de
keus."
Maar ik
krijg in mei een bijstandsuitkering, zij
het geen WAO, om redenen die mij nooit
verklaard zijn al heb ik daar tientallen
malen om gevraagd (want ik had immers 10
jaar gewerkt, en zelfs nooit een beurs
gekregen).
In juni
wordt de uitkering weer ingetrokken. Nu
ben ik, volgens juffrouw Heemskerk en de
directie van de SD
"een
fraudeur"
want ik
zou, volgens opgave van
Studiefinanciering uit mei,
studiefinanciering ontvangen hebben en
ingeschreven staan als student.
In feite
heb ik én niet ingeschreven gestaan én
niet gestudeerd.
Later
blijkt dat de UvA mijn studie-aanvraag
voor 1983 in april 1984
alsnog heeft ingediend, zonder
mij daarin te kennen, en aan het eind
van het akademisch jaar, kennelijk
vanwege de 3 x 20.000 gulden die ze
daarvoor van het rijk vangen per
ingeschreven student (bij filosofie, bij
psychologie, bij Noors).
Uiteindelijk,
na veel moeite, weet ik dit weer recht
te breien, en krijg ik per september
1984 wel een bijstandsuitkering, met
strafkorting
"vanwege
de u onterecht sinds april verleende
bijstand".
Excuses
voor het gebeurde krijg ik nooit, in
geen enkele vorm, en juffrouw Heemskerk
meent dat ik niet te klagen heb
"want u
bent toch geen homofiel, toch? Nou
dan."
(Voor de niet
in de psychologie afgestudeerde leken:
Juffrouw
Heemskerk en veel van haar SD-collegaas,
zoals de twee portiers, zijn evidente
sado-masochisten, die dit soort baantjes
aannemen en zoeken vanwege hun
perversies. Er zijn ondertussen duizenden
van dergelijke ambtenaren in Amsterdam.)
|
| 1985 |
Op
straat gezet |
| |
Wegens het feitelijk niet
ontvangen van studiefinanciering en het
feitelijk niet ontvangen van bijstand
moet ik van mijn moeder lenen om eten te
kopen, kan de huur niet betalen, en
wordt prompt door de
woningbouwvereniging op straat gezet,
die van geen verweer wil horen, van geen
ziekte wil horen, geen brieven
beantwoordt, en mij door een
kaalgeschoren lesbo in een roze
tuinbroek - een outfit die zeer populair
was in die tijd, onder dames van deze
overtuiging - laat zeggen dat
"Als u
klachten heeft gaat u maar naar de
deurwaarder.
Wij hebben heel menselijke
deurwaarders."
Feitelijk
zijn het sadisten, die mij zelfs geen
dag respijt geven vanwege mijn ziekte;
die mijn huisraad gewoon op straat
smijten; en die van een
deurwaarders-firma zijn die vijf jaar
later een misdadige onderneming
blljkt, en bij gerechtelijk vonnis
wordt gesloten. (Empirische wet van de
Nederlandse deurwaarder, gebaseerd op
30 jaren ervaring met dit ras: Wie
géén sadist is, is géén deurwaarder.)
|
| 1985 |
Win rechtszaak tegen de UvA |
| |
In
1985, na drie jaren procederen, win ik
uiteindelijk de rechtszaak tegen de UvA,
met een vonnis dat achteraf door advocaten
huurrecht als
"mirakuleus"
wordt
omschreven, en dat inderdaad geveld is
op basis van mijn eigen schriftelijke
verweren en van getuige-verhoren door de
rechter.
Als ik, na
afloop van het proces, de rechter
Gerretsen voorbij zie lopen in het
gerechtshof spreek ik hem aan, dank hem,
en zeg dat een voornaam probleem voor
mijn vriendin en mij was dat de
gemeentepolitie van Amsterdam niet
optrad. Zijn antwoord was iets tussen
een verzuching en een uitroep
"Ach
meneer, de politie van Amsterdam..."
waarna hij
wegliep.
Overigens
was dit een heel behoorlijke rechter,
kennelijk een verstandig man, en is mijn
enige klacht over deze rechtsgang dat
het allemaal zo lang duurde: Veel
tussenvonnissen, replieken, duplieken,
allemaal met maanden ertussen. (En het
justitieel proza is verre van goed
Nederlands, waarin bovendien vele gewone
morele termen een heel eigen bijzondere
jurisprudentiële betekenis blijken te
hebben).
|
Er
zijn hier wat redelijke vervolgen:
|