Laat ik het eens over geloofsafval
hebben. Ik kom erop vanwege een artikel in de NRC van heden over Karel
van het Reve, van wie de eerste twee delen Verzameld Werk
pas verschenen zijn, en dat aldus opent
Het kostte Karel van het Reve
(1921-1999) jaren om los te komen van het communisme. Hij
hield er geen rancune of cynisme aan over. Maar wel een 'fysiek
welbehagen'.
Het geval wil dat ikzelf een communistische opvoeding
had en van dat geloof afviel op mijn 20ste in 1970, en vandaar.
En dit is vooral een wat persoonlijk
meditatief stukje, hoewel niet diep gravend of lang.
Het onderwerp op zich is in echter
interessant, menselijkerwijs, als u even doordenkt, want iedereen
kent het, is het niet in verband met
Sinterklaas of religie,
dan wel omdat iedereen wel eens serieus z'n vertrouwen heeft verloren
in ideeën, autoriteiten,
personen, gebruiken, God
of goden of wat al niet - want de mensenwereld is samengestikt uit
geloven van allerlei aard en daarmee samenhangende
geloofspraktijken, waarden en doelen, en dat leidt maar al te vaak tot
problemen tussen gelovigen en ook vaak tot problemen binnen gelovigen,
waar ik het in dit stukje vooral over heb.
Daarbij: geloofsafval is
belangrijk, ook voor gelovigen, want Jezus begon als een
afvallige jood, net als Paulus trouwens; Mozes zelf
begon als afvallige van het geloof van zijn voorvaderen; Mohammed
ook al, net als Boeddha, om van Heraclites, Socrates,
Epicurus, en Lucretius maar niet te
spreken - en in onze tijd, in ons land hebben we, om tot bestaande
personen van actueel wereldformaat over te gaan, Ayaan de Verzetstrijdster die als
afvallige haar reis naar wereldfaam begon; Geert
de Kruisridder en Rita de Patriot,
beiden afvalligen van de club van ons en hen allen zo gelijkwaardige Gerrit Zalm, en zo zijn er
meer geloofsafvalligen van - met dank aan
hoofdredacteur Donkers - werkelijk kwaliteitsmenselijk
formaat.
Nu is geloofsafval natuurlijk
gebaseerd op het verwerven van een nieuw geloof, en wel één
waar op wat plaatsen "niet"
staat waar men eerst dacht dat het daar er ook niet hoorde,
als men er al over nadacht, en is het vooral de afvalligheid die sociaal is,
want het zijn de medestanders, de medegelovers, wellicht de stam of
kerk of familie of partij van weleer, die de nieuw-gelovige afvalt, in
hun ogen althans. (*)
Dit is gewoonlijk ook wat
geloofsafval moeilijk maakt, vooral als het een geloof betreft
waar men in is opgevoed of lang in verkeerd heeft en met andere leden
waarvan men veel sociale omgang heeft (en heel wel mogelijk mee
getrouwd of verzwagerd kan zijn).
Er is redelijk wat literatuur over
geloofsafval, waarvan "The God that failed" Ed. R. Crossman
waarschijnlijk het best is, althans van wat ik las, te hooi en te gras,
en niet alleen in verband met het communisme,
maar ook niet echt systematisch. "The
God that failed" bevat essays van een stel
intelligente en welschrijvende ex-communisten en is redelijk leerzaam.
Maar hoewel ik psychologie en
filosofie gestudeerd heb c.q. redelijk tot veel in die onderwerpen las (**), kan ik mij geen echt goede algemene
verhandeling over geloofsafval heugen, wat waarschijnlijk met de
ingewikkeldheid en veelvormigheid ervan samenhangt en met de idem
ingewikkeldheid en veelvormigheid van menselijk geloof.
Nu wat meer persoonlijker en uit het
genoemde artikel in de NRC:
In Karels geval was de breuk met
het geloof van zijn jeugd een moeizame, aarzelende onderneming. Met het
verschijnen van de eerste twee delen van Verzameld Werk kan de lezer
die cruciale fase uit zijn leven nauwgezet volgen.
En wat verderop
In een verhaal dat hij volgens de
zorgvuldige annotaties van dit Verzameld Werk in 1949 of 1950 schreef,
en dat als een eerste serieuze poging tot een roman gelezen kan worden,
stelde hij zich voor dat hij zelf in een cel in een Moskouse cel was
beland, en door de Nederlandse kameraden onmiddellijk voor verrader
werd aangezien. 'Eindelijk vrij! Plicht, fatsoen, sloomheid, gewoonte,
lafheid, kameraadschap, - ik weet niet wat mij tot dusverre weerhouden
heeft in enig opzicht duidelijk stelling tegen ze te nemen. Misschien
vooral dat het kamp der "anderen" me zo weinig aantrok. Nu ze me in
onbeschofte bewoordingen het vijandelijk kamp intrappen, ben ik vrij om
te spreken, lijkt het.'
Karel van het Reve - dus, voor
jongere lezers: de oudere, intelligentere, weldenkender en
welschrijvender (***) atheïstische
broer van de Markies Gerard van, analistisch Katholiek Volksschrijver,
en trouwens ook beter gestudeerd, en later professor Slavistiek - was
ondertussen 28 of 29, en zal "The God that failed" dat ik
hierboven noemde hebben gelezen, want dat kwam in 1948 uit en was snel
beroemd.
Dat verbaast me dus
enigszins, dat hij al zo oud was, vergelijkenderwijs, ook al omdat
Karel ontegenzeggelijk een intelligente man was, en moedig ook, want
hij durfde manuscripten van Sacharov en later Boekovski
uit de Sovjet-Unie te smokkelen.
Voor mij lag het allemaal nogal
ànders, maar ik ben bijna 30 jaar jonger dan Karel en wist zelf al heel
vroeg, vergelijkenderwijs, namelijk vanaf mijn 16e of 17e, dat ik filosofie en logica c.q. menselijk
redeneren wilde bestuderen, omdat ik me op mijn 15e zelfstandig
realiseerde dat kunnen redeneren,
zowel goed als fout, centraal was voor mens-zijn,
voor verklaringen,
voor begrip, voor
kennis, en voor
wetenschap, en ik las dus vrijwel zeker veel meer in deze
richtingen dan Karel.
Ook had (en heb) ik kennelijk wat individualistischer
opvattingen over veel dingen dan veel mensen, die - onder andere - ertoe
leidden dat ik op mijn achtste niet lang op een communistisch
kindervakantie-kamp was en op mijn veertiende alleen niet uit een
Oostduits kindervakantie-kamp
voor Junge Pioniere was gegooid vanwege mijn uitgesproken ideeën omdat ik in
het ziekenhuis terecht kwam.
In beide gevallen waren het - zag ik
pas een heel stuk later, want ik kende de hele
term toen niet - vooral de totalitaire
aspecten die mij tegenstonden.
En dat is het tweede verbazende punt:
Dat dit totalitaire
aspect maar zo weinig mensen die eraan blootgesteld werden
trof, of althans: zo trof als het mij trof, namelijk als
onaangename collectivistische discipline - alweer: doe maar gewoon, dan
doe je al gek genoeg; als een soort verbod om zelfstandig na te denken;
en als een soort dwang of groepspraktijk
om alles aldoor in dezelfde,
volgens mij gewoonlijk lelijke en domme, bewoordingen te gieten.
Dergelijke mensen waren er natuurlijk
wel, maar niet of nauwelijks als (praktiserend) lid van de communistische beweging.
Maar goed - ik zei dat dit een wat
persoonlijk meditatief stukje was, dat vooral komt omdat het me
verbaast dat het Karel van het Reve zo lang
kostte om het communisme te doorzien.
Ook zei ik dat het stukje niet lang
zou zijn en blijk ik een en ander dit jaar al enigszins besproken te
hebben, en wel in Die Partei hat
tausend Augen - 7 en Hoe ik tot de
filosofie en de psychologie kwam.
En als wel vaker in mijn stukjes
vindt u het meeste dat ik in dit verband hier zou hebben kunnen zeggen
in de links, vaak maar niet alleen naar mijn
Philosophical Dictionary.
Meer Lob der Partei

(*) Even voor de
goede logische orde, omdat religieus gelovigen graag
mogen argumenteren langs een verwante lijn, namelijk "dat wie niet
gelooft even zo goed gelooft als wie wel gelooft", zodat dit geen
argument tegen het religieus geloof kan zijn: Nee, want het verschil
zit 'm niet in "geloof" maar in "niet", en godsgelovers geloven
dat er iets is waarvan ik geloof dat het er niet is. En
dat laatste is aanmerkelijk bescheidener waar het de inhoud en
omvang van al dat bestaat aangaat. Verder zie: Ockham's
Razor, dat in verband met Sinterklazerij
en zo heel handig kan zijn.
(**) Anders dan
velen die deze studies ook de afgelopen veertig jaren in Nederland
afmaakten, die zelden veel lazen, ook niet in hun academische
specialismes, en als ze veel lazen dat dan vaak in zulke verheffende literatuur als de
Nederlandse deden, als Voskuil, Verhagen, Schierbeek, Bernlef,
Mulisch en Gerard markies van het Reve (zie volgende noot).
(***) In dit
verband, ook uit de NRC van heden, een dissidente opvatting van A.L.
Snijders, recent bekend Nederschrijver, mij onbekend, in een interview:
Wat moet dat een verschrikkelijk
moment geweest zijn voor Harry Mulisch - een klein talent dat zich al
in zijn jeugd had voorgenomen de grootste van alles en allen te worden
- toen hij merkte dat hij in dezelfde taal, tijd en cultuur leefde als
Gerard vh Reve. Ik voel welgemeende deernis.
Ik citeer het omdat ik het zo
typerend vind voor Nederschrijvers onder en over elkaar, en overigens
omdat wie Harry Mulisch of Gerard vh Reve
voor maatgevend in enig (positief) opzicht aanziet ... nou ja, ik
begrijp ook dàt niet, afgezien van een combinatie van algehele talige
toondoofheid en totale onwetendheid over buitenlandse schrijvers, àls Multatuli
dan écht te moeilijk is.
Waarom zien zo weinig Nederlanders
dat Nederland maar een heel klein land en een heel
klein taalgebied is; dat er in veel andere talen bijzonder fraai geschreven is, met
veel schrijvers die in Nederland eenvoudig geen
gelijken hebben; en dat als
Nederland dan bijzonder is op kunstgebied het toch vooral op schildergebied
is en niet op schrijfgebied?
Ik bedoel: Het is maar een tip,
want ik heb veel gehad aan schrijvers van over de grens (van allerlei
aard, niet primair of alleen literaire, trouwens) en vergelijkenderwijs
veel minder van schrijvers in het Nederlands, afgezien van Multatuli.