Ik ga nog steeds gebukt
onder
ME en de
vervolgingen van de
terreur-organisatie die
zich Stichting
Waternet belieft te
noemen, en lig
voornamelijk ziek en met
pijn in bed, maar het
volgende fraais wilde ik
toch registreren, in het
voorbijgaan, in de pijn,
en in de armoede, alles
wéér dankzij de
gemeente Amsterdam, die
ook wéér voor de
terreur van de Stichting
Waternet aansprakelijk
zijn, want het is
allemaal
het werk van Jesov van
Poelgeest
(*), die
indertijd zo stellig
meende te weten dat
ik "een fascist" ben
(tegenstander van
de Asva, nietwaar,
en zo was dat dan, naar
het normbesef van
mijn generatie).
Maar terzake.
Dit stukje had
"Marjoleine vindt het
ook" kunnen heten,
naar
een reeksje in
Nederlog van de
afgelopen maand, maar ik
neem aan dat mevrouw De
Vos, die redacteur van
de NRC is, niet gehéél
alleen staat, in haar
gevoelens en diagnose,
en het is wáár dat ze
Een Echte Kenner is
van het
grachtengordelvolk ("zo
heet zulks"), vast ook
met kennis van en aan
talrijke BN'ers van mijn
en haar generatie, die
ikzelf moet ontberen,
ontrecht als ik ook
dáárvan moet leven, en
vandaar dus dat ik haar
maar verheven heb tot
kenner in het meervoud,
van
mijn generatie. En
ik vind het ook, dus
logisch dat ik gelijk
heb met mijn titel.
Maar waar gáát het
over? Het stukje heet
"Nare mensen. Mijn
generatie.",
staat in de NRC van
vandaag, en begint zo:
Ben je een generatie?
Iedereen afzonderlijk
natuurlijk niet, maar
kun je iets voelen bij
de woorden 'mijn
generatie'? Ik vroeg het
me af na het lezen van
de sympathieke kleine
roman Vriendendienst
van Aleid Truijens.
Het boek gaat over
een groep mensen,
misschien een of twee
jaar ouder dan ikzelf,
'mijn generatie' dus.
Hun leven lijkt in
sommige opzichten op het
mijne, Vossiusgymnasium
in Amsterdam, in die
stad blijven wonen,
sommigen zijn journalist
geworden.
Zoals
mevrouw Etty,
bijvoorbeeld,
co-redactrice van
Marjoleine in de NRC,
eertijds redactrice van
De Waarheid,
tegenwoordig ook
gearriveerd professeuse,
en samen met mevrouw De
Vos véélverdienend
Nederlit-jurylid?
O nee, we hebben het
over romanpersonagens,
en er zijn er inderdaad
heel wat meer van die
soort.
Mevrouw De Vos
vervolgt, zoals ik
opmerkte ongetwijfeld
als kenner van de soort,
in tàl van opzichten
bovendien groter en
beter kennes dan ik:
Het zijn nare mensen.
Verwend en slordig. Ze
zijn in allerlei
constellaties met elkaar
geweest, hebben als ze
vrouwen zijn kinderen
van verschillende
mannen, en als ze mannen
zijn kinderen van
verschillende vrouwen,
één man heeft zelfs de
dochter bezwangerd van
een vrouw bij wie hij
ook al een kind heeft.
Onsympathiek. De
verteller in het boek
heeft er ook weinig
goede woorden voor over.
De vrucht van de
genoemde bezwangering
heeft dus zowel de eigen
grootvader als de vader
van de eigen halfzus tot
eigen vader - als dat
geen sexueel communisme
is dan weet ik niet wat
wèl - maar goed, a
little complication with
all the fornication.
Mevrouw De Vos houdt
er geheel niet van, en
zegt wat verder:
De generatie die we
hier zien - als het een
generatie is en niet een
stel hoofdstedelijke
naarlingen - heeft
weinig gevoel voor
verplichtingen. Net als
ze in zekere zin niet
volwassen zijn geworden
of dat Haagse Post
ik-gevoel en het jaren
tachtig hedonisme nooit
zijn kwijtgeraakt.
We hebben het hier
natuurlijk feitelijk
over echte,
hoewel anonieme
mensen. En ze refereert
trouwens naar een
artikel van John Jansen
van Galen uit 1980, dat
het tevens over
narcisme had, maar
dat in feite neerkomt op
egoïsme, vaak uit
naam van
maatschappelijke
idealen, en
algehele
karakterloosheid c.q.
valsheid en hypocrisie.
Wat mevrouw De Vos
vooral dwars zit is sex
(zij schrijft "seks"):
Oh, wat erger ik me
aan die mensen. Waarom
toch? Blijkbaar vind ik
het maar niet als mensen
losweg kinderen maken
bij verschillende
partners.
For the record:
Ik ben geheel onschuldig
hieraan, maar afgezien
daarvan: Het gáát toch
eigenlijk, moreel ook,
om
onverantwoordelijkheid,
egoïsme, en slapheid?
Mevrouw De Vos
vervolgt zelf
Vind ik misschien
zelfs die losse seksuele
moraal, nog los van
eventueel nageslacht,
weerzinwekkend?
Zelfde opmerking als
hiervoor, en mevrouw De
Vos legt het uit, maar
dat moet u zelf maar
nalezen, desgewenst,
want de "seksuele
moraal" van mijn
generatie is niet mijn
voornaamste bezwaar
daartegen, en mijn
afschuw geldt, àls het
dan geëtikketeerd moet
worden, moraal
schlechthin, dat wil
zeggen in het Neerland
van 'mijn generatie':
morele hypocrisie,
egoïsme, en doodordinair
karakterloos parasitisme
en uitvreterij.
(En toen ik dit in 1988
zei, in de UvA, tegen
mijn generatie, of
liever gezegd
vroeg, want zó
ging het, werd ik
voor de derde keer van
de UvA verwijderd
vanwege "uw uitgesproken
ideeën".)
Ze eindigt zo, na
bespreking van
se(x)(ks)uele mores door
haar die ik oversla:
Het is merkwaardig
dat je voor
romanpersonages zo'n
intense afkeer voelt, en
zoveel zin hebt om te
zeggen dat je vindt dat
ze verkeerd leven,
verkeerd denken, zich
verkeerd gedragen - dat
je geweldige zin hebt om
afstand van ze te nemen.
Maar ja: Geheel en al
uit het echte leven
gegrepen, warts,
deceptions, lies and all,
nietwaar - en enigermate
perceptief als ik ben
lees ik zowèl de
subtekst als begrijp ik
de onmiddellijk volgende
blije toelichting van de
schrijfster:
Het zijn maar
personages. Dat ze
toevallig ongeveer mijn
leeftijd zijn, nu ja,
dat gebeurt wel eens
vaker, dat is al veel
vaker voorgekomen en dan
heb ik niet de neiging
om te zeggen: ik ben
heel anders.
Kortom, oplettende
lezer(es) - en mevrouw
De Vos en ik zijn nog
Neerlandistiek geschoold
in de wateren van de
tekstduiders van
Merlyn, dus ik kan
dit
tekstkritisch-Neerlandistiek-verantwoord
duiden: Al zijn
het romanpersonages,
mevrouw De Vos voelt
zich aangesproken;
herkent ze, of zich;
kent het milieu en de
soort; ging er
ongetwijfeld mee naar
bed (Bijbelse "kennis":
achteraf kennelijk naar
eigen smaak te vaak), en
konkludeert dan ook met
een antwoord op haar
eigen vraag:
Dus blijkbaar is dat
generatiegevoel toch
iets. Kun je je
misschien wel een beetje
schamen voor je
generatie, die destijds
zo vrije en zo
geëngageerde mensen die
je nu hebt zien
veranderen in iets te
dikke of te strakke,
zelfvoldane,
zelfgenoegzame mensen.
Nu ja, de meesten dan.
De anderen.
En misschien waren ze
indertijd helemaal niet
zulke "vrije en zo
geëngageerde mensen"?
En waren ze uiteindelijk
eigenlijk niets
waarachtiger in hun
pretenties dan -
bijvoorbeeld - pedofiele
katholieke priesters
zonder werkelijk geloof?
Was it all
hypocritical make-belief
+ devious careerism?
Want dat is wat ik
denk. Over de meer
succesvollen. Over de
gearriveerden.
Van 'mijn
generatie', die
Nederland slechter
achterlieten dan ze het
aantroffen, maar daar
zelf rijk van en bekend
mee werden. En vanaf
het allereerste begin,
al in de verheerlijkte
Zestiger Jaren,
altijd uit waren op
macht,
bestuursmacht, en op
posities,
politiek-leidende
posities.
Van welbewuste
opzettelijke ruïneerders
van het voorbereidend en
wetenschappelijk
onderwijs, uit naam van
nivellering,
demokratisering,
gelijkwaardigheid, en
Marx, Greer, Meulenbelt,
en
de directieven uit de
CPN,
tegenwoordig werkzaam
bij de NRC, en
wonend 'op de
grachtengordel', in alle
morele integriteit en
financiële
welvarendheid.
Ach ja.
(*)
Zie:
Robert Conquest, "The
Great Terror" voor het
karakter van kameraad
Jesov. (Ik schreef eerst "Stalin",
maar dat is toch echt veel
te veel eer.)
P.S. "Waarom léés je
die krant dan?" "Omdat het
is als met veel keuzes in
het leven: Het is het
minste kwaad. Er is niet
beter, helaas. In
Nederland."