"Credo quia absurdum."
Tertullianus |
Bisschop Williamson is een Engelse katholiek
die kort geleden door de paus in genade is aangenomen omdat hij
daarvoor tot een zeer conservatieve katholieke club behoorde die tot
kort geleden volgens de paus niet deugde.
Williamson werd prompt wereldberoemd, want hij
is niet alleen een gelovig katholiek maar gelooft ook dat de nazis in
de Tweede Wereldoorlog hooguit 200.000 tot 300.000 joden vermoordden
en dat ze dat allemaal zonder gaskamers deden.
De duitse kanzelier (kanzeleuse?) Angela Merkel werd
boos (ontkenning van de Holocaust is dan ook
een misdrijf in Duitsland en Oostenrijk)
en zelfs de Nederlandse minister Verhagen, toch van katholieke
achtergrond, liet weten de opvattingen van Williamson over de
Holocaust (*) "idioot" te vinden - en dat laatste
lijkt mij een welgekozen term, als is deze verre van vriendelijk of
diplomatiek.
En ik wilde in dit stukje op dat "idioot" ingaan, niet
om het te bestrijden maar om het te illustreren met een
fraai citaat inzake het Christelijk geloof, dat zometeen volgt, en wel
na een kort zijstapje over de katholieke theologie.
Naar ik begrepen heb is de Engelman Williamson
opgevoed in het Anglicisme en aan de beste public schools
(**), en pas na zijn twintigste bekeerd tot het
katholicisme, na "een ontmoeting met St. Thomas Aquinas", om de
Nederlandse minister van justitie, de katholieke Hirsch Ballin, eens
uit mijn hoofd te citeren, die daar ook zeer van onder de indruk was.
Ook ik las St. Aquinas maar mij viel het makkelijk,
o.a. omdat ik niet gelovig opgevoed ben, om in te zien dat deze
katholieke heilige buitengewoon intelligent geweest moet zijn, maar
toch, vrijwel zeker met vrijwel (***) de beste
bedoelingen, en met veel vertoon van geleerdheid en logische
scherpzinnigheid, een boel onzin verkoopt, met daartussen door ook
heel wat (scherp-)zinnige logische onderscheidingen.
Nu is er, althans voor mij, een nogal groot verschil
tussen de ideeën van een, inderdaad bijzonder scherpzinnig, denker van
ruim 700 jaar geleden, en overwegend
dezelfde ideeën nu, zoals die immers nog steeds
gehuldigd worden door de paus en de katholieke kerk, en dat verschil
ligt in de 700 jaar menselijke beschaving die sindsdien
verstreken zijn, en wat in die tijd gedacht, gediscussieerd, gevonden
en vastgesteld werd, in het bijzonder door de wetenschap.
Mijzelf wil het voorkomen - die, nogmaals, niet als
kind is lastig gevallen met een
godsgeloof of met
een hel - dat iemand van goed verstand, die niet misleid wordt door
zijn eigen emoties en
wensdenkerij (inclusief angsten, als branden in de hel, in 't
geval de liefhebbende alwetende tóch bestaat) en die
intelligent
genoeg is om zowel Aquinas met begrip te lezen als kennis te nemen van
moderne wetenschap, niet tot enig ander oordeel kan komen dan dat wie
gelooft in de waarheid van St. Thomas terwijl hij begripsvolle kennis
van heeft van natuurkunde, scheikunde, biochemie en biologie in hun
miderne vormen, niet bijzonder onrechtvaardig wordt omschreven
met de term van minister Verhagen: "idioot" (dus, naar het Grieks:
niet voor rede vatbaar).
En het gaat me hier niet om Williamson's meningen over
de Holocaust(*), maar over
wetenschap en
geloof, en het gaat me hier ook niet om de meningen van eenvoudige
katholieke gelovigen, die het vrijwel zeker aan de kennis, de tijd, de
gelegenheid, de opleiding, en de wil ontbreekt om hun geloof te pogen
te funderen zoals de plicht van een bisschop is, maar om de
meningen van religieuze beroeps-scherpslijpers als Williamson.
Daar is, gezien de moderne wetenschap, het een en
ander aan dat gek, idioot, vreemd, of gestoord is - als het tenminste
niet gewoon bedriegerij, oplichterij, leugen is - en wel eenvoudig
omdat het zoveel dat door de moderne wetenschap onderzocht en
vastgesteld is ontkent, uiteindelijk alleen vanwege het
stellige geloof dat St. Thomas dat meer dan 700 jaar geleden allemaal
beter wist, beargumenteerde, doorhad en formuleerde dan de hele
wetenschap sindsdien.
In zo'n houding zit iets pervers en iets hoogmoedigs,
als van Lucifer, dat ik hier opvoer omdat katholieke bisschopen onder
de eersten zijn die hun tegenstanders "hoogmoed" en "trots" voor de
voeten werpen, als bitter en verdoemend verwijt, dat volgens hen
gemoedsaandoeningen zijn die van de duivel stammen en tot
de doodszonden
behoren (mits gekoesterd door wie geen bisschop of paus is,
uiteraard).
Om dit theologisch uitstapje af te sluiten: Het lijkt
me dus niet zo'n héél onzinnig vermoeden dat er reële twijfel
behoort te zijn over de compos mentis van bisschop Williamson,
eigenlijk vooral - ik ken de man immers geheel niet - omdat hij
zo'n grote overmaat aan zaken gelooft die geen weldenkend mens,
inclusief vele katholieken (****), ook
onderschrijft, in de zin waarin Williamson dat doet.
Maar dat is zijn probleem en dat van zijn kerk of zijn
artsen, en ik wil nu een fraai citaat geven van eeuwen her dat
een aantal van de moeilijkheden van het Christelijk geloof zinnig
bespreekt.
De schrijver was de Baron d'Holbach, een zeer
intelligente 18e-eeuwse Franse verlichtingsdenker; het citaat komt uit
A.J. Ayer's uitstekende "Voltaire"
(*****); en het stamt uit d'Holbach's Système de la nature
uit 1770, en bespreekt in feite het "argument
from design", dat ook moderne gelovigen, inclusief
de grote media-evangelist Knevel, nog zeer
inspireert.
En het gaat uiteindelijk om de relaties tussen
geloof en
rede, tussen
theorie en
evidentie,
waarover onder andere W.K. Clifford
zo fraai schreef in "The
Ethics of Belief", waar ik het 2
februari over had.
Hier is de Baron zelf, zoals vertaald door Sir Alfred
Julius Ayer himself, met wat extra lege regels voor alinering
ingevoegd door mij:
It is claimed that animals provide us with convincing
evidence of a powerful cause of their existence; we are told that the
wonderful agreement of their parts, observed in reciprocically aiding
on another fo fulfil their functions and maintain their unity, points
to the existence of a workman who combines power with wisdom.
We cannot doubt the power of nature; she produces all
the animals that we observe, by means of combinations of matter which
is continuously active; the adjustment of the parts of these animals
is a consequence of the necessary law of their nature and their
combination: as soon as this adjustment ceases, the animal necessarily
perishes.
What then becomes of the wisdom, the intelligence or
the goodness of the alleged cause which was credited with this vaunted
adjustment? Where do we find the wisdom, the goodness, the foresight,
the immutability of a workman who appears to be solely concerned with
disarranging and breaking the springs of the machines which are
presented as the masterpieces of his power and skill?
If God cannot act otherwise, he is neither free nor
all-powerful. If he is infirm of purpose, he is not immutable. If he
allows the machines which he has endowed with sensitivity to suffer
pain, he is lacking in goodness. If he has not managed to make his
products stronger, he is lacking in skill. When we observe that
animals perish like all the other works of the Divinity, we cannot
avoid concluding either that all the activity of nature is necessary
and no more than the consequence of natural laws, or that the workman
who devised this activity is devoid alike of purpose, power,
constancy, skill and goodness.
U kunt niet zeggen dat het niet behoorlijk goed
beargumenteerd en fraai opgeschreven is, nietwaar? Op dit punt heeft
Sir Alfred een tussenwerping, als volgt:
There follow two paragraphs in the first of which the
misfortunes of men are cited as evidence that they are not favoured by
a God and in the second of which it is argued that nature is not an
artefact, since the explanation for all its working can be found
within it.
Zoals sinds d'Holbach schreef dan ook zéér
ondersteund door de wetenschappen der natuurkunde, scheikunde,
biochemie en biologie. Ayer voegt aan het bovenstaande van hem toe
"The passage proceeds", zodat we nu weer bij de Baron d'Holbach zijn:
But let us suppose for a moment that it is impossible
to conceive of the universe without a workman who created it and
watches over his creation. where are we to situate the workman? Is he
to be inside or outside the universe? Is he matter or movement? Or is
he merely space, nullity, the void? In any case, either he would be a
nonentity, of he would be contained in nature and subject to its laws.
If he is within nature, all that I can observe there
is matter in movement, and I must conclude that the agent who sets it
in motion is incorporeal and material and consequently liable to
perish.
If this agent is outside nature, I then lack any idea
of the place which he occupies, or of an immaterial being, or of the
way in which an unextended spirit can act upon matter with which it
has no connection. Those unknown spaces, which the imagination
situates beyond the visible world, do not exist for a being which
hardly sees further than its feet; the only way which I can conceive
of the ideal power which inhabits them is by fantasizing some random
combination of the colours which my imagination cannot discover
elsewhere than in the world where I am; in that case I shall merely be
reproducing ideally what my senses will have perceived in fact; and
this God, whom I endeavour to distinguish from nature and put beyond
its grasp, will always be bound to return within it, whether I like it
or not.
It will still be objected that if a statue or a watch
were shown to a savage who had never seen such things, he could not
help acknowledging that they were the work of some intelligent agent,
more skilful and more creative than himself: from this it is to be
inferred that we are equally forced to acknowledge that the machine of
the universe, man, the phenomenon of nature, are the work of an agent
whose intelligence and power far excels our own.
I reply, first of all, that we cannot doubt that
nature is very powerful and creative; we admire its creativity every
time that we are struck by the far-reaching, varied and complicated
effects that we discover in those of its works on which we take the
trouble to reflect: even so it is neither more nor less creative in
any one of its works than in the others. We understand no better how
it can produce a stone or metal than a brain like Newton's. We call a
man creative when he can do things that we cannot do ourselves. Nature
can do everything; and the mere fact that something exists is the
proof that nature has the power to bring it about.
It is we ourselves who supply the standard by
reference to which we judge nature to be creative; we compare nature
to ourselves, and as we possess a quality which we call intelligence
by means of which we produce works displaying our creativity, we infer
that the works of nature do not belong to it, but are due to a workman
with an intelligence like our own - but one that we apportion to the
wonder that his works arouse in us, that is to say to our weakness and
ignorance. (p. 110-2, op. cit.)
Aldus d'Holbach in 1770 - en u moet ook bedenken dat
hij niet zonder gevaar schreef wat hij schreef, want mensen
konden in zijn tijd nog geradbraakt worden of de tong uitgerukt
krijgen vanwege bespotting van Het Ware Katholieke Geloof. (In feite
kon d'Holbach dit schrijven omdat hij rijk was, tot de élite behoorde,
en vrienden aan het hof had.)
Ik heb een en ander opgevoerd omdat ik het fraai
geformuleerd en beredeneerd vind; omdat Voltaire dit citeert in
zijn Dictionnaire philosophique; vanwege het geloof van
bisschop Williamson; en omdat ik kort geleden over
de Neerlandse media-evangelist Knevel
schreef.
Wat voor verweer hebben de gelovigen tegen dit soort
argumenten eigenlijk? Ze komen gewoonlijk in twee soorten, zegge
defenso-agressief en agresso-defensief.
De defenso-agressieve vorm bestaat erin om zoveel
mogelijk de wetenschap en de rationaliteit te mijden, en in plaats
daarvan de ongelovigen uit te maken voor intolerant, immoreel,
corrumperend en gevaarlijk - omdat ze niet in een eeuwige hel kunnen
geloven, of niet in een Goddelijke Goedheid, Alwetendheid en Almacht,
met gruwelen als Auschwitz of de Goelag
erin, dan immers ook God's liefdevolle schepping.
De agresso-defensieve vorm bestaat erin om, gewoonlijk
op hoge toon, het recht op te eisen te geloven wat men zelf wil, ook
tegen beter weten en de logica in. De beste uitdrukking daarvoor stamt
van de 2e-eeuwse Romeinse kerkvader Tertullianus, die
Christen was en de absurditeiten van zijn geloof verdedigde met de
stelling dat "Credo quia absurdum" = "Ik geloof het omdat het absurd
is" - met als achterliggende gedachtegang: "Als het immers niet absurd
was hoefde ik het niet te geloven en kon ik het weten".
Maar ja... ik had een soort vriendje tijdens de
zomervakantie toen ik 9 was, die katholiek was en Fransie heette, die
ik me vooral herinner omdat hij vaak won met monopolieën, wat hij weer
deed omdat hij zodra één van de andere kinderen zeiden dat hij vals
speelde (wat hij deed) hij heel luid en opgewonden begon te schreeuwen
en gillen, desnoods met een paars gezicht, dat dit mocht want
"eerlijk is vals, eerlijk is vals, eerlijk is
vals, eerlijk is vals!!".
Indertijd kostte het me behoorlijk wat moeite om
mijzelf ervan te overtuigen dat wat hij riep oneerlijke onzin was, al
had hij de truuk wellicht weer van een ouder broertje of neefje, maar
dát is dus waar dat "Credo quia absurdum" op neer komt: Een
absurd uitgangspunt om bij een absurde konklusie terecht te
komen - alsof dat hoort en kan en deugt en verdedigbaar is:
"eerlijk is vals" (gelijk 1=3, voor de katholieken, waar zij goden
tellen).
En zoals mijn site sinds het beging opent:
"If
we believe absurdities,
we shall commit atrocities."
Voltaire
- want dat pleegt het gewone gevolg van absurd
geloof te zijn, althans in tijden van crisis of oorlog, al eeuwen en
eeuwen lang. En als dit niet zo was - ook al vanwege God's goedheid,
uiteraard - dan zou het ook véél minder erg zijn.
(*) Een term waar ikzelf niet zo
gelukkig mee ben, maar die ondertussen tot het standaard woordgebruik
behoort. Hoe het zij, wie de meningen van bisschop Williamson erover
wil leren waarderen kan weinig beter doen dan een meer of minder lange
blik slaan in "The Holocaust Encyclopedia", ed. W. Laqueur
(ISBN 0-300-08432-3, althans van de hardcover editie) die de deugden
heeft zowel uit te leggen waarom de term niet erg welgekozen is als
765 paginaas weldoordachte paginaas over het onderwerp te leveren,
inclusief beeldmateriaal en statistieken, waar volgens Williamson
weinig of niets van waar kan zijn.
(**) Dus feitelijk: zeer dure
privé-scholen.
(***) Dit tweede "vrijwel" in vier
woorden dient om mijn twijfel mee te delen over Aquinas goede
bedoelingen in sommige gevallen, zoals de vervolging van ketters en
homofielen, waarover hij meende bewezen te hebben dat het God
welgevallig was om ze levend te doen verbranden, althans indien ze
volhardden in hun preferenties.
(****) Zoals u wellicht begrijpt
heb ik niet veel met het katholicisme, maar ben ik ook niet blind voor
intellectuele excellentie, en er waren de vorige eeuw wel degelijk
gelovige katholieken die - desalniettemin, moet ik invoegen, mede
vanwege het bestaan van bisschop Williamson - behoorlijk zinnige
denkers waren. Twee voorbeelden zijn Etienne Gilson en frater
Bochenski.
(*****) Mijn editie is een
paperback uitgegeven door Faber and Faber in 1986, met als ISBN
0-571-15025-1. Dit is een alleraardigste en zeer leesbare inleiding
tot Voltaire.